esc Alfa Romeo Giulia 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2017, Model line: Giulia, Model: Alfa Romeo Giulia 2017Pages: 232, PDF Size: 3.89 MB
Page 17 of 232

PORTIEREN
DE PORTIEREN VER-/ONTGRENDELEN
VAN BINNENUIT
Centrale vergrendeling/ontgrendeling
Als alle portieren goed gesloten zijn
worden ze automatisch vergrendeld
zodra het voertuig de snelheid van ong.
20 km/h overschrijdt (functie
"Automatische vergrendeling"
ingeschakeld).
Druk op de knop
op het paneel van het
bestuurdersportier fig. 5 of van het
passagiersportier, of van de
achterportieren (indien aanwezig) om de
portieren te vergrendelen.
Druk bij vergrendelde portieren op knop
op het paneel van de voorportieren
om ze te ontgrendelen.
PORTIEREN VERGRENDELEN/
ONTGRENDELEN VAN BUITENAF
De portieren vergrendelen van buitenaf
Druk, bij gesloten portieren, op de toets
op de sleutel.
Het portierslot kan in ieder geval bediend
worden met alle portieren vergrendeld en
de achterklep geopend. Wanneer knop
op de sleutel wordt ingedrukt, worden
alle sloten vergrendeld, met inbegrip van
het slot van de geopende achterklep.
Deze laatste wordt vergrendeld wanneer
deze wordt gesloten.
2)
Portieren ontgrendelen van buitenaf
Druk op knop
van de sleutel.
PASSIVE ENTRY(indien aanwezig)
3)
Het Passive Entry-systeem kan de
aanwezigheid van een elektronische
sleutel in de buurt van de portieren en de
achterklep identificeren.
Met het systeem kunnen de portieren (of
de achterklep) vergrendeld/ontgrendeld
worden zonder welke toets op de
elektronische sleutel dan ook te hoeven
indrukken.
De sleutel wordt pas gedetecteerd nadat
het systeem de aanwezigheid van een
hand herkent in een van de voorste
handgrepen. Als de gedetecteerdesleutel geldig is, worden de portiers en de
bagageruimte ontgrendeld (de
elementen die openen hangen af van de
instellingen op het Connectsysteem).
Waar de functie aanwezig is, worden door
het vastpakken van de handgreep van het
bestuurdersportier alle portieren
geopend, afhankelijk van de via het menu
van het display of de met het
Connectsysteem ingestelde modus.
Portiervergrendeling
Ga als volgt te werk om de portieren te
vergrendelen:
verzeker u ervan dat u in het bezit
bent van de elektronische sleutel en
dichtbij de handgreep van het portier aan
bestuurders- of passagierszijde staat;
druk op de "portiervergrendeling"
knop fig. 6 op de handgreep of de knop
fig. 7 op de achterklep bij de knop voor
het openen: alle portieren en de
achterklep worden vergrendeld. Door de
portieren te vergrendelen wordt ook het
alarm geactiveerd (indien aanwezig).
504056S0001EM
15
Page 19 of 232

ELEKTRISCH SLOT(indien aanwezig)
6)
Deze veiligheidsvoorziening verhindert
de werking van de binnenhandgrepen en
de toets voor vergrendeling/
ontgrendeling van de portieren.
Hiermee wordt voorkomen dat de
portieren vanuit het interieur geopend
kunnen worden, bijvoorbeeld bij een
inbraakpoging (ingeslagen ruit).
Wij adviseren u om deze voorziening in te
schakelen elke keer als het voertuig
geparkeerd wordt.Het systeem inschakelen
Het systeem wordt op alle portieren
ingeschakeld door twee keer snel op de
toets op de sleutel te drukken.
De richtingaanwijzers knipperen 3 keer
om u te laten weten dat het systeem
ingeschakeld is.
Als een of meer portieren niet goed
gesloten zijn, treedt het systeem niet in
werking: zo wordt voorkomen dat iemand
via het geopende portier het interieur van
het voertuig kan betreden en, als het
portier vervolgens wordt gesloten, het
voertuig niet meer kan verlaten.
Het systeem uitschakelen
Het systeem wordt in de volgende
gevallen automatisch uitgeschakeld:
wanneer de portieren ontgrendeld
worden (door op de knop
op de sleutel
met afstandsbediening te drukken);
wanneer de startinrichting op ON
wordt gezet.
KINDERSLOT
7) 8)
Dit systeem zorgt ervoor dat de
achterportieren van binnenuit niet
geopend kunnen worden. Het systeem
fig. 11 kan alleen bij geopende portieren
worden ingeschakeld.
stand: kinderslot ingeschakeld
(portier vergrendeld);
stand: kinderslot uitgeschakeld
(portier kan van binnenuit worden
geopend).
Het kinderslot blijft ingeschakeld ook als
de portieren elektrisch ontgrendeld
worden.
BELANGRIJK De achterportieren kunnen
niet van binnenuit worden geopend als
het kinderslot is ingeschakeld.
DE PORTIEREN ONTGRENDELEN MET
EEN LEGE ACCU
Ga als volgt te werk om de portieren te
ontgrendelen als de accu van het voertuig
leeg is.
1004056S0004EM1104056S0007EM
17
Page 20 of 232

Achterportieren en passagiersportier
Ga als volgt te werk:
breng de metalen baard van de
elektronische sleutel in de behuizing van
het loslaatapparaat fig. 12;
draai de sleutel rechtsom voor de
rechterportiervergrendelingen of
linksom voor de
linkerportiervergrendelingen;
verwijder de leiding uit de behuizing.
Ga als volgt te werk om het
portiervergrendelingsapparaat opnieuw
uit te lijnen (alleen wanneer de
batterij-oplading hersteld is):
druk op toetsvan de elektronische
sleutel;
druk op de toetsop het
portierpaneel;
openen door de sleutel in het
portierslot van het bestuurdersportier te
steken;
trek aan de binnenhandgreep van het
portier.
BELANGRIJK voor de achterportieren,
als bij ingeschakeld kinderslot en de
eerder beschreven vergrendelingswijze
de binnenhandgreep van een
achterportier wordt bediend, lukt het niet
om het portier te openen en wordt alleen
het ontgrendelingssysteem opnieuw
uitgelijnd. Het portier kan alleen worden
geopend met de buitenhandgreep. De
centrale
vergrendeling/ontgrendelingsknoppen
van de portieren worden niet
uitgeschakeld wanneer de
noodvergrendeling is ingeschakeld.
BELANGRIJK
6)Als het Power Lock systeem is
ingeschakeld, dan is het niet meer mogelijk
om de portieren vanuit het interieur te
openen. Controleer daarom, voordat de auto
wordt verlaten, of er niemand meer in de
auto aanwezig is.
7)Laat kinderen NOOIT zonder toezicht
achter in de auto, laat staan dat u de auto
verlaat met ontgrendelde portieren op een
plaats die gemakkelijk toegankelijk is voor
kinderen. Kinderen kunnen zich ernstig of
zelfs dodelijk verwonden. Zorg er ook voor
dat kinderen de elektrische parkeerrem, het
rempedaal of de pook van de
versnellingsbak niet per ongeluk kunnen
bedienen.8)Gebruik dit systeem altijd wanneer er
kinderen worden vervoerd. Controleer na
inschakeling van het kinderslot bij beide
achterportieren of het slot daadwerkelijk is
ingeschakeld door aan de handgreep aan de
binnenzijde van de portieren te trekken.
BELANGRIJK
2)Verzeker u ervan de sleutel mee te nemen
nadat een portier of de achterklep is
vergrendeld, om te voorkomen dat de sleutel
zelf in het voertuig wordt vergeten. Als de
sleutel binnen is opgesloten, kan hij alleen
teruggekregen worden met de bijgeleverde
tweede sleutel.
3)De werking van het herkenningssysteem
is afhankelijk van verschillende factoren,
zoals bijvoorbeeld elke interferentie van
elektromagnetische golven van externe
bronnen (bijv. mobiele telefoons), de
laadtoestand van de batterij in de
elektronische sleutel en de aanwezigheid van
metalen voorwerpen in de buurt van de
sleutel of het voertuig. In die gevallen is het
nog steeds mogelijk de portieren te
ontgrendelen met behulp van de metalen
baard in de elektronische sleutel (zie
beschrijving op de volgende pagina's).
1204056S0008EM
18
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 23 of 232

Na een verwarmingsniveau te hebben
gekozen, moet u enkele minuten wachten
voordat warme lucht in het interieur
stroomt.
BELANGRIJK Om de acculading te
behouden, kan deze functie niet
ingeschakeld worden als de motor uit
staat.
ACHTERBANK
11)
Er kunnen drie passagiers op de
achterbank zitten.
GESCHEIDEN INKLAPBARE
ACHTERBANK
(indien aanwezig)
De bagageruimte kan gedeeltelijk (1/3 of
2/3) of volledig worden uitgebreid door
de achterbank te scheiden.Gedeeltelijke uitbreiding van de
bagageruimte (1/3 of 2/3)
6)
Bij het uitbreiden van de bagageruimte
aan de rechterkant, kunnen er twee
passagiers links op de achterbank
plaatsnemen. Bij het uitbreiden van de
bagageruimte aan de linkerkant kan er
slechts één passagier plaatsnemen.
Ga als volgt te werk:
zet de hoofdsteunen van de
achterstoelen helemaal naar beneden;
plaats de veiligheidsgordel zo dat het
de beweging van de rugleuning niet
verhindert terwijl deze wordt gekanteld;
bedien hendel 1 fig. 19 (in de
bagageruimte) om het linkerdeel of
hendel 2 om het rechterdeel van de
rugleuning in te klappen: dit zal
automatisch naar voren klappen.
Begeleid, indien nodig, de rugleuning
tijdens het eerste deel van het inklappen.Terugzetten van de rugleuningen
Beweeg de veiligheidsgordels naar de
zijkant en zorg ervoor dat ze correct
worden verlengd en niet gedraaid en dat
ze niet achter de rugleuningen van de
stoelen vast blijven zitten. Haal dan de
rugleuningen omhoog door ze terug te
duwen totdat u de vergrendelingsklik
hoort van beide aansluitmechanismen.
12)
Middelste rugleuning gedeelte
neerklappen
Alvorens de rugleuning in te klappen,
zorgen dat de achterste centrale
veiligheidsgordel niet is omgelegd en er
geen voorwerpen zijn op het middelste
deel van het achterbankkussen (indien
aanwezig, deze verwijderen).
1704066S0005EM
1804066S0005EM1904066S0007EM
21
Page 24 of 232

Bij gebruik van het systeem fig. 20 het
centrale deel van de rugleuning uit zijn
behuizing losmaken en deze kantelen met
gebruik van de hoofdsteun.
Middelste rugleuning gedeelte
terugzetten
Met gebruik van de hoofdsteun de
centrale positie omhoog brengen en deze
begeleiden tijdens de beweging ervan,
druk licht om ervoor te zorgen dat deze
goed vast zit. Zorg ervoor dat die goed
vast zit door te proberen deze te
bewegen, als hij niet vast zit, de handeling
herhalen.
BELANGRIJK
9)Voer de aanpassingen alleen uit wanneer
de auto stilstaat.10)Controleer na het loslaten van de hendel
of de stoel goed geblokkeerd is door te
proberen hem naar voren en naar achteren
te schuiven. Als de stoel niet geblokkeerd is,
kan hij plotseling verschuiven met mogelijk
controleverlies over de auto tot gevolg.
11)Zorg er altijd voor dat iedereen in de
auto zit en hun veiligheidsgordels correct om
heeft.
12)Zorg ervoor dat de rugleuningen aan
beide zijden goed zijn vergrendeld om te
voorkomen dat deze bij bruusk remmen naar
voren kunnen klappen en zo eventueel de
passagiers kunnen verwonden.
BELANGRIJK
4)De bekleding van uw voertuig is
ontworpen om bestand te zijn tegen slijtage
bij normaal gebruik van het voertuig. Er
moeten wel enkele voorzorgsmaatregelen
getroffen worden. Vermijd excessief schuren
tegen kledingaccessoires zoals metalen
gespen en klittenband die, als ze veel druk
uitoefenen in een klein gebied, zouden
kunnen afbreken, met beschadiging van de
bekleding als gevolg.
5)Plaats geen enkel type items onder de
elektrisch afgestelde stoelen, omdat deze
hun beweging kunnen verhinderen of de
bedieningselementen op andere wijze
kunnen beschadigen.
6)Verwijder voordat de rugleuning wordt
ingeklapt alle voorwerpen die op de zitting
liggen.
HOOFDSTEUNEN
INSTELLINGEN
13)
De hoofdsteunen kunnen in hoogte
versteld worden: ga hiervoor als volgt te
werk.
Omhoog verstellen: breng de hoofdsteun
omhoog tot deze op zijn plaats vastklikt.
Omlaag verstellen: druk op knop 1
fig. 21 (voorste hoofdsteunen) of 1
fig. 22 (zijhoofdsteunen) en breng de
hoofdsteun omlaag.
BELANGRIJK Voor maximale
zichtbaarheid voor de bestuurder,
worden de hoofdsteunen naar de
ruststand, volledig omlaag, gebracht
indien deze niet worden gebruikt.
2004066S0008EM
2104076S0001EM
22
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 25 of 232

HOOFDSTEUNEN (verwijderen)
Ga als volgt te werk om de hoofdsteunen
te verwijderen:
trek de hoofdsteunen tot hun
maximumhoogte uit;
druk op de knop 1 en mechanisme 2
fig. 21 (voorste hoofdsteunen) of 1 en 2
fig. 22 (achterste hoofdsteunen) aan de
zijde van de twee steunen, en verwijder
de hoofdsteunen door ze omhoog te
trekken.
BELANGRIJK
13)De hoofdsteunen moeten zodanig
versteld worden dat het hoofd en niet de nek
er tegenaan steunt. Alleen op deze manier
oefenen ze hun beschermende werking uit.
Elke verwijderde hoofdsteun moet weer
correct op zijn plaats gezet worden, om de
inzittenden in geval van een aanrijding te
beschermen: volg bovenstaande
aanwijzingen op.
STUURWIEL
14) 15)
INSTELLINGEN
Het stuurwiel kan zowel omhoog als
omlaag versteld worden.
Verstel de stand door de hendel 1
fig. 23 omlaag te drukken in stand A
waarna het stuurwiel in de gewenste
stand kan worden versteld en daarin
vergrendeld, door de hendel 1 weer in
2204076S0002EM
2304086S0001EM
23
stand B te brengen.
Page 26 of 232

ELEKTRISCHE VERWARMING
STUURWIEL
(indien aanwezig)
Met de startinrichting op ON, druk op de
fig. 24 knop op het controlepaneel
van de airconditioning.
Wanneer de functie ingeschakeld wordt,
gaat de led op de knop branden.
BELANGRIJK Als deze functie wordt
ingeschakeld terwijl de motor
uitgeschakeld is, kan de accu leeglopen.
BELANGRIJK
14)De verstelling mag alleen bij stilstaande
auto en uitgeschakelde motor gebeuren.15)After-market werkzaamheden waarbij
wijzigingen van de stuurinrichting of de
stuurkolom betrokken zijn (bijv. bij montage
van een alarmsysteem) zijn ten strengste
verboden. Dergelijke werkzaamheden
kunnen de prestaties van het systeem en de
garantie in gevaar brengen en het kan ook
ERNSTIGE VEILIGHEIDSPROBLEMEN
veroorzaken of erin resulteren dat de auto
niet meer aan de typegoedkeuring voldoet.
ACHTERUITKIJKSPIEGELS
BINNENSPIEGEL
Gebruik hendel fig. 25 om de spiegel in
twee standen te zetten: normaal of
anti-verblindingsstand.
Deze spiegel is voorzien van een
beveiligingsmechanisme dat ervoor zorgt
dat de spiegel losschiet bij een heftige
botsing met de passagier.
ELEKTRISCH DIMBARE
ACHTERUITKIJKSPIEGEL
(indien aanwezig)
Bij sommige versies is een elektrisch
dimbare spiegel leverbaar, die
automatisch de reflecterende werking
kan wijzigen om verblinding van de
bestuurder te voorkomen fig. 26.
2404086S0002EM
2504106S0001EM
24
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 28 of 232

door middel van een nieuwe bediening op
hetzelfde apparaat.
BELANGRIJK De spiegels moeten tijdens
het rijden altijd geopend zijn en mogen
nooit ingeklapt zijn.
ELEKTRISCH DIMBARE
BUITENSPIEGELS
(indien aanwezig)
Net als een achteruitkijkspiegel, is een
elektrisch dimbare spiegel ook
beschikbaar op sommige versies, die zijn
reflecterende eigenschappen
automatisch aanpast om oogverblinding
van de bestuurder te voorkomen. De
oogverblindingpreventie elektrochrome
inschakel-/uitschakelknop fig. 26 is
dezelfde voor alle achteruitkijkspiegels.
BELANGRIJK
16)Omdat de buitenspiegels gebogen zijn,
kunnen zij uw perceptie van de afstand
enigszins wijzigen.
BUITENVERLICHTING
LICHTSCHAKELAAR
De lichtschakelaars fig. 29, die zich op de
linkerzijde (versies met stuur links) of op
de linkerzijde (versies met stuur rechts)
van het dashboard bevindt, worden de
koplampen, het stadslicht, de
dagrijlichten, het dimlicht, de mistlampen,
mistachterlichten en de regeling
lichtsterkte instrumentenpaneel en de
symbolen op de bedieningsknoppen
bediend.
De externe lampen kunnen alleen worden
ingeschakeld wanneer de startinrichting
in de ON positie staat, behalve voor
parkeerlichten. Zie de "Parkeerlichten"
paragraaf, in dit hoofdstuk voor meer
informatie.Het instrumentenpaneel en de
verschillende bedieningstoetsen op het
dashboard worden verlicht wanneer de
buitenverlichting wordt ingeschakeld.AUTO-FUNCTIE (schemersensor)
Dit is een infrarood-ledsensor die samen
met de regensensor werkt en die zich op
de voorruit bevindt. Deze kan variaties in
het buitenlicht detecteren op basis van
de lichtgevoeligheid die ingesteld is via
het Connectsysteem.
Hoe hoger de gevoeligheid, des te minder
buitenlicht is er nodig om de verlichting in
te schakelen.
Inschakeling van de functie
Draai de lichtschakelaar naar AUTO.
BELANGRIJK De functie kan alleen
worden ingeschakeld met de
startinrichting in stand AAN.
Uitschakeling van de functie
Om de functie uit te schakelen, draai de
lichtschakelaar naar een andere stand
dan AUTO.
DIMLICHT
Draai de lichtschakelaar naarom het
stadslicht, de verlichting van het
instrumentenpaneel en het dimlicht in te
schakelen.
Het
controlelampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
2904126S0005EM
26
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 29 of 232

DAGVERLICHTING (DRL) EN
STADSLICHT
(indien aanwezig)
17) 18)
Met de startinrichting op ON gedraaid en
de lichtschakelaar in standOgedraaid,
gaat de dagverlichting automatisch aan;
de andere lichten en de binnenverlichting
blijven uit.
Waar voorzien, indien de
richtingaanwijzers worden bediend, zal
de helderheid van de overeenkomende
DRL worden afgenomen zolang de
richtingsaanwijzers aan zijn.
Waar voorzien kan de DRL worden
ingeschakeld/uitgeschakeld via het
Connectsysteem, door het selecteren van
de volgende functies in volgorde op het
hoofdmenu: "Instellingen", "Verlichting"
en "Dagverlichting".
BELANGRIJK : op markten waar DRL
gebruik niet vereist is, werken deze
verlichtingen als zijverlichtingen en
worden deze in en uitgeschakeld samen
met de grootlicht koplampen.MISTLAMPEN VOOR
(indien aanwezig)
De schakelaar voor de mistlampen is
ingebouwd in de lichtschakelaar.
Druk op knop
om de mistlampen
samen met het stadslicht en het dimlicht
in te schakelen.
Om de mistlampen voor uit te schakelen
nogmaals op de
schakelaar drukken
of deze naar standOdraaien.
De mistlampen worden ingeschakeld met
het dimlicht of DRL aan (deze laatste
werkend als zijverlichting) en worden
ingeschakeld wanneer de grootlicht
koplampen worden ingeschakeld maar
niet wanneer de grootlichtkoplampen
alleen knipperen.
Als de mistlampen niet uitgeschakeld zijn
voordat de motor uit wordt gezet, wordt
de volgende keer dat de motor gestart
wordt, deze weer ingeschakeld.
Flanklichten
(indien aanwezig)
De mistlampen hebben een
flanklichtenfunctie Met deze functie kan
de weg of een hoek beter worden verlicht
door de overeenkomende mistlamp.
De flanklichtfunctie kan buiten werking
worden gesteld via het Connectsysteem
door het selecteren van de volgendefuncties in volgorde op het hoofdmenu:
"Instellingen", "Verlichting" en
"Flanklichten".
MISTACHTERLICHT
De schakelaar voor het mistachterlicht is
ingebouwd in de lichtschakelaar.
Druk op
om het licht in- of uit te
schakelen.
Het mistachterlicht gaat alleen branden
als het dimlicht of de mistlampen voor
zijn ingeschakeld. Het licht kan worden
uitgeschakeld door opnieuw op de
knop te drukken of door het dimlicht
buiten werking te stellen.
Wanneer de motor wordt afgezet met de
achterste mistlampen aan, zullen de
lampen uit zijn wanneer de volgende keer
de motor wordt gestart.
PARKEERLICHTEN
Deze zijn ingeschakeld als binnen een
paar seconden na het uitzetten van de
motor de lichtschakelaar eerst naar deO
stand is gebracht en dan in stand
. Alle
stadslichten gaan aan, als u ze alleen aan
een kant (rechts/links) wilt aanlaten,
moet u de richtingaanwijzersbediening
naar de stand bewegen van de zijde die u
aan wilt laten.
Het
controlelampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
27
Page 30 of 232

TIJDREGELING UITSCHAKELING
KOPLAMPEN
De "Follow Me" functie vertraagt het
uitschakelen van de koplampen nadat het
voertuig is uitgezet.
De functie kan in werking worden gesteld
via het Connectsysteem door het
selecteren van de volgende functies in
volgorde op het hoofdmenu:
"Instellingen", "Lampen" en "Follow me";
de stadslichten en de dimlichten blijven
aan gedurende een tijd die kan worden
ingesteld tussen 30, 60 en 90 seconden.
Inschakeling van de functie
Bij brandende koplampen, de
startinrichting naar STOP draaien: de
tijdregeling gaat in wanneer de
lichtschakelaar naarOwordt gedraaid.
BELANGRIJK Om deze functie in te
schakelen moeten de koplampen, binnen
2 minuten nadat de startinrichting naar
STOP is gedraaid, uitgeschakeld worden.
Uitschakeling van de functie
Deze functie wordt uitgeschakeld door
het inschakelen van de koplampen, de
stadslichten of door de startinrichting op
ON te zetten.
AFS (Adaptive Frontlight System)
FUNCTIE
(indien aanwezig)
Dit is een systeem gecombineerd met
Bi-Xenon koplampen (35W) dat de
lichtbundel op voortdurende en
automatische wijze, horizontaal en
verticaal, richt en aanpast aan de
rijomstandigheden in bochten.
Het systeem richt de lichtbundel zodanig
dat het wegdek zo goed mogelijk verlicht
wordt, rekening houdende met de
rijsnelheid, de draaihoek en de
stuursnelheid.
GROOTLICHT
Om het vaste grootlicht in te schakelen,
duw de linker hendel richting het
instrumentenpaneel fig. 30. De
lichtschakelaar moet in de standAUTOof
.
Wanneer het grootlicht is ingeschakeld,
gaat tegelijkertijd het lampje/pictogram
op het instrumentenpaneel branden.Het grootlicht wordt uitgeschakeld door
nogmaals de linker hendel naar voren te
trekken. Controlelampje
gaat uit op
het instrumentenpaneel.
Grootlichtsignaal
Het knipperen van de koplampen wordt
ingeschakeld door de linkerhendel naar
het stuurwiel te trekken, de lampen
blijven aan terwijl u de hendel bedient.
Automatische inschakeling grootlicht
(indien aanwezig)
Om andere weggebruikers niet te
verblinden, worden de lichten
automatisch uitgeschakeld wanneer er
voertuigen naderen die uit de
tegengestelde richting komen of
wanneer u achter een voertuig in
dezelfde richting rijdt.
Deze functie wordt ingeschakeld via het
Connectsysteem en met de
lichtschakelaar op AUTO gedraaid.
3004126S0020EM
28
KENNISMAKING MET DE AUTO