ESP Hyundai Azera 2011 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2011, Model line: Azera, Model: Hyundai Azera 2011Pages: 304, PDF Size: 33.4 MB
Page 185 of 304

1
BIJZONDERHEDEN VAN UW HYUNDAI
173
N.B. VOOR GEBRUIK VAN iPod
o Sommige iPod-modellen ondersteunen het communicatieprotocol mogelijkniet waardoor de bestanden niet afgespeeld kunnen worden. (Ondersteunde iPod-modellen:mini, 4G, photo, nano, 5G.)
o De zoekvolgorde of de
afspeelvolgorde vanmuziekstukken kan bij de iPod verschillen van die van het audiosysteem.
o Reset de iPod als deze tijdens het gebruik vastloopt. (Resetten:Raadpleeg de handleiding van deiPod.)
o Wanneer de batterijen zwak zijn,
werkt de iPod mogelijk niet goed.
! LET OP BIJ GEBRUIK
VAN iPod
o U hebt een apart voedingskabeltje nodig voor de iPod om de iPod via de toetsen van het audiosysteem te bedienen. Aansluiting via een standaard iPodUSB-kabel wordt niet ondersteund, dus gebruik deze niet met het audiosysteem van de auto.
o Wanneer u het apparaat via een iPod-kabeltje aansluit, moet u deplug volledig insteken omstoringen in de communicatie te voorkomen.
o Wanneer u de geluidseffecten van
de iPod en het audiosysteemaanpast, zullen de effecten van beide apparaten elkaar overlappenen kan de geluidskwaliteit afnemen of verstoord raken.
o Schakel de equalizerfunctie van
de iPod uit wanneer u degeluidssterkte van het audiosysteem aanpast en zet deequalizer van het audiosysteem uit wanneer u die van de iPod gebruikt.
o Wanneer alleen het iPod-kabeltjeis aangesloten, kan het systeem in de stand AUX worden gezet enruis veroorzaken. Neem het iPod- kabeltje los wanneer u de iPod niet langer gebruikt.
o Haal het iPod-kabeltje los van de iPod wanneer u de iPod niet methet audiosysteem van de autogebruikt. Als u dit niet doet, blijft de iPod mogelijk in de accessoire- modus en werkt mogelijk niet goed.
Page 186 of 304

2
Uitlaatgassen kunnen gevaarlijk zijn! ........................... 2-2
Alvorens de motor te starten ........................................ 2-3Sleutelstanden .............................................................. 2-4
Het starten van de motor .............................................. 2-5
Automatische transmissie ............................................ 2-7
Antiblokkeersysteem (ABS) ... .....................................2-12
Elektronische stabiliteitsregeling (ESP ) .......................2-13
Parkeerhulp .......................................... ....................... 2-15
Opmerkingen met betrekking tot de remmen ............... 2-17
Economisch rijden ....................................................... 2-18
Bochite n ....................................................................... 2-19
Rijden onder winterse omstandigheden ....................... 2-20
Het rijden met hoge snelheden ....................................2-22
Rijden met een aanhanger of slepen ...........................2-23
HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
2
Page 188 of 304

2
HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
3START-/CONTACTSLOT MET STUURSLOTALVORENS DE MOTOR TE STARTEN
C020A03O-GXT Voer alvorens de motor te starten altijd de volgende controles uit:
1. Controleer de wagen op lekke banden, olie- of koelvloeistoflekkage of andere tekenen van mogelijke problemen.
2. Controleer of alle ruiten en lampen schoon zijn.
3. Controleer na het instappen of de handrem is aangetrokken.
4. Controleer de stand van de
achteruitkijkspiegel en debuitenspiegels en controleer of ze schoon zijn.
5. Controleer of de stoel, rugleuning en hoofdsteun in de juiste stand staan.
6. Controleer of alle portieren gesloten
zijn.
7. Gesp uw veiligheidsgordel om en controleer of alle inzittenden de veiligheidsgordel hebben omgegespt.
8. Schakel verlichting en accessoires uit die niet benodigd zijn.
9. Controleer met de contactsleutel in de stand "ON" of de betreffende controlelampen branden en of er voldoende brandstof in de tankaanwezig is. C030A01TG-GXT De motor starten
o Plaats de keuzehandel in de stand
"P" (parkeren) en trap het rempedaal geheel in.
o Draai de contactsleutel in de stand
"START" en laat hem los zodra demotor aanslaat. Bedien de startmotor niet langer dan 15 seconden achtereen.
N.B.: Om veiligheidsredenen kan de mo- tor alleen worden gestart als dekeuzehandel in de stand "P" of "N" staat.
!WAARSCHUWING: (Aleen Dieselmotor)
Om zorg te dragen voor voldoende vacuum voor de rembekrachtiging bij een koude start, is het noodzakelijkde motor na het starten even stationair te laten lopen.
!WAARSCHUWING
o Zorg altijd voor degelijk schoeisel tijdens het rijden met de auto. Het wordt afgeraden schoenen tedragen met hoge hakken of schoenen met een groot loopoppervlak zoals "moon" en"snowboots" om te voorkomen dat de pendalen niet goed bediend kunnen worden.
o Zorg altijd Wanneer u de auto wilt parkeren of stilzetten terwijl demotor draait, zorg er dan voor datu het gaspedaal niet gedurende langere tijd ingetrapt houdt. Anders kan de motor of hetuitlaatsysteem oververhit raken en brand ontstaan.
Page 191 of 304

2HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
6
C050B02TG-GXT Normale Startprocedure:
1. Breng de contactsleutel aan en gespde veiligheidsgordel om.
2. Trap het rempedaal geheel in en plaats de keuzehandel in de stand "P" (parkeren).
3. Controleer of de controlelampen en de instrumenten goed werken nadatde contactsleutel in de stand "ON"is gedraaid.
4. Draai, bij voertuigen met een
controlelamp voor het voorgloeien,de contactsleutel in de stand "ON". Eerst zal de controlelamp oplichten en daarna doven, hetgeen betekentdat het voorgloeien heeft plaatsgevonden en de motor kan worden gestart.
Gele lamp "OFF"
Gele lamp "ON"
C050B01HP
N.B.: De groene verlichting zal na een bepaalde tijd vanzelf doven. Het voorgloeien wordt dan beëindigd om de accu niet onnodig te belasten.Om de motor te kunnen starten wanneer de groene verlichting reeds is gedoofd, moet de sleutel eerstweer in de stand "LOCK" worden gedraaid en daarna opnieuw in de stand "ON" zodat de gloeibougiesop temperatuur worden gebracht. 5. Draai de contactsleutel in de stand
"START" en laat de sleutel los zodrade motor aanslaat.
Page 198 of 304

2
HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
13
o Op wegen met een ruwe wegdek of
als ze zijn bedekt met grind of sneeuw.
o Bij het rijden met
sneeuwkettingen.
o Op wegen waar kuilen in het wegdek aanwezig zijn of waar dehoogte van het wegdek ongelijkis.
Op deze wegen moet metverminderde snelheid worden gereden. De veiligheidsvoorzieningen van eenauto met ABS(ESP) mogen niet worden uitgeprobeerd bij hoge snelheid of in bochten. Hierdoor kande veiligheid van uzelf of van anderen in gevaar komen.
WAARSCHUWING:
Het ABS(ESP) voorkomt geen ongelukken als gevolg van onjuist en gevaarlijk rijgedrag. Zelfs al is de beheersing van de auto tijdensnoodremmingen verbeterd, toch moet altijd een veilige afstand worden aangehouden. Onder extremewegomstandigheden moet de snelheid altijd worden verminderd. Onder de volgende omstandighedenkan de remweg voor auto's met ABS(ESP) zelfs langer zijn dan voor auto's zonder ABS (ESP).
!
o Indien het antiblokkeersysteem
(elektronische stabiliteitsregeling) in werking treedt, kan in het rempedaal een lichte reactie gevoeld worden, tijdens hetremmen. Ook is een klikkend geluid in het motorcompartiment onder hetrijden waarneembaar. Dit zijn normale verschijnselen ten teken dat uw antiblokkeersysteem(elektronische stabiliteitsregeling) goed functioneert.
ELEKTRONISCHE STABILITEITSREGELING(ESP)
C310A01JM-AXT (Indien gemonteerd) De elektronische stabiliteitsregeling (ESP: Electronic Stability Program)dient voor het stabiel houden van de auto in bochten. Het ESP controleert waar u heen stuurt en waar de auto inwerkelijkheid heengaat. ESP bedient de remmen van de afzonderlijke wielen en regelt hetmotormanagementsysteem, zodat de auto stabiel blijft. B310A01TG-1
Page 199 of 304

2HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
14
C310D01JM-AXT Controle- en waarschuwingslampen De lampen moeten gaan branden als de contactsleutel op "ON" of "START"is gezet. Vervolgens moeten de lampen na drie seconden doven. Laat de auto controleren door eenHyundai dealer als de lampen niet gaan branden of de ESP- of ESP- OFF-lamp niet na 3 seconden uitgaat. Als een storing optreedt tijdens de rit, dan wordt dit aangegeven door eenbrandende ESP-OFF-lamp. Als de ESP-OFF-lamp brandt, parkeer uw auto dan op een veilige plek en zetde motor uit. Start vervolgens de motor opnieuw en controleer of de ESP-OFF-lamp dooft. Als de lamp blijft branden nadat de motor is gestart, laat dan uw auto dooreen Hyundai dealer controleren.
!WAARSCHUWING:
De elektronische stabiliteitsregeling is alleen een hulpmiddel; alle normale voorzorgsmaatregelen bijhet rijden in slecht weer of op een wegdek met weinig grip moeten in acht worden genomen.
C310B01JM-AXT ESP AAN/UIT Als het ESP actief is, dan knippert de ESP-lamp in het instrumentenpaneel. Als de regeling wordt uitgeschakeldm.b.v. de ESP-schakelaar, dan gaat de ESP-OFF-lamp continu branden. Als het ESP is uitgeschakeld, dan kande stabiliteitsregeling niet geactiveerd worden. Pas daarom uw rijstijl aan. Druk voor het inschakelen van deregeling opnieuw de schakelaar in. De ESP-OFF-lamp moet nu doven. N.B.: Het ESP wordt automatisch weer ingeschakeld nadat de motor is uitgezet en opnieuw is gestart.
De elektronische stabiliteitsregeling(ESP) is een elektronisch systeem datde bestuurder helpt bij het onder controle houden van de auto onder kritische omstandigheden.Het is geen vervanging voor een veilige rijstijl. Factoren zoals snelheid, de conditie van de weg en de manierwaarop de bestuurder de auto bestuurt, zijn van invloed op de mate waarin het ESP kan voorkomen dat de controlewordt verloren. Het blijft uw verantwoordelijkheid om met redelijke snelheden te rijden en bochten te nemenen een ruime veiligheidsmarge in acht te nemen.
LET OP:
Als wordt gereden met een afwijkendevelg- of bandenmaat is het mogelijk dat het ESP niet juist werkt. Alsbanden worden vervangen, zorg er dan voor dat deze dezelfde maat hebben als de oude banden.
!
Page 203 of 304

2HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
18
o Laat uw voet niet op het rem-ofkoppelingpedaal rusten. Hierdoor kan het brandstofverbruik toenemen en neemt de slijtage aan deze componenten ook toe. Bovendienkan het remvoeringmateriaal te heet worden waardoor de remmen niet meer optimaal functioneren.
o Houd de bandenspanning op de voorgeschreven waarde. Een tehoge of een te lage bandenspanningheeft onnodige bandenslijtage tot gevolg. Controleer de bandenspanningtenminste éénmaal per maand.
o De wielen moeten goed zijn
uitgelijnd. Het raken vanstoepranden of het te snel rijden over een ongelijkmatig wegdek kan tot gevolg hebben dat de wielen nietmeer correct zijn uitgelijnd. Dit kan o.a. een snellere bandenslijtage tot gevolg hebben evenals een hogerbrandstofverbruik.ECONOMISCH RIJDEN
ZC150A1-AX Als u onderstaande richtlijnen opvolgt maakt u het meest economische gebruik van uw wagen mogelijk:
o Rijd gelijkmatig. Vermijd snel accelereren. Geef gelijkmatig gas tot de gewenste snelheid is bereikten houd deze snelheid zoveel mogelijk constant. Vermijd snel accelereren tussen verkeerslichten.Pas uw snelheid aan de rest van het verkeer aan zodat u niet onnodig hoeft te schakelen. Vermijd zoveelmogelijk druk verkeer. Houd een veilige afstand tot andere voertuigen zodat u niet onnodig hoeft teremmen. Hierdoor vermindert u tevens slijtage aan het remsysteem.
o Vermijd hoge snelheden. Hoe sneller u rijdt, hoe meer brandstof wordtverbruikt. Het rijden met gelijkmatige snelheden, vooral opautosnelwegen, is één van de meest effectieve manieren om het brandstofverbruik te verlagen.
Vermijd dit door uw voet op hetrempedaal te houden wanneer dewagen tot stilstand is gekomen.
o Wees voorzichtig bij het parkeren op
een helling. Trek de handrem aan enplaats de keuzehandel in stand "P" (automatische transmissie) of in de eerste of achteruit versnelling (hand-geschakelde versnellingsbak). Als u de wagen op een helling parkeert, draai dan de voorwielen ineen zodanige stand dat de wagen niet kan wegrollen. Leg zonodig blokken voor of achter de wielen.
o Een aangetrokken handrem kan vastvriezen. Deze kans is aanwezigwanneer zich sneeuw of ijs om of bijde achterremmen heeft opgehoopt of als de remmen nat zijn. Als u denkt dat deze kans aanwezig is,zet de wagen dan tijdelijk op de handrem en zet de versnellingshandel in neutraal resp.bij automatische transmissie in stand "P". Blokkeer de achterwielen zodat de wagen niet kan wegrollen. Zetdaarna de handrem vrij.
Page 205 of 304

2HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
20
ZC170C1-AX Koelvloeistof Het koelsysteem van uw Hyundai is gevuld met ethyleenglycol. Gebruik geen andere koelvloeistof aangezien ethyleenglycol corrosie van hetkoelsysteem tegengaat, uw waterpomp smeert en bevriezing voorkomt. Het systeem moet worden bijgevuldovereenkomstig het onderhoudsoverzicht in hoofdstuk 5. Laat voor de winter de koelvloeistofcontroleren m.b.t. het vriespunt. ZC170D1-AX Accu en accukabels controleren Controleer visueel de accu en de accukabels zoals beschreven in hoofdstuk 6. De staat van de accu kan worden gecontroleerd door uw Hyundaidealer.
ZC170B1-AX Rijden in sneeuw of op ijs Voor het rijden in diepe sneeuw kan het nodig zijn sneeuwbanden ofsneeuwkettingen te gebruiken. Als sneeuwbanden nodig zijn moet worden gekozen voor dezelfde maat en typeals de originele fabrieksbanden. Als dit advies niet wordt opgevolgd kan dat een nadelige invloed op de veiligheiden het rijgedrag tot gevolg hebben. Hoge snelheden, snel accelereren, krachtig afremmen en scherpe bochtenmoeten worden vermeden. Maak tijdens het afremmen zoveel mogelijk gebruik van het remvermogen van demotor. Remmen op sneeuw of ijs heeft tot gevolg dat uw wagen in een slip raakt. Houd voldoende afstand tenopzichte van uw voorliggers. Druk het rempedaal gelijkmatig in. N.B.: Sneeuwkettingen zijn niet altijd wettelijk toegestaan. Raadpleeg de geldende wettelijke bepalingen voorhet monteren van sneeuwkettingen.RIJDEN ONDER WINTERSE OMSTANDIGHEDEN
ZC170A1-AX Strenge, winterse omstandigheden hebben een grotere slijtage en andere problemen tot gevolg. Volg de onderstaande richtlijnen op om de win-ter probleemloos door te komen.
Page 207 of 304

2HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
22HET RIJDEN MET HOGE SNELHEDEN
ZC180A1-AX Controles voor het begin van de rit
1. Banden: Houd de bandenspanning voor het rijden met hoge snelheden aan. Een te lage bandenspanning heeftoververhitting en mogelijke defecten tot gevolg. N.B.: De voorgeschreven bandens pan- ning mag niet worden overschreden.
2. Brandstof, koelvloeistof en
motorolie:
Bij het rijden met hoge snelheden wordt 1,5 maal zoveel brandstof verbruikt. Vergeet niet het koelvloeistof-en hetmotoroliepeil te controleren.
3. V-riem: Een niet goed afgestelde of een beschadigde V-riem kan oververhittingvan de motor tot gevolg hebben.
ZC170J2-AX Voorkom opeenhoping van sneeuw en ijs aan de onderzijdevan de wagen. Onder sommige weersomstandigheden kunnen sneeuw-en ijsklompen onder despatschermen de besturing bemoeilijken. Controleer bij strenge winterse omstandigheden regelmatigde onderzijde van uw wagen of de voorwielen vrij kunnen bewegen en de componenten van de stuurinrichtingniet worden geblokkeerd. ZC170K1-AX Nooduitrusting Zorg, afhankelijk van de weersomstandigheden, voor een geschikte nooduitrusting. Dit zijn o.a. sneeuwkettingen, een sleepkabelhandlantaarn, zand, een schep, hulpstartkabels, een ijskrabber, handschoenen, een deken etc.
ZC170I1-AX Voorkom bevriezing van de handrem Onder sommige omstandigheden kan een aangetrokken handrem bevriezen.Bijvoorbeeld bij een opeenhoping van sneeuw of ijs rond of bij de achterremmen of als de remmen natzijn. Als de kans op bevriezing bestaat, trek de handrem dan tijdelijk aan, zet de versnellingshandel in de eerste ofachteruit versnelling of de keuzehandel in stand "P". Blokkeer de achterwielen zodat de wagen niet weg kan rollen.Zet hierna de handrem vrij.
Page 223 of 304

3IN GEVAL VAN PECH
10ALS UW AUTO MOET WORDEN GESLEEPT
D080A01O-GXT Als uw auto moet worden gesleept, laat dit dan doen door uw Hyundai dealer of door een gespecialiseerde autosleepdienst. Zo voorkomt u datuw auto beschadigd raakt tijdens het slepen. Bovendien zijn professionele sleepdiensten op de hoogte van deplaatselijke regels ten aanzien van slepen. In ieder geval is het belangrijk dat u deze informatie overhandigt aande chauffeur van de sleepwagen, om schade aan uw auto te voorkomen. Er moet een systeem metveiligheidskettingen worden gebruikt, en alle plaatselijke wetten moeten in acht worden genomen.Het verdient aanbeveling dat uw auto wordt gesleept met een wiellift en verrijdbare plateaus of op een auto-ambulance met alle wielen van de grond.
SD070K1-FX NADAT EEN WIEL IS VERWISSELD Breng altijd de ventieldop aan nadat u de bandenspanning heeft gecontroleerd ofgewijzigd. Als de dop niet wordt aangebracht kan de kern van het ventiel door vuil of vocht beschadigen waardoorde band langzaam spanning verliest. Raakt u een ventieldop kwijt, vervang hem dan zo snel mogelijk.Controleer altijd of de lekke band correct in de kofferruimte is aangebracht en berg de krik en de gereedschappen op.
Breng vervolgens de wielmoersleutel aan zoals in de afbeelding is te zien en zet de wielmoeren vast. Let er op datde dop van de wielmoersleutel goed op de moer zit. Zet de wielmoeren kruislings vast en controleer nogmaalsof ze goed zijn aangetrokken. Laat na het verwisselen van een wiel de wielmoeren zo snel mogelijk met het juiste aantrekkoppel natrekken. Aantrekkoppel wielmoeren Stalen velgen en lichtmetalen velgen 9- 11 mkg.
OTG060103