dashboard Hyundai Santa Fe 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2017, Model line: Santa Fe, Model: Hyundai Santa Fe 2017Pages: 735, PDF Size: 15.3 MB
Page 96 of 735

Veiligheidssysteem van uw auto
74
3
(Vervolg)
• Als uw auto in te diep water
terechtgekomen is, waardoor de vloerbedekking doorweekt is ofer water op de bodemplaats
staat, probeer dan niet uw auto te
starten; we adviseren u contactop te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.(Vervolg)
• Als de airbags geactiveerd zijn,adviseren we u het systeem te
laten vervangen door een
officiële HYUNDAI-dealer.
• Stel de onderdelen van het airbagsysteem niet bloot aan
schokken en neem de bedrading
van het airbagsysteem ook niet
los. Als u dat wel doet kunt u
letsel oplopen omdat de airbags
onverwacht geactiveerd kunnen
worden of juist niet geactiveerd
worden wanneer dat wel nodig is.
• Als onderdelen van het airbagsysteem moeten worden
afgevoerd of als de auto in zijn
geheel moet worden afgevoerd,
moeten bepaalde voorzorgs-
maatregelen met betrekking tot
de veiligheid in acht worden
genomen. Een officiële HYUNDAI-
dealer kent deze voorzorgsmaat-
regelen en kan u de benodigde
informatie verstrekken. Het niet
opvolgen van deze voorzorgs-
maatregelen en procedures
vergroot de kans op persoonlijkletsel.
(Vervolg)WAARSCHUWING
• Modificaties aan onderdelen van het aanvullend veiligheidssys-
teem of de bedrading, inclusief
het aanbrengen van stickers, enz.op afdekkappen of modificaties
aan de carrosseriestructuur
kunnen ertoe leiden dat hetsysteem niet goed werkt,
waardoor letsel kan ontstaan.
• Reinig de afdekkappen van de airbags alleen met een zachte,
droge doek of met een doek die
bevochtigd is met schoon water.
Oplos- en reinigingsmiddelen
kunnen het materiaal van deafdekkappen aantasten en de
werking van het systeem in
negatieve zin beïnvloeden.
• Er mogen geen objecten op of in de buurt van de airbags in het
stuurwiel, op het instrumenten-
paneel of op het dashboard-
paneel boven het dashboard-
kastje worden geplaatst omdat
dergelijke voorwerpen letsel
kunnen veroorzaken als de
airbags bij een aanrijding
geactiveerd worden.
(Vervolg)
Page 105 of 735

• Airconditioning 3e
zitrij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-190
• Werking systeem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-191
• Interieurfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-193
• Sticker koudemiddel airconditioning . . . . . . . . . . . 4-194
• Hoeveelheid koudemiddel en compressorolie controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-195
Ontwasemen en ontdooien voorruit . . . . . . . . . . 4-196 • Handmatig bediend verwarmings- en ventilatiesysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-196
• Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem . . 4-197
Schone lucht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-199
Opbergvak. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-200 • Opbergvak middenconsole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-200
• Dashboardkastje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-200
• Koelbox . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-201
• Multifunctioneel vak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-202
• Opbergvak voor zonnebril . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-202
• Opbergvak bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-203
Overige voorzieningen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-204 • Aansteker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-204
• Asbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-204 • Bekerhouder. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-205
• Flessenhouder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-206
• Zonneklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-206
• 12V-aansluiting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-207
• AC-omvormer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-208
• Aux-, USB- en iPod
®
-aansluiting . . . . . . . . . . . . . . . 4-210
• Jashaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-210
• Bevestigingspunt(en) vloermat . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-211
• Bagagenethouder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-212
• Rolhoes bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-212
• Rolgordijn opzij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-214
Exterieur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-215 • Roof rack . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-215
Audiosysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-217 • Antenne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4-217
• Toetsen afstandsbediening audiosysteem . . . . . . . . 4-218
4
Page 106 of 735

45
Kenmerken van uw auto
Noteer het sleutelnummerHet sleutelnummer is
ingeslagen of gedrukt inhet plaatje met desleutelcode aan uw set
sleutels.
Als u uw sleutels verloren bent,
adviseren we u contact op te nemen met
een officiële HYUNDAI-dealer. Verwijder
het plaatje met de sleutelcode en bewaar
dit op een veilige plaats. Noteer
daarnaast het nummer en bewaar dit op
een veilige plaats buiten de auto. Sleutelfuncties
• Wordt gebruikt om de motor te starten.
• Wordt gebruikt om de portieren te
vergrendelen en ontgrendelen.
• Wordt gebruikt om het dashboardkastje te vergrendelen en
ontgrendelen.
SLEUTELS
WAARSCHUWING
Gebruik uitsluitend een originele
HYUNDAI-contactsleutel in uw
auto. Als er een imitatiesleutel
wordt gebruikt, kan het gebeurendat het contactslot na het aanslaan
van de motor niet van stand START
naar stand ON terugkeert. Hierdoor
blijft de startmotor continu draaien
en kan er schade ontstaan aan de
startmotor. Tevens kan er brand
ontstaan als gevolg van over
-verhitting in de bedrading.
WAARSCHUWING - Contactsleutel (Smart Key)
Kinderen alleen in de auto
achterlaten met de contactsleutel
(Smart Key) in de auto is gevaarlijk,
zelfs wanneer de sleutel niet in hetcontact steekt of wanneer de
startknop niet in stand ACC of ONstaat.
Kinderen doen graag volwassenen na en zouden de sleutel in hetcontact kunnen steken of op de
startknop kunnen drukken.
Met de contactsleutel (Smart Key)
is het mogelijk voor kinderen om de
elektrisch bedienbare ruiten teopenen of andere
bedieningsorganen in werking te
stellen. Het is zelfs mogelijk dat ze
de auto in beweging weten te
zetten. Dit kan ernstig lichamelijk
letsel tot gevolg hebben.
Laat kinderen nooit zonder toezicht
achter met de sleutels in de autoterwijl de motor draait.
Page 169 of 735

Kenmerken van uw auto
68
4
Bediening instrumentenpaneelRegelen dashboardverlichting
(indien van toepassing)
De intensiteit van de
dashboardverlichting kan worden
veranderd door de regelknop naar rechts
of links te bewegen als het contact of de
toets ENGINE START/STOP in de stand
ON staat of als de verlichting is
ingeschakeld. • Er zijn 20 standen voor de
lichtintensiteit: 1 (MIN) ~ 20 (MAX)
• Wanneer u de regelknop van de dashboardverlichting naar rechts (+) of
naar links (-) gedraaid houdt, wordt de
lichtintensiteit traploos geregeld.
• Als de lichtintensiteit het maximale of minimale niveau bereikt, klinkt eengeluidssignaal.
ODM042056
WAARSCHUWING
Stel het instrumentenpaneel nooit
af tijdens het rijden. Hierdoor kunt
u de controle over de auto verliezen
waardoor een ongeluk met ernstig
letsel of schade het gevolg kan zijn.
ODM046621L/ODM046620L
■
Type A
■Type B
Page 248 of 735

4 147
Kenmerken van uw auto
Bediening verlichting
De lichtschakelaar heeft een stand voor
het dimlicht en het parkeerlicht.
Draai, om de verlichting te bedienen, de
knop op het uiteinde van de
combischakelaar naar een van de
volgende standen:(1) Stand UIT
(2) Stand automatische verlichting
(indien van toepassing)
(3) Stand parkeerlicht(4) Stand dimlichtStand parkeerlicht ( )
Als de lichtschakelaar in de stand
parkeerlicht staat, branden de
achterlichten, het parkeerlicht, de
kentekenplaatverlichting en de
dashboardverlichting.
ODMECO2004
ODMECO2005
■
Type A
■ Type B
ODMECO2006
ODMECO2007
■
Type C
■ Type D
ODMECO2008
ODMECO2009
■
Type A
■ Type B
Page 249 of 735

Kenmerken van uw auto
148
4
Stand dimlicht ( )
Als de lichtschakelaar in de stand
dimlicht staat, branden de koplampen, de
achterlichten, het parkeerlicht, de
kentekenplaatverlichting en de
dashboardverlichting.
✽AANWIJZING
Om de verlichting in te kunnen
schakelen moet het contact in stand ON
staan.Stand automatisch/AFLS (indien van toepassing)
Als de lichtschakelaar in stand AUTO
staat, worden de achterlichten en
koplampen automatisch in- of
uitgeschakeld, afhankelijk van hoe
donker het buiten is.
Als uw auto is uitgerust met adaptieve
verlichting voor (AFLS), werkt dit
systeem ook als de schakelaar voor de
koplampen in de stand Auto staan.
ODMECO2010
ODMECO2011
■
Type A
■ Type B
ODMECO2012
Page 250 of 735

4 149
Kenmerken van uw auto
Wisselen tussen links en rechts
rijdend verkeer (Europa)
Gebruik deze functie wanneer u naar
een land gaat waar het verkeer aan de
andere kant van de weg rijdt. Als de
functie voor het wisselen tussen links en
rechts rijdend verkeer is ingeschakeld, is
in een land waar het verkeer aan de
andere kant van de weg rijdt de kans
kleiner dat tegemoetkomend verkeer
wordt verblind.
Volg onderstaande procedure.✽AANWIJZING
Als de motor wordt uitgeschakeld
terwijl de functie voor het wisselen
tussen links en rechts rijdend verkeer is
ingeschakeld en de motor weer wordt
gestart, verschijnt de bovenstaande
melding. Zo wordt de bestuurder
geïnformeerd dat de functie is
ingeschakeld.OPMERKING
• Bedek de sensor (1) op het dashboard nooit, zodat eenoptimale werking van de automa-tische verlichting gegarandeerd
blijft.
• Reinig de sensor niet met een ruitenreiniger. Deze laat eendunne laag achter op de sensor,waardoor deze niet meer goed
werkt.
• Als de voorruit van uw auto getint glas heeft of is voorzien van eencoating, functioneert de automa-tische verlichting mogelijk niet
goed.
ODM056090/ODM056091
■ Type A■Type B
Page 254 of 735

4 153
Kenmerken van uw auto
Richtingaanwijzers
Om de richtingaanwijzers te laten
werken, moet het contact in stand ON
staan. Beweeg de combischakelaaromhoog of omlaag (A) om de
richtingaanwijzers in te schakelen. De
groene, pijlvormige controlelampjes op
het instrumentenpaneel geven aan welke
richtingaanwijzer in werking is. Na het
nemen van de bocht, worden de lampjes
automatisch uitgeschakeld. Zet de
combischakelaar handmatig terug in de
middenstand als de richtingaanwijzers
na een bocht blijven knipperen.Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk
naar beneden of naar boven en houd
hem vast (B) om een wisseling van
rijstrook aan te geven. Als u de
combischakelaar loslaat, keert deze
weer terug naar zijn oorspronkelijke
positie.
Wanneer een controlelampje blijft
branden, niet knippert of abnormaal
knippert, kunnen één of meer lampen
doorgebrand zijn en dienen deze
vervangen te worden.
ODMECO2026
WAARSCHUWING
• Plaats geen accessoires of stickers op de voorruit en tint
deze niet.
• Laat de voorruit vervangen door een officiële dealer.
• Verwijder geen onderdelen die bij de High Beam Assist horen en
beschadig deze niet.
• Zorg ervoor dat er geen water in de High Beam Assist-unit
terechtkomt.
• Plaats geen voorwerpen op het dashboard die licht reflecteren,
zoals spiegels, wit papier, enz.
Het systeem werkt mogelijk niet
goed wanneer zonlicht wordt
gereflecteerd.
• Soms werkt het High Beam Assist-systeem mogelijk niet
goed. Controleer voor uw veiligheid altijd de
wegomstandigheden. Als hetsysteem niet normaal werkt,wissel dan handmatig tussen
groot- en dimlicht.
Page 267 of 735

Kenmerken van uw auto
166
4
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje
gaat branden als de lichtschakelaar in de
stand parkeerverlichting of koplampen
staat en het dashboardkastje wordtgeopend. Instapverlichting
(indien van toepassing)
De instapverlichting gaat branden zodra
het portier geopend wordt om het in- en
uitstappen te vergemakkelijken. Deze
verlichting waarschuwt tevens
achteropkomend verkeer dat het portieris geopend.
ODM042261
ODM042262
Page 271 of 735

Kenmerken van uw auto
170
4
Verwarming en airconditioning
1. Start de motor.
2. Zet de luchtcirculatietoets in de
gewenste stand.
Voor een effectieve verwarming enkoeling:
- Verwarmen :
- Koelen :
3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde.
4. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets.
5. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
6. Als u de uitstromende lucht gekoeld wilt hebben, kunt u het
airconditioningssysteem aanzetten
(indien van toepassing).
ODM044602
❈ uitstroomopeningen 2 e
en 3 e
zitrij (E, F, G, H)
(uitstroomopening G, H : indien van toepassing)
• De luchtstroom van de uitstroomopeningen bij de 2 e
en 3 e
zitriij wordt geregeld door
de klimaatregeling voor en wordt afgeleverd via het interne luchtkanaal van de vloer.
(E, F, H)
• De luchttoevoer via de uitstroomopeningen bij de 2 e
en 3 e
zitrij (E, F, H) kan minder
zijn dan via de ventilatieroosters in het dashboard, vanwege het langere luchtkanaal.
• Sluit de uitstroomopeningen (F) bij koud weer. De luchtstroom via de uitstroomopeningen bij de 2 e
en 3 e
zitrij kan licht afkoelen wanneer de verwarming is
ingeschakeld. (Gebruik de uitstroomopeningen (F, G) bij de 2 e
en 3 e
zitrij voor koelen.)