ESP Seat Arona 2018 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2018, Model line: Arona, Model: Seat Arona 2018Pages: 332, PDF Size: 6.85 MB
Page 287 of 332

Controleren en bijvullen
Werkzaamheden in de motor-
ruimt e
V ei
ligheidsaanwijzingen voor werk-
zaamheden in de motorruimte Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 17
Voor alle werkzaamheden aan de motor of in
de motorruimte:
1. Motor uitschakelen en de sleutel uit het cont acts
lot trekken.
2. Handrem aantrekken.
3. Versnellingshendel in neutraal resp. de keuzehendel
in stand P zetten.
4. Motor laten afkoelen.
5. Kinderen ver van de wagen houden.
6. Motorkap openen ›››
pag. 286.
Werkzaamheden in de motorruimte alleen
zelf uitvoeren, wanneer u met de noodzakelij-
ke handelingen vertrouwd bent en over ge-
schikt gereedschap beschikt! Anders de
werkzaamheden bij een gespecialiseerde
werkplaats uit laten voeren.
Alle vloeistoffen en bedrijfsmiddelen, zoals
koelvloeistof en motorolie, maar ook bougies
en accu's worden voortdurend verder ontwik-
keld. De Technische Diensten worden door
SEAT constant op de hoogte gehouden over wijzigingen. Wij adviseren u daarom bedrijfs-
vloeist
offen en bedrijfsmiddelen door een
Technische Dienst te laten vervangen. Let ook
op de aanwijzingen ››› pag. 270. De motor-
ruimte van de wagen is een gevaarlijke ruim-
te ››› .
ATTENTIE
Bij alle handelingen aan de motor of in de
motorruimt e - b
ijv. bij controleren en bijvullen
van vloeistoffen - kunnen verwondingen,
brandwonden en ander gevaar voor een onge-
val of brand ontstaan!
● Nooit de motorkap openen als u ziet dat er
stoom of
koelvloeistof uitkomt. Gevaar voor
brandwonden! Wachten tot er geen damp of
koelvloeistof meer naar buiten komt. De mo-
tor vóór het openen van de motorkap laten af-
koelen.
● Motor uitschakelen en de contactsleutel uit
het cont
actslot trekken.
● Trek de handrem aan en zet de versnel-
lingshendel
in de stand neutraal of de keuze-
hendel in de stand P.
● Kinderen ver van de wagen houden.
● Geen hete motordelen aanraken. Gevaar
voor brandw
onden!
● Geen vloeistof op de motor of op het uit-
laatsy
steem knoeien als deze nog heet zijn.
Brandgevaar!
● Kortsluiting voorkomen in de elektrische
inst
allatie, vooral op de starthulpaansluitin-
gen ›››
pag. 72. De accu kan exploderen! ●
Nooit het k
oelsysteem aanraken. Deze
wordt afhankelijk van de temperatuur gere-
geld en kan automatisch worden ingescha-
keld – ook bij uitgeschakeld contact of uit het
contact getrokken contactsleutel!
● Bedek de motor nooit met extra isolatiema-
teria
len zoals een deken. Brandgevaar!
● Nooit de vuldop van het koelvloeistofreser-
voir openen z
olang de motor warm is. Door de
hete koelvloeistof staat het koelsysteem on-
der druk!
● Vuldop bij het openen met een grote, dikke
lap afdekk
en om gezicht, handen en armen
tegen hete damp of hete koelvloeistof te be-
schermen.
● Geen voorwerpen, zoals poetslappen of ge-
reeds
chap, in de motorruimte achterlaten.
● Als u zich genoodzaakt ziet om onder de
wagen w
erkzaamheden uit te voeren, zet hem
dan met stroppen en bokken vast zodat hij
niet kan bewegen. De hydraulische krik al-
leen is niet voldoende om de wagen vast te
zetten en u loopt kans zich te verwonden.
● Als er werkzaamheden aan de motor moe-
ten wor
den uitgevoerd, terwijl er wordt ge-
start of terwijl de motor draait, bestaat er le-
vensbedreigend gevaar door draaiende delen
(zoals de geribde riem, de dynamo en de
koelluchtventilator) en door de hoogspan-
ningsontsteking. Let ook op het volgende:
–Raak nooit de elektrische kabels van het
ontstekingssysteem aan.
– Beslist voorkomen dat u bijv. met siera-
den, loshangende kledingstukken of » 285
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 288 of 332

Aanwijzingen
lange haren in draaiende delen van de
motor k
omt
. Er bestaat levensgevaar.
Daarom eerst sieraden afdoen, uw haar
opsteken en kleding dragen, die goed
aansluit.
– Nooit bij een ingeschakelde versnelling
achteloos gas geven. De wagen zou zich
zelfs met aangetrokken handrem nog
kunnen verplaatsen. Er bestaat levensge-
vaar.
● Wanneer werkzaamheden aan het brand-
stof
systeem of aan de elektrische installatie
noodzakelijk zijn, ook op de hierboven ver-
melde waarschuwingen letten:
–Startaccu altijd losmaken van de elektri-
sche installatie. Daarbij moet de wagen
ontgrendeld zijn, omdat anders het
alarmsysteem wordt geactiveerd.
– Niet roken.
– Nooit in de buurt van open vuur werken.
– Altijd een brandblusser gereedhouden. ATTENTIE
Als de motorkap niet goed gesloten is, zou hij
onder het rijden p lot
s open kunnen gaan en
de bestuurder het zicht kunnen ontnemen.
Dit kan ernstige ongevallen tot gevolg heb-
ben.
● Controleer na het sluiten van de motorkap
of de v
ergrendeling goed in de slotplaat vast-
geklikt is. De gesloten motorkap moet vlak
met de carrosseriedelen eromheen liggen. ●
Als
u onder het rijden vaststelt dat de mo-
torkap niet goed gesloten is, moet u onmid-
dellijk stoppen en de motorkap goed sluiten.
● Open en sluit de motorkap alleen als nie-
mand z
ich binnen de actieradius ervan be-
vindt. VOORZICHTIG
Let er bij het bijvullen van vloeistoffen op dat
de vloei s
toffen in geen geval worden verwis-
seld. Anders zijn ernstige storingen en motor-
schade het gevolg! Milieu-aanwijzing
Vloeistoffen die uit de wagen komen, zijn
sc h
adelijk voor het milieu. Controleer daarom
regelmatig de grond onder de wagen. Als
daar vlekken van olie of andere vloeistoffen
zichtbaar zijn, dan dient u de wagen door een
gespecialiseerde werkplaats te laten contro-
leren. De motorkap openen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 17
De motorkap wordt vanuit het interieur ont-
grendeld.
Alvorens de motorkap te openen, erop letten
of de ruitenwissers wel in de ruststand staan. ATTENTIE
Hete koelvloeistof kan brandwonden veroor-
zak en!
● Nooit
de motorkap openen als u ziet dat er
damp, r
ook of koelvloeistof uit de motorruim-
te komt.
● Zo lang wachten tot er geen damp, rook of
koelvloeis
tof meer naar buiten komt, voordat
u de motorkap voorzichtig opent.
● Let vóór alle werkzaamheden in het motor-
compar
timent op de waarschuwingen ››› pag.
285. Motorkap sluiten
–
De motorkap iets oplichten.
– De motorkapsteun loshaken en weer in de
druk houder p
l
aatsen.
– Op een hoogte van ongeveer 30 cm laten
vall
en zodat het geblokkeerd is.
Als de motorkap niet goed gesloten is, de
kap niet aandrukken. Opnieuw openmaken
en laten vallen zoals hiervoor beschreven is. ATTENTIE
Een niet goed gesloten motorkap kan tijdens
het rijden open g
aan en het zicht naar voren
belemmeren - gevaar voor ongevallen!
● Altijd na het sluiten van de motorkap con-
trol
eren of de vergrendeling goed is 286
Page 290 of 332

Aanwijzingen
Motorolie A l
g
emene aanwijzingen De motor wordt af fabriek voorzien van een
spec
i
ale multigrade-olie geschikt voor elk
jaargetijde.
Omdat het gebruik van een hoogwaardige
olie een voorwaarde is voor het correct functi-
oneren en de duurzaamheid van de motor,
dient uitsluitend olie volgens de VW-normen
gebruikt te worden als u olie bijvult of ver-
verst.
De specificaties die op de volgende bladzijde
staan (VW-normen) moeten op de verpakking
vermeld staan; indien op de verpakking van
de olie zowel de normen voor zowel benzine-
als voor dieselmotoren vermeld staan, mag
de olie zonder onderscheid voor beide soor-
ten motoren gebruikt worden.
Geadviseerd wordt het verversen van de olie
uit te laten voeren door een Technische
Dienst of een gespecialiseerde werkplaats,
volgens het Onderhoudsprogramma.
De voor de motor in uw wagen geldende olie-
specificaties staan in ›››
pag. 59.
Onderhoudsintervallen
De onderhoudsintervallen kunnen flexibel
(service-interval met lange duur) of vast (af-
hankelijk van de tijd of het gereden aantal ki-
lometers). Als op de binnenkant van de omslag van het
boekj
e Onderhoud
sprogramma de aandui-
ding PR QI6 voorkomt, betekent dit dat voor
de wagen een service-interval met lange duur
van toepassing is, terwijl de aanduidingen
QI1, QI2, QI3, QI4 of QI7 staan voor een on-
derhoudsinterval op basis van tijd of kilome-
ters.
Variabele onderhoudsintervallen (Service-In-
tervallen met Lange Duur*)
Er zijn speciale oliën en controles ontwikkeld
die, afhankelijk van de rijomstandigheden en
rijstijl van de bestuurder, de verversingsinter-
vallen kunnen verlengen (service-intervallen
met lange duur).
Het gebruik van deze oliën is een voorwaarde
voor het verlengen van deze onderhoudsin-
tervallen, neem daarbij altijd het volgende in
acht:
● Vermeng de olie niet met de voor vaste on-
derhoudsint
ervallen voorgeschreven olie.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 289 en LongLife-olie
niet beschikbaar is, mag met oliesoorten
voor vaste onderhoudsintervallen
››› pag. 59 maximaal 0,5 liter eenmalig
worden bijgevuld.
Vaste service-intervallen*
Als er voor de wagen geen "Service-interval
met lange duur" van toepassing is of dit in- terval op verzoek niet wordt toegepast, ge-
bruik dan o
lie voor vaste onderhoudsinter-
vallen die wordt vermeld in ›››
pag. 59. In
dit geval geldt voor uw wagen een vast on-
derhoudsinterval van 1 jaar of 15.000 km
(wat het eerst wordt bereikt) ››› brochure On-
derhoudsprogramma.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 289 en de voor uw wa-
gen voorgeschreven olie niet beschikbaar is,
mag met oliesoorten volgens specificatie
ACEA A2 of ACEA A3 (benzinemotoren) resp.
ACEA B3 of ACEA B4 (dieselmotoren) hoog-
stens 0,5 liter eenmalig worden bijgevuld.
Wagens met roetfilter voor dieselmotoren*
In het Onderhoudsprogramma staat of uw
wagen met een roetfilter voor dieselmotoren
is uitgerust.
Bij wagens die zijn uitgerust met een roetfil-
ter voor dieselmotoren mag uitsluitend mo-
torolie volgens specificatie VW 507 00 wor-
den bijgevuld. Dat is een low SAPS-motor-
olie. Het gebruik van andere typen motorolie
kan ertoe leiden dat het roetfilter eerder ver-
stopt raakt, waardoor de levensduur ervan
wordt verminderd. Daarom:
● Niet vermengen met andere oliesoorten.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 289, Motoroliepeil
controleren en de voor uw wagen voorge-
schreven olie niet beschikbaar is, mag met
288
Page 291 of 332

Controleren en bijvullen
oliesoorten volgens specificatie VW 506 00
r e
s
p. VW 506 01 of VW 505 00 resp.
VW 505 01 of ACEA B3 resp. ACEA B4 hoog-
stens 0,5 liter eenmalig worden bijgevuld. Let op
Alvorens een lange reis te gaan maken, advi-
seren w ij u
voor vertrek motorolie met de
overeenkomstige VW specificatie te kopen en
in uw wagen mee te nemen. Zo beschikt u al-
tijd over de juiste motorolie om bij te vullen
indien dit nodig mocht zijn. Waarschuwingslampje
Als het controlelampje
rood g
aat
bran-
den, betekent dat dat de motoroliedruk te
laag is.
Als het symbool knippert en er klinken tege-
lijkertijd drie waarschuwingssignalen, de
motor afzetten en het oliepeil controleren. Zo
nodig olie bijvullen ›››
pag. 290.
Als het lampje blijft knipperen mag u niet ver-
der rijden, hoewel het oliepeil in orde is. De
motor mag ook niet stationair draaien. Roep
de hulp in van een vakman.
Oliepeil controleren
Als het controlelampje geel gaat branden,
moet het motoroliepeil zo snel mogelijk wor-
den gecontroleerd. Bij de eerstvolgende gele-
genheid olie bijvullen ›››
pag. 290. Oliepeilsensor defect*
Als
het controlelampje geel knippert, moet
u een gespecialiseerde werkplaats opzoeken
en de oliepeilsensor laten controleren. Veilig-
heidshalve het oliepeil elke keer bij het tan-
ken controleren.
Motoroliepeil controleren Afb. 238
Oliepeilstok. Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 58
Oliepeil controleren
– De wagen in horizontale stand parkeren.
– De motor kort stationair laten draaien en
uitzetten w
anneer de bedrijfstemperatuur
bereikt is.
– Ca. twee minuten wachten. –
Oliepeil
stok uit de geleidingspijp trekken.
Oliepeilstok met een schone doek afvegen
en tot de aanslag weer in de geleidingspijp
duwen.
– Vervolgens de oliepeilstok er weer uittrek-
ken en het o
liepeil controleren. Indien no-
dig motorolie bijvullen.
Afhankelijk van de rijstijl en het gebruik van
de wagen kan het olieverbruik tot 0,5 l/1.000
km bedragen. Bij de eerste 5.000 kilometer
kan het verbruik hoger liggen. Het motorolie-
peil moet daarom regelmatig worden gecon-
troleerd - bij voorkeur elke keer bij het tanken
en vóór langere ritten. ATTENTIE
Werkzaamheden aan de motor of in de motor-
ruimte dienen met de nodig
e voorzichtigheid
uitgevoerd te worden.
● Let vóór alle werkzaamheden in het motor-
compar
timent op de waarschuwingen ››› pag.
285. VOORZICHTIG
Als het oliepeil zich boven het gebied ›››
afb.
238 A bevindt, de motor niet starten. Dit
kan s c
hade aan de motor en de katalysator
tot gevolg hebben. Een Technische Dienst
raadplegen. 289
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 292 of 332

Aanwijzingen
Motorolie bijvullen Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 58
Voordat u de motorkap opent, eerst de waar-
schuwingen lezen en deze opvolgen ››› in
Vei ligheid
saanwijzingen voor werkzaamhe-
den in de motorruimte op pag. 285.
De plaats van de oliepeilstok is in de betref-
fende afbeelding van de motorruimte weer-
gegeven ››› pag. 287.
Motoroliespecificatie ›››
pag. 59
. ATTENTIE
Olie kan gemakkelijk branden! Wanneer u
olie b ij
vult, mag er geen olie op hete motor-
delen komen. VOORZICHTIG
Als het oliepeil zich boven het gebied ›››
afb.
238 A bevindt, de motor niet starten. Dit
kan s c
hade aan de motor en de katalysator
tot gevolg hebben. Ga dan naar een gespecia-
liseerde werkplaats. Milieu-aanwijzing
Het oliepeil mag in geen geval boven gebied
›› ›
afb. 238 A liggen. Anders kan olie via de
car t
erontluchting worden aangezogen en
door de uitlaat in de atmosfeer komen. Motorolie verversen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 58
De motorolie wordt bij onderhoudswerk-
zaamheden ververst.
Wij adviseren u daarom om de motorolie bij
een Technische Dienst te laten verversen.
In het Onderhoudsprogramma staat vermeld
wanneer de motorolie moet worden ververst. ATTENTIE
Motorolie alleen zelf verversen, wanneer u
ov er de noodz
akelijke vakkennis beschikt!
● Voordat u de motorkap opent, eerst de
waars
chuwingen lezen en deze opvolgen
››› pag. 285, Veiligheidsaanwijzingen voor
werkzaamheden in de motorruimte.
● Motor eerst laten afkoelen. Hete olie kan
brandwonden
veroorzaken.
● Een beschermende bril dragen - gevaar
door etsende werk
ing van oliespetters.
● Uw arm horizontaal houden, als u de olie-
aftap
plug met de hand losdraait, zodat de er-
uit lopende olie niet langs uw arm naar bene-
den kan lopen.
● Als uw huid met motorolie in contact is ge-
komen, dan dient
u uw huid vervolgens gron-
dig te wassen.
● Olie is giftig! Motorolie buiten het bereik
van kinder
en bewaren. VOORZICHTIG
Geen extra smeermiddel aan de motorolie
toev oe
gen. De motor kan hiervan schade on-
dervinden. Schade die door zulke middelen
ontstaat, valt niet onder de garantie. Milieu-aanwijzing
● Omdat de o
lie correct moet worden afge-
voerd en vanwege de benodigde speciale ge-
reedschappen en vakkennis adviseren wij u
de motorolie en het oliefilter bij een Techni-
sche Dienst te laten verversen.
● In geen geval mag olie in de riolering of in
de grond ter
echtkomen.
● Voor het opvangen van de afgewerkte olie
een hiervoor be
stemde bak gebruiken die de
gehele oliehoeveelheid van uw motor kan op-
vangen. Koelsysteem
C ontr
o
lelampje Er is een storing als:
●
Het controlelampje na enk
el
e seconden
niet weer uitgaat.
● Het controlelampje brandt of
knippert
tijdens het rijden en er tegelijkertijd drie
waarschuwingssignalen ››› klinken.
290
Page 293 of 332

Controleren en bijvullen
Het koelvloeistofpeil kan te laag of de koel-
vloei s
t
oftemperatuur te hoog zijn.
Koelvloeistoftemperatuur te hoog
Indien het controlelampje brandt, stop de
wagen, schakel de motor uit en laat hem af-
koelen. Koelvloeistofpeil controleren.
Als het koelvloeistofpeil in orde is, kan de
storing door het uitvallen van de koellucht-
ventilator zijn veroorzaakt. De zekering voor
de koelluchtventilator controleren en deze zo
nodig laten vervangen ››› pag. 106.
Als na een korte rit het controlelampje op-
nieuw gaat branden, niet verder rijden en de
motor afzetten. Neem contact op met een
Technische Dienst of een gespecialiseerde
werkplaats.
Koelvloeistofpeil te laag
Indien het controlelampje brandt, stop de
wagen, schakel de motor uit en laat hem af-
koelen. Eerst het koelvloeistofpeil controle-
ren. Wanneer het koelvloeistofpeil in het re-
servoir onder de "MIN"-markering staat, koel-
vloeistof bijvullen ››› .
ATTENTIE
● Als
de wagen om technische redenen stil-
gevallen is, hem op een veilige afstand van
het verkeer zetten. De motor afzetten, de
knipperlichten inschakelen en de gevaren-
driehoeken op de weg zetten. ●
Nooit de mot ork
ap openen, wanneer u
merkt dat damp of koelvloeistof naar buiten
komt - gevaar voor verbrandingen! Wachten
tot er geen damp of koelvloeistof meer ont-
snapt.
● De motorruimte van elke wagen is een ge-
vaarlijke
zone. Voordat u werkzaamheden in
de motorruimte uitvoert, de motor afzetten en
af laten koelen. Altijd de waarschuwingsaan-
wijzingen op ››› pag. 285 in acht nemen. Antivries/water bijvullen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 59
Vul koelvloeistof bij zodra het peil daarvan
onder de markering MIN (minimum) komt.
Koelvloeistofpeil controleren
– De wagen in horizontale stand parkeren.
– Contact uitschakelen.
– Lees het koelvloeistofpeil op het koelvloei-
stof
expansiereservoir af. Bij warme motor
moet het koelvloeistofpeil tussen de mar-
keringen staan. Bij warme motor kan het
peil ook iets boven de MAX-markering lig-
gen.
Antivries/water bijvullen
– Motor laten afkoelen. –
Bedek de
vuldop van het koelvloeistofex-
pansiereservoir met een doek en draai de-
ze voorzichtig naar links ››› .
– Vul alleen koelvloeistof bij indien in het ex-
pan
s
iereservoir nog koelvloeistof aanwezig
is; indien dit niet het geval is, kan de motor
beschadigd raken. Indien geen koelvloei-
stof meer aanwezig is in het expansiereser-
voir, niet verder rijden. Roep de hulp van
vakmensen in ››› .
– Als nog een restant koelvloeistof aanwezig
is
in het
expansiereservoir, vul dan bij tot
de max. markering.
– Vul koelvloeistof bij totdat het niveau sta-
biel b
lijft.
– Vuldop goed vastdraaien.
Koelvloeis
tofverlies moet in de eerste plaats
in lekkage worden gezocht. Wend u direct tot
een gespecialiseerde werkplaats om het
koelsysteem te laten controleren. Bij een
dicht koelsysteem kunnen verliezen alleen
voorkomen, als de koelvloeistof door over-
verhitting kookt en daardoor uit het koelsys-
teem wordt geperst. ATTENTIE
● Het k oel
systeem staat onder druk! De vul-
dop van het koelvloeistofexpansiereservoir
niet openen zolang de motor warm is - gevaar
voor brandwonden! » 291
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 296 of 332

Aanwijzingen
VOORZICHTIG
● In geen g ev
al antivries of andere additieven
aan de ruitensproeiervloeistof toevoegen.
● Uitsluitend kwalitatief degelijke ruitenreini-
gers
gebruiken met de door de fabrikant voor-
geschreven hoeveelheid water. Bij andere
schoonmaakmiddelen of zeepoplossingen
kunnen de zeer kleine openingen van de
breedsproeiers verstopt raken. Wagenaccu
Ge bruikt
e symbo
len en waarschuwin-
gen met betrekking tot werkzaamhe-
den aan de accu van de wagen Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 61
Uw ogen beschermen
Accuzuur is sterk etsend. Handschoenen en oog-
bescherming dragen!
Vuur, vonken, open vlam en roken verboden!
Als een accu wordt geladen, ontstaat het licht
ontvlambare knalgas!
Kinderen verwijderd houden van accuzuur en ac-
cu! ATTENTIE
Bij werkzaamheden aan de accu en aan de
elektri s
che installatie bestaat gevaar voor
verwondingen, brandwonden, ongevallen en
brand:
● Uw ogen beschermen. Geen zuur- of lood-
houdende deeltjes
in de ogen, op de huid of
op kleding laten komen.
● Accuzuur is sterk etsend. Handschoenen en
oogbes
cherming dragen. Accu niet kantelen:
uit de ontgassingsopeningen kan accuzuur
vloeien.
● Zuurspatjes in de ogen direct enkele minu-
ten met s
choon water uitspoelen. Ga vervol-
gens onmiddellijk naar een arts. Zuurspatjes
op de huid of op de kleding direct met zeep-
sop neutraliseren en met veel water naspoe-
len. Na inwendig gebruik van accuzuur direct
naar een arts gaan.
● Vuur, vonken, open vlam en roken verbo-
den. Vonk
vorming bij het werken met kabels
en elektrische apparaten en door elektrosta-
tische ontlading vermijden. Nooit de accupo-
len kortsluiten. Gevaar voor verwondingen
door elektrische vonken.
● Als een accu wordt geladen, ontstaat een
licht ont
vlambaar knalgas. Laad de accu al-
leen op in goed geventileerde ruimten.
● Kinderen verwijderd houden van accuzuur
en accu!
● V
óór alle werkzaamheden aan de elektri-
sche in
stallatie de motor, het contact en alle
elektrische apparatuur uitschakelen. De min- kabel van de accu losmaken. Bij het vervan-
gen
v
an lampjes is het voldoende om de ver-
lichting uit te schakelen.
● Voordat u de kabels van de accu losmaakt,
door ontgrendelin
g van de wagen het alarm-
systeem uitschakelen! Anders wordt het
alarmsysteem geactiveerd.
● Bij het loskoppelen van de accu van de
elektris
che installatie eerst de minkabel en
daarna de pluskabel losmaken.
● Voordat de accu weer wordt aangesloten,
all
e elektrische apparatuur uitschakelen.
Eerst de pluskabel en daarna de minkabel
aansluiten. De aansluitkabels mogen in geen
enkel geval worden verwisseld – gevaar voor
kabelbrand!
● Nooit een bevroren of ontdooide accu opla-
den - gevaar
voor explosie en etsende werk-
ing! Een accu vervangen als deze eenmaal be-
vroren is geweest. Een lege accu kan al bij
temperaturen rond 0°C (+32°F) bevriezen.
● Let erop dat de ontgassingsslangen altijd
op de accu's
zijn aangesloten.
● Geen accu's gebruiken die beschadigd zijn.
Ontploffing
sgevaar! Beschadigde accu's di-
rect vervangen. VOORZICHTIG
● De k abel
s van de accu nooit bij ingescha-
keld contact losmaken omdat anders de elek-
trische installatie resp. elektronische onder-
delen worden beschadigd. 294
Page 297 of 332

Controleren en bijvullen
●
De ac c
u nooit langdurig aan direct daglicht
blootstellen, zodat de accubehuizing tegen
UV-stralen wordt beschermd.
● De accu bij langdurige stilstand van de wa-
gen te
gen vorst beschermen, zodat deze niet
"bevriest" en daardoor wordt beschadigd. Waarschuwingslampje
Springt aan
Storing in dynamo.
Het controlelampje
gaat
br
anden wanneer
u het contact inschakelt. Het lampje moet na
het aanslaan van de motor uitgaan.
Gaat het controlelampje tijdens het rijden
branden, dan wordt de wagenaccu niet meer
door de dynamo geladen. U moet direct de
dichtstbijzijnde gespecialiseerde werkplaats
opzoeken.
Omdat de accu zich geleidelijk ontlaadt, alle
niet noodzakelijke elektrische apparatuur uit-
schakelen.
Zuurpeil van de accu controleren De zuurtegraad van de accu moet bij veel ge-
r
eden k
i
lometers, in landen met een warm
klimaat en bij oudere accu's regelmatig wor-
den gecontroleerd. –
Motorkap openen en de
voorzijde van de
accu-afdekking omhoogklappen ››› in
V ei
ligheid
saanwijzingen voor werkzaam-
heden in de motorruimte op pag. 285 ››› in Gebruikte symbolen en waarschuwingen
met
betr
ekk
ing tot werkzaamheden aan de
accu van de wagen op pag. 294. In wagens
met accu onder het reservewiel achterklep
openen en tapijt van de bodem oplichten.
Daar bevindt zich, naast het reservewiel, de
accu.
– Kleurweergave in het ronde kijkglas aan de
boven
zijde van de accu controleren.
– Als er luchtbelletjes in het kijkglas zitten,
deze v
erwijderen door voorzichtig op het
kijkglas te tikken.
De plaats van de accu is in de betreffende af-
beelding van de motorruimte in ››› pag. 287
weergegeven.
Het "kijkglas" dat aan de bovenkant van de
accu zit, verandert van kleur afhankelijk van
de ladingstoestand of de zuurtegraad van de
accu.
Twee kleuren worden onderscheiden:
● Zwart: correcte ladingstoestand.
● Transparant/lichtgeel: de accu moet ver-
vang
en worden. Raadpleeg een gespeciali-
seerde werkplaats. Accu laden of vervangen De accu is onderhoudsvrij en wordt in het ka-
der v
an ser
vicewerkzaamheden regelmatig
gecontroleerd. Alle werkzaamheden aan de
accu vereisen speciale deskundigheid en ge-
reedschap.
Wanneer veelvuldig korte afstanden worden
gereden en bij langdurige stilstand moet u
de accu vaker dan in het kader van de norma-
le service-intervallen door een gespeciali-
seerde werkplaats laten controleren.
Bij startproblemen vanwege te weinig accula-
ding kan dit op een defecte accu wijzen. In
dit geval adviseren wij u om de accu bij een
Technische Dienst te laten controleren en res-
pectievelijk op te laden of te vervangen.
Opladen van de accu
Het laden van de accu dient door een specia-
list te gebeuren aangezien accu's met een
speciale technologie worden toegepast waar-
voor laden met spanningsbegrenzing vereist
is.
Accu vervangen
De accu is overeenkomstig de inbouwplaats
ontwikkeld en met veiligheidssystemen uit-
gerust.
Originele SEAT-accu's voldoen aan alle on-
derhouds-, vermogens- en veiligheidseisen
van de wagen. »
295
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 298 of 332

Aanwijzingen
ATTENTIE
● Gea dv
iseerd wordt onderhoudsvrije accu's,
cyclisch en volledig lekdicht, te gebruiken
volgens de normen T 825 06 en VW 7 50 73.
De versie van de norm dient uit augustus
2001 of later te zijn.
● Vóór alle handelingen aan de accu's de
waars
chuwingen lezen en opvolgen ››› in
Gebruikt e symbo
len en waarschuwingen met
betrekking tot werkzaamheden aan de accu
van de wagen op pag. 294. Milieu-aanwijzing
Accu's bevatten giftige stoffen zoals zwavel-
zuur en lood. Z
ij moeten daarom volgens de
voorschriften worden opgeslagen en afge-
voerd en horen in geen geval bij het huisvuil. Wielen
W iel
en en b
anden
Algemene aanwijzingen Beschadigingen voorkomen
– Alleen langzaam en indien mogelijk in een
rec ht
e hoek tegen stoepranden en dergelij-
ke oprijden.
– De banden niet met olie, vet en brandstof
in aanrakin
g laten komen.
– De banden regelmatig op beschadigingen
contr o
leren (gaten, sneden, scheuren en
bulten). Scherpe voorwerpen uit het ban-
denprofiel verwijderen.
Banden opslaan
– Verwijderde banden markeren. Ze moeten
namelijk dez
elfde looprichting hebben als
ze weer worden gemonteerd.
– Verwijderde banden resp. wielen koel,
droog en z
o donker mogelijk bewaren.
– Banden in verticale stand opslaan, wan-
neer ze niet
op een velg zijn gemonteerd.
Nieuwe banden
Nieuwe banden moet u inrijden ›››
pag. 204.
Op basis van constructiekenmerken en pro-
fielvormen kan de profieldiepte van nieuwe banden afhankelijk van de uitvoering en de
fabrikant
verschillend uitvallen.
Verborgen schade
Schade aan banden en velgen is vaak voor
het oog verborgen. Als de wagen vreemd trilt
of naar één kant neigt, is dit een teken dat de
banden mogelijk beschadigd zijn. De banden
moeten zo snel mogelijk bij een Technische
Dienst worden gecontroleerd.
Draairichtinggebonden banden
Bij draairichtinggebonden banden is de
wang van de band met pijlen gemarkeerd.
Deze draairichting beslist aanhouden. Hier-
door worden de optimale rij-eigenschappen
met betrekking tot aquaplaning, grip, geluid
en wrijving gegarandeerd. ATTENTIE
● Nieuw e b
anden hebben tijdens de eerste
500 km nog niet de optimale grip. Voorzichtig
rijden - gevaar voor ongevallen!
● Niet met beschadigde banden rijden. Ge-
vaar v
oor ongelukken.
● Wanneer u tijdens het rijden ongewone tril-
lingen of
eenzijdig trekken van de wagen con-
stateert, direct stoppen en de banden op be-
schadigingen controleren. 296
Page 302 of 332

Aanwijzingen
Soms mag u geen wielbouten van wagens
v an dez
elf
de productieserie gebruiken
››› pag. 270. ATTENTIE
Bij verkeerde behandeling van de wielbouten
kan het w
iel tijdens het rijden losraken - ge-
vaar voor ongevallen!
● Wielbouten moeten schoon zijn en gemak-
kelijk dr
aaien. Zij mogen echter nooit met vet
of olie worden behandeld.
● Alleen die wielbouten gebruiken, die bij de
betreffende
velg horen.
● Wanneer de wielbouten met een te laag
aanhaalmoment
zijn aangetrokken, kunnen
de wielen tijdens het rijden losraken - gevaar
voor ongevallen! Door een te groot aanhaal-
moment kan de wielbout resp. de schroef-
draad worden beschadigd. VOORZICHTIG
Het voorgeschreven aantrekmoment van de
wiel bout
en bij stalen en lichtmetalen velgen
bedraagt 120 Nm. Bandenspanningscontrole*
Afb. 242
Middenconsole: toets van het con-
tr o
l
esysteem van de banden. Het bandenspanningscontrolesysteem verge-
lijkt
de om
w
entelingen en dus de loopcirkel-
diameter van ieder wiel met behulp van de
ESC. Een wijziging in de loopcirkeldiameter
van een wiel wordt aangegeven door het con-
trolelampje van de banden . De loopcirkel-
diameter van een band varieert als:
● De bandenspanning onvoldoende is.
● De bandenstructuur beschadigd is.
● De wagen onevenwichtig geladen is.
● De wielen van een as dragen meer last (bij-
voorbeeld b
ij het rijden met een aanhangwa-
gen of bij het op- en afrijden van steile hellin-
gen).
● De wagen met sneeuwkettingen rijdt.
● Het reservewiel gemonteerd is. ●
Het wiel
van een as werd vervangen.
Bandenspanning instellen
Nadat u de bandenspanning heeft gewijzigd
of een of meerdere wielen heeft vervangen,
moet de nieuwe bandenspanning in het Easy
Connect-systeem worden opgeslagen mid-
dels de toets en de functietoets
S
ETUP ›››
p
ag. 34.
U k u
nt ook de toets ››› afb. 242 ingedrukt
houden, bij ingeschakeld contact, tot een
akoestisch signaal klinkt.
Als de wielen een hoge last dragen (bijvoor-
beeld bij het rijden met een aanhangwagen
of bij een zware belasting), dient de banden-
spanning te worden bijgesteld volgens de
aanbevolen waarde in geval van maximale
belasting (zie de sticker aan de achterzijde
van de portierstijl linksvoor). Indrukken de
toets van het controlesysteem voor banden
om de nieuwe spanningswaarde te bevesti-
gen.
Het controlelampje van het bandenspan-
ningscontrolesysteem licht op
Als de bandenspanning onder de door de be-
stuurder ingestelde waarde komt, zal het
controlelampje van het bandenspannings-
controlesysteem oplichten ››› .
300