display Peugeot 208 2014 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2014, Model line: 208, Model: Peugeot 208 2014Pages: 336, PDF Size: 10.17 MB
Page 72 of 336

70
Comfort
Automatische airconditioning met gescheiden regeling De airconditioning werkt uitsluitend bij draaiende motor.
Automatische werking
Automatisch programma "comfort"
Er zijn drie standen waaruit de bestuurder en zijn passagier kunnen kiezen voor het gewenste comfort in het interieur.
Om bij koude motor de toevoer van koude lucht te beperken, wordt de ventilatie geleidelijk op het optimale niveau gebracht. Bij koud weer wordt de warme lucht uitsluitend naar de voorruit, de zijruiten en de beenruimte van de passagiers verdeeld.
Voor het beste compromis tussen thermisch comfort en een laag geluidsniveau.
Voor een aangenaam comfort en een zo laag mogelijk geluidsniveau, aangezien de aanjagersnelheid beperkt wordt.
Voor een doeltreffende en dynamische luchttoevoer.
Druk herhaaldelijk op de toets "AUTO" . Het lampje gaat branden zodra de toets wordt ingedrukt; de ingeschakelde stand verschijnt op het display van de automatische airconditioning.
1. Automatisch programma "comfort". 2. Temperatuurregeling bestuurderszijde. 3. Temperatuurregeling passagierszijde. 4. Automatisch programma "zicht". 5. Airconditioning A AN/UIT. 6. Regeling luchtverdeling. 7. Regeling luchtopbrengst. 8. Toevoer van buitenlucht/luchtrecirculatie.
Page 73 of 336

71
3
Comfort
Instelling op een waarde van ongeveer 21 biedt een optimaal comfort. Desgewenst kunt u een andere waarde instellen, die gebruikelijk tussen 18 en 24 ligt. Het is raadzaam het verschil tussen de instellingen links en rechts niet meer dan 3 te laten bedragen.
Als de temperatuur in de auto bij het instappen veel lager of hoger is dan de ingestelde waarde, heeft het geen zin om voor een optimale temperatuur de ingestelde waarde te
wijzigen. Het systeem compenseert automatisch en zo snel mogelijk het temperatuurverschil.
Automatisch programma "zicht"
Voor een maximale afkoeling of opwarming van het interieur kan de temperatuurregeling op een waarde lager dan 14 of hoger dan 28 worden ingesteld. Duw de toets 2 of 3 omlaag tot "LO"wordt weergegeven of omhoog tot "HI" wordt weergegeven.
Raadpleeg de paragraaf "Ontwasemen - Ontdooien voor".
Het is mogelijk één of meer functies van de airconditioning handmatig in te stellen, terwijl de overige functies automatisch worden geregeld. Zodra u een instelling wijzigt, dooft het lampje van de toets "AUTO" .
Handmatig instellen
De airconditioning functioneert, als de ruiten gesloten zijn, optimaal in elk seizoen.
Airconditioning AAN/UIT
Dit systeem maakt het mogelijk om: - in de zomer de temperatuur in het interieur te verlagen, - in de winter, bij temperaturen hoger dan 3°C, de ruiten sneller te ontwasemen.
Inschakelen Druk op de toets A/C , het desbetreffende lampje gaat branden. De airconditioning werkt niet als de regeling voor de luchtopbrengst is uitgeschakeld.
Uitschakelen Druk de toets "A /C " nogmaals in, het desbetreffende lampje gaat uit. Het uitschakelen van de airconditioning kan negatieve effecten hebben (vocht, condens).
Druk nogmaals op de toets "AUTO" om terug te keren naar het automatisch programma "comfort".
Temperatuurregeling
De bestuurder en voorpassagier kunnen de temperatuur afzonderlijk naar wens instellen. De op het display weergegeven waarde heeft
betrekking op een bepaald comfortniveau en niet op de temperatuur in graden Celsius of Fahrenheit.
Duw de impulstoets 2 of 3 omlaag (blauw) om de waarde te verlagen of omhoog (rood) om de waarde te verhogen.
Page 74 of 336

72
Comfort
Vermijd het te lang rijden met een uitgeschakeld systeem om te voorkomen dat de ruiten beslaan of de luchtkwaliteit vermindert. Als u op de toets " gevulde ventilator " drukt, wordt het systeem weer ingeschakeld waarbij de instellingen van vóór de uitschakeling worden toegepast.
Gebruik de luchtrecirculatie alleen als dit echt nodig is (kans op beslaan van de ruiten en vermindering van de luchtkwaliteit).
Uitschakelen van het systeem
Toevoer van buitenlucht/luchtrecirculatie
Druk op deze toets "gevulde ventilator" om de luchtopbrengst te verhogen.
Regeling luchtverdeling Druk op de toets "lege ventilator" tot het symbool van de ventilator is verdwenen en "---" wordt weergegeven.
Hierdoor worden alle functies van de airconditioning uitgeschakeld. Het thermische comfort wordt niet meer geregeld. Door de rijwind blijft er nog wel een kleine luchtstroom gehandhaafd.
Druk deze toets in om de lucht in het interieur te laten recirculeren. Het lampje van de toets gaat branden en het symbool van de luchtrecirculatie wordt weergegeven.
Deze stand dient om de toevoer van buitenlucht bij stank en stofoverlast af te sluiten. De luchtrecirculatie wordt automatisch ingeschakeld als de ruitensproeiers worden geactiveerd. Druk zodra de omstandigheden het toelaten de toets nogmaals in om de toevoer van buitenlucht weer te activeren en het beslaan van de ruiten te voorkomen. Het lampje van de toets gaat uit.
Druk deze toets herhaaldelijk in om de luchtstroom te verdelen naar:
- de voorruit, de zijruiten en de beenruimte, - de voorruit en zijruiten (ontwasemen of ontdooien), - de middelste ventilatieroosters en zijventilatieroosters, - de middelste ventilatieroosters, de zijventilatieroosters en de beenruimte, - de beenruimte.
Regeling luchtopbrengst
Het symbool van de luchtopbrengst (ventilator) wordt op het display weergegeven en wordt afhankelijk van de ingestelde waarde geleidelijk voller.
Druk op deze toets "lege ventilator" om de luchtopbrengst te verlagen.
Page 78 of 336

76
Comfort
USB-/Jack-aansluiting
Deze aansluitmodule, die bestaat uit een JACK-aansluiting en een USB-poort, bevindt zich op de middenconsole. Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten, zoals een iPod ® of een USB-stick. ® of een USB-stick. ®
Dankzij de aansluitmodule kunt u de audiobestanden op uw draagbare apparatuur beluisteren via de luidsprekers van uw audiosysteem. U kunt deze bestanden beheren met de toetsen op het stuur wiel of het bedieningspaneel van de autoradio en ze weergeven op het display van het instrumentenpaneel.
Tijdens het gebruik van de USB-poort kan de draagbare apparatuur automatisch worden opgeladen.
Raadpleeg voor meer informatie over
het gebruik van deze uitrusting de rubriek "Audio en telematica".
Page 84 of 336

82
Rijden
Handbediende parkeerrem
Aantrekken
Trek de hefboom van de parkeerrem aan om uw auto stil te zetten.
Vrijzetten
Trek de hefboom van de parkeerrem licht omhoog, druk de ontgrendelknop in en duw de hefboom geheel omlaag.
parkeerrem nog (iets) is aangetrokken. Draai bij het parkeren van de auto op een helling de wielen vast tegen het trottoir, trek de parkeerrem aan, schakel een versnelling in en zet het contact uit.
Als tijdens het rijden dit verklikkerlampje en het verklikkerlampje STOP branden in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, geeft dit aan dat de
Page 88 of 336

86
Rijden
Weergave op het instrumentenpaneel
Standen van de selectiehendel
N. Neutral (neutraalstand). R. Reverse (achteruitversnelling). 1, 2, 3, 4, 5 . Versnellingen in de handgeschakelde stand. AUTO. Verschijnt bij de selectie van de automatische stand en verdwijnt weer als de handbediende stand wordt geselecteerd.
Selecteer de stand N .
Starten van de auto
De aanduiding N op het display knippert als u de motor probeert te starten zonder dat de selectiehendel in de stand N staat.
Trap het rempedaal in als dit pictogram knippert (bijv.: starten van de motor).
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling klinkt een geluidssignaal. Geef bij het wegrijden op een helling geleidelijk gas ter wijl u de handrem
vrijzet.
Selecteer de eerste versnelling (stand Mof A ) of de achteruitversnelling (stand A ) of de achteruitversnelling (stand AR ). R ). R Zet de handrem vrij.
AUTO et 1 of R worden weergegeven op het instrumentenpaneel.
Stoppen - Wegrijden op een helling
Gebruik nooit het gaspedaal om de auto op een helling stil te laten staan, maar gebruik daarvoor de handrem.
Handbediende stand
AUTO verdwijnt en de ingeschakelde versnellingen verschijnen achtereenvolgend op het instrumentenpaneel.
Beweeg na het starten van de auto de selectiehendel in de stand M om de handbediende stand in te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnelling is alleen mogelijk als de snelheid van de auto en het motortoerental dit toestaan. Als de auto vrijwel geheel tot stilstand is gekomen, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht, schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar de eerste versnelling.
Tijdens het starten van de motor moet het rempedaal volledig worden ingetrapt.
Automatische stand
Selecteer vanuit de handbediende stand de stand A om terug te keren naar de automatische stand.
AUTO Op het instrumentenpaneel verschijnen de aanduidingen de ingeschakelde versnelling.
De versnellingsbak werkt dan automatisch, zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling, afhankelijk van de volgende parameters: - optimaal brandstofverbruik, - de rijstijl, - het profiel van de weg, - de belading van de auto.
Laat het rempedaal geleidelijk los en geef gas.
Trap het rempedaal volledig in.
De aanduiding N wordt weergegeven op het instrumentenpaneel.
Start de motor.
Page 89 of 336

87
4
Rijden
Auto-sequentiële stand
In de automatische stand kan de bestuurder altijd zelf ingrijpen door gebruik te maken van de flipper achter het stuur wiel. De flipper kan gebruikt worden in omstandigheden waarbij sneller terugschakelen gewenst is (naderen van een rotonde, verlaten van een parkeergarage met een steile helling, inhalen...). De versnellingsbak wordt dan in de desbetreffende versnelling geschakeld, als de snelheid van de auto en het motortoerental dit toestaan. De aanduiding AUTO blijft op het display staan. Na enige tijd gaat de versnellingsbak weer over op de automatische stand.
Trap om krachtig te accelereren, bijvoorbeeld voor een inhaalmanoeuvre, het gaspedaal met kracht in, tot voorbij het zware punt.
Kruipfunctie * (rijden zonder
gas te geven)
Dankzij deze functionaliteit kan bij zeer lage snelheden (inparkeren, filerijden enz.) soepeler gereden worden. Als de motor stationair draait, de handrem is vrijgezet en de stand A , M of R is geselecteerd, gaat de auto langzaam rijden zodra u het rempedaal loslaat (zonder dat u het gaspedaal hoeft in te trappen). Uit veiligheidsover wegingen wordt deze functie uitsluitend geactiveerd als u het rempedaal tijdens het inschakelen van een versnelling vooruit of de achteruitversnelling intrapt. De functie wordt gedeactiveerd als het bestuurdersportier wordt geopend. Als het bestuurdersportier vervolgens wordt gesloten en het rempedaal of het gaspedaal wordt ingetrapt, wordt de functie weer geactiveerd.
Laat nooit kinderen onbewaakt in de auto achter als de motor draait.
De auto begint niet langzaam te rijden zonder het gaspedaal in te trappen als met draaiende motor de selectiehendel meer dan 2 seconden in de stand Nstaat en als het rempedaal niet wordt ingetrapt wanneer de stand A , M of Rwordt geselecteerd.
* Uitsluitend voor uitvoeringen met een benzinemotor.
Page 90 of 336

88
Rijden
Zet de selectiehendel tijdens het rijden nooit in de stand N (neutraalstand). Zet de selectiehendel alleen in de stand R (achteruit) als de auto volledig stilstaat en het rempedaal is ingetrapt. Trek altijd de handrem aan om de auto volledig stil te zetten.
Storing
Als bij aangezet contact dit verklikkerlampje gaat branden en de aanduiding AUTO gaat knipperen in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display, duidt dit op een storing in de versnellingsbak. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Parkeren van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u de selectiehendel in de stand N zetten om de neutraalstand te selecteren. Trek in dat geval altijd de handrem aan om de auto volledig stil te zetten. AUTO Op het - instrumentenpaneel verschijnen de aanduidingen en.
Selecteer de stand N .
Resetten
Nadat de accukabels los zijn geweest, moet de versnellingsbak gereset worden. Zet het contact aan.
Trap het rempedaal volledig in.
Wacht ongeveer 30 seconden tot op het instrumentenpaneel de aanduiding N of de ingeschakelde versnelling verschijnt.
Laat het rempedaal los.
De versnellingsbak werkt dan weer normaal.
Page 92 of 336

90
Rijden
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling klinkt een geluidssignaal.
De aanduiding N op het display knippert als u de motor probeert te starten zonder dat de selectiehendel in de stand N staat.
Trap om krachtig te accelereren (bijvoorbeeld voor een inhaalmanoeuvre) het gaspedaal met kracht in, tot voorbij het zware punt.
Weergave op het instrumentenpaneel Starten van de auto Automatische bediening
Standen van de selectiehendel
N. Neutral (neutraalstand). R. Reverse (achteruitversnelling). 1, 2, 3, 4, 5, 6. Versnellingen bij handmatig schakelen. AUTO. Gaat branden als u kiest voor automatische bediening en gaat uit als u kiest voor handmatige bediening.
Trap het rempedaal in als dit
verklikkerlampje knippert (bijv.: starten van de motor).
Selecteer de stand N .
Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de aanduiding N .
Selecteer de automatische bediening (stand A ), de handmatige bediening (stand A ), de handmatige bediening (stand AM ) of de achteruitversnelling (stand R ). R ). R Zet de handrem vrij.
Op het display van het instrumentenpaneel verschijnen de aanduidingen AUTO en 1 , 1 of R .
Start de auto en selecteer de stand A om voor de automatische bediening te kiezen.
Op het display van het instrumentenpaneel verschijnen de aanduiding AUTO en de ingeschakelde versnelling.
De versnellingsbak werkt dan automatisch, zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling, afhankelijk van de volgende parameters: - de rijstijl, - het profiel van de weg. Als bij het starten het rempedaal niet (volledig) wordt ingetrapt, knippert op het instrumentenpaneel de aanduiding voet op het rempedaal in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display van het instrumentenpaneel.
Neem uw voet van het rempedaal en geef gas.
Houd het rempedaal volledig ingetrapt. Start de motor.
Page 93 of 336

91
4
Rijden
Als bij stapvoets rijden de achteruitversnelling wordt geselecteerd, wordt deze pas ingeschakeld als de auto volledig tot stilstand is gekomen. Op het display van het instrumentenpaneel wordt een pictogram weergegeven.
Handmatig schakelen Handmatig schakelen
Bij krachtig accelereren wordt de hoogste versnelling niet ingeschakeld als de bestuurders de flippers achter het stuurwiel niet bedient. Selecteer de neutraalstand N nooit tijdens het rijden. Selecteer de achteruitversnelling (stand R ) uitsluitend als de auto volledig R ) uitsluitend als de auto volledig Rstilstaat en de voet op het rempedaal
wordt gehouden.
Bij de automatische bediening blijft het altijd mogelijk om zelf te schakelen met behulp van de flippers achter het stuur wiel, bijvoorbeeld om even snel in te halen. Bedien de flippers "+" of "-" . De versnellingsbak wordt dan in de gevraagde versnelling geschakeld, als de snelheid van de auto en het motortoerental dit toestaan. De
aanduiding AUTO blijft op het display staan. Als de flippers enige tijd niet meer gebruikt worden, gaat de versnellingsbak weer over op de automatische stand.
Zet na het starten de selectiehendel in de stand M om handmatig te schakelen. Beweeg de hendel in de richting van het symbool "+" om op te schakelen. Beweeg de hendel in de richting van het
symbool "-" om terug te schakelen.
De achtereenvolgend ingeschakelde versnellingen worden weergegeven op het display van het instrumentenpaneel.
Het schakelen naar een andere versnelling is alleen mogelijk als de snelheid van de auto en het motortoerental dit toestaan. Het is niet noodzakelijk om bij het schakelen het gaspedaal los te laten. Bij het remmen of het verminderen van de snelheid schakelt de versnellingsbak automatisch terug, zodat de juiste versnelling is geselecteerd op het moment dat u het gaspedaal weer intrapt.