esc Alfa Romeo Giulia 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2017, Model line: Giulia, Model: Alfa Romeo Giulia 2017Pages: 232, PDF Size: 3.89 MB
Page 31 of 232

De eerste keer dat het grootlicht wordt
ingeschakeld (door de linkerhendel naar
voren te duwen), wordt de functie
ingeschakeld (groen controlelampje
of hetsymbool gaat branden op
het instrumentenpaneel).
Als het grootlicht daadwerkelijk brandt,
gaat ook het blauwe controlelampje/
pictogram
op het instrumentenpaneel
branden.
RICHTINGAANWIJZERS
Beweeg de linker hendel fig. 30 zo ver
mogelijk (onstabiele stand):
omhoog: rechter richtingsignaal
ingeschakeld, het waarschuwingslampje
knippert op het instrumentenpaneel;
omlaag: linker richtingsignaal
ingeschakeld, het waarschuwingslampje
knippert op het instrumentenpaneel;
De richtingaanwijzers worden
automatisch uitgeschakeld als het
stuurwiel weer wordt rechtgezet.
"Rijbaanwissel"-functie
Wanneer u een wijziging van rijstrook wilt
signaleren, beweeg de hendel dan tot aan
de eerste impuls (ongeveer halverwege
de slag).
De richtingaanwijzer aan de gekozen kant
knippert vijf maal en wordt vervolgens
automatisch uitgeschakeld.
SBL-FUNCTIE (Statische
bochtverlichting)
(indien aanwezig)
De SBL-LEDs schakelen in om de weg
beter te verlichten en de lichthoek bij het
draaien te vergroten. Deze functie wordt
ingeschakeld door de lichtschakelaar te
draaien naar stand
ofAUTODe
SBL-LEDs schakelen in als de snelheid
hoger is dan 20 km/h en de stuurradius
onder de 500 m is.
HOOGTEREGELING KOPLAMPEN
Hoogteregeling koplampen
(indien aanwezig)
Dit apparaat is niet beschikbaar op
voertuigen uitgerust met Xenon
koplampen (Bi-Xenon 35 W
koplampversie), omdat deze een
automatisch
hoogteregelingscorrectiesysteem
vereisen.
Dit werkt alleen met de startinrichting in
de stand ON.Om deze te verstellen, draai aan de
ringmoer fig. 31.
Stand 0: een of twee personen op de
voorstoelen;
Stand 1: 4 of 5 passagiers;
Stand 2: 4 of 5 passagiers + bagage in
de bagageruimte
Stand 3: bestuurder + maximum
toegestane lading uitsluitend in de
bagageruimte.
BELANGRIJK Controleer de afstelling
van de koplampen elke keer als het
gewicht van de te vervoeren lading
verandert.
3104126S0015EM
29
Page 32 of 232

INSTELLING LICHTSTERKTE
INSTRUMENTENPANEEL EN
SYMBOLEN BEDIENINGSTOETSEN
Draai, met ingeschakeld stadslicht of
koplampen, bedien de ringmoer
fig. 32 omhoog om de lichtsterkte van
het instrumentenpaneel en de symbolen
op de bedieningstoetsen te verhogen, of
draai de ring omlaag om de lichtsterkte te
verlagen. De bediening wordt gepulseerd
zodat voor elke actie de niveau-
intensiteit toeneemt/afneemt, tot een
maximum van zeven.
BELANGRIJK
17)De dagverlichting is een alternatief voor
het dimlicht in landen waarin het verplicht is
om de lichten overdag in te schakelen, waar
dit niet verplicht is, is het gebruik van de
dagverlichting toegestaan.18)De dagverlichting mag het dimlicht niet
vervangen tijdens het rijden in het donker en
in tunnels. Het gebruik van de dagverlichting
wordt geregeld door de
wegenverkeerswetgeving van het land waar
u rijdt. Neem de wettelijke voorschriften in
acht.
INTERIEURVERLICHTING
PLAFONDVERLICHTING VOOR
Schakelaar 1 fig. 33 schakelt lampje
8 aan/uit.
Schakelaar 2 wordt gebruikt om de
plafondverlichting aan en uit te
schakelen.
Schakelaar 3 schakelt alle verlichting
in de plafondverlichting (voor en achter)
in het passagiersgedeelte aan/uit.
Schakelaar 4 activeert of deactiveert
het aan-/uitschakelen van de
plafondverlichtingen 6, 7, 8 bij het
openen/sluiten van de portieren. De
verlichting gaat geleidelijk aan/uit.
Schakelaar 5 schakelt lampje
6 aan/uit.
3204126S0016EM
3304136S0001EM
30
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 34 of 232

Automatische wis-/wasregeling
Trek de hendel naar het stuur (onstabiele
stand) om de ruitensproeier in te
schakelen.
Houd de hendel aangetrokken om zowel
de ruitensproeier als de ruitenwisser in
één enkele beweging automatisch in te
schakelen.
Als de hendel wordt losgelaten, stopt de
ruitenwisser na drie slagen.
Na circa 6 seconden volgt nog een extra
reinigingsslag.
REGENSENSOR
Deze bevindt zich achter de
achteruitkijkspiegel, in contact met de
voorruit en detecteert de aanwezigheid
van regen en regelt het wissen van de
voorruit aan de hand van de hoeveelheid
water op de ruit.
Inschakelen/uitschakelen
9) 10)
Door het draaiknopje fig. 34 naar stand
ofte draaien, wordt de
regensensor geactiveerd.
Als de regensensor wordt ingeschakeld,
maken de ruitenwissers één wisslag.
(aanduidend dat de opdracht is
aangenomen).
Gebruik het draaiknopje fig. 34 of draai
de startinrichting op STOP.Als de startinrichting naar de stand STOP
wordt gedraaid, terwijl draaiknopje
fig. 34 in in
ofstaat, zal er,
wanneer het voertuig weer wordt gestart
(startinrichting in stand ON), geen
wiscyclus worden uitgevoerd, ook al
regent het.
19)
BELANGRIJK
19)Zorg ervoor dat het systeem is
uitgeschakeld als de voorruit moet worden
schoongemaakt.
BELANGRIJK
7)Gebruik de ruitenwissers nooit om
opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te
verwijderen. Onder dergelijke
omstandigheden wordt bij overbelasting van
de ruitenwisser de beveiliging ingeschakeld,
waardoor de ruitenwisser enkele seconden
wordt uitgeschakeld. Als hierna de
ruitenwisser niet meer werkt, ook niet na de
motor opnieuw te hebben gestart, neem dan
contact op met het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
8)Schakel de ruitenwissers niet met van de
ruit opgeheven wisserbladen in.
9)Schakel de regensensor nooit in tijdens
een schoonmaakbeurt in een wastunnel.
10)Zorg ervoor dat het systeem is
uitgeschakeld als er ijs op de voorruit zit.
32
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 37 of 232

RUITMECHANISMEN
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING
20)
Zij functioneren met het contactslot
apparaat in de stand ON en ongeveer
3 minuten na de contactslot apparaat
naar de stand STOP is gedraaid. Wanneer
een van de voorportieren wordt geopend
wordt het systeem buiten werking
gesteld.
Bedieningselementen
bestuurdersportier
De bedieningstoetsen zitten op de
bekleding van het deurpaneel. Alle ruiten
kunnen bediend worden vanaf het
portierpaneel aan bestuurderszijde
fig. 36.
1: linker voorruit openen/sluiten.
"Continue automatische" werking tijdens
openen/sluiten en knelbeveiliging
ingeschakeld.
2: rechter voorruit openen/sluiten.
"Continue automatische" werking tijdens
openen/sluiten en knelbeveiliging
ingeschakeld.
3: rechter achtervenster
openen/sluiten. "Continue automatische"
werking tijdens openen/sluiten en
knelbeveiliging ingeschakeld.
4: inschakeling/uitschakeling
elektrische bediening achterste zijruiten;
5: linker achtervenster
openen/sluiten. "Continue automatische"
werking tijdens openen/sluiten en
knelbeveiliging ingeschakeld.
Ruit openen
Druk op de toetsen om de gewenste ruit
te openen.
Wanneer een van de openingstoetsen op
de voor- of achterportieren een keer kort
wordt ingedrukt, beweegt de ruit in
"stappen"; terwijl de knop een tweede
keer ingedrukt wordt, wordt de "continue
automatische" werking geactiveerd.
Als er opnieuw op de toets wordt
gedrukt, stopt de ruit in de gewenste
stand.Ruit sluiten
Trek de knoppen omhoog om de
gewenste ruit te sluiten.
Bij het sluiten van de ruit wordt dezelfde
werkingslogica als bij het openen
gebruikt, zowel voor de ruiten van de
voorportieren als die van de
achterportieren.
Knelbeveiliging ruit portier
Dit veiligheidssysteem kan de
aanwezigheid van een obstakel tijdens
het sluiten van de ruit herkennen. Als dat
gebeurt, wordt de beweging van de ruit
door het systeem gestopt en omgekeerd,
afhankelijk van de stand.
De knelbeveiliging is zowel tijdens de
handmatige als de automatische
bediening van de ruit actief.
Initialisatie elektrische ruitbediening
Als de stroomtoevoer is onderbroken,
moet de elektrische ruitbediening
opnieuw worden geïnitialiseerd.
De hieronder beschreven
initialisatieprocedure moet met gesloten
portieren en voor elk portier uitgevoerd
worden:
sluit de te initialiseren ruit volledig
met behulp van de handmatige bediening;
houd, nadat de ruit de bovenste
eindaanslag heeft bereikt, de
"omhoog"-toets minstens 3 seconden
ingedrukt.3604166S0001EM
35
Page 39 of 232

Druk op knop 3 fig. 37symbool: op
het dak volledig te openen.
Druk op knop 3
symbool: om het dak
volledig te openen.
De automatische beweging kan in elke
stand onderbroken worden door
nogmaals op knop 3 te drukken.
KNELBEVEILIGING
Het schuifdak is uitgerust met een
knelbeveiliging die tijdens het sluiten van
het dak een eventueel obstakel kan
herkennen: wanneer dit gebeurt,
onderbreekt het systeem de beweging en
wordt de beweging van het dak
onmiddellijk omgedraaid.
INITIALISATIEPROCEDURE
Automatische bediening van het
schuifdak moet opnieuw geinitialiseerd
worden in geval van foutieve bediening
van het schuifdak.
Ga als volgt te werk:
druk op knop 1 naast hetsymbool
om het dak in volledig gesloten stand te
zetten;
zet de startinrichting op STOP en
wacht minstens 10 seconden;
draai de startinrichting naar AVV;
houd knop 1 minstens 10 seconden
ingedrukt, daarna zou het mechanisch
stoppen van de motor van het dak
hoorbaar moeten zijn;
druk knop 1 binnen 5 seconden in: het
dak zal een volledige openings- en
sluitingscyclus uitvoeren (om aan te
geven dat de initialisatieprocedure
correct is uitgevoerd). Als dit niet
gebeurt, moet de procedure vanaf het
begin herhaald worden.
BELANGRIJK
21)Zorg ervoor dat u de sleutel meeneemt
als u het voertuig verlaat, om te voorkomen
dat onverwachtse bediening van het
schuifdak gevaar oplevert voor de
achtergebleven passagiers. Oneigenlijk
gebruik van het schuifdak kan gevaarlijk zijn.
Controleer voor en tijdens het bedienen
altijd of iemand kan worden verwond door
het bewegende schuifdak of door
voorwerpen die door het mechanisme
worden meegesleept of geraakt.
BELANGRIJK
11)Open het schuifdak niet als er een
imperiaal of dwarsstangen gemonteerd zijn.
Open het schuifdak niet als er sneeuw of ijs
op ligt: risico op beschadiging.
MOTORKAP
OPENEN
22) 23)
Ga als volgt te werk:
trek aan de ontgrendelingshendel in
het interieur, fig. 38;
ga naar de buitenkant van het voertuig
en plaats uzelf tegenover het rooster;
Til de motorkap lichtjes op van rechts
naar links als aangeduid op de pijl op de
ontgrendelingsinrichting, fig. 39;
3804196S0001EM
37
ELEKTRISCHE BEDIENING
DAKSCHERM VOOR
Het dakscherm voor wordt elektrisch
bediend.
Page 40 of 232

til de motorkap helemaal op: de
handeling wordt vergemakkelijkt door de
aanwezigheid van twee
gasschokabsorbeerders die hem in de
volledig open stand houden.
Kom nooit aan deze gasveren en begeleid
de motorkap tijdens het openen.
SLUITEN
22) 24)
Om dichterbij te komen verlaag de
motorkap tot op ongeveer 40 centimeter
van de motorruimte em laat het
vervolgens vallen. Controleer of de
motorkap volledig gesloten is en niet
alleen met de beveiliging is vergrendeld
door te proberen hem op te tillen. Als de
motorkap niet perfect gesloten is,
probeer dan niet erop te drukken maar
open hem opnieuw en herhaal de
handeling.
BELANGRIJK Controleer altijd of de
motorkap goed vergrendeld is om te
voorkomen dat deze tijdens het rijden
open gaat. Aangezien de motorkap
voorzien is van een dubbel
vergrendelingssysteem, aan elke kant
een, moet gecontroleerd worden of hij
aan beide kanten gesloten is.
BELANGRIJK
22)Verricht deze handelingen uitsluitend bij
stilstaande auto.
23)Gebruik beide handen om de motorkap
op te tillen. Controleer voordat de motorkap
wordt opgetild, of de armen van de
ruitenwissers wel tegen de ruit liggen en niet
in werking zijn, het voertuig stilstaat en de
handrem is aangetrokken.
24)Om veiligheidsredenen moet de
achterklep tijdens het rijden altijd goed
gesloten zijn. Controleer dus altijd of de
motorkap goed gesloten en vergrendeld is.
Mocht u tijdens het rijden merken dat de
motorkap niet goed vergrendeld is, stop dan
onmiddellijk en sluit de motorkap op de
correcte manier.
BAGAGERUIMTE
De ontgrendeling van de bagageruimte
gebeurt elektrisch en is uitgeschakeld
wanneer de auto rijdt.
In de bagageruimte bevindt zich op de
binnenbekleding van de kofferbak de
gevarendriehoek 1 fig. 42 .
OPENEN
Openen van buitenaf
Indien ontgrendeld kan de achterklep van
buitenaf geopend worden met de
elektrische openingsknop fig. 40 tussen
de plaatverlichting, tot de klik van het
ontgrendelen wordt gehoord of door het
tweemaal snel indrukken van de knop
op de afstandsbediening.
3904196S0002EM
4004056S0005EM
38
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 46 of 232

DISPLAY
BESCHRIJVING
Het voertuig kan uitgerust zijn met een 3,5" of 7" TFT Display.
HERCONFIGUREERBAAR TFT DISPLAY
Tijdens de werkzaamheden wordt het display verdeeld in meerdere secties die rijgegevens, waarschuwingen en storingsindicaties
tonen. fig. 46 toont het display-layout en identificeert de verschillende secties.
4605036S0001EM
44
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL
Page 47 of 232

1 Informatie over versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Geeft de volgende informatie weer over
de bediening van de versnellingsbak:
versnellingsbak schakelstanden (M, P,
R, N, D). Tijdens het gebruik van de
flippers aan het stuurwiel (indien
aanwezig) in de stand D, en handmatige
schakelen in de stand M wordt de
ingeschakelde versnelling op het
instrumenten display weergegeven. In de
M modus wordt bovendien met een pijl
aangegeven dat door- of
teruggeschakeld moet worden.
Handgeschakelde versnellingsbak
Geeft de volgende informatie weer over
de bediening van de versnellingsbak:
de ingeschakelde versnelling (1, 2, 3, 4,
5, 6, N of R) en geeft met een pijl aan dat
door- of teruggeschakeld moet worden.
2 Antibotssystemen, Voorzijde, zijkant,
Cruise Control
Geeft de bediening van de volgende
functie weer:
Forward Collision Warning (FCW);
Lane Departure Warning (LDW);
Cruise Control (CC) of Active Cruise
Control (ACC) (voor bepaalde
versies/markten).
Zie voor meer informatie de betreffende
hoofdstukken.3 Waarschuwingslampje
snelheidslimiet
Toont informatie over de Speed Limiter
functie.
Zie voor meer informatie de betreffende
hoofdstuk.
4 Hoofdmenu instelbaar
Kan de volgende schermen weergeven:
Start.
Trip A.
Trip B (kan worden ingeschakeld/
uitgeschakeld op het Connect-systeem)
Prestaties.
De schermen kunnen worden
geselecteerd, door rotatie, door te
drukken op de knop getoond in fig. 47.
Afhankelijk van de gekozen rijmodus
(Dynamic, Normal, Advanced Efficiency
en RACE), die geselecteerd kan worden
via het “Alfa DNA™ Pro”-systeem, kunnen
de schermen er grafisch anders uitzien.Navigatie-instructies en
oproepinformatie kunnen worden
herhaald, bovendien kunnen deze
functies worden ingesteld op het
Connectsysteem.
Start
De parameters weergegeven op het
display voor de functie: Dynamic, Normal
en Advanced Efficiency zijn:
Tijd fig. 48 of fig. 49 (op het 3.5" FT
display alleen getoond als de
Telefoonfunctie fig. 50 herhaalmodus
niet eerder ingeschakeld werd).
Buitentemperatuur (op het 3.5" FT
display alleen getoond als de
Telefoonfunctie herhaal functie niet
eerder ingeschakeld werd).
Huidige snelheid (getoond als de
herhaal functie van de Telefoon en
Navigatiefuncties niet eerder
geactiveerd werden).
Bereik (op het 3.5" FT display getoond
als de Radio en Media functies
herhaalmodi niet eerder ingeschakeld
werden).
4705036S0002EM
45
Page 48 of 232

3,5” TFT DISPLAY
7” TFT DISPLAYIn RACE-modus (voor bepaalde
versies/markten) is de verbruiksmeter
indicatie niet actief en wordt een
sportschakelindicator weergegeven. De
sportschakelindicator wordt
weergegeven door drie gele segmenten;
als de derde indicator, gekenmerkt door
de woorden "SHIFT" aan is, betekent dat,
dat de versnelling geschakeld dient te
worden.
7” TFT DISPLAYTripAenB
De "Trip computer" kan worden gebruikt
om, voor alle rijmodi (Dynamic, Normal,
Advanced Efficiency and RACE) en met
de startinrichting AAN, de maten weer te
geven betreffende de werkingsstatus
van het voertuig. Met deze functie
kunnen twee afzonderlijke ritten worden
aangemaakt, “Trip A” en Trip B” genaamd
(deze laatste kan worden uitgeschakeld
door Connect-systeem), waarmee "
volledige ritten" van de auto worden vast
gelegd. Beide functies werken
onafhankelijk van elkaar.
“Trip A” en “Trip B” worden gebruikt om
informatie weer te geven over:
Afgelegde weg
Gemiddeld brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
Actieve trip
Brandstofverbruikindicator (enkel 7"
TFT Display)
4805036S0003EM
4905036S0104EM
5005036S0030EM
5105036S0005EM
46
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL
Page 50 of 232

7” TFT DISPLAY
De drie middelste pictogrammen op het
scherm geven de doeltreffendheid van de
rijstijl weer, gekoppeld aan de volgende
parameters: acceleratie, deceleratie en
versnellingen, met als doel
verbruiksvermindering. De balk onder de
pictogrammen toont het huidige verbruik
en de groene lijn staat voor het optimale
gebied. De wereldbol (7" TFT-display)
gaat geleidelijk aan branden afhankelijk
van de vermindering van het verbruik.
Dynamic,3,5” TFT DISPLAY
7” TFT DISPLAY
De weergegeven parameters zijn
gekoppeld aan de voertuigstabiliteit, de
grafieken illustreren de trend van de
G-krachten (G-meter informatie), en
beschouwen zwaartekrachtacceleratie
als een referentie-unit.Laterale acceleratiepieken worden ook
aangegeven.
Race (voor bepaalde versies/markten),
7” TFT DISPLAY
De weergegeven parameters zijn
gekoppeld aan de voertuigstabiliteit, de
grafieken illustreren de trend van de
G-krachten (G-meter informatie), en
beschouwen zwaartekrachtacceleratie
als een referentie-unit.
Laterale en longitudinale
acceleratiepieken worden ook
aangegeven fig. 61.
5 Kompas
Geeft de richting weer van de
bestemming.
6 Kilometerteller
Geeft het totaal aantal gereden
kilometers(of mijl) aan.
5805036S0111EM5905036S0012EM
6005036S0113EM
6105036S0014EM
48
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL