display BMW Z4 2016 Instructieboekjes (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: BMW, Model Year: 2016, Model line: Z4, Model: BMW Z4 2016Pages: 292, PDF Size: 7.38 MB
Page 43 of 292

Voorwerpen in de bagageruimte op ade‐
quate wijze opbergen.▷Bij temperaturen onder -10 ℃ kan de neer‐
laatbare hardtop niet worden bewogen.
Op het Control Display wordt een melding
weergegeven.
Mechanisme niet aanraken en zwenkbe‐
reik vrijhouden
Tijdens het openen en sluiten niet in het me‐
chanisme grijpen en kinderen uit de buurt hou‐
den van het zwenkbereik van de neerlaatbare
hardtop, anders bestaat kans op letsel.◀
Geen voorwerpen op de neerlaatbare
hardtop leggen
Leg geen voorwerpen op de verzinkbare hard‐
top of op het kofferdeksel, zij kunnen vallen als
de verzinkbare hardtop in beweging wordt ge‐
zet en schade of letsel veroorzaken.◀
Voor het openen en sluiten Hardtop altijd geheel openen of sluiten
Hardtop bij het openen of sluiten niet in
een tussengelegen stand stilzetten. Anders is
er een kans op letsel, omdat de hardtop na een
paar minuten zakt.◀
▷Voorgaande veiligheidsaanwijzingen in
acht nemen.▷Erop letten dat het kofferdeksel is geslo‐
ten.▷De auto dient zo recht mogelijk te staan.
Een te grote schuine stand wordt door een
controlelamp aangeduid.▷Bagagerolscherm neerklappen en vastklik‐
ken, zie onderstaand.▷Leg geen voorwerpen naast of op de af‐
scheiding van de bagageruimte en sluit het
opbergvak links in de bagageruimte.▷Maximale laadhoogte onder de afscheiding
van de bagageruimte in acht nemen, zie
aanwijzingsplaatje met hoogtelijn in de ba‐
gageruimte.Afscheiding bagageruimte
neerklappen
Voorafgaand aan het openen van de hardtop
de afscheiding bagageruimte sluiten, pijl, en
aan beide zijden vastklikken.
Openen en sluiten Vanaf stand-by van de radio, zie pagina 57,
bij stilstaande auto:
Om de accu te ontzien de verzinkbare hardtop
zoveel mogelijk alleen bij draaiende motor be‐
wegen.
Voor het sluiten van de verzinkbare hardtop
eventueel het voorruitframe schoonmaken, an‐
ders kan het sluiten worden belemmerd.
1Toets 1 ingedrukt houden:
Hardtop sluit.2Toets 2 ingedrukt houden:
Hardtop opent.3LED's
De zijruiten gaan bij het openen of sluiten van
de hardtop omlaag.
Seite 43Openen en sluitenBediening43
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 44 of 292

Comfortsluiten: als de toetsen van de LED 3
langer worden ingedrukt, komen de ruiten
weer naar boven.
Een korte onderbreking van de beweging heeft
een technische oorzaak en is geen storing.
Bediening tijdens het rijden De hardtop kan tot een snelheid van ca.
40 km/h worden geopend of gesloten.
Bij het overschrijden van een snelheid van ca.
40 km/h stopt de procedure.
Bediening tijdens het rijden
Bij het bedienen van de hardtop tijdens
het rijden de aandacht intensief bij het wegver‐
keer houden, anders kan een ongeval worden
veroorzaakt. De hardtop zo mogelijk niet bij het
achteruitrijden bewegen, omdat het zicht naar
achteren tijdens de hardtopbeweging sterk is
beperkt. Niet sneller dan 40 km/h rijden, an‐
ders kan schade aan de auto ontstaan. Bij het
rijden in een bocht, oneffen wegdek of wind,
de hardtop niet tijdens het rijden bedienen.◀
LED's
In de volgende situaties wordt afgezien van
een verlichte LED een melding op het Control
Display weergegeven, evt. klinkt er een akoes‐ tisch signaal:▷Tijdens de bediening van de hardtop licht
de groene LED op. Deze dooft zodra het
openen en sluiten volledig is beëindigd.▷Als de rode LED gaat knipperen na het los‐
laten van de schakelaar, is het openen of
sluiten nog niet beëindigd.▷Als de rode LED bij een ingedrukte scha‐
kelaar oplicht, is ofwel de afscheiding van
de bagageruimte omhoog geklapt, het kof‐
ferdeksel niet gesloten, staat de auto te
schuin of is er een storing opgetreden. De
verzinkbare hardtop kan niet worden be‐
wogen.Onderbreking
De automatische beweging wordt onderbro‐
ken als de schakelaar voor de hardtopbedie‐
ning wordt losgelaten. De beweging kan via de
schakelaar in de gewenste richting worden
voortgezet.
Hardtop altijd geheel openen of sluiten
Hardtop volledig openen of sluiten, an‐
ders kunnen tijdens het rijden letsel of bescha‐
digingen ontstaan. Het sluiten niet meerdere
malen achter elkaar onderbreken en weer
voortzetten, omdat hierdoor het mechanisme
kan worden beschadigd.◀
Bij een niet volledig open of gesloten hardtop
kan het kofferdeksel niet worden geopend en
de kunnen de ruiten niet worden bewogen.
Comfortbediening met de
afstandsbediening
Informatie over comfortbediening, zie pa‐
gina 33.
Windscherm Het windscherm houdt de luchtbewegingen in
het interieur bij geopende hardtop laag, zodat
ook bij hogere snelheden een nog aangena‐
mere rit mogelijk is.
Monteren1.Windscherm 1 in de bevestiging 2 op de
koprolbeugels schuiven, hierbij wijst de pijl
in de rijrichting.Seite 44BedieningOpenen en sluiten44
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 49 of 292

Gordel sluiten
Het gordelslot moet bij het sluiten hoorbaar
vastklikken.
Gordel openen
1.Gordel vasthouden.2.Rode toets in het slot indrukken.3.Gordel naar het oprolmechanisme gelei‐
den.
Veiligheidsgordelherinnering voor
bestuurder en passagier
Het controlelampje gaat branden en
er klinkt een signaal. Op het Control
Display wordt bovendien een melding
getoond. Controleren of de veiligheidsgordel
correct is omgedaan.
De gordelherinnering wordt actief, voor zover
de veiligheidsgordel op de bestuurderszijde
nog niet is omgegespt. Bij enkele landuitvoe‐
ringen wordt de gordelherinnering vanaf
ca. 8 km/h tevens actief wanneer de passa‐
giersgordel nog niet werd bevestigd of zware
voorwerpen op de passagiersstoel liggen.
Beschadiging van de
veiligheidsgordels
Na een aanrijding of bij een beschadiging:
Veiligheidsgordels inclusief de gordelspanners
vervangen en gordelverankering laten contro‐
leren.
Veiligheidsgordels controleren en ver‐
vangen
De werkzaamheden alleen aan de service‐
dienst toevertrouwen, anders is een correcte
werking van deze veiligheidsvoorziening niet
gewaarborgd.◀
Stoel- en spiegelmemory Algemeen
Er kunnen twee verschillende bestuurders‐
stoel- en buitenspiegelpositie per afstandsbe‐ diening worden opgeslagen en opgeroepen.
De instelling van de leuningbreedte en de len‐
densteun wordt niet opgeslagen.
Opslaan
1.Stand-by van de radio of ontsteking in‐
schakelen, zie pagina 56.2.Gewenste stoel- en buitenspiegelpositie
instellen.3. Toets indrukken. LED in de toets
licht.4.Gewenste geheugentoets 1 of 2 indrukken:
LED dooft.
Als de M-toets abusievelijk wordt ingedrukt:
Toets opnieuw indrukken. LED dooft.
Seite 49InstellenBediening49
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 59 of 292

OpmerkingDe motor wordt in de volgende situaties niet
automatisch uitgezet:▷Buitentemperatuur te laag.▷Hoge buitentemperatuur en werking van
de elektronische temperatuurregeling.▷Interieur nog niet zoals gewenst opge‐
warmd of afgekoeld.▷Motor is nog niet op bedrijfstemperatuur.▷Grote stuuruitslag of zware besturing.▷Na achteruitrijden.▷Beginnend beslaan van de ruiten bij inge‐
schakelde airconditioning met elektroni‐
sche temperatuurregeling.▷Auto-accu is sterk ontladen.▷Motorkap is ontgrendeld.▷Stop & Go-verkeer.
Het controlelampje brandt.
Auto afzetten tijdens automatische motorstop
Bij automatische motorstop kan de auto veilig
worden afgezet, bijv. om hem te verlaten.
1.Start-/stopknop indrukken. Het contact
wordt uitgeschakeld. De Auto Start Stop-
functie is gedeactiveerd.2.Parkeerrem bedienen.
Motorstart zoals normaal via start-/stop-toets.
Automatisch starten van de motor Voor het wegrijden start de motor automa‐
tisch, zodra het koppelingspedaal wordt inge‐
trapt.
Na het starten van de motor, zoals gewoonlijk
accelereren.
Veiligheidsfunctie
De motor start na automatisch afzetten niet
zelf, als wordt voldaan aan één van de vol‐
gende voorwaarden:▷Veiligheidsgordel bestuurder afgedaan of
bestuurderportier geopend.▷Motorkap werd ontgrendeld.
De controlelamp gaat branden. Op
het Control Display wordt een mel‐
ding getoond.
De motor kan alleen via de start-/stopknop ge‐
start worden.
Opmerking Ook wanneer niet moet worden weggereden,
start de afgezette motor in de volgende situ‐
aties automatisch:
▷Sterk opgewarmd interieur bij ingescha‐
kelde koelfunctie.▷Bij besturing.▷Aanrollende auto.▷Beginnend beslaan van de ruiten bij inge‐
schakelde airconditioning met elektroni‐
sche temperatuurregeling.▷Auto-accu is sterk ontladen.▷Sterk afgekoeld interieur bij ingeschakelde
verwarming.▷Lage remdruk, bijv. door meermaals op‐
eenvolgend bedienen van het rempedaal.Seite 59RijdenBediening59
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 60 of 292

Systeem handmatig deactiveren/
activeren
Toets indrukken.
▷Led op de toets brandt: Auto Start Stop-
functie is gedeactiveerd.
Tijdens een automatische motorstop wordt
de motor gestart.
De motor kan alleen via de Start-/stopknop
worden afgezet of gestart.▷LED gaat uit: Auto Start Stop-functie is ge‐
activeerd.
Automatische deactivering
In bepaalde situaties wordt de Auto Start Stop-
functie automatisch gedeactiveerd om de vei‐
ligheid te waarborgen, bijv. als wordt herkend
dat de bestuurder afwezig is.
Storing De start- en stopautomaat schakelt
de motor niet meer automatisch uit.
De controlelamp gaat branden. Op
het Control Display wordt een melding ge‐
toond. Verder rijden is niet mogelijk. Systeem
laten controleren.
Parkeerrem
Principe
Uw auto is uitgerust met een elektromechani‐
sche parkeerrem, die met één schakelaar kan
worden vastgezet en worden ontgrendeld.
Met de parkeerrem voorkomt u uitsluitend dat
de auto vanuit stilstand wegrolt.
Bij een stilstaande auto werkt de parkeerrem
via een elektrisch mechanisme op de achter‐
wielen. Bij een rollende of rijdende auto werkt
de parkeerrem via de remhydraulica op de
schijfremmen van de voor- en achterwielen.
Vastzetten
Aan de schakelaar trekken. De parkeerrem
wordt aangetrokken.
Het controlelampje op het instrumen‐
tenpaneel en de LED op de schakelaar
lichten rood op. De parkeerrem is aan‐
getrokken.
Voor het aantrekken van de parkeerrem moet
de afstandsbediening niet in het contactslot
steken.
Tijdens het rijden
Indien bij wijze van uitzondering het tijdens de
rit nodig is om langer aan de schakelaar te
trekken: de auto remt krachtig af, zolang aan
de schakelaar wordt getrokken.
Het controlelampje in het instrumen‐
tenpaneel licht rood op, er klinkt een
akoestisch signaal en de remlichten
gaan branden.
Zodra de auto bijna tot stilstand is gekomen,
ca. 3 km/h, afremmen, blijft de parkeerrem ver‐
grendeld.
Seite 60BedieningRijden60
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 64 of 292

Tank voor sproeiervloeistofVullen van de sproeiervloeistof
Sproeiervloeistof alleen bij afgekoelde
motor bijvullen en daarna het deksel volledig
sluiten, om contact van de sproeiervloeistof
met hete motoronderdelen te voorkomen.
Anders bestaat bij morsen of naar buiten tre‐
den van de vloeistof brandgevaar en wordt de
persoonlijke veiligheid in gevaar gebracht.◀
Alle ruitensproeiers worden via één reservoir
verzorgd.
De aanbevolen minimum vulhoeveelheid be‐
draagt 1 liter.
Vulling met mengsel van ruitensproeiervloei‐
stofconcentraat en leidingwater, zo nodig aan‐
gevuld door antivries, op aanwijzing van de fa‐
brikant.
Sproeiervloeistof voor het vullen mengen, zo‐
dat de mengverhouding wordt aangehouden.
Ruitensproeiervloeistofconcentraat en anti‐
vries nooit onverdund vullen en geen water al‐
leen bijvullen; dit kan schade veroorzaken aan
de ruitenwisserinstallatie.
Nooit ruitensproeiervloeistofconcentraten van
verschillende producenten mengen, omdat de
ruitensproeiers anders verstopt kunnen raken.
Handgeschakelde
versnellingsbak
Schakelvlak in acht nemen
Tijdens het gelijkmatig schakelen naar de
5e of 6e versnelling de versnellingshendel naar
rechts drukken, anders kan per ongeluk scha‐
kelen naar de 3e of 4e versnelling de motor be‐
schadigen.◀
Achteruitversnelling
Alleen bij stilstaande auto inschakelen. Als de
versnellingshendel naar links wordt gedrukt over de weerstand drukken.
Storing De waarschuwingslamp brandt geel.
Op het Control Display wordt een
melding getoond.Bovendien klinkt
een akoestisch signaal.
Koppelingstemperatuur te hoog.
8-traps-sport-automatische
versnellingsbak
Keuzestanden automatische
transmissie
D Drive, Automatic-stand Stand voor normaal rijden. Schakelen in alle
vooruitversnellingen.
Seite 64BedieningRijden64
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 73 of 292

Toerenteller
Motortoerentallen in de rode waarschuwings‐
aanduiding, zie pijl, beslist vermijden. In dit ge‐
bied wordt ter bescherming van de motor de
brandstoftoevoer onderbroken.
Koelvloeistoftemperatuur Als het koelmiddel en dus de motor te heet
worden, gaat een waarschuwingslamp bran‐
den. Bovendien wordt op het Control Display
een melding getoond.
Koelvloeistofpeil controleren, zie pagina 245.
Motorolietemperatuur▷Koude motor: de wijzer staat op de laagste
temperatuurwaarde. Met matig motortoe‐
rental en matige snelheid rijden.▷Normale bedrijfstemperatuur: de wijzer be‐
vindt zich in het midden van de tempera‐
tuurmeter.▷Hete motor: de wijzer staat op de hoogste
temperatuurwaarde. Motor onmiddellijk af‐
zetten en laten afkoelen.
Als de motorolietemperatuur te hoog is, ver‐
schijnt een melding op het Control Display.
Motoroliepeil controleren, zie pagina 242.
Brandstofmeter
Hellen van de auto kan tot schommelingen in
de weergave leiden.
Aanwijzingen voor tanken, zie pagina 234.
Actieradius Na het bereiken van de reservehoeveelheid:
Seite 73WeergavenBediening73
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 74 of 292

▷Op het Control Display wordt kort een mel‐
ding getoond.▷In de boordcomputer wordt de resterende
actieradius weergegeven.▷Bij een dynamische rijstijl, bijvoorbeeld,
snelle bochten, zijn de motorfuncties niet
altijd gegarandeerd.
Onder een actieradius van ca. 50 km wordt het
melding permanent weergegeven.
Op tijd tanken
Op zijn laatst bij een actieradius onder
50 km tanken, anders is het functioneren van
de motor niet gewaarborgd en kan schade ont‐
staan.◀
Boordcomputer
Weergaven op het
instrumentenpaneel
Informatie oproepen
Toets in de richtingaanwijzerschakelaar in‐
drukken.
De volgende gegevens worden in de aangege‐
ven volgorde aangeduid:
▷Actieradius.▷Gemiddelde snelheid.▷Gemiddeld verbruik.▷Momenteel brandstofverbruik.▷Geen informatie.Hiernaast kunt u schakeladvies laten weerge‐
ven om het verbruik te reduceren, schakelpun‐
tindicator, zie pagina 75.
Om de geldende maateenheden in te stellen,
maateenheden, zie pagina 78.
Actieradius Weergegeven wordt de verwachte actieradius
met de aanwezige hoeveelheid brandstof in de
tank. De actieradius wordt, met inachtneming
van de rijwijze over de laatste 30 km en de hui‐
dige brandstofvoorraad berekend.
Gemiddelde snelheid
Bij het berekenen van de gemiddelde snelheid
wordt de tijd dat de auto stilstaat met handma‐
tig afgezette motor buiten beschouwing gela‐
ten.
Met de reis-boordcomputer, zie pagina 75,
kunt u de gemiddelde snelheid voor een verder
traject laten weergeven.
Gemiddelde snelheid terugzetten: toets in
richtingaanwijzerschakelaar ca. 2 seconden
lang indrukken.
Gemiddeld brandstofverbruik
Het gemiddelde brandstofverbruik wordt bere‐
kend gedurende de tijd dat de motor draait.
Het gemiddeld verbruik wordt op het gereden traject sinds het laatste terugzetten in de
boordcomputer berekend.
Met de reis-boordcomputer, zie pagina 75,
kunt u het gemiddeld gebruik voor een verder
traject laten weergeven.
Gemiddeld gebruik terugzetten: toets in rich‐
tingaanwijzerschakelaar ca. 2 seconden lang
indrukken.
Momenteel verbruikGeeft het momentele brandstofverbruik aan.
Een zuinige en milieuvriendelijke rijstijl is m.b.v.
dit instrument eenvoudig te realiseren.Seite 74BedieningWeergaven74
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 75 of 292

Aanduidingenop het Control Display
U kunt de boorddomputer tevens via iDrive op‐
roepen.1."Voertuiginfo"2."Boordcomputer" of "Reiscomputer"
Indicaties op de "Boordcomputer":
▷Actieradius.▷Afstand tot reisdoel.▷Verwachte aankomsttijd, als: in het naviga‐
tiesysteem een reisdoel werd ingevoerd,
zie pagina 140.
Indicaties op de "Reiscomputer":
▷Vertrektijd.▷Rijtijd.▷Afstand.
Bij beide indicaties wordt het volgende ge‐
toond:
▷Gemiddelde snelheid.▷Gemiddeld verbruik.
Verbruik en snelheid resetten
U kunt de waarden voor de gemiddelde snel‐
heid en het gemiddelde brandstofverbruik te‐
rugstellen:
1.De betreffende menuvermelding selecte‐
ren en Controller indrukken.2.Om te bevestigen, nogmaals Controller in‐
drukken.
Reisboordcomputer terugzetten
Alle waarden terugzetten:
1."Voertuiginfo"2."Reiscomputer"3."Terugzetten"
Schakelpuntindicator
Principe
Dit systeem geeft advies over de versnelling
die in de actuele rijsituatie het zuingst in ver‐
bruik is. Indien u in een andere versnelling zui‐
niger kunt rijden, krijgt u aanwijzingen voor het
op- of terugschakelen.
Systeem activeren/deactiveren
Seite 75WeergavenBediening75
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15
Page 80 of 292

3."Formaat:"4.Gewenste vorm selecteren.
Datumformaat wordt opgeslagen.
Instellingen op het Control
Display
Taal
Taal instellen
Taal op het Control Display instellen:
1."Instellingen"2."Taal/Eenheden"3."Taal:"4.Gewenste taal selecteren.
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte
afstandsbediening opgeslagen.
Spraakdialoog instellen Spraakdialoog voor het spraakinvoersysteem,
zie pagina 26.
Helderheid
Helderheid instellen
Helderheid van het Control Display instellen:1."Instellingen"2."Control-display"3."Helderheid"4.Controller draaien tot de gewenste helder‐
heid bereikt is.5.Controller indrukken.
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte
afstandsbediening opgeslagen.
Naargelang de lichtverhoudingen kan de rege‐
ling van de lichtsterkte eventueel niet direct
worden herkend.
Benodigd onderhoud Weergave
De resterende afstand en de datum voor het
volgende onderhoud zal kort worden weerge‐
geven na het inschakelen van de ontsteking.
Seite 80BedieningWeergaven80
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15