sensor Lancia Thema 2013 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: LANCIA, Model Year: 2013, Model line: Thema, Model: Lancia Thema 2013Pages: 380, PDF Size: 3.9 MB
Page 76 of 380

SFEERVERLICHTING . . . . . . . . . . . . . . . . . . .132
INTERIEURVERLICHTING . . . . . . . . . . . . . . .132
RUITENWISSERS EN -SPROEIERS . . . . . . . . . .133
INTERVALSTAND . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .134
MIST-FUNCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .134
RUITENSPROEIERS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .134
REGENSENSOR (voor bepaalde uitvoeringen/landen) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .135
KOPLAMPSPROEIERS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .136
VERSTELBARE STUURKOLOM . . . . . . . . . . . . .136
ELEKTRISCH VERSTELBARE STUURKOLOM (voor bepaalde uitvoeringen/landen) . . . . . . . . . .137
STUURVERWARMING (voor bepaalde uitvoeringen/ landen) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .138
VERSTELBARE PEDALEN (voor bepaalde uitvoeringen/landen) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .139
CRUISECONTROL . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .140 INSCHAKELEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .140
DE GEWENSTE SNELHEID INSTELLEN . . . . .140
UITSCHAKELEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .140
SNELHEID HERVATTEN . . . . . . . . . . . . . . . . .141
INGESTELDE SNELHEID AANPASSEN . . . . . .141
ACCELEREREN OM IN TE HALEN . . . . . . . . . .141
ADAPTIEVE CRUISECONTROL (ACC) (voor bepaalde uitvoeringen/landen) . . . . . . . . . . . . . .142
WERKING VAN ADAPTIEVE CRUISECONTROL (ACC) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .144
70
Page 77 of 380

ADAPTIEVE CRUISECONTROL (ACC)ACTIVEREN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .144
INSCHAKELEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .144
GEWENSTE ACC-SNELHEID INSTELLEN . . . .145
ANNULEREN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .145
UITSCHAKELEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .146
SNELHEID HERVATTEN . . . . . . . . . . . . . . . . .146
INGESTELDE SNELHEID AANPASSEN . . . . . .146
VOLGAFSTAND INSTELLEN IN ACC . . . . . . . .147
MENU VAN DE ADAPTIEVE CRUISECONTROL (ACC) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .149
WAARSCHUWINGEN EN ONDERHOUDSAANWIJZINGEN OP HET
SCHERM . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .149
VOORZORG TIJDENS HET RIJDEN MET ACC . . .151 MODUS NORMALE CRUISECONTROL (VASTE SNELHEID) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .153
FORWARD COLLISION WARNING (voor bepaalde uitvoeringen/landen) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .154
PARKSENSE® PARKEERHULP . . . . . . . . . . . . . .155
PARKSENSE® SENSOREN . . . . . . . . . . . . . . . .156
PARKSENSE® WAARSCHUWINGSSCHERM . .156
PARKSENSE® scherm . . . . . . . . . . . . . . . . . . .157
GELUIDSSIGNALEN VAN PARKEERHULPVÓÓR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .158
PARKSENSE® IN- EN UITSCHAKELEN. . . . . .158
ONDERHOUD VAN PARKSENSE® PARKEERHULPSYSTEEM . . . . . . . . . . . . . . . .158
71
Page 84 of 380

VERLICHTE MAKE-
UPSPIEGELS
Op de zonneklep bevindt zich een ver-
lichte make-upspiegel. Als u deze
spiegel wilt gebruiken, klapt u de zon-
neklep omlaag en het spiegelklepje
omhoog. De verlichting gaat dan au-
tomatisch aan. Als u het spiegelklepje
sluit, wordt de verlichting uitgescha-
keld.
"SCHUIFSTANGFUNCTIE"
EN VERLENGFUNCTIES
VAN DE ZONNEKLEP
Voor het gebruik van de "schuifstang-
functie" van de zonneklep klapt u de
zonneklep omlaag en daarna opzij zo-
dat hij evenredig aan het zijraam ligt.
Pak hierbij de zonneklep vast met uwlinkerhand en trek hem naar achteren
tot hij in de gewenste stand staat. Voor
het gebruik van de verlengfunctie van
de zonneklep pakt u het verlengstuk
aan de achterkant van de klep vast en
trekt u het naar voren.
DODEHOEKBEWAKING
(voor bepaalde
uitvoeringen/landen)
Het systeem voor dodehoekbewaking
maakt gebruik van twee radarsenso-
ren in de achterbumper en detecteert
motorvoertuigen (auto's, vrachtwa-
gens, motorfietsen, etc.) die vanaf de
achterzijde, voorzijde of zijkant van
de auto in de dode hoek bewegen.
Na het starten van de auto gaat het
waarschuwingslampje van de dode-
hoekbewaking in de beide buitenspie-
gels kort branden om de bestuurder te
laten weten dat het systeem is geacti-
veerd. De sensoren van de dodehoek-
bewaking zijn in werking wanneer
naar een van de vooruitversnellingen
of de achteruitversnelling is gescha-
keld en worden in de stand-by-modus
gezet wanneer naar de parkeerstand
(PARK) is geschakeld.
Verlichte make-upspiegel
Schuifstangfunctie
Detectiezones achter
78
Page 85 of 380

De detectiezone van de dodehoekbe-
waking bestrijkt één rijstrook aan
beide zijden van het voertuig. De zone
begint bij de buitenspiegel en bestrijkt
een gebied tot ongeveer 6 m achter de
auto. Het systeem bewaakt de detec-
tiezones aan beide zijden van de auto
vanaf het moment dat een snelheid
van ongeveer 10 km/u of hoger wordt
bereikt en waarschuwt de bestuurder
voor voertuigen in deze zones.
OPMERKING:
De dodehoekbewaking waar-schuwt de bestuurder NIET voor
snel naderende voertuigen die
zich buiten de detectiezones be-
vinden. De detectiezone van de dode-
hoekbewaking VERANDERT
NIET wanneer een aanhanger
aan uw auto is gekoppeld. Als
aan uw auto een aanhanger is
gekoppeld, moet u zelf kijken of
de rijbaan naast u vrij is voor
zowel uw auto als de aanhanger,
voordat u van rijbaan wisselt.
Wanneer de aanhanger of een
ander object (bijvoorbeeld een
fiets) uitsteekt aan de zijkant
van uw auto, is het mogelijk dat
het waarschuwingslampje van
de dodehoekbewaking blijft
branden zolang naar een voor-
uitversnelling is geschakeld.
Voor een correcte werking van de do-
dehoekbewaking moet de achterkant
van de auto waar zich de radarsenso-
ren bevinden, vrij zijn van sneeuw, ijs
en vuil. De achterkant van de auto
waar zich de radarsensoren bevinden,
mag niet worden geblokkeerd door
vreemde voorwerpen (bumperstic-
kers, fietsendrager, enz.). De dodehoekbewaking waarschuwt
de bestuurder voor objecten binnen
de detectiezones door het oplichten
van een waarschuwingslampje in de
buitenspiegels, een geluidsignaal en
verlagen van het volume van de radio.
Raadpleeg het hoofdstuk "Bedrijfs-
modi" voor meer informatie hierover.
De dodehoekbewaking controleert de
detectiezone tijdens het rijden vanuit
drie verschillende punten (zijkant,
achter- en voorzijde) om te beoorde-
len of een waarschuwing noodzakelijk
is. De dodehoekbewaking zal een
waarschuwing geven wanneer voer-
tuigen vanuit de volgende richtingen
in de zone komen.
Waarschuwingslampje
dodehoekbewaking
Sensorpositie (gezien vanaf de bestuurderszijde)
79
Page 87 of 380

WAARSCHUWING!
Het systeem voor dodehoekbewa-
king dient slechts als hulpmiddel
voor het detecteren van objecten
die zich in de dode hoeken bevin-
den. De dodehoekbewaking is niet
bedoeld voor het detecteren van
voetgangers, fietsers of dieren. Ook
wanneer uw auto is uitgerust met
dodehoekbewaking, moet u altijd
uw spiegels gebruiken, over uw
schouder kijken en de richtingaan-
wijzer inschakelen voordat u van
rijbaan wisselt. Anders bestaat er
een risico op ernstig of zelfs dode-
lijk letsel.REAR CROSS PATH (voor
bepaalde uitvoeringen/
landen)
De voorziening Rear Cross Path
(RCP) is bedoeld als hulpmiddel voor
de bestuurder bij het achteruit wegrij-
den uit parkeerplaatsen, waarbij het
zicht op naderende voertuigen moge-
lijk wordt belemmerd. Rijd langzaam
en voorzichtig uit de parkeerplaats
totdat de achterzijde van de auto is
vrijgekomen. Het RCP-systeem heeft
nu naar links en rechts vrij zicht op
passerende voertuigen en zal de be-
stuurder waarschuwen wanneer een
voertuig nadert.
RCP bewaakt de detectiezones achter
aan beide zijden van de auto op objec-
ten die zich met een minimale snelheid van ongeveer 1 km/u tot 3 km/u naar
de auto toe bewegen, tot objecten die
zich met een maximale snelheid van
ongeveer 16 km/u verplaatsen, zoals
bijvoorbeeld op parkeerplaatsen.
OPMERKING: Op parkeerplaat-
sen kunnen naderende voertuigen
aan het zicht worden onttrokken
door links en rechts geparkeerde
voertuigen. Als de sensoren wor-
den geblokkeerd door andere ob-
jecten of voertuigen, zal het sys-
teem niet in staat zijn de
bestuurder te waarschuwen.
Wanneer het RCP-systeem actief is en
naar de achteruitversnelling is ge-
schakeld, wordt de bestuurder ge-
waarschuwd door zowel visuele als
geluidssignalen, terwijl ook het vo-
lume van de radio wordt verlaagd.WAARSCHUWING!
Het RCP-systeem dient niet als
achteruitrijhulp. Het systeem is uit-
sluitend bedoeld als hulpmiddel
voor de bestuurder bij het detecte-
ren van naderende voertuigen in
(Vervolgd)
Tegemoetkomend verkeer
RCP-detectiezones
81
Page 89 of 380

OPMERKING: De dodehoekbe-
waking slaat de huidige bedrijfs-
modus op wanneer de contact-
schakelaar wordt uitgezet. Tijdens
het starten van de auto wordt de
laatst opgeslagen modus opgeroe-
pen en geactiveerd.
Radiostille zone — systeem tijde-
lijk niet beschikbaar
De radiostille zone houdt in dat de
sensoren van het voertuig het signaal
van een naderend voertuig niet kun-
nen ontvangen als gevolg van een sto-
ring in de ontvangst van het radio-
golfsignaal. Wanneer het voertuig
deze zone binnengaat, zal het systeem
tijdelijk niet beschikbaar zijn en toont
het EVIC het bericht "Blind spot sys-
tem unavailable-Astronomy Zone"
(dodehoeksysteem tijdelijk niet be-
schikbaar - radiostille zone). De
LED’s in de buitenspiegels lichten op
en blijven branden totdat het voertuig
de zone verlaat.UCONNECT™ PHONE
(8.4/8.4N)
UCONNECT TOUCH™
8.4/8.4 Nav
Uconnect™ Phone is een via spraak te
activeren, handsfree communicatie-
systeem voor in de auto. Met
Uconnect™ Phone kunt u een tele-
foonnummer met uw mobiele telefoon
kiezen.
Uconnect™ Phone ondersteunt de
volgende functies:
OPMERKING: Om de bericht-
functies te kunnen gebruiken,
moet uw telefoon SMS-berichten
via Bluetooth® kunnen verwer-
ken.
Het geluid van de mobiele telefoon
wordt doorgegeven via het audiosys-
teem van de auto en het systeem
dempt automatisch de radio wanneer
Uconnect™ Phone wordt gebruikt.
Met Uconnect™ Phone kunt u bij het
in- en uitstappen gesprekken van het
systeem met uw mobiele telefoon
doorverbinden en andersom. Ookkunt u de microfoon van het systeem
uitschakelen wanneer u een privége
sprek wilt voeren.
WAARSCHUWING!
Elk spraakgestuurd systeem mag
alleen worden gebruikt als de
rijomstandigheden dit toelaten en
het gebruik in overeenstemming is
met de verkeersregels, incl. wetge-
ving betreffende het gebruik van
telefoons. Blijf altijd op de weg let-
ten. Anders bestaat er een risico op
een ongeval en ernstig of zelfs do-
delijk letsel.
Uconnect™ Phone wordt aange-
stuurd via het Bluetooth® Handsfree-
profiel van uw mobiele telefoon.
Uconnect™ is voorzien van
Bluetooth® technologie, de wereld-
wijde standaard waarmee verschil-
lende elektronische apparaten zonder
draden of docking station aan elkaar
kunnen worden gekoppeld.
Uconnect™ Phone werkt dan ook on-
geacht de plaats waar uw mobiele te-
lefoon zich bevindt (handtas, zak of
aktetas), op voorwaarde dat uw tele-
foon is ingeschakeld en aan 83
Page 141 of 380

Als u de sproeier gebruikt terwijl de
ruitenwissers in intervalstand staan,
maken de wissers twee volledige wis-
bewegingen nadat u de hendel hebt
losgelaten en hervatten daarna het ge-
kozen interval.
Als u de ruitensproeier gebruikt ter-
wijl de ruitenwissers zijn uitgescha-
keld, maken de wissers drie volledige
wisbewegingen en worden ze daarna
weer uitgeschakeld.WAARSCHUWING!
Een plotselinge verslechtering van
het zicht door de voorruit kan tot
aanrijdingen leiden. Mogelijk ziet u
andere voertuigen of obstakels over
het hoofd. Voorkom plotselinge ijs-
vorming op de voorruit door de
voorruit eerst te verwarmen met de
ontdooi-inrichting voordat u de
ruitensproeier gebruikt.
REGENSENSOR (voor
bepaalde uitvoeringen/
landen)
Deze voorziening detecteert vocht op
de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers in. De functie is
vooral handig wanneer spatwater van
de weg of water dat van de ruitenwis-
sers van een voorliggende auto wordt
geblazen, op de voorruit terechtkomt.
Draai het uiteinde van de multifunc-
tionele hendel naar één van de vier
standen om deze functie te activeren.
De gevoeligheid van het systeem kan
worden ingesteld met de multifuncti-
onele hendel. Wisserintervalstand 1 is
het minst gevoelig en wisserintervals-
tand 4 is het meest gevoelig. Bij nor-
male regenval dient stand 3 te worden
gebruikt. Gebruik stand 1 en 2 als u
de gevoeligheid van de regensensor
wilt verkleinen. Gebruik stand 4 als u
de gevoeligheid van de regensensor
wilt vergroten. De regensensor scha-
kelt automatisch tussen de verschil-
lende intervallen, afhankelijk van de
hoeveelheid vocht die op de voorruit
wordt gedetecteerd. Zet de ruitenwis-
serschakelaar in de stand OFF als u
het systeem niet wilt gebruiken.
De regensensor kan worden in- en
uitgeschakeld met het Uconnect
Touch™ systeem. Raadpleeg de para-
graaf "Instellingen van UconnectTouch™" in het hoofdstuk "Het in-
strumentenpaneel" voor meer infor-
matie hierover.
OPMERKING:
De regensensor werkt niet wan-
neer de ruitenwisserschakelaar
in de lage of hoge stand staat.
Als er ijs of opgedroogd zout wa- ter op de voorruit aanwezig is,
werkt de regensensor mogelijk
niet goed.
Het gebruik van was- of silico- nenhoudende producten kan de
prestaties van de regensensor
beïnvloeden.
Het regensensorsysteem is voorzien
van beschermfuncties voor de wisser-
bladen en -armen. Het systeem werkt
niet onder de volgende omstandighe-
den:
Wisblokkering lage tempera-
tuur — De regensensor werkt niet
als de contactschakelaar in de
stand RUN is gezet, de auto stilstaat
en bij een buitentemperatuur van
135
Page 142 of 380

minder dan 0 °C, tenzij de ruiten-
wisserschakelaar van de multifunc-
tionele hendel wordt bediend, de
rijsnelheid hoger wordt dan
0 km/u, of de buitentemperatuur
tot boven het vriespunt oploopt.
Wisblokkering neutraalstand —
De regensensor werkt niet als de
contactschakelaar in de stand RUN
is gezet, de versnellingspook in de
NEUTRAL is gezet en de rijsnel-
heid lager is dan 8 km/u, tenzij de
ruitenwisserschakelaar van de mul-
tifunctionele hendel wordt bediend
of een andere versnelling wordt ge-
kozen.
KOPLAMPSPROEIERS
Met de multifunctionele hendel be-
dient u de koplampsproeiers wanneer
de contactschakelaar in de stand ON
staat en de koplampen zijn ingescha-
keld. De hendel bevindt zich aan de
linkerzijde van de stuurkolom.
Om de koplampsproeiers te gebruiken
drukt u de multifunctionele hendel
naar binnen (in de richting van de
stuurkolom) tot de tweede klikstand en laat u hem vervolgens los. De kop-
lampsproeiers spuiten gedurende een
ingestelde tijd vloeistof onder druk op
de lenzen van de koplampen. Ook de
ruitensproeiers treden in werking en
de ruitenwissers maken een wisbewe-
ging.
OPMERKING: Nadat de contact-
schakelaar in de stand ON is gezet
en de koplampen zijn ingescha-
keld, treden de koplampsproeiers
bij de eerste straal van de ruiten-
sproeiers in werking en vervolgens
bij elke elfde straal.
VERSTELBARE
STUURKOLOM
Met deze functie kunt u de stuurko-
lom in de hoogte verstellen. U kunt de
stuurkolom ook in de lengte verstel-
len. De bedieningshendel voor lengte-
en hoogteverstelling bevindt zich on-
der het stuur aan het uiteinde van de
stuurkolom.
Om de stuurkolom te ontgrendelen,
trekt u de regelhendel naar buiten.
Om de stuurkolom in de hoogte te
verstellen beweegt u het stuur om-
hoog of omlaag naar de gewenste po-
sitie. Om de stuurkolom in de lengte te
verstellen trekt u het stuur naar bui-
ten of duwt u het naar binnen naar de
gewenste positie. Om de stand van de
stuurkolom te vergrendelen, drukt u
de bedieningshendel naar binnen tot-
dat deze volledig is vergrendeld.
WAARSCHUWING!
Verstel het stuur niet tijdens het
rijden. Verstellen van de stuurko-
lom tijdens het rijden of rijden als
(Vervolgd)Bedieningshendel voor lengte- enhoogteverstelling
136
Page 148 of 380

WAARSCHUWING!(Vervolgd)
en mogelijk een ongeval veroor-
zaakt. Gebruik de cruisecontrol
nooit in druk verkeer of op boch-
tige, beijzelde, besneeuwde of an-
derszins gladde wegen.
ADAPTIEVE
CRUISECONTROL (ACC)
(voor bepaalde
uitvoeringen/landen)
Adaptieve cruisecontrol (ACC) ver-
groot het gebruiksgemak van de
cruisecontrol tijdens het rijden op au-
tosnelwegen en andere hoofdwegen.
Het is echter geen veiligheidssysteem
en draagt niet bij aan het voorkomen
van ongevallen.
Met ACC kunt u de cruisecontrol in-
geschakeld houden in lichte tot ma-
tige verkeersdrukte zonder dat u
voortdurend uw cruisecontrol op-
nieuw hoeft in te stellen. ACC maakt
gebruik van een radarsensor, die is
ontworpen om direct voor u rijdende
voertuigen te detecteren. OPMERKING:
Als de sensor geen voor u rijdend
voertuig detecteert, houdt ACC
een vaste ingestelde snelheid
aan.
Wanneer de ACC-sensor een voor u rijdend voertuig detec-
teert, zorgt ACC dat uw auto au-
tomatisch iets afremt of versnelt
(maximaal tot de oorspronkelijk
ingestelde snelheid) om een
vooraf ingestelde volgafstand
aan te houden, waarbij de snel-
heid wordt aangepast aan de
snelheid van uw voorligger.
WAARSCHUWING!
Adaptieve cruisecontrol (ACC) iseen systeem voor meer gebruiks-
gemak. Het is geen systeem dat de
taken en verantwoordelijkheden
van de bestuurder overneemt. De
bestuurder blijft te allen tijde ver-
antwoordelijk voor het aanpassen
van zijn of haar rijstijl aan de
weg-, verkeers- en weersomstan-
digheden, rijsnelheid, afstand tot
de voorligger en - als belangrijk-
ste - het bedienen van de remmen
voor veilig gebruik van de auto
onder alle omstandigheden. Vei-
lig autorijden vereist altijd uw
volle aandacht. Het negeren van
deze waarschuwingen kan een
aanrijding en ernstig of zelfs do-
delijk letsel tot gevolg hebben.
Het ACC-systeem: – Reageert niet op voetgangers,
tegemoetkomend verkeer, en
stilstaande objecten (bijv. stil-
staande voertuigen in een file).
(Vervolgd)
142
Page 154 of 380

U wijzigt de volgafstand door kort op
de knop Distance (afstand) te druk-
ken. Bij iedere druk op deze knop
schakelt de instelling voor de volgaf-
stand tussen 3 (groot), 2 (normaal) en
1 (klein).
Als er geen voertuig voor u rijdt,
houdt uw auto de ingestelde snelheid
aan. Als een langzamer rijdend voer-
tuig op dezelfde rijstrook wordt gede-
tecteerd, toont het EVIC het picto-
gram voor een gedetecteerd voertuig,
waarna het systeem de rijsnelheid au-
tomatisch aanpast om de ingestelde
volgafstand te handhaven, ongeacht
de ingestelde snelheid.
Uw auto handhaaft dan de ingestelde
volgafstand totdat:
Het voorliggende voertuig versnelttot een waarde die hoger ligt dan de
ingestelde rijsnelheid.
Het voorliggende voertuig naar een andere rijstrook gaat of buiten het
bereik van de sensor komt.
Het voorliggende voertuig ver- traagt tot een snelheid die lager is dan 24 km/u, waarbij het systeem
automatisch wordt uitgeschakeld.
De instelling van de volgafstand wordt gewijzigd.
Het systeem wordt uitgeschakeld. (Zie de informatie over het active-
ren van de ACC.)
Het maximale remvermogen van de
ACC is beperkt, maar indien nodig
kunt u altijd zelf bijremmen.
OPMERKING: De remlichten
gaan branden als het ACC-systeem
de auto afremt.
Er wordt een naderingswaarschuwing
weergegeven wanneer de ACC voor-
spelt dat het maximale remvermogen
onvoldoende is om de ingestelde af-
stand te handhaven. In een dergelijke
situatie verschijnt knippert de waar-
schuwing "BRAKE" (remmen) op het
EVIC en klinkt er een geluidssignaal,
terwijl de ACC het maximale remver-
mogen gebruikt. U dient dan onmid-
dellijk te remmen om een veilige af-
stand tot uw voorligger te handhaven.
Remwaarschuwing 3Remwaarschuwing 2Remwaarschuwing 1
148