Regen Alfa Romeo Giulietta 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2017, Model line: Giulietta, Model: Alfa Romeo Giulietta 2017Pages: 220, PDF Size: 4.32 MB
Page 64 of 220

ACTIEVE
VEILIGHEIDSSYSTEMEN
ABS-SYSTEEM
Dit systeem, dat deel uitmaakt van het
remsysteem, voorkomt het blokkeren of
slippen van een of meerdere wielen op
alle soorten wegdek en ongeacht de
kracht van de remwerking, zodat het
voertuig ook tijdens paniekremmen
onder controle gehouden kan worden en
de remweg wordt geoptimaliseerd.
Inwerkingtreding van het systeem
De bestuurder kan merken wanneer het
ABS in werking treedt omdat het
rempedaal iets pulseert en het systeem
meer geluid maakt: dit is volkomen
normaal wanneer het systeem in werking
treedt.
33) 34) 35) 36) 37) 38) 39)
ASR (AntiSlip Regulation)SYSTEEM
40) 41) 42)
Dit systeem maakt integraal deel uit van
het ESC-systeem en treedt automatisch
in werking als één of beide aangedreven
wielen slippen, grip verliezen op natte
wegen (aquaplaning) en tijdens het
optrekken op glad, besneeuwd of met
ijzel bedekt wegdek, enz.Inwerkingtreding van het systeem
Het systeem werkt op het
motorvermogen en remmen.
Dit wordt aangegeven door het knipperen
van het lampje
op het
instrumentenpaneel, om de bestuurder te
waarschuwen dat de stabiliteit en de grip
van de auto kritiek zijn.
MSR-SYSTEEM (Motor
Schleppmoment Regelung)
Het systeem voorkomt dat de
aandrijfwielen mogelijk vergrendelen,
hetgeen kan gebeuren, bijvoorbeeld, als
het gaspedaal plotseling wordt
losgelaten of in het geval van een
plotseling naar een lagere versnelling
schakelen in omstandigheden van slechte
grip op de weg.
In deze omstandigheden zou het
motorremeffect ervoor kunnen zorgen
dat de aandrijfwielen slippen, waardoor
het voertuig zijn stabiliteit verliest. Het
systeem grijpt in dergelijke situaties in
door het motorkoppel te regelen om zo
de stabiliteit te bewaren en de veiligheid
van het voertuig te verhogen.
HBA-SYSTEEM (Hydraulic Brake
Assist)
43) 44) 45)
Het HBA-systeem is ontworpen om het
remvermogen van de auto tijdensnoodremmen te verbeteren: het
HBA-systeem voltooit daarom het
ABS-systeem.
Er wordt maximale assistentie van het
HBA-systeem verkregen als het
rempedaal continue zeer snel wordt
ingetrapt.
DST SYSTEEM (Dynamic Steering
Torque)
46)
De DST-functie gebruikt de integratie
van het ESC-systeem in de elektrische
stuurbekrachtiging om het
veiligheidsniveau van het hele voertuig te
verhogen.
In kritieke situaties (remmen in
verschillende gripomstandigheden),
regelt het ESC-systeem via de
DST-functie de besturing om een
aanvullende koppelverdeling te
implementeren op het stuurwiel, om de
bestuurder de meest correcte
manoeuvre voor te stellen.
De gecoördineerde actie van de remmen
en de stuurinrichting verhoogt het gevoel
van veiligheid en controle over het
voertuig.
62
VEILIGHEID
Page 92 of 220

De correcte stand van de hendel in de
sequentiële modus wordt aangegeven
door het oplichten van de symbolen "+" en
"−" en het doven van symbool D op het
display (op het display wordt alleen de
ingeschakelde versnelling getoond).
Schakelen met de schakelpeddels op
het stuurwiel
(voor bepaalde versies/markten)
27)
Bij sommige versies kan worden
geschakeld met de schakelpeddels op
het stuurwiel fig. 63.
schakelpeddel "+" (door de peddel naar
de bestuurder te trekken fig. 63 ):
inschakelen van hogere versnelling;
schakelpeddel "-" (door de peddel naar
de bestuurder te trekken fig. 63 ):
inschakelen van lagere versnelling.
De inschakeling van een lagere of hogereversnelling gebeurt alleen als het
motortoerental dit toestaat.
Als de auto wordt gestopt in een hogere
versnelling dan de 1
e, schakelt de
versnellingsbak automatisch de 1e
versnelling in.
"Launch Control" functie
98)
De "Launch Control" strategie staat
starten met hoge prestaties toe.
Ga als volgt te werk om deze functie bij
stilstaande auto in te schakelen:
schakel op het "Alfa DNA" systeem de
"Dynamic" rijmodus in;
trap met de linkervoet het rempedaal
in en tegelijkertijd met de rechtervoet
het gaspedaal volledig in;
verplaats de versnelling met de
versnellingspook of de stuurpeddels "−"
(door de peddel naar de bestuurder toe te
halen, zoals voorheen beschreven): rpm
nemen zo toe van 2750 tot 4500;
(1.4 benzineversies) en van 1700 tot
2700 (2.0 JTD
Mversies) en van 3000 tot
3750 (1750 Turbo benzineversie);
laat het rempedaal los: op deze manier
wordt een "briljantere" start van de auto
verkregen.
Wanneer het rempedaal wordt
losgelaten, start de auto met maximale
acceleratie. Ondanks de "sequentiële
modus" zal de auto zelfstandig schakelenom maximale acceleratie te garanderen,
zodra de juiste schakelsnelheid is bereikt.
Onderbreek bovenstaande volgorde van
handelingen of laat het gaspedaal los om
deze strategie te verlaten.
BELANGRIJK
25)Schakel altijd de handrem in als de auto
op een helling staat, VOORDAT u de
versnellingspook in P zet.
26)Schakel de achteruitversnelling
uitsluitend in als de auto stilstaat, de motor
op stationair toerental draait en het
gaspedaal volledig losgelaten is.
27)Door onjuist gebruik van de peddels
(peddels naar het dashboard geduwd )
kunnen deze afbreken.
28)Het wordt geadviseerd contact op te
nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk
om deze hermontageprocedure te laten
uitvoeren. Indien u zelfstandig te werk wilt
gaan, dient u vooral op te letten op de juiste
bevestiging van de borgklemmen. Anders
kan een verkeerde bevestiging van de
onderste en bovenste afdekking lawaai
veroorzaken.
BELANGRIJK
97)Laat kinderen nooit zonder toezicht in
de auto achter. Verwijder altijd de
contactsleutel als de auto wordt verlaten en
neem de sleutel mee.
63A0K0266C
90
STARTEN EN RIJDEN
Page 98 of 220

GELUIDSSIGNAAL
De informatie over de aanwezigheid en
afstand van een obstakel ten opzichte
van de auto wordt gegeven door middel
van geluidssignalen uit zoemers die in het
interieur zijn gemonteerd.
Wanneer de achteruitversnelling
ingeschakeld is, klinkt automatisch een
geluidssignaal als er een obstakel is
binnen het werkingsbereik.
Het geluidssignaal:
neem toenaarmate de afstand tussen
de auto en het obstakel afneemt;
wordt ononderbrokenwanneer de
afstand tussen de auto en het obstakel
minder dan 30 cm bedraagt en stopt
onmiddellijk als de afstand toeneemt;
blijft constantals de afstand
ongewijzigd blijft; als deze situatie de
zijsensoren betreft, zal de zoemer na
circa 3 seconden stoppen om
bijvoorbeeld signalen te voorkomen
tijdens manoeuvres langs muren.
WERKING MET EEN AANHANGER
De werking van de parkeersensoren
wordt automatisch uitgeschakeld zodra
de elektrische stekker van de aanhanger
in het stopcontact van de trekhaak van de
auto wordt gestoken.
31)
De sensoren worden automatisch
ingeschakeld zodra de stekker van deaanhangerkabel verwijderd wordt.
103)
104)
BELANGRIJKE OPMERKINGEN
Let tijdens parkeermanoeuvres in
bijzondere mate op obstakels die zich
boven of onder de sensoren kunnen
bevinden.
Onder bepaalde omstandigheden kunnen
voorwerpen in de buurt van de achterkant
van de auto niet gedetecteerd worden en
kunnen zo schade aan de auto
veroorzaken of zelf beschadigd raken.
De volgende omstandigheden kunnen de
werking van het parkeerhulpsysteem
beïnvloeden:
verminderde gevoeligheid van de
sensoren en afname van de prestaties
van het systeem kunnen te wijten zijn aan
de aanwezigheid van ijs, sneeuw, modder,
dikke verf op de sensoren.
De sensoren kunnen een
niet-bestaand voorwerp (echogeluid)
wegens mechanische interferentie
detecteren, bijvoorbeeld tijdens het
wassen van de auto, in geval van regen
(sterke wind), hagel.
De door de sensoren verzonden
signalen kunnen ook gewijzigd worden
door ultrasoonsystemen (bijv.
pneumatisch remsysteem of
pneumatische hamers) in de buurt van
het voertuig.
sensorprestaties kunnen ook worden
beinvloedt door de stand van de
sensoren. Als bijvoorbeeld de geometrie
gewijzigd wordt (door slijtage van de
schokdempers, wielophanging) of de auto
te veel beladen is, of speciale afstellingen
worden uitgevoerd die de auto lager
zetten.
De detectie van obstakels in het hoge
gedeelte van de auto kan niet
gegarandeerd zijn, aangezien het
systeem obstakels detecteert die de
auto in het lage gedeelte kunnen raken.
BELANGRIJK
31)Voor een correcte werking van het
systeem mogen de sensoren nooit bevuild
zijn met modder, vuil, sneeuw of ijs. Zorg
ervoor dat ze tijdens het reinigen niet
gekrast of beschadigd worden. Vermijd het
gebruik van droge, ruwe of harde doeken. De
sensoren moeten met schoon water worden
gewassen, waaraan eventueel autoshampoo
is toegevoegd. Wanneer speciale
reinigingsapparaten worden gebruikt, zoals
stoomreinigers of hogedrukreinigers, reinig
dan de sensoren zeer snel en houd de straal
op minstens 10 cm afstand.
96
STARTEN EN RIJDEN
Page 104 of 220

ALARMKNIPPERLICHTEN
Werking
Druk op schakelaar 1 fig. 70 om de
lichten in/uit te schakelen.
Waarschuwingslampjes
engaan
aan en de schakelaar 1 knippert wanneer
de lampjes aan zijn.
Noodremmen
Bij het remmen in noodsituaties gaan de
alarmknipperlichten automatisch
branden, evenals de controlelampjes
enop het instrumentenpaneel.
De lampen gaan automatisch uit wanneer
de remwerking weer normaal is.
108)
BELANGRIJK
108)Het gebruik van de
alarmknipperlichten wordt geregeld door de
wegenverkeerswetgeving van het land waar
u rijdt: neem de wettelijke voorschriften in
acht.
EEN LAMP VERVANGEN
32)109) 110) 111)
ALGEMENE INSTRUCTIES
Als een lamp niet werkt, controleer
dan of de betreffende zekering niet is
geoxideerd alvorens de lamp te
vervangen. Om de zekeringen te vinden
wordt verwezen naar de paragraaf
“Zekeringen vervangen” in dit hoofdstuk.
vervang doorgebrande lampen door
exemplaren van hetzelfde type en
vermogen;
controleer na vervanging van een
gloeilamp in de koplamp altijd of de
koplampafstelling goed is;
BELANGRIJK Bij koude of vochtige
weersomstandigheden of na hevige
regen of een wasbeurt, kan de
binnenzijde van de koplampen of
achterlichten enigszins beslagen zijn
en/of kunnen er condensdruppels
aanwezig zijn. Dit is geen defect maar een
natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt
wordt door de temperatuur- en
luchtvochtigheidsverschillen tussen de
binnen- en buitenzijde van het glas, en dat
geen negatieve invloed heeft op de
normale werking van de lichten. Deze
aanslag verdwijnt geleidelijk aan (van het
midden tot de randen) zodra de lichten
worden ingeschakeld.
70A0K0622C
102
NOODGEVALLEN
Page 121 of 220

zorg ervoor dat de schakelaar voor de
compressor in stand0(uit) staat, start de
motor, open de achterklep en breng de
stekker in het stopcontact van de
bagageruimte of op de tunnelconsole en
start de motor. schakel de compressor in
door de schakelaar in standI(aan) te
zetten;
pomp de band op tot de juiste
bandenspanning, vermeld in de paragraaf
"Wielen" in het hoofdstuk "Technische
gegevens";
Als na vijf minuten de druk niet ten
minste 1,8 bar/26 psi is, de compressor
uitschakelen en deze afsluiten van het
ventiel en het stopcontact, het deksel
vervangen, dan het voertuig circa tien
meter vooruit bewegen om de
afdichtingsvloeistof in de band gelijk te
verdelen; Stop het voertuig veilig en
herhaal de procedure totdat de vereiste
druk wordt bereikt;
als na deze handeling nog steeds geen
minstens 1,8 bar (26 psi) wordt
verkregen binnen 5 minuten na
inschakeling van de compressor, DAN IS
DE BAND TE BESCHADIGD OM TE
WORDEN GEREPAREERD. Verwijder en
vervang de kit in het specifieke gedeelte
en neem contact op met een Alfa Romeo
Servicenetwerk;
Als de vereiste druk is bereikt, ga dan
weer rijden. Overschrijd de snelheid van
80 km/h niet. Vermijd abrupt accelereren
of remmen. Na ongeveer 8 km / 5 mijl
gereden te hebben, het voertuig op een
veilige plek en geschikte zone plaatsen,
met de handrem aangetrokken. De kit
oppakken en ervoor zorgen dat de aan-uit
knop in de0stand staat, de elektrische
aansluiting in het 12V contact van het
voertuig steken. Verwijder het deksel van
het ventiel van de gerepareerde band,
sluit af en trek de zwarte pomp eruit, sluit
deze aan op het ventiel en vergrendel
met de hendel. Controleer de
bandenspanning op de drukmeter.
als de aangeduide druk lager is dan
1,8 bar / 26 psi, IS DE BAND TE
BESCHADIGD EN KAN NIET MEER
WORDEN GEREPAREERD. Verwijder en
vervang de kit in het specifieke gedeelte
en neem contact op met een Alfa Romeo
Servicenetwerk;
Als de aangeduide druk gelijk of hoger
is dan 1,8 bar/26 psi, schakel dan decompressor in en pomp tot de vereiste
druk. De kit afsluiten en vervangen in de
specifieke ruimte. Rijd zeer voorzichtig
en zo snel mogelijk naar het
dichtstbijzijnde Alfa Romeo
Servicenetwerk.
BANDENSPANNING CONTROLEREN EN
HERSTELLEN
De compressor kan ook gebruikt worden
voor het controleren en eventueel
herstellen van de bandenspanning.
Sluit het zwarte opblaasslangetje 1
fig. 97 af en haal deze weg, sluit aan op
het ventiel van de band en vergrendel in
positie met de hendel.
Met dezelfde procedure kunnen
fietsbanden en ballonnen worden
opgeblazen. De kit dient gebruikt te
worden door volwassenen en mag niet
gebruikt worden door kinderen.
96A0K0518C
97A0K0521C
119
Page 193 of 220

wordt het aanbevolen de telefoon te
verwijderen uit de lijst apparaten gelinkt
aan de radio, verwijder de koppeling van
het vorige systeem uit de lijst met
Bluetooth®apparaten op de telefoon en
maak een nieuwe koppeling.
Namen/nummers in het telefoonboek
van de mobiele telefoon opslaan
Voordat u de mobiele telefoon koppelt,
controleer dan of de namen van de
contactpersonen in het telefoonboek van
de mobiele telefoon zijn opgeslagen,
zodat ze via het handsfreesysteem in de
auto gebeld kunnen worden.
Telefoongegevens overzetten
(telefoonboek en recente oproepen)
Als de mobiele telefoon over de functie
beschikt om het telefoonboek via
Bluetooth®technologie te verzenden.
Antwoord "Ja" wanneer gevraagd wordt
om het telefoonboek naar het systeem te
kopiëren.
Antwoord "Nee" als u deze handeling
later wilt uitvoeren.
Een nummer bellen
De hieronder beschreven procedures zijn
alleen toegankelijk indien ze door de
gebruikte mobiele telefoon worden
ondersteund.
Een nummer kan op de volgende
manieren gebeld worden:
selectie van het pictogram
(telefoonboek van mobiele
telefoon);
selectie van "Recente oproep.";
selectie van het pictogram
(Toetsenbord);
drukken op de toets "Opnieuw bellen".
Een inkomend gesprek beheren
Met de knoppen op het display kunnen de
volgende gesprekfuncties beheerd
worden:
Om een oproep te beantwoorden: druk
op de toets "Antwoord" of op de toets
op het stuurwiel om te antwoorden;
Om een oproep te beëindigen: druk op
de toets "Negeren" of op de toets
op het stuurwiel om te antwoorden.
Negeren;
In de wacht zetten/uit de wacht halen;
De microfoon in-/uitschakelen;
Het gesprek doorschakelen;
Van het ene naar het andere gesprek
overschakelen;
Conferentie/twee actieve gesprekken
verenigen.
SMS-lezer
Om deze functie te gebruiken, moet de
mobiele telefoon de uitwisseling van
SMS via
Bluetooth®ondersteunen.
Als deze functie niet door de telefoon
wordt ondersteund, is de betreffende
knop
niet geactiveerd (grijs).Bij ontvangst van een tekstbericht, toont
het display een scherm waarop de opties
"Luisteren", "Bellen" of "Negeer" gekozen
kunnen worden.
Toegang tot de lijst SMS-berichten die
ontvangen is van de mobiele telefoon kan
worden verkregen door het indrukken
van de knop
.
OPMERKING Sommige mobiele
telefoons houden geen rekening met de
instellingen van de SMS-bevestiging bij
het koppelen metUconnect™. Als een
SMS-bericht wordt verstuurd via
Uconnect™, kan het zijn dat de gebruiker
extra kosten moet betalen, zonder enige
waarschuwing, doordat de telefoon een
SMS-bevestigingsverzoek verstuurt.
Voor problemen met het bovenstaande,
dient u contact op te nemen met de
telefoonprovider.
"APPS"-MODUS
Druk op toets APPS op het frontpaneel
om de volgende werkinstellingen weer te
geven:
Buitentemperatuur
Boordcomputer
Klok
Bus
Uconnect™LIVE
Uconnect™LIVE SERVICES
Druk op de APPS-knop om toegang te
krijgen tot deUconnect™LIVE
applicaties.
191
Page 205 of 220

"Luisteren", "Bellen" of "Negeer" gekozen
kunnen worden.
Toegang tot de lijst SMS-berichten die
ontvangen is van de mobiele telefoon kan
worden verkregen door het indrukken
van de knop
.
OPMERKING Sommige mobiele
telefoons houden geen rekening met de
instellingen van de SMS-bevestiging bij
het koppelen metUconnect™. Als een
SMS-bericht wordt verstuurd via
Uconnect™, kan het zijn dat de gebruiker
extra kosten moet betalen, zonder enige
waarschuwing, doordat de telefoon een
SMS-bevestigingsverzoek verstuurt.
Voor problemen met het bovenstaande,
dient u contact op te nemen met de
telefoonprovider.
Siri Ogen Vrij
Met Siri kunt u uw stem gebruiken om
een bericht te sturen, mediabronnen en
telefoonoproepen te beheren en nog veel
meer. U kunt uw ogen op de weg houden
en uw handen op het stuur, terwijl Siri
andere nuttige handelingen verricht.
Druk op de
knop op het stuur (lang
indrukken) om Siri in te schakelen.
Wanneer u een dubbele piep hoort, kunt u
beginnen met communiceren met Siri.
OPMERKING het apparaat met Siri moet
worden gekoppeld aan het
Uconnect™-systeem met dekoppelingsprocedure (zie de betreffende
paragraaf).
Spreek duidelijk met een normaal ritme
en volume.
Siri is beschikbaar op iPhone 4S en latere
versies.
NAVIGATIEMODUS
Hoofdnavigatiemenu
BELANGRIJK Het volume van het
navigatiesysteem kan alleen worden
ingesteld terwijl de spraakopdrachten
worden weergegeven door het bedienen
van de toets/knop
(ON/OFF).
Om het hoofdmenu navigatiesysteem in
te schakelen, op de NAV-toets op het
voorpaneel drukken, vervolgens op een
van de volgende knoppen op het scherm
drukken:
"Bestemming?": zoek of navigeer naar
bestemming;
"Toon kaart": weergeven van de kaart;
"Info": alle navigatie-informatie
weergeven;
"Noodgevallen": zoeken naar
Ziekenhuizen, Politiebureaus, etc.
De volgende grafische knoppen zijn ook
aanwezig:
"Instellingen": kies de
systeeminstellingen;
"Stop": navigatie onderbreken;
"Herberekenen": mogelijke
omleidingen van de ingestelde route;
"Herhaal": herberekenen route in de
laatst geselecteerde richting.
Bestemming?
Druk, in het Hoofdmenu
Navigatiesysteem, op de toets
"Bestemming?" en kies vervolgens een
van de volgende opties om de
bestemming te bereiken:
"Adres": zoek een bestemming door
het ingeven van de straatnaam en
nummer;
"Recent": oproepen van een vorige
bestemming;
"Point of interest": plan een reis naar
een (POI) gekozen uit een lijst plaatselijke
en openbare plekken;
"Favorieten": eerder opgeslagen
adressen en bestemmingen oproepen;
"Crossing": reizen naar een knooppunt;
"Naar huis": bereken of bevestig een
reis naar uw huisadres;
"Trip": bereken een nieuwe reis of roep
een reis op die al is opgeslagen;
"Stadscentrum": reis naar het centrum
van de gespecificeerde stad;
"Dichtstbijzijnde plaatsen": reizen naar
een nabije plaats.
"Ritten": sla de route op die u rijdt,
zodat u deze later weer kunt oproepen.
U kunt ook een bestemming selecteren
door de geografische coordinaten in te
203
Page 207 of 220

deUconnect™LIVEapp.
Instellingen van de Uconnect™LIVE
services die via de autoradio kunnen
worden beheerd
Uit het speciale radiomenu voor
Uconnect™LIVE serviceskunt u toegang
krijgen tot de sectie "Instellingen" met
het pictogram
In deze sectie kunt u de
systeemopties controleren en deze
wijzigen naar uw eigen voorkeur.
Systeemupdates
Als een update voor hetUconnect™LIVE
systeem beschikbaar is terwijl de
Uconnect™LIVEservices worden
gebruikt, dan wordt de gebruiker hiervan
op de hoogte gebracht via een bericht op
het radioscherm.
Aangesloten services die kunnen
worden geraadpleegd op het voertuig
De Efficient Drive, Performance en
my:Car applicaties zijn ontwikkeld om de
rijervaring van de klant te verbeteren en
daarom zijn ze verkrijgbaar op alle
markten waar toegang tot de
Uconnect™LIVEservices mogelijk is.
Als het navigatiesysteem in de autoradio
wordt geïnstalleerd, dan wordt bij
toegang tot deUconnect™LIVEservices
het gebruik van de TomTom "Live"
services geactiveerd.Prestaties
De prestatie-applicatie creëert
zelfvertrouwen bij het rijden en maakt
bestuurders meer bewust van de
mogelijkheden van hun auto. Gebruikers
zijn in staat om hun eigen prestatie te
meten, dankzij een timer en indicatoren
op de radio. Bovendien kan de bestuurder
met de applicatie Prestatie rijadviezen in
realtime krijgen, hun routebeschrijvingen
opnemen en ontvangt badges gebaseerd
op hun gedrag achter het stuur. Het biedt
gebruikers ook de mogelijkheid op de
smartphone toegang te krijgen tot hun
prestatie dankzij de appUconnect™LIVE
en, als zij hiervoor toestemming geven,
hun prestatie te delen met de community
vanUconnect™LIVEvia de website:
www.driveuconnect.eu.
Door op de toetsenUconnect™te
drukken, kunnen gebruikers toegang
krijgen tot de volgende onderdelen:
Indicatoren: toont enkele
statuswaarden: batterijoplaadstatus en
niveau, oliedruk, etc.
Dynamische indicators: toont enkele
dynamische indicators: G-kracht,
pedaalstand (rem, gaspedaal) enz.
Badge: het onderdeel Badge verzamelt
de successen van de gebruiker. Iedere
badge, brons, zilver of goud worden,
afhankelijk van de prestaties van de
gebruiker, vergrendeld/ontgrendeld.
Timer: geeft reistijden,
gemiddelde km-tijden, afstanden, enz.
weer.
Routes: selecteert een van de
diverse routebeschrijvingen selecteren
en om de rijervaring te starten, de
routebeschrijving weergeven en toegang
krijgen tot de verkregen prestaties.
ABMijn routebeschrijvingen: creëert
een aangepaste routebeschrijving of
selecteert er een uit de eerder
gecreëerde routebeschrijvingen en slaat
de GPS-opsporing van beginpunt“A“tot
de bestemming“B“.
Instellingen: selecteert de
meeteenheden en maakt back-ups.
Opnemen en overzetten van
reisgegevens
De reisgegevens kunnen in het
systeemgeheugen worden opgeslagen en
buiten de auto beschikbaar worden
gemaakt dankzij de appUconnect™LIVE.
Dit biedt gebruikers de mogelijkheid om
de verzamelde gegevens later te bekijken
en de analyse van de volledige
reisgegevens. Ga voor meer informatie
naar www.DriveUconnect.eu.
Om volledige toegang te krijgen tot de
servicefunctionaliteit, moeten
gebruikers het toestaan hun gegevens
onboard op de auto op te nemen. Het
volgende pictogram
is de indicator
van de geolocatie van de gebruiker. Via
205
Page 217 of 220

Netvoeding aan/uit......187 ,199
SD-kaarthouder............201
Spraakopdrachten.......193 ,206
Telefoonmodus.........190 ,201
Uconnect™ LIVE-Services . .191 ,204
Niveaus controleren...........139
Onderhoudsprocedures
Koplampsproeiers..........146
Sproeiers................146
Parkeerlichten...............18
Parkeersensoren..............95
Pollenfilter................146
Portieren ..................12
Centrale portiervergrendeling....12
Kinderslot................12
Pre-Fill-systeem (RAB - Ready
Alert Brake)...............63
Prestaties.................175
Radio................187 ,199
Regensensor................21
Reiniging en onderhoud
auto-interieur.............150
carrosserie...............149
koplampen...............149
kunststof en gecoate
interieurdelen.............151
lederen interieurdelen........151
lederen stoelen............150stoelen en stoffen bekleding. . . .150
Remmen
remvloeistofniveau..........143
Richtingaanwijzers.............19
"Lane change"-functie.........19
lamp vervangen.........106 ,107
Ruiten (reinigen).............149
Ruitenwisser/Achterruitwisser.....21
Ruitensproeier
vloeistofniveau ruitensproeier . . .143
Ruitenwisser/-sproeier..........21
Automatische wis-/wasregeling . . .21
Safe Lock (systeem)............8
SBR-systeem (Seat Belt Reminder).......................67
Schemersensor...............18
Service en onderhoud
periodieke controles.........138
Zwaar Gebruik Van De Auto.....138
Set-up-menu................40
Slepen van het voertuig
Montage van het sleepoog.....124
Stadslicht/dimlicht............18
Stadslichten/dagrijlichten (DRL)
lamp vervangen............106
Stadslichten/remlichten
lamp vervangen............107
Standaard velgen en banden......162
Start&Stop systeem...........92Starten met hulpaccu..........120
Stoelen
Achterstoelen..............14
Voorstoelen . . .............13
Stuurslot...................10
Stuurwiel..................16
Tankcapaciteit...............99
Tankdop . ..................99
Tanken.................99,168
Technische gegevens..........154
Trip Computer . . .............42
USB/iPod houder.........189 ,201
Veiligheidsgordels
Gebruik..................66
Veranderingen/wijzigingen aan het
voertuig..................4
Vloeistoffen en smeermiddelen. . . .172
Vooraanspanners.............69
Krachtbegrenzers...........69
Wielen...................162
Wielen en banden
bandenspanning...........163
een wiel vervangen..........114
Zekeringen (vervangen)........109
Zijairbags (zijairbag - hoofdairbag).......................82
Zijairbags (zijairbags voor)........82