ESP Seat Arona 2018 Handleiding (in Dutch)

Page 180 of 332

Bedienen
Rijden
Mot or s
t
arten en afzetten
Standen van de contactsleutel Afb. 175
Standen van de contactsleutel. Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›


 pag. 31
Contact uitgeschakeld, stuurwiel vergren-
deld
In deze stand ››› afb. 175 1 zijn het contact
en de mot or uit
g

eschakeld en kan het stuur
vergrendeld worden.
Voor het vergrendelen van het stuurwiel zon-
der dat de sleutel in het contactslot zit, het
stuurwiel iets draaien totdat u een klik hoort.
In principe moet u altijd uw stuur laten blok-
keren wanneer u de wagen verlaat. Hiermee wordt diefstal van de wagen bemoeilijkt
›››
.
C ont
act
resp. voorgloeisysteem inschakelen
De contactsleutel tot in deze stand draaien
en loslaten 2 . Indien de contactsleutel niet
of moei
lijk

gedraaid kan worden van stand
1 naar stand
2 , beweegt u het stuurwiel
v an een k
ant

naar de andere; op deze wijze
wordt het stuurwiel ontgrendeld.
Starten
In deze stand wordt de motor gestart 3 .
Hierb ij w
or

dt de belangrijkste elektrische ap-
paratuur tijdelijk uitgeschakeld.
Telkens als u de auto opnieuw start, moet u
de contactsleutel terugdraaien in stand 1 .
D e
b

lokkering van herhaling van het starten
van het contactslot voorkomt dat de startmo-
tor beschadigd wordt als de motor draait. ATTENTIE
● Cont act

sleutel pas uit het contactslot trek-
ken wanneer de wagen tot stilstand is geko-
men! Het stuurslot kan direct vergrendelen –
gevaar voor ongelukken.
● Als u de wagen - al is het slechts tijdelijk -
verlaat, a
ltijd de sleutel uit het contact trek-
ken. Dit is met name van belang als er kinde-
ren of hulpbehoevenden alleen in de wagen
gelaten worden, omdat zij de motor zouden
kunnen starten of elektrische uitrustingen, zoals de ruitbediening, zouden kunnen in-
sc
h

akelen - gevaar voor ongelukken.
● Onbevoegd gebruik van de sleutel kan er-
toe leiden d
at bijv. de motor wordt gestart of
systemen zoals de elektrische ruitbediening
worden bediend, wat tot ernstig letsel kan
leiden. VOORZICHTIG
Alleen als de motor uit staat, kan de startmo-
t or bediend w or

den (contactsleutel in stand
3 ).
Een benzinemotor starten
De motor kan alleen met een passende, ge-
c
odeer
de en originel

e SEAT-sleutel gestart
worden.
– Versnellingshendel in de neutrale stand
zetten en het

koppelingspedaal helemaal
intrappen en in deze stand houden – de
startmotor moet dan uitsluitend de motor
op gang brengen.
– Contactsleutel in de stand voor het starten
van de motor ›

›› afb. 175 3 draaien.
– Contactsleutel loslaten wanneer de motor
aan s
l

aat - de startmotor mag niet mee-
draaien.
Om een verhitte motor te starten kan het zijn
dat u na het starten wat gas moet bijgeven.
178

Page 184 of 332

Bedienen
uitvoeren. Op het display van het instrumen-
t enp
aneel
verschijnt er dan een waarschu-
wingstekst. Dit kan bijvoorbeeld het geval
zijn wanneer de batterij van de autosleutel
bijna of helemaal leeg is:
● Houd de autosleutel direct na het indruk-
ken v
an de startknop altijd bij de stuurkolom
››› afb. 177, zo dicht mogelijk bij het logo van
Kessy.
● Het contact wordt automatisch ingescha-
keld en
zo nodig slaat de motor aan.
Nooduitschakeling
Als de motor niet stopt door de startknop
kort in te drukken, dan moet een nooduit-
schakeling worden uitgevoerd:
● Druk binnen 3 seconden de startknop twee
keer in of druk
de startknop eenmaal in ge-
durende meer dan 1 seconde ››› .
● De motor gaat automatisch uit.
F u
nctie om de mot

or weer te starten
Als er eenmaal de motor uitgezet is geen
passende sleutel in de wagen aangetroffen
wordt, kan de motor pas na 5 seconden weer
gestart worden. Op het display van het in-
strumentenpaneel wordt een waarschuwing
hieromtrent weergegeven.
Na die vijf seconden kan de motor niet meer
zonder een passende sleutel in de wagen ge-
start worden. Automatisch uitschakelen van het contact in
wagen

s met Start-Stop
Het contact van de wagen wordt automatisch
uitgeschakeld wanneer de wagen stilstaat en
het automatisch afzetten van de motor actief
is indien:
● de veiligheidsgordel van de bestuurder niet
is
vastgegespt,
● de bestuurder geen enkel pedaal intrapt,
● het bestuurdersportier geopend wordt.
Indien na het aut
omatisch uitschakelen van
het contact het dimlicht  brandt, blijft het
stadslicht branden gedurende ca. 30 minu-
ten (indien de accu voldoende lading heeft).
Als de bestuurder de wagen vergrendelt of
het licht handmatig uitschakelt, gaat het
stadslicht uit. ATTENTIE
Iedere onbedoelde beweging van de wagen
kan ern s

tig letsel tot gevolg hebben.
● Trap na het inschakelen van het contact
niet op het
rem- of koppelingspedaal omdat
anders de motor meteen gestart kan worden. ATTENTIE
Nalatig of onachtzaam gebruik van de auto-
sl eut

els kan leiden tot ernstige verwondingen
en ongevallen. ●
Laat w anneer u het

voertuig verlaat nooit
de autosleutel in de wagen achter. Anders
kunnen kinderen of onbevoegden de portie-
ren en de achterklep vergrendelen, de motor
starten of het contact inschakelen en op die
manier systemen zoals de elektrische ruitbe-
diening gebruiken. Let op
● Voor d

at u de wagen verlaat, moet u het
contact altijd handmatig uitschakelen en
eventueel rekening houden met de aanwijzin-
gen op het scherm van het instrumentenpa-
neel.
● Als de wagen lange tijd blijft stilstaan met
inge
schakeld contact, kan de accu leeg raken
en kan de motor mogelijk niet meer gestart
worden.
● Voor wagens met dieselmotor kan het even
duren v
oordat de motor aanslaat als hij moet
voorverwarmen.
● Als u tijdens de STOP-fase drukt op de
drukknop STAR

T ENGINE STOP , wordt het contact
uitg e
schakeld en knippert de knop.
● Als de aanwijzing verschijnt op het scherm
van het in
strumentenpaneel "Start-stopsys-
teem uitgeschakeld: motor handmatig star-
ten", zal de drukknop START ENGINE STOP knip-
peren. 182

Page 187 of 332

Rijden
of na het wassen van de wagen, is de werk-
in g
v
an de remmen vanwege vochtige of in
de winter bevroren remschijven slechter: in
dit geval moeten de remmen eerst worden
"drooggeremd". ATTENTIE
Een langere remweg of schade aan het rem-
sys t

eem verhogen het gevaar voor ongeval-
len.
● Nieuwe remblokken moeten eerst inrem-
men en hebben tijdens
de eerste 200 km
(124 mijl) nog niet de optimale wrijvings-
kracht. Deze licht verminderde remcapaciteit
kunt u compenseren door met meer kracht op
het rempedaal te duwen. Dit is ook van toe-
passing wanneer later de remblokken moeten
worden vervangen.
● Bij natte resp. bevroren remmen en bij het
rijden op weg
en die met zout zijn bestrooid,
kunnen de remmen vertraagd werken.
● Op hellingen worden de remmen veel ge-
bruikt en wor
den deze snel heet. Voordat u
een langer traject met steile hellingen om-
laag rijdt, vermindert u de snelheid, schakelt
u naar een lagere versnelling terug of kiest u
een lagere rijstand. Op deze wijze maakt u
gebruikt van de remmende werking van de
motor en belast u de remmen minder.
● Nooit de remmen laten "aanlopen" door
het pedaa
l langdurig licht in te drukken. Con-
tinu remmen leidt tot oververhitting van de
remmen en daarmee tot een langere remweg.
In plaats daarvan in intervallen remmen. ●
De w ag

en nooit met afgezette motor laten
rollen. De remweg wordt aanzienlijk langer
wanneer de rembekrachtiger niet geactiveerd
is.
● Bij te oude remvloeistof kan een grote be-
las
ting van de remmen luchtbelvorming in
het remsysteem tot gevolg hebben. Hierdoor
werken de remmen minder goed.
● Frontspoilers die niet af fabriek zijn gemon-
teerd of
beschadigd zijn, kunnen er de oor-
zaak van zijn dat er minder lucht bij de rem-
men komt en dat de remmen oververhit ra-
ken. Let voor het kopen van accessoires op de
aanwijzingen ››› pag. 270, Technische wijzi-
gingen.
● Wanneer een remcircuit is uitgevallen,
wordt
de remweg aanzienlijk langer! Direct
een gespecialiseerde werkplaats opzoeken
en niet onnodig rijden. Controlelampje
Situaties waarin het controlelampje gaat
br
anden 
*
● Al

s het remvloeistofpeil te laag is ›››
pag.
292.
● Als er een storing is in het remsysteem.
Dit contr
olelampje kan ook samen branden
met het ABS-controlelampje. ATTENTIE
● Als

het remcontrolelampje niet uit gaat of
tijdens het rijden oplicht, is het remvloeistof-
peil te laag - gevaar voor ongelukken ››› pag.
292, Remvloeistof! Stoppen, niet verder rij-
den. Roep de hulp in van een vakman.
● Als het remcontrolelampje  samen met
het ABS-c
ontrolelampje  oplicht, kan de
oorzaak ook een storing in de werking van
het ABS zijn. Hierdoor kunnen de achterwie-
len relatief snel blokkeren als er wordt ge-
remd. Dit kan onder omstandigheden ertoe
leiden dat de achterkant van de wagen uit-
breekt - slipgevaar! De wagen stoppen en de
hulp van een garage inroepen. Handrem
Afb. 178
Handrem tussen de voorstoelen. » 185
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 190 of 332

Bedienen
het rijden met een aanhangwagen rekening
te w
or
den gehouden.
● U moet uw rijstijl daarom steeds aanpassen
aan de toes
tand van de weg en de verkeerssi-
tuatie. De aangeboden hogere veiligheid door
de ESC mag geen aanleiding zijn tot het ne-
men van risico's! VOORZICHTIG
● Om de w erkin

g van de ESC te garanderen
moeten bij alle vier de wielen dezelfde ban-
den zijn gemonteerd. Een verschillende afro-
lomtrek van de banden kan tot een ongewen-
ste vermindering van het motorvermogen lei-
den.
● Wijzigingen aan de wagen (bijv. aan de mo-
tor, aan het
remsysteem, aan het onderstel of
een andere wiel-bandcombinatie) kunnen de
werking van het ABS, EDS, ESC en ASR beïn-
vloeden. Aandrijfslipregeling van de aandrijf-
w
iel en (ASR) De aandrijfslipregeling voorkomt dat de aan-
g
edr
ev

en wielen doordraaien wanneer wordt
geaccelereerd. Beschrijving en werking van de aandrijfslip-
reg

eling bij het accelereren (ASR)
De ASR gaat door vermindering van het mo-
torvermogen het doordraaien van de aange-
dreven wielen bij het accelereren tegen.
Door de ASR wordt zelfs bij ongunstige weg-
omstandigheden het wegrijden, accelereren
en omhoogrijden aanzienlijk makkelijker of
zelfs pas mogelijk.
De ASR wordt automatisch ingeschakeld, als
de motor wordt gestart. Zo nodig kan deze
functie worden in- of uitgeschakeld door mid-
del van het Easy Connect-systeem*.
Is het ASR uitgeschakeld, dan brandt het con-
trolelampje . In het algemeen dient het al-
tijd ingeschakeld te zijn. Enkel in uitzonderlij-
ke gevallen, wanneer u wilt dat de wielen
slippen, kunt u het uitschakelen via het Easy
Connect-systeem, met de toets  en de
f u
nctiet

oets SETUP > ESC-systeem , bij-
voorbeeld:
● Met rijden op ruimtebesparend reserve-
wiel.
● M

et sneeuwkettingen om de banden.
● Bij het rijden in een dik pak sneeuw of bij
losse onder
grond.
● Wanneer de auto vastzit, om hem "schom-
melend los
te krijgen."
Daarna dient het mechanisme weer inge-
schakeld te worden. Controlelampje
Er zijn drie inf

ormatiecontrolelampjes voor de
tractiecontrole:  (voor wagens uitgerust
met M-ABS),  (voor wagens uitgerust met
ESC) en . De lampjes gaan branden wan-
neer het contact wordt ingeschakeld en moe-
ten na circa 2 seconden weer uitgaan, wat
overeenkomt met de duur van de functiecon-
trole.
Het controlelampje  of  heeft de volgen-
de functie:
● Knippert wanneer de ASR in werking is en
de wagen rijdt
.
Als het systeem uit staat of bij een storing in
het systeem, blijft het controlelampje bran-
den. Het ASR-controlelampje brandt ook bij
een storing in het ABS, omdat de ASR samen-
werkt met het ABS. Nadere aanwijzingen
››› pag. 189
Het controlelampje  geeft informatie over
de uitschakelstatus van het systeem:*
● Blijft ingeschakeld wanneer we de ASR uit-
zetten
via Easy Connect.
Door middel van Easy Connect wordt de ASR-
functie hersteld en het controlelampje gaat
uit.
188

Page 192 of 332

Bedienen

Met de E
SC in Sport-stand is de stabilise-
rende werking beperkt om een meer sportief
rijgedrag mogelijk te maken. De aangedreven
wielen kunnen doorslippen, waardoor ook de
wagen kan slippen. Let op
Bij het uitschakelen van de ASR of het selec-
t er en

van de Sportstand van de ESC, wordt
het snelheidsregelsysteem* uitgeschakeld. Elektronisch sperdifferentieel (EDS)*
Het EDS werkt in combinatie met het ABS bij
w
ag
en

s die met de Elektronische Stabilise-
ringscontrole (ESC)* zijn uitgerust.
Door het EDS wordt zelfs bij ongunstige weg-
dekomstandigheden het wegrijden, accelere-
ren en omhoogrijden aanzienlijk makkelijker
of zelfs pas mogelijk.
Het controleert met behulp van de sensoren
van het ABS het toerental van de aangedre-
ven wielen.
Als er een toerentalverschil van ca. 100 om-
wentelingen/minuut tussen de aangedreven
wielen is, bijv. op een ondergrond die aan
één kant glibberig is, dan wordt het door-
draaiende wiel afgeremd en de aandrijfkracht
op het andere aangedreven wiel overgedra-
gen door middel van het differentieel. Dit ge- beurt tot een snelheid van ca. 80 km/u (50
mph).
Opdat de s

chijfrem van het afgeremde wiel
niet te warm wordt, wordt het EDS bij buiten-
gewoon sterke belasting automatisch uitge-
schakeld. De wagen blijft normaal werken
met dezelfde eigenschappen als die van een
wagen zonder EDS. Daarom wordt het uit-
schakelen van het EDS niet aangegeven.
Zodra de rem is afgekoeld, wordt het EDS au-
tomatisch weer ingeschakeld.
Controlelampje
Als het ABS-controlelampje gaat  branden,
is het EDS uitgevallen. Zoek dan zo snel mo-
gelijk een gespecialiseerde werkplaats op. ATTENTIE
● Bij het ac c

elereren op een gladde weg, bijv.
bij ijs en sneeuw, voorzichtig gas geven. De
aangedreven wielen kunnen ondanks het EDS
doordraaien en daardoor de rijveiligheid ne-
gatief beïnvloeden.
● U moet uw rijstijl steeds aanpassen aan de
toes
tand van de weg en de verkeerssituatie.
De aangeboden hogere veiligheid van het
EDS mag geen aanleiding zijn tot het nemen
van risico's! VOORZICHTIG
Wijzigingen aan de wagen (bijv. aan de mo-
tor , aan het

remsysteem, aan het onderstel of aan een andere wiel-bandcombinatie) kunnen
de werk
in

g van het EDS beïnvloeden ››› pag.
270. Hydraulische remkrachtassistent
(HBA)*
De functie (hydraulische remkrachtassistent
HBA) i
s

alleen ingebouwd in wagens die uit-
gerust zijn met ESC.
In een noodsituatie remmen de meeste be-
stuurders weliswaar op tijd, maar niet met de
maximale remdruk. Hierdoor wordt de rem-
weg langer dan noodzakelijk!
Op dat moment grijpt de hydraulische rem-
krachtassistent in. Wanneer u het rempedaal
heel snel intrapt, wordt dit door de remkrach-
tassistent als een noodsituatie geïnterpre-
teerd. De remkrachtassistent bouwt dan bin-
nen heel korte tijd volledige remdruk op om
sneller en effectiever het ABS te activeren en
de remweg te verkorten.
De druk op het rempedaal niet verlagen,
want zodra u het rempedaal loslaat wordt de
remkrachtassistent vanzelf weer uitgescha-
keld.
Automatisch oplichten van de alarmlichten
Bij plots remmen of het uitvoeren van een
noodstop gaan de remlichten automatisch
knipperen. Indien het noodremmen zou
190

Page 193 of 332

Rijden
aanhouden tot het stopzetten van de wagen,
g aan op d
at
ogenblik de noodlichten of “war-
ning” aan, waarbij vanaf dan de remlichten
doorlopend blijven branden. De noodlichten
zullen automatisch uitgaan bij het opnieuw
rijden of bij het indrukken van de drukknop
van de schakelaar “warning”. ATTENTIE
● Het g ev

aar voor ongevallen wordt hoger,
wanneer u te snel of te dicht op uw voorgan-
ger rijdt of wanneer de weg glad of nat is. Het
risico op een aanrijding in dergelijke omstan-
digheden kan door de remkrachtassistent
niet worden verminderd - gevaar voor onge-
lukken!
● De remkrachtassistent kan de natuurkundig
bepaal
de grenzen niet overwinnen, een glad-
de of natte weg blijft ook met deze remkrach-
tassistent gevaarlijk! De snelheid altijd aan
de weg- en verkeersomstandigheden aanpas-
sen. De aangeboden hogere veiligheid mag
geen aanleiding zijn tot het nemen van grote-
re risico's. Antiblokkeersysteem (ABS)
Het antiblokkeersysteem (ABS) verhindert
d
at
de w

ielen blokkeren en draagt aanzien-
lijk bij tot de verhoging van de actieve rijvei-
ligheid. Werking van het ABS
Wanneer een wiel

een voor de rijsnelheid te
lage snelheid heeft en tot blokkeren neigt,
dan wordt de remdruk voor dit wiel minder.
Men bemerkt deze regeling door een pulse-
rende beweging van het rempedaal , gecom-
bineerd met geluiden. Hierdoor krijgt u als
bestuurder bewust de informatie "De wielen
neigen ertoe om te blokkeren en het ABS
treedt in werking". Opdat het ABS in deze
toestand optimaal kan regelen, moet het
rempedaal ingetrapt blijven. In geen geval
"pompend remmen"!
Bij een noodstop op glad wegdek blijft een
optimale bestuurbaarheid gewaarborgd om-
dat de wielen niet blokkeren.
Er mag niet worden verwacht dat door het
ABS onder alle omstandigheden de remweg
wordt verkort. De remweg kan op grind of bij
verse sneeuw op een gladde ondergrond
zelfs langer worden.
Controlelampje
Het controlelampje  gaat enkele seconden
branden wanneer u het contact inschakelt.
Het lampje gaat uit, nadat een automatische
test is uitgevoerd.
Er zit een storing in het ABS als:
● Het controlelampje  gaat niet
branden
wanneer het contact wordt ingeschakeld. ●
Het contr
olelampje na enkele seconden
niet weer uitgaat.
● Het controlelampje gaat branden tijdens
het rijden.
Er kan nog met

het normale remsysteem -
dus zonder ABS - worden geremd. Zoek dan
zo snel mogelijk een gespecialiseerde werk-
plaats op.
Als er een storing in het ABS is, gaat ook het
controlelampje van het ESC* en dat van de
bandenspanning branden.
Storing in het hele remsysteem
Als het ABS-controlelampje  samen met
het controlelampje voor het remsysteem 
gaat branden, is niet alleen het ABS defect
maar moet u ook rekening houden met een
defect remsysteem ››› .
ATTENTIE
● Het ABS k

an de natuurkundig bepaalde
grenzen niet overwinnen, een gladde of natte
rijbaan is ook met ABS gevaarlijk! Wanneer
het ABS in werking is, moet de snelheid on-
middellijk aan de wegomstandigheden en het
verkeer worden aangepast. De aangeboden
hogere veiligheid mag geen aanleiding zijn
tot het nemen van grotere risico's.
● De werking van het ABS hangt ook van de
banden af ›

›› pag. 296. » 191
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 200 of 332

Bedienen
rijstand om te voorkomen dat de wagen
"n aar beneden rijdt",


› .
B er
g
op wegrijden
– Handrem aantrekken.
– Bij ingeschakelde rijstand gedoseerd gas
geven en de h

andrem loszetten.
Bergaf rijden: in bepaalde omstandigheden
(bijv. tijdens het rijden in bergen of met een
aanhangwagen), kan het gunstig zijn tijdelijk
over te schakelen naar de handmatige ver-
snelling, om de overbrengingsverhouding
handmatig aan de rijomstandigheden aan te
passen ››› .
Bij het p
ark

eren op vlak terrein is het vol-
doende om de keuzehendel in stand P te
schakelen. Bij een helling eerst de parkeer-
rem vastzetten en daarna de keuzehendel in
stand P schakelen. Daardoor bereikt u dat
het vergrendelingsmechanisme niet te sterk
wordt belast en dat de keuzehendel gemak-
kelijker uit stand P kan worden gezet. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Keuzehen-
dels t
anden op pag. 195 in acht nemen.
● Laat de remmen niet aanlopen en trap het
rempedaa
l niet te vaak of te lang in. Als u
continu remt, raken de remmen oververhit.
Dit resulteert in een aanzienlijke afname van
de remwerking, een verhoging van de remaf-
stand en schade aan het gehele remsysteem. ●
Wanneer u op hel lin

gen moet stoppen, de
wagen altijd met de voetrem resp. handrem
vasthouden om te voorkomen dat hij terug-
rolt. VOORZICHTIG
● Bij het st

oppen op hellingen niet proberen
om bij ingeschakelde rijstand en door gas ge-
ven het wegrollen van de wagen te verhinde-
ren. Hierdoor kan de automatische transmis-
sie worden oververhit en beschadigd. Trek de
handrem aan of trap het rempedaal in om te-
rugrollen van de wagen te voorkomen.
● Als u de wagen met afgezette motor en de
keuzehendel
in stand N laat rollen, wordt de
automatische transmissie beschadigd, omdat
deze dan niet wordt gesmeerd.
● Onder bepaalde rij- of verkeersomstandig-
heden, zo
als regelmatig aanslepen, langdu-
rig "kruipen" of files met regelmatige stil-
stand, kan de transmissie oververhit raken en
schade oplopen! Als het controlelampje 
oplicht, stop de wagen dan zodra daartoe de
mogelijkheid bestaat en wacht totdat de
transmissie is afgekoeld ››› pag. 201. Kickdown
Het kickdown-systeem maakt een maximale
ac
c
el

eratie mogelijk.
Als het gaspedaal door het drukpunt heen
geheel wordt ingetrapt, wordt afhankelijk van rijsnelheid en motortoerental naar een lagere
vers

nelling teruggeschakeld. Het opschake-
len naar de volgende versnelling gebeurt pas
zodra het maximaal toegestane toerental is
bereikt. ATTENTIE
Let op dat bij glad wegdek de aangedreven
wiel en k

unnen doorslippen als de kickdown
wordt bediend - slipgevaar! Launch-control programma
3 Geldig
voor wagens: met Launch Control / DSG
met
6 versnellingen en dieselmotoren met een ver-
mogen hoger dan 125 kW of benzinemotoren zwaar-
der dan 140 kW.
Het launch control-programma maakt een
maximale acceleratie mogelijk.
Voorwaarde: de motor heeft de bedrijfstem-
peratuur bereikt en het stuurwiel is niet ge-
draaid.
Het launch control-motortoerental is bij ben-
zine- en dieselmotoren verschillend. Om de
launch control te gebruiken, moet de aan-
drijfslipregeling (ASR) worden uitgeschakeld
via het menu van het Easy Connect-systeem
››› pag. 125. Het controlelampje  blijft bran-
den of knippert langzaam afhankelijk van het
feit of de wagen al dan niet voorzien is van
een bestuurdersinformatiesysteem*.
198

Page 202 of 332

Bedienen
ATTENTIE
De bergafdaalhulp is niet verder beschikbaar
dan bep aa
ld door de grenzen van de natuur-
kundige wetten. Daardoor kan deze niet on-
der alle omstandigheden de snelheid cons-
tant houden. Blijf altijd paraat om zelf te rem-
men! Inertiestand
De inertiestand maakt het mogelijk om ge-
bruik t
e m

aken van de kinetische energie van
de wagen bij het rijden op plaatsen waar het
gaspedaal niet hoeft te worden ingetrapt. Zo
wordt brandstof bespaard. Gebruik de iner-
tiestand om de wagen "uit te laten rollen",
bijvoorbeeld bij het naderen van de bebouw-
de kom.
Inertiestand activeren
Voorwaarde: keuzehendel in stand D, hellin-
gen minder dan 12%.
– Kies in SEAT Drive Profile* de stand Eco
› ›


pag. 237.
– Haal de voet van het gaspedaal.
De aanw
ijzing voor de bestuurder vermeldt
Inertie . Bij snelheden hoger dan 20 km/u
(12 mpu) ontkoppelt de transmissie automa-
tisch en rolt de wagen uit, zonder af te rem-
men op de motor. Zolang de wagen rolt,
draait de motor stationair. Inertiestand deactiveren
– Bedien het rempedaal of koppelingspe-
daal.
Om w

eer te gaan afremmen en de uitschake-
ling van de motor ongedaan te maken, hoeft
u slechts op het rempedaal te trappen.
De combinatie van de inertie-stand (= lange-
re afstand met minder energie) en de ontkop-
peling door inertie (= kortere afstand waarbij
brandstof nodig is) verbetert het brandstof-
verbruik en reduceert de uitlaatgasemissie. ATTENTIE
● Als

de inertie-stand is geactiveerd, houd er
dan rekening mee dat bij het naderen van een
obstakel en het loslaten van het gaspedaal
de wagen niet op normale wijze vertraagt -
gevaar op ongelukken!
● Bij gebruik van de inertie-stand in een af-
dalin
g, kan de snelheid van de wagen toene-
men - gevaar op ongelukken!
● Als anderen met uw wagen rijden, waar-
schu
w deze dan voor de inertie-stand. Let op
● De iner tie-

stand is uitsluitend beschikbaar
in de rijstand eco (SEAT Drive Profile*).
● De aanwijzing voor de bestuurder Inertie
wordt
uitsluitend gegeven in combinatie met
het actueel verbruik. In inertie-stand wordt de versnelling niet meer weergegeven (bijv.
"E" ver
s

chijnt in plaats van "E7").
● Bij hellingen steiler dan 15% wordt de iner-
tiest
and automatisch tijdelijk gedeactiveerd. Noodprogramma
Bij een storing in het systeem is er een nood-
progr
amm

a.
Als in het display in het instrumentenpaneel
alle standen van de keuzehendel tegen een
lichte achtergrond worden weergegeven, dan
is er een storing opgetreden in het systeem
en werkt de automatische transmissie in het
noodprogramma. Met het noodprogramma
kan nog steeds met de auto gereden worden,
maar dan wel met een lagere snelheid en
niet meer in alle rijstanden. In bepaalde ge-
vallen is niet mogelijk dat niet meer achteruit
kan worden gereden. VOORZICHTIG
Als de transmissie in het noodprogramma
werkt, g a d

an direct naar een gespecialiseer-
de werkplaats om de storing te laten verhel-
pen. Koppeling
 Koppeling oververhit! Stop!
200

Page 203 of 332

Rijden
De koppeling is oververhit en kan bescha-
digd r ak
en.
Zet de wagen stil en laat de
transmissie afkoelen bij draaiende motor
(stationair) en de keuzehendel in stand P. Zo-
dra het controlelampje dooft en de aanwij-
zing voor de bestuurder verdwijnt, gaat u di-
rect naar een gespecialiseerde werkplaats
om het defect te laten verhelpen. Als het con-
trolelampje niet dooft en de aanwijzing voor
de bestuurder niet verdwijnt, rijd dan niet
verder. Roep de hulp van vakmensen in.
Storingen aan de versnellingsbak 
Versnellingsbak: storing! Zet
de wagen stil en plaats de keu-
zehendel in de stand P
Er i s

een storing opgetreden in de transmis-
sie. Zet de wagen op een veilige plaats en
rijd niet verder. Roep de hulp van vakmensen
in.
 Versnellingsbak: probleem in
het systeem! U kunt door blijven
rijden
Wacht niet te lang met naar een gespeciali-
seerde werkplaats te gaan om de klacht te la-
ten verhelpen.  Versnellingsbak: probleem in
het systeem! U kunt doorrijden
met beperkingen. Achteruit niet
beschikbaar Rijd direct naar een gespecialiseerde werk-
pl
aats

om de storing te laten repareren.
 Versnellingsbak: probleem in
het systeem! U kunt doorrijden
in de stand D totdat de motor
wordt afgezet
Verlaat het verkeer en zet de wagen op een
veilige plaats. Roep de hulp van vakmensen
in.  Versnellingsbak: oververhit.
Pas uw rijstijl aan.
Rijd rustig door. Zodra het controlelampje
dooft, kunt u weer normaal rijden.  Versnellingsbak: trap de rem
in en kies een rijstand.
Als de storing het gevolg is van een hoge
temperatuur in de versnellingsbak, wordt via
een aanwijzing voor de bestuurder gemeld
wanneer de transmissie weer is afgekoeld.
Aanbevolen versnelling De optima
le versnelling inschakelen Al naargelang de uitrusting van de wagen
k
an tijden
s

het rijden op het display van het
instrumentenpaneel de aanbevolen versnel-
ling worden getoond om brandstof te bespa-
ren. Bij wagens met
automatische
versnellings-
bak moet hiervoor de keuzehendel in de
stand Tiptronic ››› pag. 196 staan.
Als de juiste versnelling ingeschakeld is,
wordt geen aanbeveling weergegeven. De op
dat moment ingeschakelde versnelling wordt
getoond.
IndicatieBetekenis 
De optimale versnelling is ingescha-
keld.
 

Aanbevolen wordt over te gaan op
een versnelling hoger.  

Aanbevolen wordt over te gaan op
een lagere versnelling. Informatie ter "reiniging" van het roetfilter
v
an een die
selmot

or
Het uitlaatsysteem stelt vast wanneer het
roetfilter bijna vol is en activeert de zelfreini-
gende werking van het filter door de optimale
versnelling aan te duiden. Mogelijk dient
hiervoor op een bijzondere manier te worden
gereden, met een verhoogd motortoerental. ATTENTIE
De aanbevolen versnelling is slechts een
hulpf u

nctie en mag in geen geval de oplet-
tendheid van de bestuurder vervangen.
● De bestuurder is verantwoordelijk voor het
kiezen
van de juiste versnelling, bijvoorbeeld » 201
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 204 of 332

Bedienen
bij het inhalen of bergop of bergaf rijden, of
het tr
ekk
en van een aanhangwagen. Milieu-aanwijzing
In de optimale versnelling kunt u brandstof
be sp

aren. Let op
De aanduiding van de aanbevolen versnelling
ver dw

ijnt wanneer het koppelingspedaal
wordt ingetrapt bij wagens met handgescha-
kelde versnellingsbak of door de keuzehen-
del in de stand Tiptronic te laten staan bij wa-
gens met automatische versnellingsbak. Besturing
In l
eidin

g tot themaDe stuurbekrachtiging is niet hydraulisch
m
aar el
ektr

omechanisch. Het voordeel van
deze stuurbekrachtiging is dat er geen hy-
draulische slangen, hydraulische olie, pomp,
filter en andere onderdelen nodig zijn. Het
elektromechanische systeem bespaart
brandstof. Terwijl een hydraulisch systeem
een continue oliedruk nodig heeft, gebruikt
de elektromechanische stuurinrichting enkel
energie tijdens het bedrijf.
In wagens met een elektromechanische
stuurinrichting wordt de stuurbekrachtiging automatisch aan de rijsnelheid, het draai-
koppel

van het stuurwiel en de oriëntatie van
de wielen aangepast. De elektromechanische
stuurinrichting werkt alleen bij draaiende
motor. ATTENTIE
Als de stuurbekrachtiging niet werkt, moet
bij het s

turen veel meer kracht worden uitge-
oefend. Dit heeft een aanzienlijke invloed op
de veiligheid van de wagen.
● De stuurbekrachtiging werkt alleen bij
draaiende motor
.
● Laat de wagen nooit bewegen wanneer de
motor uits
taat.
● Trek de sleutel nooit uit het contact zolang
de wagen in bew
eging is. De stuurkolom zou
vergrendeld kunnen worden, waardoor niet
langer gestuurd kan worden. Let op
Het contact van de getrokken wagen moet in-
ge s

chakeld zijn, opdat het stuurwiel niet ge-
blokkeerd is, en de knipperlichten, de claxon,
de ruitenwissers en de ruitensproeierinstalla-
tie kunnen worden ingeschakeld. Controlelampje
Het controlelampje gaat enkele seconden
br
anden w
anneer u het

contact inschakelt. Het lampje moet na het aanslaan van de mo-
tor uitg

aan. 
Gaat rood branden
De elektromechani-
sche stuurbekrachti-
ging is defect.Laat de stuurinrichting zo snel
mogelijk nakijken in een gespe-
cialiseerde werkplaats.

Gaat geel branden
De werking van de
elektromechanische
stuurinrichting is
beperkt.Zoek zo snel mogelijk een ge-
specialiseerde werkplaats op en
laat de stuurinrichting nakijken.
Indien het gele waarschuwings-
lampje niet opnieuw gaat bran-
den nadat de motor weer is aan-
gezet en een kleine afstand is af-
gelegd, hoeft
niet naar een ge-
specialiseerde werkplaats ge-
gaan te worden.
De accu van 12 volt
was losgemaakt en
werd weer vastge-
maakt.Leg een korte afstand af met een
snelheid van 15-20 km/u
(9-12 mph). 
Knippert geel
De stuurkolom is
aangetrokken.Draai het stuur een beetje naar
de ene en andere kant.
202

Page:   < prev 1-10 ... 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 71-80 81-90 91-100 ... 110 next >