werking modus FIAT FULLBACK 2018 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2018, Model line: FULLBACK, Model: FIAT FULLBACK 2018Pages: 332, PDF Size: 10.64 MB
Page 43 of 332

49)Leg nooit een kussen o.i.d. tegen de
rugleuning. Dit kan de werking van de
hoofdsteun negatief beïnvloeden, doordat
de afstand tussen uw hoofd en de
hoofdsteun groter wordt.
50)Als iemand op de middenstoel van de
achterbank zit, stel de hoogte van de
hoofdsteun dan dusdanig af dat deze op
zijn plaats vastklikt fig. 52. Doe dit voordat
u gaat rijden. Anders zou dit in geval van
een botsing kunnen leiden tot ernstig letsel
(dubbele cabine).
51)Zorg ervoor dat de knop voor de
hoogteverstelling (A) correct is afgesteld,
zoals weergegeven op de afbeelding
fig. 56, en beweeg de hoofdsteunen
omhoog om te controleren dat ze niet
losraken van de rugleuning.
52)De vorm en grootte van de hoofdsteun
variëren, afhankelijk van de stoel. Gebruik
altijd de juiste hoofdsteun die bij de stoel
wordt geleverd en monteer de hoofdsteun
niet verkeerd om fig. 57.STUURWIEL
HOOGTE- EN
DIEPTEVERSTELLING
STUURWIEL
(Voertuigen uitgerust met
diepteverstelling)
1. Ontgrendel de hendel, terwijl u het
stuurwiel omhoog houdt.
2. Zet het stuurwiel op de gewenste
stand.
3. Zet het stuurwiel stevig vast door de
hendel helemaal omhoog te trekken.
A. Vergrendeld
B. Ontgrendeld
53) 54) 55)
STUURSLOT
Behalve voor voertuigen uitgerust
met het Keyless Operation-systeemVergrendelen
Verwijder de sleutel in de stand
"LOCK". Draai het stuurwiel tot het
vergrendelt.
Ontgrendelen
Draai de sleutel naar de stand "ACC",
terwijl u het stuurwiel enigszins naar
links en rechts draait.
Voor voertuigen uitgerust met het
Keyless Operation-systeem
Vergrendelen
Als het bestuurdersportier wordt
geopend, terwijl de motorschakelaar en
de bedieningsmodus op "OFF" staan,
wordt het stuurslot geactiveerd.
Opmerking Het stuurwiel gaat op slot
als de volgende handelingen worden
verricht, terwijl de bedieningsmodus op
"OFF" staat.
Open of sluit het bestuurdersportier.
Sluit alle portieren.
58AA0110800
59AHA103808
41
Page 58 of 332

SCHAKELAAR
RUITENWISSER EN
-SPROEIER
De ruitenwissers en -sproeier kunnen
worden bediend met de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" of "ACC".
Als de wisserbladen aan de voorruit
vastgevroren zitten, bedien dan de
ruitenwissers niet totdat het ijs is
gesmolten en de wisserbladen weer vrij
kunnen bewegen, want anders kan de
ruitenwissermotor beschadigen.
63) 64) 65) 66)
Ruitenwissers
(Behalve voor voertuigen uitgerust met
regensensor)
MIST— mistfunctie. De ruitenwissers
worden één keer geactiveerd.
OFF— uit
INT— intermitterend
(snelheidsafhankelijk)LO— langzaam
HI— snel
Intermitterende intervallen afstellen
Als de hendel in de stand "INT"
(snelheidsafhankelijke intermitterende
werking) staat, kunnen de
intermitterende intervallen worden
afgesteld met knop (1).
A — snel
B — langzaam
Opmerking De snelheidsafhankelijke
werking van de ruitenwissers kan
worden uitgeschakeld. Wendt u voor
nadere informatie tot het Fiat
Servicenetwerk.
Mistfunctie
Beweeg de hendel in de richting van de
pijl en laat hem weer los, om de
ruitenwissers één keer te activeren.
Gebruik deze functie als u door mist of
motregen rijdt.Voertuigen uitgerust met
regensensor
MIST— mistfunctie. De ruitenwissers
worden één keer geactiveerd.
OFF— uit
AUTO— automatische bediening van
de ruitenwissers
Regensensor: de ruitenwissers gaan
automatisch aan, afhankelijk van de
vochtigheid op de voorruit.
91AJA104364
92AA0069881
93AG0002332
94AA0068204
56
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG
Page 59 of 332

LO— langzaam
HI— snel
Regensensor
Kan alleen worden gebruikt als de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" staat. Als de
hendel in de stand "AUTO" wordt
gezet, detecteert de regensensor (A) de
hoeveelheid regen (of sneeuw, ander
vocht, stof, enz.) en gaan de
ruitenwissers automatisch aan. Houd
de hendel met een vuile voorruit en bij
droog weer in de stand "OFF". Gebruik
van de ruitenwissers onder deze
omstandigheden kan leiden tot krassen
op de voorruit of beschadiging van de
ruitenwissers.
21)
Opmerking Om de rubberen gedeelten
van de ruitenwissers te beschermen,
verrichten de ruitenwissers deze
handeling zelfs niet als de hendel in destand "AUTO" staat, als het voertuig
stilstaat en de omgevingstemperatuur
ongeveer 0°C of lager is.
Opmerking Dek de sensor niet af door
een sticker of label op de voorruit te
plakken. Breng ook geen
waterafstotend middel aan op uw
voorruit. Hierdoor zou de regensensor
de hoeveelheid regen namelijk niet
kunnen detecteren en werken de
ruitenwissers mogelijk niet naar
behoren.
In de volgende gevallen zou er sprake
kunnen zijn van een storing van de
regensensor. Wendt u voor nadere
informatie tot het Fiat Servicenetwerk:
Als de ruitenwissers in een constant
interval werken, ondanks dat de
hoeveelheid regen verandert.
Als de ruitenwissers niet werken,
ondanks dat het regent.
Opmerking De ruitenwissers kunnen
automatisch worden geactiveerd als er
insecten of vreemde voorwerpen op de
regensensor op de voorruit zitten of als
de voorruit bevroren is. Als er
voorwerpen op de voorruit geplakt
zitten en de ruitenwissers die niet
kunnen verwijderen, stoppen de
ruitenwissers met wissen. Zet de
hendel in de stand "LO" of "HI" om de
ruitenwissers weer te gebruiken. Ook
kunnen de ruitenwissers automatisch
worden ingeschakeld door fel direct
zonlicht of elektromagnetische golven.
Zet de hendel in de stand "OFF" om deruitenwissers uit te schakelen.
Opmerking Raadpleeg het Fiat
Servicenetwerk, als de voorruit wordt
vervangen of het glas rondom de
sensor wordt verstevigd.
De gevoeligheid van de
regensensor aanpassen
Met de hendel in de stand "AUTO"
(regensensor) kan de gevoeligheid van
de regensensor worden afgesteld door
knop (B) te draaien.
+— Gevoeliger voor regen
-— Minder gevoelig voor regen
De volgende functies kunnen worden
geactiveerd:
De automatische werking
(regendruppelgevoelig) kan worden
veranderd in een intermitterende
werking (voertuigsnelheidsafhankelijk).
De automatische werking
(regendruppelgevoelig) kan worden
veranderd in een intermitterende
95AA0117317
96AA0068217
57
Page 60 of 332

werking (behalve
voertuigsnelheidsafhankelijk). Wendt u
voor nadere informatie tot het Fiat
Servicenetwerk.
Mistfunctie
Beweeg de hendel in de richting van de
pijl en laat hem weer los, om de
ruitenwissers één keer te activeren.
Gebruik deze functie als u door mist of
motregen rijdt. Als de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" of "ACC"
staat, werken de ruitenwissers maar
één keer als de hendel naar de stand
"MIST" wordt bewogen en weer wordt
losgelaten. De ruitenwissers werken
constant zolang de hendel in de stand
"MIST" staat.
Als de contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" staat,
werken de wissers eenmaal als de
hendel naar de stand "AUTO" wordtbewogen en de knop (C) in de richting
van de "+" wordt gedraaid.
Ruitensproeier
Als u de hendel naar u toe trekt, wordt
ruitensproeiervloeistof op de voorruit
gesproeid. Terwijl de
ruitensproeiervloeistof op de voorruit
wordt gesproeid, worden de
ruitenwissers verschillende keren
automatisch ingeschakeld. Als het
voertuig is uitgerust met
koplampsproeiers en de koplampen
aanstaan, worden de koplampsproeiers
eenmaal geactiveerd als de
ruitensproeier wordt geactiveerd.Schakelaar koplampsproeiers
De koplampsproeiers kunnen worden
bediend als de bedieningsmodus op
"ON" of "ACC" staat en de
lampschakelaar in de stand
staat.
Druk eenmaal op de knop en de
sproeiervloeistof wordt op de
koplampen gesproeid.
97AG0002332
98AA0075958
99AG0009285
100AHA113797
58
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG
Page 61 of 332

Opmerking Als de contactschakelaar of
de bedieningsmodus op "ON" of "ACC"
staat en de koplampen aan zijn, wordt
de koplampsproeier de eerste keer dat
aan de hendel voor de ruitensproeier
wordt getrokken om de ruitensproeier
te activeren, eenmaal geactiveerd.
Voorzorgsmaatregelen die moeten
worden getroffen bij gebruik van de
ruitenwissers en -sproeiers
Als de beweging van de
ruitenwissers halverwege een slag
wordt geblokkeerd door ijs of andere
aanslag op het glas, kan de werking
van de ruitenwissers tijdelijk gestaakt
worden om te voorkomen dat de motor
oververhit raakt. Zet in dit geval het
voertuig op een veilige plaats stil, zet de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "OFF" en
verwijder het ijs of de andere aanslag.
Controleer de ruitenwissers voordat ze
weer gebruikt worden, aangezien de
ruitenwissers weer gaan werken, zodra
de motor van de ruitenwissers is
afgekoeld.
Gebruik de ruitenwissers niet als de
ruit droog is. Hierdoor kan het
glasoppervlak krassen oplopen en
kunnen de wisserbladen vroegtijdig
slijten.
Controleer voordat u de ruitenwissers
bij koud weer gebruikt, of de
wisserbladen niet aan het glasvastgevroren zitten. Als de ruitenwissers
gebruikt worden terwijl de wisserbladen
aan het glas vastgevroren zitten, kan de
motor doorbranden.
Probeer de ruitensproeier niet langer
dan 20 seconden onafgebroken te
gebruiken. Schakel de ruitensproeier
niet in als het vloeistofreservoir leeg is.
Hierdoor kan de motor doorbranden.
Controleer regelmatig het peil van de
ruitensproeiervloeistof in het reservoir
en vul indien nodig bij.
Voeg bij koud weer een aanbevolen
sproeieroplossing toe, waardoor de
ruitensproeiervloeistof in het reservoir
niet bevriest. Doet u dit niet dan kan de
ruitensproeier stoppen met werken en
kunnen de onderdelen van het systeem
beschadigen.
BELANGRIJK
63)Gebruik de ruitenwisser niet om
opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit
te verwijderen. Onder dergelijke
omstandigheden wordt bij overbelasting
van de ruitenwisser de beveiliging
ingeschakeld, waardoor de ruitenwisser
enkele seconden wordt uitgeschakeld. Als
hierna de ruitenwissers niet meer werken,
neem dan contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
64)Eventuele waterstrepen kunnen de
ruitenwissers onnodig doen inschakelen.65)Als de ruitensproeier bij koud weer
gebruikt wordt, kan de
ruitensproeiervloeistof die tegen de ruit
wordt gesproeid, bevriezen en het zicht
belemmeren. Verwarm de ruit met de
achterruitverwarming voordat de
ruitensproeiers worden gebruikt.
66)Met de contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" en de hendel in
de stand "AUTO", kunnen de ruitenwissers
in de onderstaande situaties automatisch
worden geactiveerd. Als uw handen
bekneld raken, kan dit leiden tot letsel of
defecte ruitenwissers. Zorg ervoor dat de
contactschakelaar in de stand "LOCK"
staat of zet de bedieningsmodus op "OFF",
of zet de hendel in de stand "OFF" om de
regensensor uit te schakelen: als het
buitenoppervlak van de voorruit wordt
gereinigd, en u de regensensor raakt of
met een doek reinigt; als u een
automatische wasstraat gebruikt; als een
fysieke schok op de voorruit of op de
regensensor plaats heeft.
BELANGRIJK
21)Schakel de regensensor nooit in tijdens
een schoonmaakbeurt in een wastunnel.
59
Page 62 of 332

AIRCONDITIONINGS-
SYSTEEM
Luchtroosters
1 — Middenrooster
2 — Zijrooster
Opmerking Plaats geen dranken op het
instrumentenpaneel. Als spetters in de
ventilatoren van de airconditioning
terechtkomen, kan het systeem
beschadigen.
Afstellingen van de luchtstroom en
stroomrichting
Middenroosters
Beweeg de knop (1) om de
luchtstroomrichting af te stellen.
Beweeg de knop (1) zover mogelijk
naar binnen om het luchtrooster te
sluiten.A — dicht
B — open
Zijroosters
Beweeg de knop (1) om de
luchtstroomrichting af te stellen.
Beweeg de knop (1) zover mogelijk
naar buiten om het luchtrooster te
sluiten.
A — dicht
B — openOpmerking Op voertuigen met
airconditioning zou de koele lucht als
damp uit de luchtroosters kunnen
komen. Dat komt doordat vochtige
lucht plotseling wordt gekoeld door de
airconditioning. Dit trekt even later weer
weg.
Opmerking Mors geen dranken, enz. in
de luchtroosters. Dit zou nadelige
gevolgen kunnen hebben voor de
werking van de airconditioning.
Modusselectie
In de volgende afbeeldingen worden de
verschillende hoeveelheden lucht
weergegeven die uit de luchtroosters
komen.
101AHA106492
102AHA101468
103AHA101471
60
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG
Page 74 of 332

Bediening van het systeem in de
automatische modus
Gebruik het systeem onder normale
omstandigheden in de automatische
modus en volg de volgende
procedures:
1. Druk op de AUTO-schakelaar.
2. Zet de
temperatuurregelingsschakelaar op de
gewenste temperatuur.
De aan-/uitstatus van de
modusselectie, regeling van de
ventilatorsnelheid, selectie van
gerecirculeerde/buitenlucht,
temperatuurregeling en airconditioning
worden allemaal automatisch geregeld.
Opmerking
Als de
ventilatorsnelheidsschakelaar,
airconditioningsschakelaar,
modusschakelaar of
luchtselectieschakelaar wordt bediend,
terwijl het systeem in de automatische
modus staat, krijgt de geactiveerde functie
prioriteit over de desbetreffende functie
van de automatische regeling. Alle andere
functies blijven automatisch geregeld.
Bediening van het systeem in de
handmatige modus
De ventilatorsnelheid en -modus
kunnen handmatig worden geregeld
door de ventilatorsnelheidsschakelaar
en de MODE-schakelaar op de
gewenste stand te zetten. Druk op de
AUTO-schakelaar om de automatische
werking weer in te schakelen.Ontwasemen van de voor- en
portierruiten
67)
Normaal ontwasemen
1. Zet de luchtselectieschakelaar op de
buitenstand.
2. Zet de MODE-schakelaar op de
stand
.
3. Selecteer de gewenste
ventilatorsnelheid door deventilatorsnelheidsschakelaar in te
drukken.
4. Kies de gewenste temperatuur door
op de temperatuurregelingsschakelaar
te drukken.
5. Druk op de
airconditioningsschakelaar.
Snel ontwasemen
1. Druk op de
achterruitverwarmingsschakelaar om
over te schakelen naar de stand
.
135AH3100199
136AH3100203
72
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG
Page 77 of 332

ingedrukt. Als de instelling wordt
gewijzigd van ingeschakeld naar
uitgeschakeld, worden
3 geluidssignalen afgegeven en gaat
het indicatielampje 3 keer knipperen.
Als de instelling wordt gewijzigd van
uitgeschakeld naar ingeschakeld,
worden 2 geluidssignalen afgegeven en
gaat het indicatielampje 3 keer
knipperen.
Opmerking De fabrieksinstelling is
"Automatische achterruitverwarming
uitgeschakeld".
BELANGRIJK
67)Zorg er in verband met de veiligheid
voor dat u goed zicht door alle ruiten hebt.
68)Door langdurig gebruik van de
recirculatiestand kunnen de ruiten beslaan.
BELANGRIJK
22)De motorsnelheid kan toenemen
wanneer de airconditioning in werking is.
Met een toegenomen motorsnelheid zal
een voertuig met automatische
versnellingsbak in grotere mate wegrollen
dan met een lagere motorsnelheid. Trap het
rempedaal volledig in om te voorkomen dat
het voertuig wegrolt.23)Tijdens gebruik van de airconditioning
kan het stationaire toerental enigszins
toenemen, doordat de aircocompressor
automatisch aan/uit wordt geschakeld.
Trap het rempedaal van stationair
draaiende voertuigen met een
automatische versnellingsbak volledig in,
om te voorkomen dat het voertuig naar
voren rolt.
24)Zet de luchtselectieschakelaar op
buitenlucht, als de
modusselectieschakelaar tussen de
standen
enstaat, om te voorkomen
dat de ruiten beslaan (raadpleeg
"Luchtselectieschakelaar").
25)Door langdurig gebruik van de stand
(recirculatie) kunnen de ruiten
beslaan.
26)Zet de luchtselectieschakelaar op de
stand
(recirculatie) en draai de
temperatuurregelingsschakelaar volledig
naar rechts, als de buitenlucht stoffig of
anderszins verontreinigd is of een hoge
koeling vereist is. Schakel regelmatig naar
de stand
(buiten) voor meer ventilatie,
zodat de ruiten niet beslaan.
BELANGRIJK
2)Het systeem gebruikt een koelmiddel dat
compatibel is met de wetten die van kracht
zijn in de landen waar het voertuig wordt
verkocht, R134a (aangeduid op een
specifiek plaatje in de motorruimte). Het
gebruik van andere koelmiddelen heeft
invloed op de efficiency en de conditie van
het systeem. Ook de
compressorkoelmiddelen moeten
compatibel zijn met het aangeduide
koelmiddel.
75
Page 113 of 332

Waarschuwingslampjes Wat het betekent
Waarschuwingslampje oliedruk
Dit lampje gaat branden, als de contactschakelaar of de bedieningsmodus op "ON" wordt gezet en gaat
uit als de motor is gestart. Als het lampje gaat branden terwijl de motor draait, is de oliedruk te laag. Zet
de motor af en laat hem nakijken, als het lampje gaat branden terwijl de motor draait.
Het waarschuwingslampje van de oliedruk dient niet te worden behandeld als een aanduiding van het
motoroliepeil. Het oliepeil moet worden gecontroleerd met een peilstok.
59) 60) 61)
Waarschuwingslampje portier open
Dit lampje gaat branden als een portier openstaat of niet goed is gesloten.
Als het voertuig met openstaand of niet goed gesloten portier een snelheid behaalt van ongeveer
8 km/u, gaat de zoemer 4 keer af als waarschuwing.
62)
Waarschuwingslampje peil ruitensproeiervloeistof
Dit lampje gaat branden wanneer het vloeistofpeil te laag is. Vul het reservoir bij met
ruitensproeiervloeistof, als het lampje gaat branden. Zie “ruitensproeiervloeistof” en “bijvulcapaciteiten”.
Waarschuwingslampje aanvullend veiligheidssysteem (SRS)
Op het instrumentenpaneel zit een waarschuwingslampje van een aanvullend veiligheidssysteem
("SRS"). Iedere keer dat de contactschakelaar of de bedieningsmodus op "ON" wordt gezet, controleert
het systeem zichzelf. Het SRS-waarschuwingslampje gaat een aantal seconden aan en gaat vervolgens
weer uit. Dat is normaal en betekent dat het systeem naar behoren werkt.
Als zich een probleem met een of meerdere SRS-componenten voordoet, gaat het
waarschuwingslampje aan en blijft aan.
Het SRS-waarschuwingslampje wordt gebruikt voor de SRS-airbag en de gordelspanners.
Op voertuigen uitgerust met de ERA-GLONASS, als het ERA-GLONASS systeem in werking is, gaat het
SRS lampje branden.
63) 64)
111
Page 114 of 332

Waarschuwingslampjes Wat het betekent
ABS-waarschuwingslampje (waar aanwezig)
Als er een storing in het systeem is, gaat het ABS-waarschuwingslampje branden. Onder normale
omstandigheden gaat het ABS-waarschuwingslampje branden, als de contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" wordt gezet en gaat het na een paar seconden weer uit.
OPMERKING: Op voertuigen met een differentieelslot aan de achterkant en de elektronische
stabiliteitscontrole (ESC), worden de ESC- en ABS-functies geannuleerd zolang het achterste
differentieelslot is ingeschakeld. Het indicatielampje ESC, het indicatielampje ESC OFF en het
waarschuwingslampje ABS branden zolang de werking is geannuleerd. Dit duidt niet op een probleem.
Als het achterste differentieelslot is uitgeschakeld, gaan de lampjes uit en treden de systemen weer in
werking. Raadpleeg "Indicatielampje ESC, Indicatielampje ESC OFF".
Als alleen het ABS-waarschuwingslampje brandt:
Vermijd hard remmen en rijden met hoge snelheid. Zet het voertuig op een veilige plek stil.
Herstart de motor en controleer of het lampje na een paar minuten rijden uitgaat; als het tijdens het
rijden uitblijft, is er geen probleem.
Als het waarschuwingslampje echter niet uitgaat, of als het weer aangaat zodra met het voertuig wordt
gereden, raden we u aan het voertuig zo snel mogelijk na te laten kijken.
Als het ABS-waarschuwingslampje en het waarschuwingslampje van de remmen tegelijkertijd gaan
branden:
Werken het ABS en de remkrachtverdeling mogelijk niet, waardoor hard remmen het voertuig instabiel
zou kunnen maken.
Vermijd hard remmen en rijden met hoge snelheid.
Zet het voertuig op een veilige plek stil en laat het nakijken.
65) 66)
112
KENNISMAKING MET HET INSTRUMENTENPANEEL