display BMW Z4 2016 Instructieboekjes (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: BMW, Model Year: 2016, Model line: Z4, Model: BMW Z4 2016Pages: 292, PDF Size: 7.38 MB
Page 83 of 292

Meer informatie
Gedetailleerde informatie over de servicebehoefte
Nadere informatie over de omvang van het on‐
derhoud kan op het Control Display worden
weergegeven.1."Voertuiginfo"2."Voertuigstatus"3."Servicebehoefte"
Noodzakelijke omvang van het onderhoud
en zo nodig wettelijk voorgeschreven on‐
derzoeken worden weergegeven.4.Vermelding selecteren om nadere informa‐
tie te doen weergeven.SymbolenSymbolenBeschrijvingService is op dit moment niet
noodzakelijk.Auto is aan een onderhouds‐
beurt of een wettelijke keuring
toe.Termijn voor het onderhoud is
overschreden.
Afspraken invoeren
Afspraken voor voorgeschreven keuringen in‐
voeren.
Zorg ervoor dat de datum en tijd correct zijn in‐
gesteld op het Control Display.
1."Voertuiginfo"2."Voertuigstatus"3."Servicebehoefte"4."§ autokeuring"5."Afspraak:"Seite 83WeergavenBediening83
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 84 of 292

6.Instellingen uitvoeren.7.Bevestigen.
Datuminvoer wordt opgeslagen.
Automatische servicewaarschuwing De gegevens over de onderhoudstoestand of
over wettelijk voorgeschreven keuringen van
de auto worden automatisch vóór een verval‐
dag aan de servicedienst doorgegeven.
Er kan worden gecontroleerd, wanneer de ser‐
vicedienst werd verwittigd.
1."Voertuiginfo"2."Voertuigstatus"3."Opties" oproepen.4."Laatste Teleservice Oproep"
Check-Control
Principe De Check-Control bewaakt functies in de auto
en waarschuwt wanneer zich in de bewaakte
systemen een storing voordoet.
Een dergelijke Check-Control-melding omvat controle- of waarschuwingslampjes in het in‐
strumentenpaneel en evt. een akoestisch sig‐
naal en tekstmeldingen onderaan op het Con‐
trol Display.
Controle- en waarschuwingslampjes
Controle- en waarschuwingslampjes kunnen in
verschillende combinaties en kleuren gaan
branden.
duidt aan dat meldingen van de Check-
Control zijn opgeslagen. U kunt de meldingen
van de Check-Control achteraf doen weerge‐
ven.
Verklarende tekstmeldingen
Tekstmeldingen aan de bovenrand van het
Control Display verklaren de betekenis van de
weergegeven controle- en waarschuwingslam‐
pen.
Bij de meeste Check-Control-meldingen kunt
u achteraf verdere informatie zichtbaar maken,
bijv. over de oorzaak van een storing en de
hierna vereiste handeling, zie hieronder.
Bij een belangrijke melding wordt de bijbeho‐
rende informatie bij het branden van de betref‐
fende lamp weergegeven.
Symbolen
Binnen de aanvullende tekstmelding kunnen,
afhankelijk van de Check-Control-melding de
volgende functies worden geselecteerd.
▷ "Serviceaanmelding"
De servicepartner contacteren.▷ "BMW Mobile Care"
De Mobile Service contacteren.Seite 84BedieningWeergaven84
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 85 of 292

Check-Control-meldingen
onderdrukken
Toets in de richtingaanwijzerschakelaar in‐
drukken.
Enkele meldingen van de Check-Control wor‐
den zo lang weergegeven tot de storingen zijn
verholpen. Zij kunnen niet worden onderdrukt.
Indien er ooit meerdere storingen tegelijkertijd
optreden, worden deze na elkaar getoond.
Naargelang de uitrusting worden deze
gekenmerkt met het nevenstaande
symbool.
Andere meldingen worden automatisch na ca.
20 seconden onderdrukt, blijven echter opge‐
slagen.
Naargelang de uitrusting worden deze
gekenmerkt met het nevenstaande
symbool.
Opgeslagen Check-Control-
meldingen weergeven
1.Toets 1 in de richtingaanwijzer zo vaak
naar boven of onder drukken, tot op deweergave het betreffende symbool, datum
en "CHECK CONTROL“ verschijnen.2.Toets 2 indrukken. Is geen Check-Control-
melding aanwezig, dan wordt deze met
"CHECK OK" weergegeven.
Bij een opgeslagen melding van de Check-
Control licht de betreffende lamp op. Zij
wordt begeleid van de tekstmelding op het
Control Display.3.Toets 1 indrukken om eventuele andere
meldingen weer te geven.4.Toets 2 indrukken.
Buitentemperatuur en tijd worden opnieuw
getoond.
Opgeslagen Check-Control-
meldingen weergeven
1. Toets indrukken.2."Voertuiginfo"3."Voertuigstatus"4."Check Control"5.Tekstmelding selecteren.
Meldingen aan het einde van de rit
Speciale meldingen, die tijdens het rijden ver‐
schijnen, worden na het uitschakelen van het
contact opnieuw weergegeven.
Snelheidslimiet
U kunt een snelheid invoeren bij het bereiken
waarvan u door een melding van de Check-
Seite 85WeergavenBediening85
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 89 of 292

Stilstandfunctie:
Teneinde het tegemoetkomend verkeer niet te
verblinden, draait de aanpasbare bochtverlich‐
ting bij stilstand naar de passagierszijde.
Storing Het waarschuwingslampje licht op.
Op het Control Display wordt een
melding getoond. De adaptieve
bochtverlichting heeft een functiestoring of is
uitgevallen. Systeem zo spoedig mogelijk laten
controleren.
Koplampverstelling De koplampverstelling wordt automatisch ge‐
relegd, bijv. bij het accelereren en remmen en
bij oneven belading.
Grootlicht/parkeerlicht1Grootlicht2Lichtsignaal3Parkeerlicht
Parkeerlicht links of rechts
Als extra mogelijkheid kunt u uw auto voor het
parkeren eenzijdig verlichten.
Inschakelen Na het parkeren van de auto de hendel over
het drukpunt heen lang naar boven of naar on‐
der drukken, pijl 3.
Het parkeerlicht ontlaadt de accu. Laat het
daarom niet over een langere tijdspanne inge‐
schakeld, anders kan de motor evt. niet meer
worden gestart.
Uitschakelen
De hendel in tegengestelde richting tot het
drukpunt drukken, pijl 3.
Grootlichtassistent
Principe Met ingeschakeld licht schakelt dit systeem
het grootlicht automatisch in en weer uit. Een
sensor aan de voorzijde van de binnenspiegel
regelt de procedure. De assistent zorgt ervoor
dat het grootlicht wordt ingeschakeld als de
verkeerssituatie dit vereist. Er kan steeds wor‐
den ingegrepen en het grootlicht zoals ge‐
woonlijk worden in- en uitgeschakeld.
Grootlichtassistent inschakelen1.Lichtschakelaar in standdraaien.2.De richtingaanwijzerschakelaar met inge‐
schakeld dimlicht in de richting van het
grootlicht aantikken.
Het controlelampje op het instrumen‐
tenpaneel gaat branden.
Met ingeschakeld licht wordt automa‐
tisch op grootlicht geschakeld en gedimd.
Het systeem reageert op de verlichting van het
tegemoetkomende en vooroprijdende verkeer
alsook op voldoende verlichting in bv. be‐
bouwde kommen.
Seite 89LichtBediening89
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 96 of 292

Grenzen van het systeem
De actieve motorkap wordt uitsluitend bij snel‐
heden tussen ca. 20 km/h en 55 km/h geacti‐
veerd.
Wegens veiligheidredenen kan het systeem in
sommige gevallen ook dan worden geacti‐
veerd, als een botsing met een voetganger niet
duidelijk kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld:▷bij het botsen tegen een ton of een grens‐
paaltje.▷bij een botsing met dieren.▷bij steenslag.▷bij het rijden in een sneeuwjacht.
Geactiveerd
voetgangerbeschermsysteem
Na activering of beschadiging
Na activering van de actieve motorkap of
bij beschadiging het systeem controleren en
laten vervangen.
Deze werkzaamheden alleen aan de service‐
dienst toevertrouwen, anders is een correcte
werking van deze veiligheidsvoorziening niet
gewaarborgd.◀
Storing De controlelamp gaat branden. Op
het Control Display wordt een mel‐
ding getoond.
Het systeem werd geactiveerd of er is een sto‐
ring opgetreden.
Langzaam doorrijden is mogelijk. Dadelijk naar
de dichtstbijzijnde service rijden om het sys‐
teem te laten controleren en te repareren.
Motorkap niet openen
Nadat het waarschuwingslampje is ver‐
schenen, de motorkap niet openen, anders
kunnen beschadigingen worden veroorzaakt.◀
Opmerkingen
Systeem niet demonteren/wijzigen
Het systeem niet demonteren of op eni‐
gerlei wijze veranderen.
Aan de afzonderlijke componenten en de be‐
drading geen wijzigingen aanbrengen.◀
Bij storingen, buiten bedrijf stellen of na
activeren
Controle, reparatie, demontage of vernietiging
van het systeem alleen aan uw servicedienst
toevertrouwen. Anders kunnen ondeskundig
uitgevoerde werkzaamheden storingen in het
systeem of het ongewenst in werking treden
van het systeem tot gevolg hebben en tot let‐
sel leiden.◀
Bandenpechwaarschuwing
RPA
Principe
Het systeem herkent een spanningsverlies in
een band op grond van toerentalvergelijkingen
tussen de verschillende wielen tijdens de rit.
Bij een spanningsverlies verandert de loop‐ vlakomtrek en daardoor de omwentelingssnel‐
heid van het betreffende wiel. Deze verande‐
ring wordt herkend en als bandenpech gemeld.
Voorwaarden voor een correcte
werking
Het systeem moet bij een correcte banden‐
spanning zijn geïnitialiseerd, anders is een be‐ trouwbare melding van een bandenpech niet
gewaarborgd. Na elke correctie van de ban‐
denspanning en elke keer na het verwisselen
van een band of wiel moet het systeem op‐
nieuw worden geïnitialiseerd.Seite 96BedieningVeiligheid96
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 97 of 292

Grenzen van het systeemPlotse beschadiging van de banden
Ernstige, plotselinge beschadiging van
een band door uitwerkingen van buitenaf kun‐
nen niet worden aangekondigd.◀
Een natuurlijk, gelijkmatig spanningsverlies in
alle vier de banden wordt niet herkend.
In de volgende situaties kan het systeem ver‐
traagd of onjuist werken:▷Systeem is niet geïnitialiseerd.▷Rijden op besneeuwde of gladde wegen.▷Sportieve rijstijl: doorslippen op de aange‐
dreven wielen, hoge dwarsversnelling.▷Rijden met sneeuwkettingen.
Statusweergave
Op het Control Display kan de momentele sta‐
tus van de bandenpechwaarschuwing worden
weergegeven, bv. of de RPA actief is.
1."Voertuiginfo"2."Voertuigstatus"3. "Indicatie lekke band (RPA)"
De status wordt weergegeven.
Initialisatie
Met de initialisatie worden de ingestelde ban‐
denspanningen als referentie voor de herken‐
ning van een lekke band overgenomen. Gestart
wordt de initialisatie door bevestiging van de
bandenspanningen.
Bij het rijden met sneeuwkettingen het sys‐
teem niet initialiseren.
1."Voertuiginfo"2."Voertuigstatus"3. "Bandenspanning bevestigen"4.Motor starten - niet wegrijden.5.Met "Bandenspanning initialis." het initiali‐
seren starten.6.Wegrijden.Het afsluiten van de initialisatie gebeurt tijdens
het rijden, de rit kan te allen tijde worden on‐
derbroken.
Tijdens een volgende rit wordt de initialisatie
automatisch voortgezet.
Melding van bandenpech De waarschuwingslampjes lichten
geel en rood op. Op het Control Dis‐
play wordt een melding weergege‐
ven. Hierbij klinkt bovendien een sig‐
naal.
U hebt een lekke band of een band met een
aanzienlijk spanningsverlies.1.Snelheid verminderen en voorzichtig stop‐
pen. Heftige rem- en stuurbewegingen
vermijden.2.Controleer of de auto met normale banden
of banden met noodloopeigenschappen is
uitgerust.
Banden met noodloopeigenschappen, zie
pagina 238, zijn op de zijwand gekenmerkt
met een rond symbool met de letters RSC.
Niet verder rijden zonder banden met
noodeigenschappen
Niet verder rijden als de auto niet is uitgerust
met banden met noodeigenschappen, anders
kunnen ernstige ongevallen het gevolg zijn.◀
Bij melding van bandenpech wordt evt. de dy‐
namische stabiliteitscontrole DSC ingescha‐
keld.
Juiste handelwijze bij bandenpech
Normale banden
1.Beschadigde band identificeren.
Controleer daarvoor de bandenspanning in
alle vier banden.
Is de bandenspanning in alle vier de ban‐
den in orde, dan is de bandenpechwaar‐
schuwing waarschijnlijk niet geïnitialiseerd.
Systeem dan initialiseren.Seite 97VeiligheidBediening97
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 99 of 292

trouwbare melding van een bandenspannings‐
verlies niet gewaarborgd.
Na aanpassing van de bandenspanning op een
nieuwe waarde en na het verwisselen van een
band of wiel het systeem terugzetten.
Altijd wielen met RDC-elektronica gebruiken,
zodat een storingsvrije werking van het sys‐
teem is gegarandeerd.
Statusweergave1. Toets indrukken. Het startmenu
wordt opgeroepen.2."Voertuiginfo"3."Voertuigstatus"4."RDC"5.De status wordt weergegeven.
Toestandsaanduiding op het Control
Display
De banden- en systeemtoestand wordt door
de kleur van de banden weergegeven.
RDC houdt er rekening mee dat de banden‐
spanning zich tijdens het rijden verandert.
Alle wielen groen Het systeem is actief en waarschuwt bij afwij‐
king van de laatst opgeslagen bandenspannin‐
gen.
"RDC Actief" wordt op het Control Display
weergegeven.
Een wiel geel
Bandenpech of een groter spanningsverlies in
de weergegeven banden. Op het Control Dis‐
play wordt een melding weergegeven.
Alle wielen geel
▷Bandenpech of een groter spanningsver‐
lies in meerdere banden.▷Het systeem is na het wielen verwisselen
niet teruggezet en waarschuwt bij afwijkingvan de laatst opgeslagen bandenspannin‐
gen.▷Bandenpech aan een of meerdere banden
tijdens het terugzetten van het systeem.
Op het Control Display wordt een melding
weergegeven.
Alle wielen grijs Het systeem kan geen bandenpech herken‐
nen.
Redenen hiervoor kunnen zijn:
▷RDC werd teruggezet.▷Tijdelijke storing door installaties of appa‐
ratuur met dezelfde zendfrequentie.▷Storing.
Extra informatie
In de statusweergave worden bovendien de
actuele bandenspanningen weergegeven. De
getoonde waarden zijn de huidige meetwaar‐
den en kunnen veranderen door het rijden of
door weersomstandigheden.
Systeem terugzetten Na aanpassing van de bandenspanning op een
nieuwe waarde en na ieder verwisselen van een band of wiel het systeem resetten.
1. Toets indrukken. Het startmenu
wordt opgeroepen.2."Voertuiginfo"3."Voertuigstatus"4."Bandenspanning initialis."5.Motor starten, maar niet wegrijden.6.Met "Bandenspanning initialis." het terug‐
zetten van het systeem starten.7.Wegrijden. De banden worden grijs weer‐
gegeven en "RDC wordt geïnitialiseerd"
wordt weergegeven.
Na korte rijtijd boven 30 km/h worden de inge‐
stelde bandenspanning als voorgeschreven
waarde overgenomen. Het terugzetten van het
Seite 99VeiligheidBediening99
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 100 of 292

systeem wordt tijdens de rit, die op ieder mo‐
ment kan worden onderbroken, afgesloten.
Wordt hierbij doorgereden, dan wordt het te‐
rugzetten automatisch voortgezet. Op de Con‐
trol Display worden de banden groen weerge‐
geven en "RDC Actief" wordt weer
weergegeven.
Wordt tijdens het terugzetten en overnemen
van de bandenspanning een bandenpech her‐
kend, dan worden alle banden op de Control
Display geel weergegeven. De melding
"Bandenspanningsverlies!" wordt weergege‐
ven.
Melding bij lage bandenspanning De waarschuwingslampjes lichten
geel en rood op. Op het Control Dis‐
play wordt een melding weergege‐ ven. Hierbij klinkt bovendien een sig‐
naal.▷U hebt een lekke band of een band met
een aanzienlijk spanningsverlies.▷Het systeem is niet teruggezet. Het sys‐
teem waarschuwt daarom bij afwijking van
de laatst opgeslagen bandenspanningen.1.Snelheid verminderen en voorzichtig stop‐
pen. Heftige rem- en stuurbewegingen
vermijden.2.Controleer of de auto met normale banden
of banden met noodloopeigenschappen is
uitgerust.
De banden met noodloopeigenschappen,
zie pagina 100, zijn op de zijwand geken‐
merkt met een rond symbool met de let‐
ters RSC.
Niet verder rijden zonder banden met
noodeigenschappen
Niet verder rijden als de auto niet is uitgerust
met banden met noodeigenschappen, anders
kunnen ernstige ongevallen het gevolg zijn.◀
Bij melding van bandenpech wordt evt. de dy‐
namische stabiliteitscontrole DSC ingescha‐
keld.
Juiste handelwijze bij bandenpech
Normale banden1.Beschadigde band identificeren.
Controleer daarvoor de bandenspanning in
alle vier banden.
Is de bandenspanning in alle vier de ban‐
den in orde, dan is de bandenspannings‐
controle mogelijk niet teruggezet. Systeem
vervolgens terugzetten.
Als identificatie niet mogelijk is, contact
opnemen met de service.2.Bandenpech van beschadigde band ver‐
helpen.
Het gebruik van bandenafdichtmiddel kan
de RDC-wielelektronica beschadigen. In dit
geval de elektronica bij de volgende gele‐
genheid laten controleren en zo nodig la‐
ten vervangen.
Banden met noodloopvoorzieningen
Doorrijden met een beschadigde band is tot
max. 80 km/h mogelijk.
Verder rijden met bandenpech Bij verder rijden met beschadigde banden:
1.Heftige rem- en stuurbewegingen vermij‐
den.2.Snelheid van 80 km/h niet meer overschrij‐
den.3.Bij de eerstvolgende gelegenheid de ban‐
denspanning in alle vier de banden contro‐
leren.
Is de bandenspanning in alle vier de ban‐
den in orde, dan is de bandenspannings‐
controle mogelijk niet teruggezet. Systeem
vervolgens terugzetten.
Mogelijke afstand bij volledig bandenspan‐
ningsverlies:
De mogelijke afstand die met bandenpech af‐
gelegd kan worden, is afhankelijk van de bela‐
ding en de belasting van de auto tijdens de rit.
Seite 100BedieningVeiligheid100
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 108 of 292

▷Telkens als de hendel over het drukpunt
heen wordt gedrukt, wordt de gewenste rij‐
snelheid verhoogd tot het volgende tiental
van de km/h-snelheidsmeteraanduiding.
De snelheid wordt door het systeem opgesla‐
gen en aangehouden.
Met de hendel accelereren Licht accelereren:
Hendel langer tot het drukpunt drukken, pijl 1,
tot de gewenste snelheid is bereikt.
Sneller accelereren:
Hendel over het drukpunt heen drukken, pijl 1,
tot de gewenste snelheid is bereikt.
De auto accelereert zonder dat het gaspedaal
wordt ingedrukt. De snelheid wordt door het
systeem opgeslagen en aangehouden.
Snelheid verminderen Hendel zo vaak trekken, pijl 2, tot de gewenste
snelheid wordt aangeduid.
Functies analoog aan de gewenste rijsnelheid
verhogen, alleen deze wordt verminderd.
Systeem onderbreken Hendel naar omhoog naar omlaag aantippen,
pijl 3.
De aanduidingen op de snelheidsmeter wisse‐
len van kleur.
Daarnaast onderbreekt het systeem tijdens de
volgende situaties automatisch:
▷Als er wordt geremd.▷Als bij de handgeschakelde versnellings‐
bak zeer langzaam wordt geschakeld of de
neutraal wordt ingeschakeld.▷Als bij de sport-automatische versnellings‐
bak de schakelstand N wordt geselecteerd.▷Als DTC is geactiveerd of DSC wordt ge‐
deactiveerd.▷Als DSC of ABS bestuurt.
Door gas te geven wordt de snelheidsregeling
niet gedeactiveerd. Na het loslaten van het
gaspedaal wordt de opgeslagen snelheid op‐
nieuw bereikt en aangehouden.
Waarschuwingslamp Op het Control Display wordt een
melding weergegeven.
Het waarschuwingslampje brandt
bijv. als de snelheidsregeling door een ingreep
van DSC werd onderbroken.
Systeem deactiveren▷Hendel tweemaal naar omhoog of naar om‐
laag drukken, pijl 3.▷Het contact uitschakelen.
De opgeslagen snelheid wordt gewist.
Opgeslagen snelheid oproepen Toets indrukken, pijl 4. De laatste opgeslagen
snelheid wordt weer ingesteld en aangehou‐
den.
Weergaven op het
instrumentenpaneel
1Opgeslagen snelheid2Opgeroepen rijsnelheid wordt korte tijd
aangeduid
Als de aanduiding --- km/h korte tijd op het in‐
strumentenpaneel zichtbaar wordt, is mogelijk
niet aan alle voor het gebruik noodzakelijke
voorwaarden voldaan.
Check-Control-meldingen oproepen, zie pa‐
gina 85.
Seite 108BedieningRijcomfort108
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 109 of 292

StoringDe waarschuwingslamp brandt als
het systeem is uitgevallen.
Op het Control Display wordt een
melding weergegeven. Meer informatie, zie pa‐
gina 84.
Park Distance Control PDC
Principe PDC helpt u bij het inparkeren.
Langzame benadering van een object achter
(en bij de juiste uitvoering ook vóór) uw auto
wordt gemeld door:▷Geluidssignalen.▷Optische aanduiding.
Meting
Voor de meting zijn ultrasoon-sensoren in de
bumpers aangebracht.
De actieradius bedraagt ca. 2 m.
Akoestische waarschuwing volgt pas:
▷Bij de sensoren voor en de beide hoeksen‐
soren achter bij ca. 60 cm.▷Bij de middelste sensoren achteraan bij
ca. 1,50 m.
Grenzen van het systeem
Bovendien verkeerssituatie observeren
PDC kan de persoonlijke inschatting van
de verkeerssituatie niet vervangen. De ver‐
keerssituatie rondom de auto controleren door
zelf te kijken. Anders zou er gevaar voor onge‐
vallen kunnen ontstaan, bv. door verkeersdeel‐
nemers of voorwerpen die zich buiten het de‐
tectiebereik van de PDC bevinden.
Luide geluidsbronnen buiten en binnen de
auto kunnen de PDC-signaaltoon overstem‐
men.◀
Snel rijden met PDC vermijden
Snel toerijden op een voorwerp vermij‐
den.
Snel wegrijden vermijden als PDC nog niet ac‐
tief is.
Het systeem kan anders op basis van fysieke
omstandigheden te laat waarschuwen.◀
Grenzen van de ultrasoonmeting Het herkennen van voorwerpen kan worden
beperkt aan de grenzen van de natuurkundige
ultrasone meting, zoals:▷Bij aanhangertrekstangen en -koppelingen.▷Bij dunne of wigvormige onderdelen.▷Bij lage voorwerpen.▷Bij voorwerpen met hoeken en scherpe
kanten.
Reeds weergegeven, lage voorwerpen, bv.
stoepranden, kunnen in het dode bereik van de
sensoren komen voordat of nadat reeds een
ononderbroken geluidssignaal klinkt.
Hoger liggende, vooruitstekende voorwerpen,
bv. uitspringende muren, kunnen niet worden
herkend.
Loos alarm
PDC kan onder de volgende voorwaarden een
waarschuwing weergeven, hoewel er zich geen
obstakel in het detectiebereik bevindt:
▷Bij krachtige regen.▷Bij sterke verontreiniging of ijsvorming van
de sensoren.▷Bij met sneeuw bedekte sensoren.▷Bij ruw wegdek.▷In grote, rechthoekige gebouwen met
gladde muren, bv. ondergrondse garages.▷Door sterke uitlaatgassen.▷Door andere ultrasone bronnen, bv. veeg‐
machines, stoomstraalreinigers of buislam‐
pen.Seite 109RijcomfortBediening109
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15