alarm OPEL ANTARA 2015 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2015, Model line: ANTARA, Model: OPEL ANTARA 2015Pages: 231, PDF Size: 6.07 MB
Page 97 of 231

Instrumenten en bedieningsorganen95
Gaat tijdens het rijden branden om
aan te geven dat een storing onmid‐
dellijk aandacht vergt. Zo spoedig
mogelijk hulp van een werkplaats in‐
roepen.
Automatische koplampverstelling 3 111.
Mistlamp > brandt groen.
Brandt bij ingeschakelde mistlampen
voor 3 113.
Mistachterlicht
r brandt geel.
Brandt bij ingeschakeld mistachter‐
licht 3 113.
Cruise control m brandt geel of groen.
Brandt geel Het systeem is bedrijfsgereed.Brandt groen
Een bepaalde snelheid wordt opge‐
slagen.
Cruise control 3 146.
Snelheidswaarschuwing à brandt geel.
In auto's met een lampje snelheids‐
waarschuwing knippert bij een snel‐
heid van meer dan 120 km/u contro‐
lelampje à en klinkt er een waar‐
schuwingszoemer om de bestuurder
de snelheid te laten aanpassen.
Controlelampje aanhanger
á brandt groen.
Brandt bij een aanhanger achter de
auto 3 152.
Motorkap open
/ brandt rood.
Brandt wanneer de motorkap open is.
Stop/Start-systeem 3 129.Portier open
( brandt rood.
Licht op wanneer er een portier open
is of niet goed gesloten is.
Achterklep open
1 brandt rood.
Licht op wanneer de achterklep open is of niet goed gesloten is 3 24.
Diefstalalarmsysteem
a brandt geel.
Brandt als de bewaking door het
alarmsysteem van het interieur en de kantelhoek van de auto met knop
a in de dakhemel uitgeschakeld is.
Diefstalalarmsysteem 3 26.
Page 114 of 231

112Verlichting
Automatische
koplampverstelling
Bij auto's met xenonkoplampen wordt de koplampreikwijdte automatisch
aan de belasting van de auto aange‐
past.
Als controlelampje q onderweg op de
instrumentengroep oplicht, is er een
storing. Oorzaak van de storing on‐
middellijk door een werkplaats laten
verhelpen.
Controlelamp q 3 94.
Koplampinstelling in het
buitenland
Het asymmetrische dimlicht biedt
meer zicht op de rand van de weg aan de passagierskant.
Laat bij het rijden in landen met links‐
rijdend verkeer de koplampen bijstel‐
len om tegenliggers niet te verblin‐
den. De hulp van een werkplaats in‐
roepen.Dagrijlicht
Het dagrijlicht maakt de auto overdag
beter zichtbaar.
Deze gaat bij het inschakelen van het
contact automatisch branden.
Automatische verlichting 3 110.
Alarmknipperlichten
Bediening met toets ¨.
De alarmlichten worden automatisch
ingeschakeld wanneer de airbags bij
een ongeval in werking treden.
RichtingaanwijzersHendel
omhoog=Rechter richting‐
aanwijzerHendel omlaag=Linker richtingaan‐ wijzer
Als de hendel voorbij het weerstands‐
punt wordt geduwd, blijft de richting‐
aanwijzer ingeschakeld.
Bij het terugdraaien van het stuurwiel
wordt de richtingaanwijzer automa‐
tisch uitgeschakeld. Dit gebeurt niet
bij een geringe stuurbeweging zoals
bij het wisselen van rijstrook.
Page 119 of 231

Verlichting117
Leeslampen achter
De leeslampen achter links en rechts
werken onafhankelijk van elkaar. In‐
drukken voor in- en uitschakelen.
Verlichting zonneklep Brandt wanneer u het klepje van de
make-upspiegel opent 3 33.
Verlichtingsfuncties
Instapverlichting Welkomstverlichting
Afhankelijk van de hoeveelheid om‐
gevingslicht knipperen de alarmknip‐
perlichten bij het ontgrendelen van de auto met de afstandsbediening tweekeer en gaan de buiten- en binnen‐
verlichting gedurende 20 seconden
branden. Deze functie helpt u de auto in het donker terug te vinden.
Uitstapverlichting Het dimlicht en de achteruitrijlichten
blijven nog ongeveer 30 seconden
branden nadat de bestuurder is uit‐
gestapt en het portier heeft gesloten.Inschakelen
1. Ontsteking uitschakelen.
2. Contactsleutel verwijderen.
3. Bestuurdersportier openen.
4. Richtingaanwijzerhendel naar u toe trekken.
5. Bestuurdersportier sluiten.
Wordt het bestuurdersportier niet ge‐
sloten, dan gaat de verlichting na
twee minuten uit.
De uitstapverlichting kan worden uit‐
geschakeld door de sleutel in het con‐
tactslot te steken of door nogmaals
Page 134 of 231

132Rijden en bedieningParkeren9Waarschuwing
■Parkeer de auto niet op een licht
ontvlambaar oppervlak. Door de
hoge temperatuur van het uit‐
laatsysteem kan het oppervlak
ontbranden.
■ Schakel altijd de elektrische handrem in.
Trek aan de schakelaar m.
De elektrische handrem is aan‐
getrokken wanneer controle‐
lamp m oplicht 3 89.
Voor de maximale kracht, bijv.
bij het parkeren met een aan‐
hanger of op een helling, trekt u tweemaal aan de schakelaar m.
■ Schakel de motor uit en draai de
contactsleutel naar de stand
LOCK , druk de sleutel in de con‐
tactschakelaar en trek deze er‐
uit.
Stuurwiel verdraaien totdat het
stuurslot merkbaar vergrendelt.
Trap bij auto's met automati‐
sche versnellingsbak het rem‐
pedaal in en schakel P in voor‐
dat u de contactsleutel in het contactslot drukt en weer eruit
trekt.
■ Schakel als de auto op een vlakke ondergrond of een oplo‐
pende helling staat de eerste
versnelling in of zet de keuze‐
hendel op P voordat u het con‐
tact uitschakelt. Op een oplo‐
pende helling bovendien de
voorwielen van de stoeprand
wegdraaien.
Schakel als de auto op een af‐
lopende helling staat de achter‐
uitversnelling in of zet de keuze‐
hendel op P voordat u het con‐
tact uitschakelt. Bovendien de voorwielen naar de stoeprandtoedraaien.
■ Sluit de ramen en het zonnedak.
■ Vergrendel de auto met de toets p op de handzender 3 22.
Activeer het alarmsysteem 3 26.
Uitlaatgassen9 Gevaar
Motoruitlaatgassen bevatten het
giftige en bovendien kleur- en
geurloze koolmonoxide dat bij in‐
ademen levensgevaarlijk kan zijn.
Wanneer uitlaatgassen in de pas‐
sagiersruimte dringen, de ruiten openen. Oorzaak van de storing
door een werkplaats laten verhel‐
pen.
Niet met een geopende achterklep
rijden, aangezien er dan uitlaat‐
gassen de passagiersruimte bin‐
nen kunnen dringen.
Storingsindicatielamp 3 89.
Page 160 of 231

158Verzorging van de auto
■ Motorkap openen, alle portierensluiten en auto vergrendelen.
■ Poolklem van de minpool van de accu loskoppelen. Erop letten dat
geen van de systemen werkt, bijv.
het diefstalalarmsysteem.
Weer in gebruik nemen
Wanneer u de auto weer in gebruik
neemt:
■ Poolklem op de minpool van de accu aansluiten. Elektronica voor
de elektrische ruitbediening inscha‐ kelen.
■ Bandenspanning controleren.
■ Sproeiervloeistofreservoir vullen.
■ Motoroliepeil controleren.
■ Koelvloeistofpeil controleren.
■ Zo nodig kentekenplaat monteren.Verwerking van sloopauto
Eventueel wettelijk verplichte infor‐matie over autodemontagebedrijven
en de recycling van sloopauto's vindt
u op onze website. Laat dit werk uit‐
sluitend over aan een erkend autode‐
montagebedrijf.Controle van de auto
Werkzaamheden
uitvoeren9 Waarschuwing
Controles in de motorruimte alleen
met uitgeschakelde ontsteking uit‐ voeren.
De koelventilator kan ook bij uit‐
geschakelde ontsteking gaan
draaien.
9 Gevaar
Het ontstekingssysteem en de Xe‐
nonkoplampen werken met een
zeer hoge spanning. Niet aanra‐
ken.
Page 224 of 231

222Trefwoordenlijst
12V-aansluiting ............................. 61
A Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............205, 209
Aandrijving op alle wielen ............90
Aanduidingen op banden ..........184
Aanhangerstabilisatie ................156
Aanhanger trekken ....................153
Aansluitingen voor accessoires ....83
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 157
Accu...................................... 88, 163
Accu, starthulp gebruiken ...........197
Achterklep..................................... 24 Achterklep open ........................... 95Achterlichten .............................. 170
Achterruitverwarming ................... 33
Achteruitrijlichten .......................114
Actieve hoofdsteunen .............36, 37
Afmetingen auto ........................214
Afstandsbediening ........................20
Airbag deactiveren ....................... 52 Airbag en gordelspanners ...........88
Airbaglabel.................................... 47
Airbagsysteem ............................. 47
Airconditioning ........................... 120Airconditioning regelmatig
aanzetten ............................... 126
Alarmknipperlichten ...................112
Algemene informatie .................. 152
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 127
All-wheel Drive ........................... 139
Andere auto slepen ...................200
Antiblokkeersysteem .................142
Antiblokkeersysteem (ABS) .........90
Armsteun ...................................... 42
Armsteun met opbergruimte ........61
Autogegevens ............................ 209
Autokrik....................................... 181
Automatische dimfunctie .......30, 31
Automatische koplamphoogteregeling .............94
Automatische niveauregeling ....
........................................ 111, 146
Automatische verlichting ............ 110
Automatische versnellingsbak ...
.......................................... 89, 134
Auto ontgrendelen .........................6
Auto reinigen .............................. 201
Auto slepen ................................ 199
Auto stallen ................................. 157
Auto wassen ............................... 201
Page 225 of 231

223
BBagageruimte ........................ 24, 72
Bagageruimte-afdekking .............72
Bagageruimteverlichting ............116
Banden- en wielmaat, verwisselen ............................. 189
Bandenreparatieset ...................190
Bandenspanning ...............104, 184
Bandenspanningscontrolesys‐ teem .......................... 92, 104, 185
Bandenspanningswaarden ........217
Banden verwisselen ...................193
Bedieningsorganen ......................77
Bekerhouders ............................... 60
Bekleding, reinigen .....................203
Beladingsinformatie .....................75
Beslagen lampglazen ................114
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ...................................... 146
Beveiliging van de auto ................26
Binnenspiegels ............................. 31
Binnenverlichting ...............115, 172
Board-Info-Display .......................96
Bolle vorm .................................... 29
Boordcomputer op Board-Info-Display ..................105
Boordcomputer op Graphic- Info-Display of Colour-Info-
Display ................................... 106Boordgereedschap.....................181
Brandblusser ................................ 74
Brandstof .................................... 149
Brandstoffilter aftappen ...............94
Brandstofmeter ............................ 85
Brandstofverbruik - CO 2-uitstoot 152
Brandstof voor benzinemotoren 149
Brandstof voor dieselmotoren ...150
Buitenspiegels .............................. 29
Buitentemperatuur .......................80
Buitenverlichting .........................110
C Car Pass ...................................... 20
Cd-bak .......................................... 59
Centrale vergrendeling ................22
Check-Control............................. 104
Claxon ................................... 14, 78
Conformiteitsverklaring ...............218
Consolenet ................................... 59
Contactslotstanden ....................128
Controlelampen ......................84, 86
Controlelampje aanhanger ..........95
Controle levensduur motorolie .....93
Controle over de auto ................127
Controles .................................... 158
Cruise control ...................... 95, 146D
Dagrijlicht ................................... 112
Dagteller ...................................... 84
Dak ............................................... 34
Dakbelasting ................................. 75
Dakdrager .................................... 75
Dakdragersysteem .......................75
De belangrijkste informatie voor uw eerste rit................................. 6
Derde remlicht ....................114, 171
Detectiesystemen .......................148
Diefstalalarmsysteem ............26, 95
Dieselbrandstoffilter ...................165
Dieselbrandstofsysteem ontluchten .............................. 166
Dieselpartikelfilter .........................89
Dimlicht of grootlicht ...........110, 111
Draagsysteem achterzijde ............61
Driepuntsgordel ........................... 44
E
Elektrisch bediende ruiten ...........32
Elektrische aansluitingen .............83
Elektrische handrem ............89, 142
Elektrische handrem defect .........90
Elektrische stoelverstelling ...........40
Elektrische verstelling ..................29
Elektrisch systeem...................... 173
Elektronische rijprogramma's ....136