Olie FIAT DUCATO 2017 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2017, Model line: DUCATO, Model: FIAT DUCATO 2017Pages: 308, PDF Size: 14.66 MB
Page 134 of 308

127)Wanneer het systeem actief is, is de
bestuurder verantwoordelijk voor het
controleren van het voertuig en het
monitoren van het systeem, en moet aldus
optreden, indien nodig.
BELANGRIJK
27)In geval van fouten is het mogelijk dat
het systeem niet werkt.
28)Bij lage temperaturen en bij bijzonder
slechte weersomstandigheden kan het zijn
dat het systeem niet werkt.
29)Regen, sneeuw, spatten en sterk
lichtcontrast kunnen de sensor
beïnvloeden.
30)Voer geen reparaties uit in de zone van
de voorruit rondom de sensor.
31)Als het voertuig is uitgerust met een
niet originele wielophangingskit, kan het
systeem mogelijk niet goed werken.
32)Gebruik altijd originele onderdelen voor
het vervangen van de lampen van
koplampen. Andere lampen kunnen de
prestaties van het systeem beperken.
33)Verwijder vreemd materiaal zoals
vogelpoep, insecten, sneeuw of ijs van de
voorruit.
TANKEN
IN HET KORT
Zet de motor af alvorens te tanken.
BENZINEMOTOREN
Tank uitsluitend benzine met een
minimaal octaangehalte (RON) van 95
(EN228-specificatie).
DIESELMOTOREN
Tank uitsluitend diesel voor
motorvoertuigen conform de Europese
specificatie EN590.
WERKING BIJ LAGE
TEMPERATUREN
Als het voertuig gedurende een lange
periode in de bergen of in koude zones
wordt gebruikt of geparkeerd, wordt
geadviseerd om met de plaatselijk
beschikbare dieselolie te tanken. In dit
geval wordt tevens geadviseerd om
de tank meer dan 50% gevuld te
houden.
34)
TANKINHOUD
Om de tank volledig te vullen, kan men
twee keer bijvullen nadat het
tankpistool is afgeslagen. Meer bijvullen
kan storingen in het
brandstoftoevoersysteem veroorzaken.
TANKDOP
Open om te tanken de klep A fig. 116
aan de linkerzijde van het voertuig
en schroef de dop B fig. 116 tegen de
klok in los.
Voor versies / marketen indien van
toepassing, plaats de contactsleutel de
vergrendelknop van de dop. Draai het
tegen de klok in en verwijder de
vergrendeldop door het vastgrijpen van
de sleutel. Tijdens het tanken moet
de contactsleutel niet uit de
vergrendeldop worden verwijdert.
Tijdens het tanken kan de dop aan de
klep A (fig. 116) hangen.
116F1A5004
132
STARTEN EN RIJDEN
Page 151 of 308

42)Om correcte werking van het systeem
te garanderen, periodiek alle vuilaanslag
verwijderen die zich op de kogelkop, de
trekstang en de montagepijp kan hebben
verzameld. De mechanische onderdelen
moeten op de aangegeven intervallen een
onderhoudsbeurt krijgen. Het slot mag
alleen behandeld worden met grafiet.
43)Smeer de koppelingen, de glijvlakken
en de kogels regelmatig met vet zonder
hars of olie. Smering vormt ook een betere
bescherming tegen corrosie.
44)Als het voertuig gewassen wordt met
waterstralen onder hoge druk, dan moet de
trekstang met kogelkop verwijderd worden
en moet de speciale dop gemonteerd
zijn. De trekstang met kogelkop mag nooit
behandeld worden met stoomstralen.
45)Bij de verwijderbare trekstang
met kogelkop worden twee sleutels
geleverd. Noteer het sleutelnummer op het
slot voor eventuele nabestelling en bewaar
het.LANGDURIGE
STILSTAND
Tref de volgende voorzorgsmaatregelen
als het voertuig langer dan een maand
niet gebruikt zal worden:
parkeer het voertuig in een
overdekte, droge en indien mogelijk
goed geventileerde ruimte;
schakel een versnelling in;
controleer of de handrem niet is
aangetrokken;
koppel de minpool van de accu los,
als de auto is uitgerust met een
"accu-cut-of"-functie (scheider), zie
voor de beschrijving van de werkwijze
de paragraaf "Bedieningselementen" in
"Dashboard en bedieningselementen";
maak de met lak gespoten delen
schoon en behandel ze met een
beschermende was;
reinig en bescherm de glanzende
metalen delen met speciale middelen
die in de handel verkrijgbaar zijn;
bestrooi de wisserrubbers van de
ruitenwissers en achterruitwisser met
talkpoeder en til ze van de ruit op;
zet de ruiten iets open;
dek het voertuig af met een doek of
een geperforeerde kunststof hoes.
Gebruik geen dichte plastic hoezen,
omdat het op de carrosserie aanwezige
vocht dan niet kan verdampen;
pomp de banden 0,5 bar boven de
voorgeschreven spanning op en
controleer de spanning met regelmatige
tussenpozen;
tap het koelsysteem van de motor
niet af.
BELANGRIJK Als de auto is uitgerust
met een alarmsysteem, moet dit met de
afstandsbediening worden
uitgeschakeld.
BELANGRIJK Wacht, nadat de
contactsleutel naar STOP is gedraaid
en het bestuurdersportier is gesloten,
minstens één minuut alvorens de
elektrische voeding naar de accu los te
koppelen. Wanneer de elektrische
voeding naar de accu weer wordt
aangesloten, controleren of de
contactsleutel in de stand STOP staat
en of het bestuurdersportier gesloten is.
149
Page 178 of 308

Bericht Signaal Beschrijving
FMS1(2)
High beam, main beam Geeft de actieve status van het grootlicht aan
Dimlicht Geeft de actieve status van het dimlicht aan
Richtingaanwijzers Geeft de actieve status van de richtingaanwijzers aan
Hazard warning Geeft de actieve status van de alarmknipperlichten aan
Parkeerrem Geeft aan dat de parkeerrem is ingeschakeld
Remfout/storing remsysteem Geeft een storing in het remsysteem aan
Hatch open Geeft aan dat het achterportier niet gesloten is
Fuel level Geeft aan dat het brandstofreservelampje brandt
Engine coolant temperatureGeeft aan dat het lampje oververhitting
motorkoelvloeistof brandt
Battery charging conditionGeeft aan dat het lampje onvoldoende acculading
brandt
MotorolieGeeft aan dat het lampje onvoldoende motoroliedruk
brandt
Position lights, side lights Geeft de actieve status van de positielichten aan
Mistvoorlichten Geeft de actieve status van de mistlampen aan
Mistachterlicht Geeft de actieve status van de mistachterlichten aan
Engine / Mil indicatorGeeft aan dat het lampje storing EOBD/inspuitsysteem
brandt
Service, call for maintenanceGeeft aan dat de melding geprogrammeerd
onderhoud is weergegeven
Transmissiefout/storing Geeft een storing in het transmissiesysteem aan
Anti-lock brake system failure Geeft aan dat het lampje storing ABS brandt
(2) De signaalwaarden komen van informatie op het instrumentenpaneel
176
NOODGEVALLEN
Page 195 of 308

PERIODIEKE
CONTROLES
Vóór een lange reis controleren en
eventueel bijvullen:
niveau motorkoelvloeistof;
remvloeistofniveau;
controle en herstel van het additief
niveau voor AdBlue Diesel emissies
(UREUM) (voor bepaalde versies
/markten indien aanwezig);
vloeistofniveau ruitensproeier;
conditie en spanning banden;
werking verlichting (koplampen,
richtingaanwijzers, alarmknipperlichten,
enz..);
werking ruitenwissers/-sproeiers en
stand/slijtage wisserbladen voor/achter.
Voor een goede werking en onderhoud
van het voertuig, is het raadzaam de
bovenstaande werkzaamheden
regelmatig uit te voeren (het is
raadzaam ongeveer elke 1000 km het
niveau van de motorolie te controleren
en elke 3000 km bij te vullen).
ZWAAR GEBRUIK
VAN DE AUTO
Als vooral een intensief gebruik van het
voertuig wordt gemaakt, zoals:
het trekken van aanhangers of
caravans;
het rijden op stoffige wegen;
talrijke korte ritten (minder dan 7-8
km) en bij buitentemperaturen onder
het vriespunt;
de motor vaak stationair draait of
lange afstanden worden gereden bij
lage snelheden of als het voertuig lang
niet wordt gebruikt;
dienen de volgende controles vaker te
worden uitgevoerd dan aangegeven
in het Geprogrammeerd
onderhoudsschema:
remblokken van schijfremmen voor
op conditie en slijtage controleren;
slot van motorkap en achterklep op
aanwezigheid van vuil controleren,
schoonmaken en mechanismen
smeren;
visueel de toestand controleren van:
motor, versnellingsbak, transmissie,
slangen en leidingen (uitlaat, brandstof-
en remsysteem) en rubber elementen
(stofkappen - hoezen - bussen enz.);
laadtoestand accu en niveau
accuvloeistof (elektrolyt) controleren;
conditie van aandrijfriemen van
hulporganen visueel controleren;
motorolie en oliefilter controleren en
zo nodig vervangen;
Herstel het additief niveau voor
AdBlue Diesel emissies (UREUN) (voor
versies/markten, indien van
toepassing), bij het aangaan van de
lamp of de melding op het
instrumentenpaneel;
pollenfilter controleren en zo nodig
vervangen.
193
Page 197 of 308

km x 1000 48 96 144 192 240
Jaren 2 4 6 8 10
De vloeistofpeilen controleren en eventueel bijvullen (1) (2)●●●●●
Controleer vloeistofniveau hydraulica COMFORT-MATIC-versnellingsbak (3)
(*)●●●●●
Controleer olie voor inschakelsysteem hydraulische koppeling (voor versies
met COMFORT-MATIC-versnellingsbak) (3) (*)●●●●●
Vervang olie voor inschakelsysteem hydraulische koppeling (voor versies
met COMFORT-MATIC-versnellingsbak) (4) (*)●●
Visueel de aandrijfriem(en) van de hulporganen controleren (versies zonder
automatische riemspanner) (130 - 150 - 180 MultiJet 2-versies)●●
De spanning controleren van aandrijfriem van hulporganen (uitvoeringen
zonder automatische riemspanner) (5)●●
De spanning controleren van aandrijfriem van hulporganen (uitvoeringen
zonder automatische riemspanner) (115 MultiJet 2-versies) (5)●●●
Staat getande distributieriem controleren (130-150-180 MultiJet 2 versies)●●
(1) Gebruik voor het bijvullen altijd uitsluitend de in het instructieboek vermelde vloeistoffen en controleer het systeem eerst op schade.
(2) Het verbruik van additieven tegen emissies (UREUM) is afhankelijk van de gebruikstoestand van het voertuig en wordt aangegeven met een controlelampje en
bericht op het instrumentenpaneel (voor bepaalde versies/markten).
(3) Controle jaarlijks uit te voeren in koude klimaten.
(*) OPMERKING (voor versies met COMFORT-MATIC-versnellingsbak): om het oliepeil van de versnellingsbak te controleren en de vloeistof van het hydraulisch
systeem van de koppeling te controleren/verversen, gaat u naar een Fiat Servicepunt.
(4) Of om de 2 jaar
(5) Bij de eerste verversing van de motorolie, moet de spanning van de aandrijfriem van het hulporgaan gecontroleerd worden.
195
Page 198 of 308

km x 1000 48 96 144 192 240
Jaren 2 4 6 8 10
Staat getande distributieriem controleren (115 MultiJet 2 versies●●●●●
Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen●●●●●
Uitlaatgasemissie controleren●●●●●
Gebruik de diagnoseaansluiting om de werking van het brandstoftoevoer-/
motormanagementsysteem en de verslechtering van de motorolie te
controleren (het laatste voor bepaalde versies/markten)●●●●●
De reiniging van onderste rails zijschuifdeuren controleren bij uitvoeringen
met zijschuifdeuren. (of iedere 6 maanden)●●●●●
Brandstoffilterelement vervangen●●●●●
Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen (130-150-180 MultiJet 2 versies)●
Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen (115 MultiJet 2 versies)●●
Distributieriem vervangen (130-150-180 MultiJet 2-versies)(6)
Distributieriem vervangen (115 MultiJet 2-versies)(7)
Luchtfilterelement vervangen (8)●●●●●
(6) Wordt een maximale kilometerstand van 192.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koud
klimaat, gebruik in de stad, langdurig stationair draaien) om de 4 jaar worden vervangen of in elk geval om de 5 jaar.
(7) Wordt een maximale kilometerstand van 144.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koud
klimaat, gebruik in de stad, langdurig stationair draaien) om de 4 jaar worden vervangen of in elk geval om de 5 jaar.
(8) Als het voertuig is uitgerust met een luchtfilter speciaal voor stoffige gebieden: het filter om de 20.000 km controleren en reinigen, het filter elke 40.000 km
vervangen of het luchtfilter vervangen zodra de indicatie "verstopt filter" verschijnt.
196
ONDERHOUD EN ZORG
Page 199 of 308

km x 1000 48 96 144 192 240
Jaren 2 4 6 8 10
Motorolie verversen en oliefilter vervangen(9)
Remvloeistof verversen(10)
Interieurfilter vervangen●●●●●
(9) Het werkelijke interval voor de vervanging van de motorolie en het oliefilter is afhankelijk van de gebruikscondities van de auto en wordt aangegeven met een
brandend lampje of een bericht (indien aanwezig) op het instrumentenpaneel (zie paragraaf "Lampjes en berichten") en mag nooit meer dan 24 maanden
bedragen. Als het voertuig overwegend in stadsverkeer gebruikt wordt, dan moeten de motorolie en het oliefilter elke 12 maanden vervangen worden.
(10) De remvloeistof moet iedere twee jaar worden vervangen, ongeacht de kilometerstand.
197
Page 201 of 308

km x 1000 40 80 120 160 200
Jaren246810
De spanning controleren van aandrijfriem van hulporganen (uitvoeringen
zonder automatische riemspanner)●●
Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen●●●●●
Uitlaatgasemissie controleren●●●●●
Werking van motormanagementsystemen controleren (met gebruik van
diagnose-aansluiting)●●●●●
De reiniging van onderste rails zijschuifdeuren controleren bij uitvoeringen
met zijschuifdeuren. (of iedere 6 maanden)●●●●●
Bougie vervangen●●●●●
Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen●
Luchtfilterelement vervangen (1)●●●●●
Motorolie verversen en oliefilter vervangen (2)●●●●●
Remvloeistof verversen(3)
Interieurfilter vervangen●●●●●
Controleer visueel de conditie van de methaanproductie in de buizen en
hulpstukken, methaan tank bevestiging voor mogelijk
herstelwerkzaamheden.●●●●●
Controleer de drukregelaar en vervang, indien nodig, het binnenfilter●●●●●
(1) Als het voertuig is uitgerust met een speciaal luchtfilter voor stoffige omgevingen: - elke 20.000 km het filter controleren en reinigen
(2) Als het voertuig jaarlijks minder dan 10.000 km rijdt, moeten de motorolie en het filter iedere 12 maanden vervangen worden.
(3) De remvloeistof moet iedere twee jaar worden vervangen, ongeacht de kilometerstand.
199
Page 203 of 308

NIVEAUS CONTROLEREN.
2.0 115 Multijet 2 versies
A. Motorolievulopening – B. Motoroliepeilstok – C. Motorkoelvloeistof – D. Ruitensproeiervloeistof – E. Remvloeistof – F. Stuurbekrachtigingsvloeistof
181) 182)
49)
185F1A0371
201
Page 204 of 308

2.3 130 Multijet 2 - 130 met AdBlue - 150 Multijet 2 - 180 Multijet 2 Power
versies
A. Motorolievulopening – B. Motoroliepeilstok – C. Motorkoelvloeistof – D. Ruitensproeiervloeistof – E. Remvloeistof – F. Stuurbekrachtigingsvloeistof
181) 182)
49)
186F1A0370
202
ONDERHOUD EN ZORG