ABS Alfa Romeo MiTo 2012 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2012, Model line: MiTo, Model: Alfa Romeo MiTo 2012Pages: 262, PDF Size: 5.31 MB
Page 3 of 262

BRANDSTOF TANKEN
Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzinemet een minimum octaangetal van 95 RON.
Dieselmotoren: tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen
conform de Europese specificatie EN590. Het gebruik van andere
producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen
en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
MOTOR STARTEN
Benzinemotoren : controleer of de handrem is aange-
trokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppe-
lingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in;
draai vervolgens de contactsleutel in stand AVV en laat
de sleutel los zodra de motor aanslaat.
Dieselmotoren: draai de contactsleutel in stand MAR en wacht
tot de waarschuwingslampjes
Yenmdoven; draai de con-
tactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor
aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de kata- lysator hoge temperaturen. Parkeer de auto dus niet op
gras of boven droge bladeren, dennennaalden of ander
ontvlambaar materiaal: brandgevaar.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De auto is uitgerust met een diagnosesysteem dat conti-nu controles uitvoert op de componenten die van invloed
zijn op de uitlaatgasemissie, zodat overmatige vervuiling
van het milieu wordt voorkomen.
ELEKTRISCHE APPARATUUR
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren
die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan
ontladen), wendt u dan tot het Alfa Romeo Servicenet-
werk, dat kan controleren of de elektrische installatie van
de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik.
CODE CARD(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto.
Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card
te noteren en altijd bij u te hebben, omdat deze onmis-
baar is voor het uitvoeren van een noodstart.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste ma-
nier is om de prestaties en de veiligheid van de auto ge-
durende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook
het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag.
IN HET INSTRUCTIEBOEKJE…
…vindt u informatie, tips en belangrijke aanwijzingen
voor het juiste gebruik, de rijveiligheid en het onderhoud
van uw auto. Let vooral op de symbolen
"(veiligheid van
de inzittenden) #(bescherming van het milieu) â(con-
ditie van de auto).
ABSOLUUT LEZEN!
K
Page 7 of 262

6WEGWIJS IN UW AUTO
Interieuruitrusting........................................................................\
.............. 89
Elektrisch bedienbaar open dak ....................................................................\
92
Portieren ........................................................................\
......................... 95
Ruitbediening, elektrisch .......................................................................\
..... 96
Bagageruimte ........................................................................\
.................. 99
Motorkap ........................................................................\
........................ 103
Imperiaal/skidrager ........................................................................\
.......... 104
Koplampen ........................................................................\
...................... 105
ABS ....................................................................\
.................................... 107
VDC-systeem ........................................................................\
.................... 108
„Alfa DNA”-systeem ........................................................................\
.......... 111
Start&Stop-systeem ...................................................................\
............... 114
Dynamic Suspension ........................................................................\
.......... 119
EOBD-systeem ........................................................................\
.................. 120
Elektrische stuurbekrachtiging ..................................................................... 120
Inbouwvoorbereiding autoradi o ................................................................... 121
Inbouwvoorbereiding navigatiesysteem.......................................................... 122
Elektrische/elektronische systemen m onteren............................................... 122
Parkeersensoren ........................................................................\
............... 123
Bandenspanningscontrolesysteem TP MS ....................................................... 126
Tanken ..................................................................\
.................................. 129
Bescherming van het milieu ........................................................................\
130
Page 13 of 262

12WEGWIJS IN UW AUTO
Storing EBD (rood)/(geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het
lampje branden. Als bij een draaiende motor tegelij- kertijd de waarschuwingslampjes
xen>gaan bran-
den, dan is er een storing in het EBD-systeem of is het
systeem niet beschikbaar; in dat geval kunnen bij hard
remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waar-
door de auto kan slippen.
Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde vestiging van het
Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.
x
>
Versleten remblokken (geel)
Het lampje (of het symbool op het display) gaat bran-
den als een of meer remblokken versleten zijn; laat ze
in dat geval zo snel mogelijk vervangen. Op het display
verschijnt de bijbehorende melding. Wendt u bij voorkeur tot het
Alfa Romeo Servicenetwerk om deze werkzaamheden te laten uit-
voeren.d
Storing ABS (geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het
lampje branden. Het lampje (of het symbool op het
display) gaat branden als het systeem defect is. In dat
geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mo-
gelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig verder en wendt u zo
snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. Op het display
verschijnt de bijbehorende melding.>
Page 16 of 262

WEGWIJS IN UW AUTO15
1
CONTINU BRANDEN:Te lage motoroliedruk
(rood)
KNIPPEREN: Oliekwaliteit onvoldoende
(alleen dieseluitvoeringen met DPF – rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje bran-
den. Het moet doven zodra de motor is aangeslagen.
1. Te lage motoroliedruk
Het lampje gaat continu branden en er verschijnt een melding op
het display (voor bepaalde uitvoeringen/markten) als de motor-
oliedruk onvoldoende is.
v
Als het lampje vtijdens het rijden gaat branden
(op enkele uitvoeringen verschijnt ook een mel- ding op het display), zet dan onmiddellijk de mo-
tor uit en wendt u tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
2. Oliekwaliteit onvoldoende
(alleen dieseluitvoeringen met DPF)
Het lampje gaat knipperen en er verschijnt (voor bepaalde uit-
voeringen/markten) een bijbehorende melding op het display.
Afhankelijk van de uitvoering knippert het lampje op de volgende
manier:
– elk twee uur 1 minuut;
– telkens 3 minuten, waarbij het lampje telkens 5 seconden dooft,
totdat de olie wordt ververst. Iedere keer als de motor na de eerste melding wordt gestart, blijft
het lampje knipperen op de hierboven beschreven wijze, totdat
de olie wordt ververst. Het display (voor bepaalde uitvoerin-
gen/markten) toont naast het lampje de bijbehorende melding.
Het knipperen van dit lampje duidt niet op een defect aan de au-
to, maar geeft aan dat door het normale gebruik van de auto de
olie moet worden ververst.
Motorolie wordt slechter van kwaliteit door:
– overwegend stadsgebruik van de auto waardoor het regenera-
tieproces van het DPF vaker moet worden uitgevoerd
– gebruik van de auto voor korte ritten, waardoor de motor niet
goed op bedrijfstemperatuur komt
– het vaak onderbreken van het regeneratieproces dat wordt aan-
gegeven door het branden van het DPF-lampje.
Als het lampje gaat branden, moet de motorolie
van onvoldoende kwaliteit zo snel mogelijk wor- den ververst; er mag zeker niet nog meer dan
500 km worden doorgereden nadat het lampje voor de eerste keer is gaan branden. Als bovenstaande richtlijnniet wordt opgevolgd, dan kan dat ernstige schade aande motor veroorzaken en het vervallen van de garantietot gevolg hebben. Onthoud dat het branden van dit lamp-je geen betrekking heeft op de hoeveelheid olie in de mo-tor. Als het lampje gaat knipperen, dan is het absoluut nietnodig motorolie bij te vullen.
Page 84 of 262

WEGWIJS IN UW AUTO83
1PLAFONDVERLICHTING
PLAFONDVERLICHTING VOOR fig. 37
Met de schakelaar A kunnen de plafondlampjes worden in- en uit-
geschakeld.
Standen schakelaar A:
❍in het midden (stand 1): de lampjes C en D worden in-/uit-
geschakeld bij het openen/sluiten van de portieren;
❍in de linker stand (stand 0): de lampjes C en D blijven altijd
uitgeschakeld;
❍in de rechter stand (stand 2): de lampjes C en D blijven altijd
ingeschakeld.
Het inschakelen/doven van de verlichting gaat geleidelijk.
Automatische uitschakeling
Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch uit:
❍als het ABS of de VDC in werking treedt;
❍als de snelheid van de auto onder de vastgestelde limiet komt;
❍als er een storing in het systeem is.
Als de cruise-control tijdens het rijden is inge- schakeld, zet dan nooit de versnellingspook in devrijstand.
Bij een storing of een afwijkende werking van decruise-control, moet de draaiknop A-fig. 36 in standOFF worden gezet en moet u contact opnemen met
het Alfa Romeo Servicenetwerk.
fig. 37A0J0066m
Page 108 of 262

WEGWIJS IN UW AUTO107
1ABS
Het ABS dat geïntegreerd is in het remsysteem, voorkomt dat tij-
dens het remmen de wielen blokkeren, ongeacht de conditie van
het wegdek en de pedaaldruk, en verhindert daarmee het door-
slippen van een of meerdere wielen. Hierdoor blijft de auto be-
stuurbaar, zelfs bij noodstops.
Het systeem wordt gecompleteerd met een elektronische rem-
drukverdeling EBD (Electronic Braking Force Distribution), die de
remdruk verdeelt tussen de voor- en achterwielen.
BELANGRIJK Voor een maximale werking van het remsysteem is
een inrijperiode nodig van ongeveer 500 km: tijdens deze perio-
de moet bruusk, herhaaldelijk of langdurig remmen worden voor-
komen.
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Als het ABS in werking is getreden, merkt de bestuurder dit aan
een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid: dit
geeft aan dat het noodzakelijk is uw snelheid aan te passen aan
de beschikbare grip op het wegdek.
MECHANICAL BRAKE ASSIST
(remregeling bij noodstops)
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Dit systeem, dat niet kan worden uitgeschakeld, herkent noodstops
(op basis van de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt)
en verhoogt de druk in het remcircuit aanzienlijk.
Als het ABS in werking treedt, dan is de grip vande banden op het wegdek beperkt: u dient uw snel-heid te verlagen en aan te passen aan de be-
schikbare grip.
Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de be- schikbare grip maar kan deze niet verhogen. Daar-om moet op gladde weggedeelten altijd voorzich-
tig worden gereden en mogen er geen onnodige risico’s worden genomen.
Als het ABS in werking treedt, merkt u dat aan eentrilling in het rempedaal. Verlaag de remdruk nietmaar houd het rempedaal juist goed ingetrapt; op
deze manier hebt u de kortste remweg in relatie tot de conditie van het wegdek.
Page 111 of 262

110WEGWIJS IN UW AUTO
BRAKE ASSIST
(remregeling bij noodstops)
Dit systeem, dat niet kan worden uitgeschakeld, herkent noodstops
(op basis van de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt)
en verhoogt de druk in het remcircuit aanzienlijk. Het Brake
Assist-systeem wordt uitgeschakeld als er een storing is in het VDC-
systeem.
MSR-SYSTEEM
Dit systeem, dat geïntegreerd is in de ASR, verhoogt bij bruusk
terugschakelen het motorkoppel, zodat overmatige vertraging van
de aangedreven wielen wordt voorkomen. Dit heeft vooral voor-
delen op een wegdek met weinig grip, waarop de stabiliteit van
de auto snel verloren kan gaan.
CBC-SYSTEEM
Met deze functie wordt de distributie van de remkracht over de vier
wielen geoptimaliseerd (door gebruik te maken van alle beschik-
bare grip op de weg), als in een bocht wordt geremd en het ABS
ingrijpt. Hierdoor verbetert de remweg in de bocht en vooral de sta-
biliteit van de auto.
„ELECTRONIC Q2”-SYSTEEM („E-Q2”)
Het „Electronic Q2”-systeem benut het remsysteem en is qua wer-
king vergelijkbaar met een traditioneel sperdifferentieel.
Bij acceleratie in bochten bedient het remsysteem de rem van het
binnenste wiel, waardoor de aandrijfkracht naar het (zwaarder be-
laste) buitenste wiel wordt overgebracht. Het systeem verdeelt, af-
hankelijk van de rijomstandigheden en de conditie van het weg-
dek, het motorvermogen dynamisch en constant over de
aangedreven voorwielen.
Het systeem in combinatie met de McPherson voorwielophanging
maakt een bijzonder effectieve en sportieve rijstijl mogelijk.
DST-SYSTEEM (Dynamic Steering Torque)
Dit is een „actief” regelsysteem van de auto. Op gladde wegen
worden automatisch stuurcorrecties uitgevoerd, waardoor ook het
overstuur gecontroleerd wordt. Dit systeem levert een hulpkracht
aan het stuurwiel, waardoor het veiligheidsgevoel wordt vergroot,
omdat het helpt de auto onder controle te houden en het de cor-
recties van het VDC-systeem minder waarneembaar maakt.
Page 112 of 262

WEGWIJS IN UW AUTO111
1„Alfa DNA”-SYSTEEM
(Dynamisch voertuigregelsysteem)
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Met dit systeem kunnen, met behulp van hendeltje A-fig. 70, drie
verschillende rijstijlen gekozen worden:
❍d = Dynamic (sportieve rijstijl);
❍n = Normal (rijden onder normale omstandigheden);
❍a = All Weather (rijden met weinig grip op het wegdek zoals
bijv. bij regen en sneeuw).
Het systeem heeft ook invloed op de dynamische regelsystemen
van de auto (motor, stuurinrichting, VDC-systeem, instrumenten-
paneel).
fig. 70A0J0090m
RIJSTIJL
Het hendeltje A-fig. 70 heeft geen vergrendelde stand en keert
altijd terug in de middelste stand. De ingeschakelde rijstijl wordt
aangegeven door het branden van het bijbehorende lampje op
het paneel en door de melding op het instelbare multifunctionele
display, zoals hieronder wordt weergegeven:
A0J0227mA0J0290m
Rijstijl Dynamic Rijstijl
All Weather
Rijstijl Normal
Als de rijstijl „Normal” is ingeschakeld, verschijnt geen enkel op-
schrift/symbool op het display.
VDC enASR: standaardafstelling
Afstelling stuurinrichting: standaardafstelling
DST: standaardcontrole over remwerking gecoördineerd met ABS Standaardcontrole over dwarsversnelling
Overstuurcompensatie: een lichte impuls op het stuurwiel
stimuleert de bestuurder tot het uitvoeren van de beste
handeling
Motor: standaardreactie
Page 113 of 262

112WEGWIJS IN UW AUTO
IN-/UITSCHAKELEN RIJSTIJL „Dynamic”
Inschakelen
Druk het hendeltje A-fig. 70 naar boven (tot naast letter „d”) en
laat het hendeltje een halve seconde in die stand staan en in ie-
der geval totdat het betreffende lampje gaat branden of het op-
schrift „Dynamic” op het display verschijnt (zie de afbeelding).\
Als
u hendeltje A loslaat keert deze terug in de middelste stand.Als bij de 1.4 Turbo Multi Air de rijstijl “Dynamic” wordt gekozen,
dan wordt bovendien de overboost-functie van de turbocompressor
ingeschakeld (hogere turbodruk): de regeleenheid van de motor
verhoogt de maximum turbodruk tijdelijk in relatie tot de stand van
het gaspedaal, waardoor een hoger motorkoppel geleverd wordt
dan onder normale omstandigheden. Deze functie is zeer nuttig
als tijdelijk maximale prestaties vereist zijn (bijv. tijdens het inha-
len).
BELANGRIJK Als u tijdens het accelereren de “Dynamic”-stand ge-
bruikt, kunt u stoten in het stuurwiel voelen, die kenmerkend zijn
voor een sportieve instelling.
Uitschakelen
Voor het uitschakelen van de rijstijl „Dynamic” en om terug te
keren naar „Normal”, moet dezelfde handeling met het hendel-
tje en met binnen dezelfde tijden worden herhaald. In dat geval
gaat het lampje naast de rijstijl „Normal” branden en verschijnt op
het instelbare, multifunctionele display de melding „Normal inge-
schakeld” (zie de afbeelding).
A0J0186mA0J1055g
A0J1052g
VDC
enASR: sportieve afstelling, ingreep alleen in geval van ver-
lies van controle
Afstelling stuurinrichting: meer sportieve afstelling
DST: standaardcontrole over remwerking gecoördineerd met ABS Meer controle over dwarsversnelling
Overstuurcompensatie: een lichte impuls op het stuurwiel
stimuleert de bestuurder tot het uitvoeren van de beste
handeling
Motor: hogere reactiesnelheid + Overboost ter optimalisatie van het koppel (waar voorzien)
Page 139 of 262

138VEILIGHEID
KINDEREN VEILIG VERVOEREN
Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzitten-
den zittend reizen en beschermd worden door goedgekeurde vei-
ligheidssystemen. Dit geldt met name voor kinderen. Dit is een wet-
telijk voorschrift volgens richtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten van
de Europese Unie. Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding
met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van vol-
wassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ont-
wikkeld. Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen
beschermd worden dan door de veiligheidsgordels.
De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming
van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voor-
schriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld
in vijf groepen:
Groep 0 gewicht tot aan 10 kg
Groep 0+ gewicht tot aan 13 kg
Groep 1 gewicht: 9-18 kg
Groep 2 gewicht: 15-25 kg
Groep 3 gewicht: 22-36 kg
Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en
van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat ab-
soluut niet mag worden verwijderd. Kinderen met een lengte van
meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheidssys-
temen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook nor-
maal de veiligheidsgordels omleggen.
Als het absoluut noodzakelijk is een kind op depassagiersstoel voor te vervoeren, in een kinder-zitje dat achterstevoren is geplaatst, moeten de air-bags aan passagierszijde worden uitgeschakeld(frontairbag en zij-airbag voor de bescherming van
borstkas/bekken (sidebag)) in het setup-menu. Contro- leer direct of de airbags daadwerkelijk zijn uitgeschakeld:het waarschuwingslampje
“op het instrumentenpaneel
moet continu branden. Bovendien moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomendat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met hetdashboard.
In het Alfa Romeo Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes op-
genomen voor elke gewichtsgroep. Deze zijn speciaal ontworpen
en ontwikkeld voor de Alfa Romeo-modellen.
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevorenop de passagiersstoel voor als de airbag aan pas- sagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de
airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig let- sel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht dezwaarte van het ongeluk. Wij raden u aan kinderen altijdin een kinderzitje op de zitplaatsen achter te vervoeren,omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescher-ming bieden.