alarm OPEL AMPERA 2014 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2014, Model line: AMPERA, Model: OPEL AMPERA 2014Pages: 211, PDF Size: 5.16 MB
Page 76 of 211

74Instrumenten en bedieningsorganen
Controlelampen in dedakconsole
Richtingaanwijzer
O brandt of knippert groen.
Knippert
Controlelamp knippert bij ingescha‐ kelde richtingaanwijzer of alarmknip‐
perlichten.
Knippert snel: storing in een richting‐
aanwijzer of de bijbehorende zeke‐
ring.
Vervangen van lampen 3 158.
Zekeringen 3 161.
Richtingaanwijzers 3 92.
Gordelverklikker
Gordelverklikker op de
voorstoelen
X van de bestuurdersstoel brandt of
knippert rood.
k van de passagiersstoel voorin
brandt of knippert rood wanneer de
stoel bezet is.
Als er een voorwerp op de stoel wordt gelegd, kan de gordelverklikker van
de passagiersstoel ook gaan bran‐
den.
Brandt
Brandt nadat de waarschuwingslam‐
pen voor de betreffende voorstoel
enige tijd hebben geknipperd, totdat
de veiligheidsgordel is omgedaan.
Knippert
Tot een bepaalde tijd nadat het con‐
tact is ingeschakeld.
Gordelstatus op de achterbank
6 knippert of brandt.Brandt
Na het starten van de motor gedu‐
rende minimaal 35 seconden totdat
de veiligheidsgordel is vastgemaakt.
Na het omdoen van de passagiers‐
veiligheidsgordels wordt de bijbeho‐
rende veiligheidsgordellamp groen.
Knippert
Als een passagier op de tweede rij onderweg zijn/haar veiligheidsgordel weer losmaakt, knippert het bijbeho‐
rende veiligheidsgordelsymbool en‐
kele seconden rood en kan er een ge‐
luidssignaal klinken.
Veiligheidsgordel omdoen 3 43.
Airbag en gordelspanners
v brandt rood.
Bij het starten van de auto brandt de controlelamp enkele seconden.
Brandt deze niet, dooft deze niet na
een paar seconden of licht deze tij‐
dens het rijden op, dan is er een sto‐
ring in het airbagsysteem. De hulp
Page 86 of 211

84Instrumenten en bedieningsorganen
Persoonlijke instellingen 3 85.
Energierend.
Druk op Energierend. op het scherm
Energie Info om naar dit scherm te
gaan. Dit scherm toont het rendement
gedurende de rijcyclus op basis van
de rijstijl en de klimaatinstellingen.
Naarmate u rendabeler rijdt, wordt
het weergegeven percentage voor de rijstijl hoger. Naarmate u de klimaat‐
regeling minder gebruikt, wordt het
weergegeven percentage voor de kli‐
maatinstelling hoger.
Besparingstips
Druk op Besparingstips op het
scherm Energie Info om naar dit
scherm te gaan. Dit scherm bevat een
handleiding voor een beter energie‐
gebruik, opdat u zuiniger rijdt en de
actieradius groter wordt.
Boordinformatie
Berichten op het Driver Information
Centre (DIC) geven de status van de
auto aan of een handeling die nodig
is om een probleem te verhelpen. Er
kunnen meerdere berichten achter el‐ kaar verschijnen.
Berichten die geen onmiddellijke ac‐
tie vergen, kunnen worden bevestigd
en gewist door op knop SELECT te
drukken. De berichten die onmiddel‐
lijke actie vergen, kunnen niet worden
gewist totdat die actie verricht is. Alle
berichten moeten serieus worden ge‐ nomen.
Volg de instructies van deze teksten.
Het display toont teksten over de vol‐
gende onderwerpen:
■ Vloeistofpeilen
■ Starten
■ Onderhoud
■ Diefstalalarmsysteem
■ Remmen
■ Rijregelsystemen
■ Cruise control
Page 89 of 211

Instrumenten en bedieningsorganen87
Autom. ventilatorsnelheid
Bij Autom. ventilatorsnelheid wordt de
automatische ventilatorsnelheid aan‐ gepast aan de gewenste interieur‐
temperatuur. Kies een aanjager‐
stand:
Hoog: Hogere snelheid.
Middelhoog: Gematigde snelheid.
Laag: Lagere snelheid.
Autom. stoelverwarming
Na het activeren wordt de toets voor
automatisch verwarmde stoelen op
het aanraakscherm gemarkeerd.
Deze functie activeert automatisch de
functie verwarmde stoelen op basis
van de temperatuur van het interieur. Autom. stoelverwarming kan met de
knoppen voor de verwarmde stoelen
op het instrumentenbord worden uit‐
geschakeld.
Automatische ontwaseming
Na het activeren en bij een hoge
luchtvochtigheid regelt de klimaatre‐
geling de buitenluchtinlaat, de airco of de warmte zodanig dat het systeem
ontwasemt. De ventilator gaat wel‐licht sneller draaien. Als de luchtvoch‐
tigheid afneemt, gaat het systeem te‐
rug naar de eerdere stand.
Motoronderst. verwarming aangesl.
Selecteer één van de volgende op‐
ties:
■ Bij lage buitentemperaturen : voor
starten van de motor bij +2°C of la‐
ger
■ Bij zeer lage buitentemperaturen :
voor starten van de motor bij
-10°C of lager
Motorondersteunde verwarming
Met deze instelling kan Motoronders‐
teunde verwarming worden in- of uit‐
geschakeld.
Deze functie activeert of deactiveert
Motoronderst. verwarming aangesl.
wanneer de stekker van de auto aan‐ gesloten is. Een andere instelling
wordt niet eerder actief dan nadat de
auto eerst uitgeschakeld is.Comfortinstellingen
Selecteer het menu Comfortinstellin‐
gen en de volgende opties verschij‐
nen:
■ Volume geluidssignaal
■ Volumeknop
■ Pop-up energieoverzicht exit
■ Pers. inst. voor bestuurder
■ Diefst.alarm oplaadkabel
■ Alarm lage acculading
Volume geluidssignaal
Met deze instelling kunt u het volume
van het geluidssignaal op normaal of
op hoog zetten.
Volumeknop
Zo klinkt er een toon wanneer u via
het Infotainmentsysteem een optie
selecteert.
Pop-up energieoverzicht exit
Met deze instelling kan Pop-up ener‐
gieoverzicht exit worden in- of uitge‐
schakeld.
Page 90 of 211

88Instrumenten en bedieningsorganen
Pers. inst. voor bestuurder
Met deze instelling kan de bestuurder zijn favorieten in de radio opslaan.
Diefst.alarm oplaadkabel
Met deze instelling kan Diefst.alarm
oplaadkabel worden in- of uitgescha‐
keld.
Alarm lage acculading
Met deze instelling kan Alarm lage
acculading worden in- of uitgescha‐
keld.
Talen (Languages) Met deze instelling kunt u de gewen‐ste taal selecteren.
Buitenverlichting
Selecteer het verlichtingsmenu en de
volgende opties verschijnen:
■ Duur tijdens uitstappen
■ Buitenverlichting bij ontgr.
Duur tijdens uitstappen
Hier kunt u selecteren hoelang het
dimlicht blijft branden als u uit de auto
stapt en het buiten donker is.De beschikbare opties zijn:
■ Uit
■ 30 seconden
■ 1 minuut
■ 2 minuten
Buitenverlichting bij ontgr.
Zo kan de contourverlichting worden
in- of uitgeschakeld: Na het inscha‐
kelen gaan het dimlicht, de stadslich‐
ten, achterlichten, kentekenplaatver‐
lichting en de achteruitrijlichten bran‐
den als u op de handzender op
( drukt.
Portiervergrendeling
Selecteer Portiervergrendeling en de
volgende opties verschijnen:
■ Automatische portiervergr.
■ Geen vergr. bij portier open
■ Vertr. portiervergrendeling
Automatische portiervergr.
Na het activeren van deze functie
worden alle portieren na het uitscha‐
kelen van P (parkeerstand) vergren‐
deld.De beschikbare opties zijn:
■ Aan
■ Uit
Geen vergr. bij portier open
Na het activeren voorkomt deze in‐
stelling dat het bestuurdersportier
wordt ontgrendeld totdat de deur
wordt gesloten. Na het activeren van deze functie is het menu Vertr. por‐
tiervergrendeling niet beschikbaar.
Vertr. portiervergrendeling
Na het activeren vertraagt deze func‐
tie het vergrendelen van de portieren. Negeer de vertraging door op de
schakelaar elektrische portierver‐
grendeling te drukken.
De beschikbare opties zijn: ■ Aan
■ Uit
Page 94 of 211

92VerlichtingAlarmknipperlichten
Bediening met toets ¨.
De alarmknipperlichten worden auto‐
matisch ingeschakeld wanneer de
airbags bij een ongeval in werking tre‐ den.
Richtingaanwijzershendel omhoog=rechter richting‐
aanwijzerhendel omlaag=linker richtingaan‐
wijzer
Als de hendel voorbij het weerstands‐
punt wordt geduwd, blijft de richting‐
aanwijzer ingeschakeld. Bij het terug‐ draaien van het stuurwiel gaat derichtingaanwijzer automatisch uit.
Om driemaal te knipperen, bijv. om
van rijstrook te wisselen, de hendel
tot tegen het weerstandspunt duwen
en loslaten.
Schakel de richtingaanwijzer hand‐
matig uit door de hendel in de oor‐
spronkelijke stand te zetten.
Controlelamp richtingaanwijzer 3 74.
Mistachterlicht
Draai de mistachterlichtband op de
hendel naar r en laat deze los om het
mistachterlicht in of uit te schakelen.
De band keert terug naar de oor‐
spronkelijke stand.
Elke keer bij het starten van de auto
wordt het mistachterlicht automatisch
op uit gezet.
Page 111 of 211

Rijden en bediening109
De auto starten bij lage temperaturenBij een buitentemperatuur van minder
dan 0 °C wordt het aanbevolen om
het contact in te schakelen als de auto op het stopcontact aangesloten is.
Bij een buitentemperatuur van minder
dan -32 °C moet de auto bij het in‐
schakelen van het contact op het
stopcontact aangesloten zijn.
Opnieuw startenVoorzichtig
Als de auto onderweg opnieuw
moet worden gestart, zet dan de
schakelhefboom op N en druk
twee keer op m zonder het rempe‐
daal in te trappen. Het aandrij‐
vingssysteem start op geen en‐
kele andere manier.
Computers bepalen wanneer de mo‐
tor moet draaien. Zo nodig start de
auto als het aandrijvingssysteem in‐
geschakeld is.
Elektrische modus 3 110.
Er klinkt een geluidssignaal bij het
openen van het bestuurdersportier tij‐
dens het inschakelen van het contact. Druk altijd op m om het contact vóór
het uitstappen uit te schakelen.
Stoppen
Aan/Uit-knop 3 106.
Parkeren Let op
Laat de auto nooit gedurende lan‐
gere perioden in extreme tempera‐
turen zonder te rijden of met de stek‐ ker uit het stopcontact.9 Waarschuwing
■Parkeer de auto niet op een licht
ontvlambaar oppervlak. Door de
hoge temperatuur van het uit‐
laatsysteem kan het oppervlak
ontbranden.
■ Trek altijd de handrem aan. Trek gedurende ong. een se‐
conde aan schakelaar m.
De elektrische handrem is aan‐
getrokken wanneer controle‐
lamp P oplicht 3 76.
■ Schakel de ontsteking uit.
■ Als de auto vlak of op een oplo‐ pende helling staat, vóór het uit‐schakelen van het contact de
handrem aantrekken en de keu‐
zehendel op P zetten. Op een
oplopende helling bovendien de voorwielen van de stoeprand
wegdraaien.
Als de auto op een aflopende
helling staat, vóór het uitscha‐
kelen van het contact de hand‐
rem aantrekken en de keuze‐
hendel op P zetten. Bovendien
de voorwielen naar de stoep‐
rand toedraaien.
■ Sluit de ruiten.
■ Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem.
Handzender 3 20.
Page 112 of 211

110Rijden en bediening
Diefstalalarmsysteem 3 29.
■ Koelventilatoren kunnen ook na het
afzetten van de motor in werking
treden 3 150.Bedrijfsmodi elektrisch
voertuig
Bediening Dit is een elektrische auto met een
verlengingsmodus actieradius. Deze
gebruikt voor het aandrijven van de
auto altijd een elektrisch aandrijvings‐ systeem. Elektriciteit is de primaire
energiebron van de auto en benzine
de secundaire bron.
De auto kan in twee bedrijfsmodi wer‐
ken: Elektrische en verlengingsmo‐
dus actieradius In beide modi rijdt de
auto via de elektrische aandrijving.
De auto zet elektrische energie om
een mechanische energie om de wie‐
len aan te drijven. De prestaties van
de auto zijn in beide modi even goed.
Afhankelijk van de geselecteerde be‐
drijfsmodus verschijnt er voorname‐ lijk een accu of een brandstofmeter
op de instrumentengroep.
Accumeter 3 70.
Brandstofmeter 3 70.Elektrische modus
In de elektrische modus gebruikt de
auto geen brandstof en is er geen
emissie. In deze primaire modus rijdt
de auto op elektrische energie uit de
hoogspanningsaccu. De auto rijdt in
deze modus totdat de accu bijna ont‐
laden is.
Onder sommige omstandigheden
draait de motor nog steeds als de
accu voldoende is opgeladen om in
de elektrische modus te kunnen te rij‐ den. Dit zijn:
■ Lage omgevingstemperaturen.
■ Temperatuur van hoogspannings‐ accu hoog of laag.
■ De motorkap is open of niet geheel
gesloten en vergrendeld.
■ Bepaalde storingen in de hoog‐ spanningsaccu.
■ Onderhoudsmodus motor of brand‐
stofonderhoudsmodus actief.
Page 142 of 211

140Rijden en bediening
Trek aan de hendel van de op‐
laadkabel om deze uit de clip van
de hendel te halen. Til de oplaad‐
kabel omhoog en trek deze ach‐
terwaarts uit de auto. De auto‐
stekker is opgeborgen zoals ge‐
toond.
4. Sluit de oplaadkabel aan op het stopcontact. Controleer of de lam‐pen voor de status van de oplaad‐
kabel beide groen zijn.
Selecteer zoals bovenstaand be‐
schreven het juiste oplaadniveau
met het scherm Selecteer
voorkeur voor laadniveau op het
Colour-Info-Display.9 Waarschuwing
Als de capaciteit van het elektri‐
sche circuit of het stopcontact on‐
bekend is, gebruik dan alleen het
laagste oplaadniveau totdat de ca‐
paciteit van het circuit door een
deskundige monteur is vastge‐
steld. Bij een oplaadniveau dat de capaciteit van het elektrische cir‐
cuit of het stopcontact te boven
gaat, is er kans op brand of schade
aan het elektrische circuit.
Elektrische vereisten 3 144.
Oplaadkabel 3 142.
5. Sluit de autostekker van de op‐
laadkabel aan op de oplaadaan‐
sluiting op de auto. Controleer of
de lampen voor de status van de oplaadkabel beide groen zijn.
Oplaadstatus 3 141.
6. Druk op e op de handzender om
het diefstalalarm voor de oplaad‐
kabel op scherp te zetten.
Handzender 3 20.
Persoonlijke instellingen 3 85.
Opladen beëindigen 1. Druk op c op de handzender om
het diefstalalarm voor de oplaad‐
kabel op onscherp te zetten.
Handzender 3 20.
2. Ontkoppel de autostekker van de
oplaadkabel van de auto.
3. Sluit de klep van de oplaadaan‐ sluiting door krachtig op de ach‐
terste rand van het klepoppervlak
te drukken.
4. Trek de oplaadkabel uit het stop‐ contact.
Page 144 of 211

142Rijden en bediening
■ Langzaam knipperend groen, tweeclaxonpiepjes: Stekker van de autozit in stopcontact. Accu is niet ge‐
heel opgeladen. Opladen van accu
wordt uitgesteld.
■ Snel knipperend groen, geen cla‐ xonpiepje: Stekker van de auto zit
in stopcontact. Accu is geheel op‐
geladen.
■ Ononderbroken geel, geen claxon‐ piepje: Stekker van de auto zit in
stopcontact. Na het aansluiten van
een geschikte oplaadkabel op het
stopcontact is het normaal dat de
lamp oplaadstatus gedurende en‐
kele seconden geel wordt. Anders
heeft het oplaadsysteem een sto‐
ring gedetecteerd en laadt het de
accu niet op.
■ Geen lichtsignaal (bij het aanslui‐ ten) - Geen claxonpiepen - Aanslui‐ting van oplaadkabel inspecteren.
■ Geen lichtsignaal (nadat lamp op‐ laadstatus zichtbaar groen of geel
was) - Geen claxonpiepjes - Aan‐
sluiting van oplaadkabel inspecte‐
ren.
Storingsindicatielamp 3 75.Als er geen lichtsignaal is maar de
claxon herhaaldelijk piept, is de voe‐
ding onderbroken voordat het opla‐
den kon worden voltooid.
Ga als volgt te werk om dit alarmsig‐
naal te beëindigen:
■ Ontkoppel de oplaadkabel.
■ Druk op ( op de handzender.
■ Houd ! op de handzender inge‐
drukt en druk opnieuw in om het
paniekalarm te stoppen.
■ Druk op de claxon.
Persoonlijke instellingen 3 85.
Gedurende een van de boven‐
staande situaties kan het systeem de
accu thermisch conditioneren. Dan
moet er elektrische energie naar de auto worden overgebracht.
Als de auto op het stopcontact aan‐
gesloten is en de auto aan staat,
brandt de lamp oplaadstatus onon‐
derbroken groen. Dit geldt ook voor
Motoronderst. verwarming aangesl.
als de stekker van de auto in het stop‐
contact zit.Als de auto op het stopcontact aan‐
gesloten is en de lamp oplaadstatus
uit staat, is er een oplaadstoring ge‐
detecteerd.
Oplaadkabel9 Gevaar
Er is een kans op elektrische
schokken met mogelijk letsel of de dood als gevolg.
Gebruik de oplaadkabel niet als deze ook maar enigszins bescha‐
digd is.
De klep van de oplaadkabel niet openen of verwijderen.
Onderhoud alleen door geschoold personeel. Sluit de oplaadkabel
met onbeschadigde kabels op een
goed geaard stopcontact aan.
Onder de afdekking van de vloer in de bagageruimte ligt een draagbare op‐
laadkabel voor het opladen van de
hoogspanningsaccu van de auto
3 132.
Page 166 of 211

164Verzorging van de auto
Minizeke‐
ringenGebruik8–9Verwarmde spie‐
gels10Regelmodule airco11Omzettermodule
tractievermogen -
accu12–13Cabineverwar‐
mingspomp en -klep14Diefstalalarm -
sirene15Omzettermodule
tractievermogen en
transmissieregel‐
module - accu17Motorregelmodule -
accu22Grootlicht links24–25–Minizeke‐
ringenGebruik26Diefstalalarm -
claxon31–32Ronddraaien -
sensor- en diagno‐
semodule, instru‐
mentengroep,
display passagiers‐
airbag, schakelaar
koplamphoogtere‐
geling, automatisch
dimmende achter‐
uitkijkspiegel33Ronddraaien -
regelmodule boord‐
integratie34Regelmodule
boordintegratie -
accu35–36Elektrische koel‐
vloeistofpomp elek‐
tronicaMinizeke‐
ringenGebruik37Regelmodule cabi‐
neverwarming38Koelvloeistofpomp
oplaadbaar energie‐
opslagsysteem
(hoogspannings‐
accu)39Regelmodule
oplaadbaar energie‐
opslagsysteem
(hoogspannings‐
accu)40Wis-/wasinstallatie
voor41Grootlicht rechts46–47–49–