olie FIAT DOBLO COMBI 2010 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2010, Model line: DOBLO COMBI, Model: FIAT DOBLO COMBI 2010Pages: 274, PDF Size: 6.36 MB
Page 148 of 274

PERMANENT BRANDEN:
TE LAGE MOTOROLIEDRUK (rood)
KNIPPEREN:
OLIEKWALITEIT ONVOLDOENDE
(alleen Multijet-uitvoeringen met DPF – rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lamp-
je branden. Het moet doven zodra de motor is aange-
slagen.
1. Te lage motoroliedruk
Het lampje gaat continu branden en er verschijnt een mel-
ding op het display (voor bepaalde uitvoeringen/markten)
als de motoroliedruk onvoldoende is.
147
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
v
Als het lampje vtijdens het rijden gaat
branden (op enkele uitvoeringen verschijnt
ook een melding op het display), zet dan onmid-
dellijk de motor uit en wendt u tot het Fiat Servi-
cenetwerk.
ATTENTIE!
2. Oliekwaliteit onvoldoende
(alleen Multijet-uitvoeringen met DPF)
Het lampje gaat knipperen en er verschijnt (voor bepaal-
de uitvoeringen/markten) een bijbehorende melding op
het display. Afhankelijk van de uitvoering knippert het lamp-
je op de volgende manier:
– elk twee uur 1 minuut;
– telkens 3 minuten, waarbij het lampje telkens 5 secon-
den dooft, totdat de olie wordt ververst.
Iedere keer als de motor na de eerste melding wordt ge-
start, blijft het lampje knipperen op de hierboven be-
schreven wijze, totdat de olie wordt ververst. Het dis-
play (voor bepaalde uitvoeringen/markten) toont naast het
lampje de bijbehorende melding.
Het knipperen van dit lampje duidt niet op een defect aan
de auto, maar geeft aan dat door het normale gebruik van
de auto de olie moet worden ververst.
Motorolie wordt slechter van kwaliteit door:
– overwegend stadsgebruik van de auto waardoor het re-
generatieproces van het DPF vaker moet worden uitge-
voerd
– gebruik van de auto voor korte ritten, waardoor de mo-
tor niet goed op bedrijfstemperatuur komt
– het vaak onderbreken van het regeneratieproces dat
wordt aangegeven door het branden van het DPF-lampje.
143-154 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 9:52 Pagina 147
Page 149 of 274

148
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Als het lampje gaat branden, moet de mo-
torolie van onvoldoende kwaliteit zo snel
mogelijk worden ververst; er mag zeker niet meer
dan 500 km worden doorgereden nadat het lamp-
je voor de eerste keer is gaan branden. Als bo-
venstaande richtlijn niet wordt opgevolgd, dan kan
dat ernstige schade aan de motor veroorzaken en
het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
Onthoud dat het branden van dit lampje geen be-
trekking heeft op de hoeveelheid olie in de motor.
Als het lampje gaat knipperen, dan is het absoluut
niet nodig motorolie bij te vullen.
ATTENTIE!
NIET OMGELEGDE
VEILIGHEIDSGORDELS (rood)
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat con-
tinu branden als bij stilstaande auto de veiligheids-
gordel aan bestuurderszijde niet goed is omgelegd. Als de
auto rijdt en de veiligheidsgordels voor zijn niet goed om-
gelegd, dan gaat het lampje knipperen en klinkt tegelijker-
tijd een akoestisch signaal (zoemer).
Het akoestische signaal (zoemer) van het SBR-systeem (Se-
at Belt Reminder) kan permanent worden uitgeschakeld
door het Fiat Servicenetwerk.
Op enkele uitvoeringen kan het systeem weer worden ge-
activeerd via het setup-menu.
<
NIET GOED GESLOTEN
PORTIEREN (rood)
Als een of meerdere portieren, de bagageruim-
te of de motorkap niet goed gesloten zijn, gaat het
lampje branden (bepaalde uitvoeringen).
Op enkele uitvoeringen verschijnt de bijbehorende mel-
ding op het display.
Als de auto in beweging is met geopende portieren, dan
klinkt er een akoestisch signaal.
MINIMUM MOTOROLIEPEIL
(rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat
het lampje op het instrumentenpaneel branden. Na
enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden als
het motoroliepeil onder het minimum niveau is gedaald.
Herstel in dit geval het juiste motoroliepeil (zie „Niveaus
controleren” in het hoofdstuk „Onderhoud en zorg”).
Op enkele uitvoeringen verschijnt een bijbehorende mel-
ding op het display.
´
k
143-154 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 9:52 Pagina 148
Page 151 of 274

150
RESERVEBRANDSTOF
(geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat
het lampje branden. Na enkele seconden moet het
lampje doven.
Het lampje gaat branden als er nog 8 tot 10 liter brandstof
aanwezig is.
BELANGRIJK Als het waarschuwingslampje knippert, dan
is er een storing in het systeem. Wendt u in dat geval tot
het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten contro-
leren.
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
REINIGING VAN ROETFILTER (DPF)
BEZIG (alleen uitvoeringen Multijet
met DPF – geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat
het lampje branden. Na enkele seconden moet het lamp-
je doven. Het lampje gaat continu branden om de be-
stuurder er op te wijzen dat het DPF-systeem het rege-
neratieproces moet uitvoeren om de verzadiging met
verontreinigende stoffen (partikels) te verhelpen.
Het lampje gaat niet bij iedere regeneratie van het roet-
filter branden, maar alleen als de rijomstandigheden ver-
eisen dat de bestuurder er op attent wordt gemaakt.
Om het lampje te laten doven moet de auto doorrijden,
totdat het regeneratieproces is voltooid. Dit duurt ge-
middeld 15 minuten. De optimale omstandigheden om het
proces te voltooien, worden bereikt wanneer de auto
60 km/h rijdt bij een toerental boven 2000 toeren/min.
Het branden van het lampje duidt niet op een defect aan
de auto. Het is dus niet nodig om de auto naar de garage
te brengen. Als het lampje gaat branden, verschijnt op het
display een bijbehorende melding (voor bepaalde uitvoe-
ringen/markten).
h
ç
De rijsnelheid moet altijd worden aangepast
aan de verkeerssituatie en de weersomstan-
digheden en u dient zich altijd aan de geldende ver-
keerswetgeving te houden. U kunt de motor ook uit-
zetten met een brandend DPF-lampje; het herhaal-
delijk onderbreken van het regeneratieproces kan
echter een vroegtijdige verslechtering van de mo-
toroliekwaliteit veroorzaken. Het is daarom aan te
raden altijd te wachten tot het lampje gedoofd is
voordat u de motor uitzet en de hierboven beschre-
ven aanwijzingen op te volgen. Het is niet aan te ra-
den het regeneratieproces van het DPF te voltooi-
en bij een stilstaande auto.
ATTENTIE!
143-154 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 9:52 Pagina 150
Page 153 of 274

152
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
STORING BUITENVERLICHTING
(geel)
Het lampje gaat branden (bepaalde uitvoeringen)
als er een storing is in een van de volgende systemen:
– buitenverlichting
– dagverlichting
– remlichten
– mistachterlichten
– richtingaanwijzers
– kentekenplaatverlichting.
De storing kan betreffen: doorbranden van een of meer
lampen, doorbranden van de bijbehorende zekering of een
onderbreking in de elektrische verbinding.
Op enkele uitvoeringen gaat het lampje èbranden.
Op enkele uitvoeringen verschijnt de bijbehorende melding
op het display.
W
ALGEMENE STORINGSMELDING
(geel)
Het lampje gaat bij de volgende omstandigheden
branden.
Storing motoroliedruksensor
Het lampje gaat branden bij een storing in de motorolie-
druksensor.
Wendt u zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk om
de storing te laten verhelpen.
Storing buitenverlichting
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Zie hetgeen beschreven is voor lampje
6.
Brandstofnoodschakelaar geactiveerd
Het lampje gaat branden als de brandstofnoodschakelaar
is ingeschakeld.
Op enkele uitvoeringen verschijnt de bijbehorende melding
op het display.
Storing parkeersensoren
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Zie hetgeen beschreven is voor lampje t.
Storing Start&Stop-systeem
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Het lampje gaat branden als er een storing is in het
Start&Stop-systeem.
è
STORING IN ELEKTRONISCHE
STARTBLOKKERING – FIAT CODE
(geel)
Een brandend lampje
Y(op enkele uitvoeringen verschijnt
ook de bijbehorende melding op het display) geeft een sto-
ring aan in het Fiat Code-systeem of, indien aanwezig, in
het diefstalalarm; wendt u in dat geval zo snel mogelijk
tot het Fiat Servicenetwerk.
Y
143-154 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 9:52 Pagina 152
Page 194 of 274

193
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
●●
●●●●●●
●
●
●●●
●●●●●●
●●●●●●
●●●●●●
●●●●●●
●●●
●●●●●●
x 1000 km 30 60 90 120 150 180
Getande distributieriem controleren
Bougies vervangen
Aandrijfriem(en) voor hulporganen vervangen
Getande distributieriem vervangen (*)
Luchtfilterelement vervangen
Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (koelsysteem,
remsysteem, hydraulische koppelingbediening, ruitensproeiers,
accu enz.)
Motormanagementsysteem controleren
(m.b.v. diagnosestekker)
Onderste geleiders van zijschuifdeuren op vervuiling controleren
(of om de 6 maanden)
Motorolie en oliefilter vervangen (of om de 24 maanden) (**)
Remvloeistof vervangen (of om de 24 maanden)
Pollenfilter vervangen (of om de 24 maanden)
(*) Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koude klimaten, gebruik in stadsverkeer, lang-
durig stationair draaien) om de 4 jaar worden vervangen of in ieder geval om de 5 jaar.
(**) Als de auto overwegend in stadsverkeer gebruikt wordt en in elk geval als de auto jaarlijks minder dan 10.000 km rijdt, dan moet de
motorolie en het oliefilter om de 12 maanden worden vervangen.
191-218 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 10:14 Pagina 193
Page 196 of 274

195
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
●●●●●●
●●●●●●
●
●
●●●
●●●
●●●●●●
●●●
●●●●●●
x 1000 km 30 60 90 120 150 180
Motormanagementsysteem controleren (m.b.v. diagnosestekker)
Onderste geleiders van zijschuifdeuren op vervuiling controleren
(of om de 6 maanden)
Aandrijfriem(en) voor hulporganen vervangen
Getande distributieriem vervangen (*)
(Uitvoering 1.6 Multijet)
Brandstoffilter vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Motorolie en oliefilter vervangen (of om de 24 maanden)
Remvloeistof vervangen (of om de 24 maanden)
Pollenfilter vervangen (of om de 24 maanden)
(*) Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koude klimaten, gebruik in stadsverkeer,
langdurig stationair draaien) om de 4 jaar worden vervangen of in ieder geval om de 5 jaar.
191-218 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 10:14 Pagina 195
Page 198 of 274

197
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
(*) Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koude klimaten, gebruik in stadsverkeer, lang-
durig stationair draaien) om de 4 jaar worden vervangen of in ieder geval om de 5 jaar.
(**) De motorolie en het oliefilter moeten worden vervangen bij kwaliteitsverlies, dat wordt aangegeven door middel van een bericht of
een brandend waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel; ververs de motorolie en het oliefilter in ieder geval om de 2 jaar.
Als de auto overwegend in stadsverkeer gebruikt wordt, dan moet de motorolie en het oliefilter om de 12 maanden worden vervangen.
● ●●●●
● ●●●●
●
●
●●
● ●●●●
●●
● ●●●●
x 1000 km 35 70 105 140 175
Motormanagementsysteem controleren (m.b.v. diagnosestekker)
Onderste geleiders van zijschuifdeuren op vervuiling controleren
(of om de 6 maanden)
Aandrijfriem(en) voor hulporganen vervangen
Getande distributieriem vervangen (*) (1.6 Multijet - 2.0 Multijet)
Brandstoffilter vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Motorolie en oliefilter vervangen (uitvoeringen met DPF) (**)
Remvloeistof vervangen (of om de 24 maanden)
Pollenfilter vervangen (of om de 24 maanden)
191-218 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 10:14 Pagina 197
Page 199 of 274

198
ZWAAR GEBRUIK VA N DE AUTO
Als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandighe-
den rijdt, zoals:
❒ trekken van aanhangers;
❒ rijden op stoffige wegen;
❒ veel korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentem-
peraturen onder nul;
❒ bij een vaak langdurig stationair draaiende motor of lan-
ge ritten bij lage snelheden (bijv. bij huis-aan-huis bezor-
ging) of als de auto lang stilstaat;
❒ in stadsverkeer;
is het noodzakelijk de volgende controles vaker uit te voe-
ren, dan in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema staat
aangegeven:
❒ remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage
controleren;
❒ vergrendelmechanismen van motorkap en achterklep op
vervuiling controleren en mechanismen smeren;
❒ visueel de conditie controleren van: motor, versnel-
lingsbak, aandrijfassen, uitlaat, brandstof- en remleidin-
gen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.) en rubber
slangen van rem- en brandstofsysteem;
❒ lading en vloeistofniveau (elektrolyt) accu controleren
(uitsluitend door deskundig personeel of het Fiat Servi-
cenetwerk laten uitvoeren – zie ook de paragraaf „Ac-
cu” in dit hoofdstuk);
❒ conditie van aandrijfriemen voor hulporganen visueel con-
troleren;
❒ pollenfilter controleren en eventueel vervangen;
❒ luchtfilter controleren en eventueel vervangen.
PERIODIEKE CONTROLES
Iedere 1.000 km of voor een lange reis controleren en
eventueel bijvullen:
❒ niveau van de motorkoelvloeistof;
❒ niveau van de remvloeistof;
❒ niveau van de ruitensproeiervloeistof;
❒ conditie en spanning van de banden;
❒ werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, rich-
tingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten enz.);
❒ werking ruitenwissers/-sproeiers voor/achter en
stand/slijtage wisserbladen voor/achter (voor be-
paalde uitvoeringen/markten);
Iedere 3.000 km controleren en eventueel bijvullen: mo-
torolieniveau.
Gebruik bij voorkeur producten van
PETRONAS
LUBRICANTS
omdat die speciaal zijn afgestemd op
de Fiat-modellen (zie de „Vullingstabel” in het hoofdstuk
„Technische gegevens”).
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
191-218 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 10:14 Pagina 198
Page 200 of 274

199
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
fig. 180 – Uitvoeringen 1.4
fig. 181 – Uitvoeringen 1.3 Multijet zonder DPFF0V0076m
F0V0187m
NIVEAUS
CONTROLEREN
A. Motorolievulopening
B. Motoroliepeilstok
C. Koelvloeistof motor
D. Ruitensproeiervloeistof
E. Remvloeistof
F. Accu
G. Olie van stuurbekrachtiging
Rook nooit tijdens werk-
zaamheden in de motor-
ruimte: er kunnen licht ont-
vlambare gassen aanwezig zijn;
brandgevaar.
ATTENTIE!
Belangrijk; tijdens het bij-
vullen mogen de vloei-
stoffen met verschillende
specificaties niet gemengd wor-
den: als de specificaties van de
vloeistoffen verschillen, kan de
auto ernstig beschadigd worden.
191-218 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 10:14 Pagina 199
Page 201 of 274

200
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STA R TEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
fig. 182 - Uitvoeringen 1.3 Multijet met DPF
fig. 183 - Uitvoeringen 1.6 Multijet F0V0189m
F0V0190m
A. Motorolievulopening
B. Motoroliepeilstok
C. Koelvloeistof motor
D. Ruitensproeiervloeistof
E. Remvloeistof
F. Accu
G. Olie van stuurbekrachtiging
191-218 DOBLO LUM 2e NL 26-05-2010 10:14 Pagina 200