sensor PEUGEOT 3008 2017 Instructieboekje (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2017, Model line: 3008, Model: PEUGEOT 3008 2017Pages: 566, PDF Size: 61.63 MB
Page 253 of 566

251
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Uitschakelen / InschakelenStoring
In het geval van een storing wordt u
gewaarschuwd door het branden van
dit verklikkerlampje in combinatie met
een melding en een geluidssignaal.
Reinig de voorruit, met name het
gedeelte vóór de camera, regelmatig.
Laat geen sneeuw op de motorkap
of op het dak liggen, omdat de
detectiecamera erdoor kan worden
afgedekt.
Ver wijder modder, sneeuw enz. van de
vo o r b u m p e r.
Neem contact op met het P
e
ugeot
-
n
etwerk of een gekwalificeerde
werkplaats alvorens de voorbumper te
spuiten of de lak ervan bij te werken.
Bepaalde laksoorten kunnen de
werking van de radar beïnvloeden.
Controleer of de sensoren (camera en radar)
niet zijn bedekt met vuil, modder, ijs, sneeuw
enzovoort.
Als de storing aanhoudt, neem dan contact op met
het P
e
ugeot
-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats om het systeem te laten controleren.
Standaard wordt het systeem automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart.
Het systeem kan worden uit- of ingeschakeld via
het configuratiemenu op het scherm van de auto.
Het uitschakelen van het systeem
wordt gesignaleerd door het
branden van dit verklikkerlampje, in
combinatie met de weergave van een
melding.ond er de volgende omstandigheden
werkt de camera mogelijk minder goed
of helemaal niet:
-
s
lecht zicht (slecht verlichte weg,
sneeuwval, zware regenval, dichte
mist enz.),
-
v
erblinding (verlichting van een
tegenligger, laagstaande zon,
reflectie op nat wegdek, uitrijden
van een tunnel, sterke afwisseling
van schaduw en licht enz.),
-
d
e camera of de radar is bedekt
met modder, ijs, sneeuw enz.
ond
er deze omstandigheden werkt het
detectiesysteem mogelijk minder goed.
6
Rijden
Page 262 of 566

260
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Dodehoekbewakingssysteem
Dit systeem waarschuwt de bestuurder
wanneer zich een ander voertuig in de dode
hoek van zijn auto bevindt, dat een potentieel
gevaar betekent.
Inschakelen / Uitschakelen
De functie kan worden ingeschakeld
en uitgeschakeld via het menu
Rijden van het touchscreen.
Selecteer het tabblad " Rijhulpsystemen" en
vervolgens " Dodehoekbewaking ".
In de buitenspiegel aan de zijde waar zich dat
voertuig bevindt, brandt dan permanent een
lampje:
-
d
irect, wanneer u wordt ingehaald,
-
n
a circa een seconde, wanneer u
langzaam een andere auto inhaalt.
Het systeem dient als hulp voor de
bestuurder maar kan nooit een vervanging
zijn voor de spiegels. De bestuurder blijft
te allen tijde verantwoordelijk voor het op
tijd waarnemen wat er zich achter hem
bevindt, het inschatten van de snelheid en
afstand van achteropkomend verkeer en
de beslissing of hij al dan niet veilig van
rijstrook kan wisselen.
Dit systeem is een hulpmiddel voor de
bestuurder die echter te allen tijde zijn
aandacht op het verkeer moet blijven
vestigen.
op h
et instrumentenpaneel gaat dit
verklikkerlampje branden.
Selecteer om deze functie
uit te schakelen nogmaals
" Dodehoekbewaking " in het tabblad
" Rijhulpsystemen ".
Het verklikkerlampje gaat uit.
Sensoren in de voor- en achterbumper
controleren de dode hoek van de auto.
Bij het afzetten van het contact wordt de status
van het systeem opgeslagen.
De dodehoekbewaking wordt automatisch
uitgeschakeld als u een aanhanger trekt
met een door het P
e
ugeot
-
netwerk
gehomologeeerde trekhaak.
Rijden
Page 264 of 566

262
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Storing
Wassen met hogedrukspuit
Houd tijdens het wassen van de auto
het uiteinde van de hogedrukspuit op
minimaal 30 cm van de sensoren.Bij slechte weersomstandigheden
(zware regen, hagel enz.) kan het
systeem tijdelijk minder nauwkeurig
werken.
Vooral het rijden op een nat wegdek
of van een droog wegdek op een nat
wegdek terechtkomen kan tot een
vals alarm leiden (zo kan een wolk
waterdruppels in de dode hoek worden
aangezien voor een voertuig).
Let er bij slecht weer en in de winter
altijd op dat de sensoren niet met
modder, sneeuw of ijs bedekt zijn.
Plak geen stickers of andere zaken op
het gedeelte onder de buitenspiegels
waar de waarschuwingslampjes zitten,
omdat de de dodehoekbewaking dan
mogelijk niet goed werkt. Dit geldt ook
voor de detectiezones op de voor- en
achterbumper.
Bij een storing in het systeem knippert dit
verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
enkele ogenblikken in combinatie met het
branden van het verklikkerlampje S
eR
VIC
e
en
de weergave van een melding.
Raadpleeg het P
e
ugeot
-
netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Als aanvulling op het permanent branden van het
verklikkerlampje in de buitenspiegel aan de desbetreffende
zijde, geeft het Lane Keeping System bij het overschrijden van
een rijstrookmarkering met ingeschakelde richtingaanwijzers
een rukje aan het stuur wiel om u te helpen een aanrijding met
het voertuig in de dode hoek te voorkomen.
Lane Keeping System
Werkingsvoorwaarden
De volgende systemen moeten zijn
ingeschakeld:
-
Dodehoekbewakingssysteem,
-
L
ane Keeping System.
Raadpleeg de desbetreffende
rubrieken voor meer informatie over het
Dodehoekbewakingssysteem en het Lane
Keeping System .
Rijden
Page 265 of 566

263
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Parkeerhulp
Deze functie signaleert met behulp van
sensoren in de bumper obstakels in de
nabijheid van de auto (zoals voetgangers,
auto's, bomen en slagbomen) die binnen het
detectiebereik vallen.
Bepaalde obstakels (zoals paaltjes en pionnen)
die aanvankelijk wel worden gedetecteerd,
worden mogelijk niet meer gedetecteerd als ze
zich in de dode hoek van het detectiebereik van
de sensoren bevinden.Deze functie is een hulpsysteem: de
bestuurder dient altijd alert te blijven.
Parkeerhulp achter
De functie wordt geactiveerd zodra de
achteruitversnelling wordt ingeschakeld.
Dit wordt bevestigd door een geluidssignaal.
Zodra de achteruitversnelling wordt
uitgeschakeld, is de functie niet meer actief.
Geluidssignalen
De bestuurder wordt via een onderbroken
geluidssignaal gewaarschuwd bij het naderen van
obstakels. De frequentie van het geluidssignaal
neemt toe naarmate de auto het obstakel nadert.
Aan de weergave van het geluidssignaal via de
luidspreker (rechts of links) is te herkennen aan
welke zijde van de auto het obstakel zich bevindt.
Zodra de afstand tussen de auto en het obstakel
kleiner wordt dan dertig centimeter, klinkt het
geluidssignaal ononderbroken.
Grafische weergave
De grafische weergave is een aanvulling op het
geluidssignaal. op h et scherm worden blokken
weergegeven die het pictogram van de auto
steeds dichter naderen.
Als de auto het obstakel zeer dicht genaderd is,
verschijnt het symbool "
ge
vaar" op het scherm.
6
Rijden
Page 266 of 566

264
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Parkeerhulp vóór
De functie wordt automatisch uitgeschakeld
zodra een aanhanger wordt aangekoppeld
of een fietsendrager op de trekhaak wordt
gemonteerd (auto's voorzien van een
trekhaak die volgens de voorschriften van
de fabrikant is gemonteerd).
Controleer bij slecht weer of in winterse
omstandigheden of de sensoren
soms bedekt zijn met modder, ijs
of sneeuw. Bij het inschakelen van
de achteruitversnelling geeft een
geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat
de sensoren vuil kunnen zijn.
De parkeerhulp kan geluidssignalen
geven als reactie op bepaalde
omgevingsgeluiden (motoren,
vrachtwagens, drilboren, enz.).
Aan de hand van het geluid dat via de luidspreker
(voor of achter) wordt weergegeven, is te herkennen
of het obstakel zich voor of achter de auto bevindt.
Uitschakelen/activeren
De functie kan worden uitgeschakeld of
geactiveerd via het configuratiemenu op het
scherm van de auto.
De status van de functie wordt opgeslagen bij
het afzetten van het contact.
De parkeerhulp is uitgeschakeld wanneer de
functie Park Assist bezig is de beschikbare
ruimte van een parkeerplaats te meten.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de functie Park Assist.
Storing
Wassen met hogedrukspuit
Houd tijdens het wassen van de auto
het uiteinde van de hogedrukspuit op
minimaal 30 centimeter van de sensoren.Als er een storing optreedt bij het
inschakelen van de achteruitversnelling,
gaat op het instrumentenpaneel dit
verklikkerlampje branden, in combinatie
met de weergave van een melding en
een geluidssignaal (kort piepsignaal).
Raadpleeg het Pe
ugeot- netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats om het systeem te laten controleren.
De parkeerhulp vóór is een aanvulling op de
parkeerhulp achter en wordt geactiveerd zodra
er bij een wagensnelheid van maximaal 10 km/h
vóór de auto een obstakel wordt gedetecteerd.
De parkeerhulp vóór wordt uitgeschakeld zodra
de auto langer dan drie seconden stilstaat met
een ingeschakelde versnelling vooruit, als er
geen obstakel meer wordt gedetecteerd of
wanneer de wagensnelheid hoger wordt
dan 10 km/h.
Rijden
Page 267 of 566

265
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Panoramacamera
Algemeen
Visiopark 1 - Visiopark 2
Bij dit systeem worden op het touchscreen
beelden van de nabije omgeving van de auto
weergegeven. Deze beelden zijn afkomstig
van één camera (Visiopark 1) of twee camera's
(Visiopark 2).Het scherm wordt in twee vensters opgedeeld:
links wordt de omgeving weergegeven zoals
die door de camera('s) wordt geregisteerd
en rechts wordt een samengesteld beeld van
bovenaf van de auto weergegeven.
De informatie van de parkeerhulpsensoren
wordt ook weergegeven op het beeld van
bovenaf van de auto.
In het venster links kan de omgeving op
verschillende manieren worden weergegeven:
-
standaardweergave,
-
180°-weergave,
-
s
amengestelde zoom-weergave.Standaard is de stand A
u
to
g
eactiveerd.
In deze stand kiest het systeem de beste
weergave (standaard of zoom) afhankelijk van
de informatie die door de parkeerhulp wordt
doorgegeven.
u
kunt tijdens het manoeuvreren op elk
gewenst moment de weergave wijzigen.
F
D
ruk op de toets in de hoek links onder van
het touchscreen.
F
Sel
ecteer een type weergave:
● " Standard view ",
● " 180° view ",
● " Zoom view ",
● " AUTO view ".
De weergave wordt onmiddellijk aangepast aan
het geselecteerde type.
De status van de functie wordt niet opgeslagen
bij het afzetten van het contact.
6
Rijden
Page 268 of 566

266
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
De door de camera('s) geproduceerde
beelden kunnen door het reliëf worden
ver vormd.
Bij zonnig weer of onvoldoende
omgevingslicht kunnen er
schaduwzones ontstaan; het beeld is
dan donkerder en minder contrastrijk.
Onderhoud
Zorg er bij slecht of winters weer voor dat de
sensoren en camera's niet bedekt raken met
modder, ijs of sneeuw.
Controleer geregeld of de lenzen van de
camera's schoon zijn.
Reinig de camera's indien nodig met een
zachte en droge doek.
Wassen met een hogedrukreiniger
Houd tijdens het wassen van de auto de
spuitmond van de hogedrukreiniger op meer
dan 30 cm van de camera's.
Dit systeem helpt de bestuurder die zelf
echter altijd attent moet blijven.
Principe van de beeldsamenstelling
Dit systeem registreert tijdens het
manoeuvreren met behulp van één of twee
camera's de omgeving van de auto.
Het beeld van bovenaf van de auto en
van zijn nabije omgeving wordt in real
time samengesteld en aangepast aan de
verplaatsing van de auto.
Deze weergave maakt het recht inparkeren
gemakkelijker en biedt de mogelijkheid alle
obstakels in de buurt van de auto te zien.
Deze samengestelde weergave verdwijnt
automatisch als de auto langere tijd stilstaat. Bij de Visiopark 2 wordt het beeld samengesteld
met behulp van twee camera's, zowel bij het
vooruitrijden als bij het achteruitrijden.
Als de functie wordt geactiveerd, wordt het
centrale deel mogelijk niet weergegeven. Als
de functie wordt geactiveerd ter wijl de auto al
gereden heeft, wordt het centrale deel mogelijk
wel volledig weergegeven.
Rijden
Page 269 of 566

267
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Visiopark 1
Camera achter
De op de achterklep gemonteerde camera
achter is actief als de achteruitversnelling
is ingeschakeld en de snelheid niet hoger is
dan 10 km/h.
De functie wordt uitgeschakeld:
-
a
utomatisch, als de snelheid hoger wordt
dan ongeveer 10 km/h,
-
a
utomatisch, als de achterklep wordt
geopend,
-
a
ls uit de achteruitversnelling wordt
geschakeld (het beeld blijft nog gedurende
7 seconden weergegeven worden),
-
a
ls op het rode kruis in de hoek links boven
van het touchscreen wordt gedrukt.
Stand AUTO
Deze stand is standaard geactiveerd.
Als een obstakel wordt genaderd, wordt dankzij
de sensoren in de achterbumper automatisch
overgeschakeld van de weergave van de
omgeving achter de auto naar de weergave van
het beeld van bovenaf van de auto.
Standaardweergave
Het gebied achter de auto wordt weergegeven
op het scherm.
De blauwe lijnen geven de breedte van de
auto weer met uitgeklapte buitenspiegels; ze
verplaatsen zich afhankelijk van de stand van
het stuurwiel.
De rode lijn geeft een afstand van 30 cm
achter de achterbumper weer; de twee blauwe
lijnen een afstand van 1 en 2 meter achter de
achterbumper.
Deze weergave is beschikbaar in de stand
A
u
to of door hem te selecteren in het menu
voor het veranderen van de weergave.
6
Rijden
Page 272 of 566

270
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Weergave van de omgeving voor en achter de autoStand AUTO
Deze stand wordt standaard geactiveerd.
Als een obstakel wordt genaderd, wordt dankzij
de sensoren in de voorbumper automatisch
overgeschakeld van de weergave van de
omgeving vóór de auto naar de weergave van
het beeld van bovenaf van de auto.
Standaardweergave
Het gebied vóór de auto wordt weergegeven op
het scherm.
De blauwe lijnen geven de breedte van de auto
weer met uitgeklapte spiegels; ze verplaatsen
zich afhankelijk van de stand van het stuur wiel.
De rode lijn geeft een afstand weer van 30 cm
vanaf de voorbumper; de twee blauwe lijnen
een afstand van 1 en 2 m.
Deze weergave is beschikbaar in de
stand A
u
to of door hem te selecteren in het
menu voor het veranderen van de weergave.
Bij draaiende motor en een
wagensnelheid van maximaal 20 km/h
kunt u deze functie activeren via het
menu
Rijden van het touchscreen:
F
Selecteer " Panoramacamera ".
De stand Au to wordt standaard gebruikt, met een
weergave van de omgeving vóór de auto als de
versnellingsbak in de neutraalstand staat of een
vooruitversnelling is ingeschakeld, en een weergave
van de omgeving achter de auto achter als de
achteruitversnelling is ingeschakeld.
De functie wordt gedeactiveerd:
- automatisch, als de wagensnelheid hoger wordt dan ongeveer 30 km/h (het beeld verdwijnt
tijdelijk vanaf een snelheid van 20 km/h),
- door op het rode kruis in de hoek links boven van het touchscreen te drukken.
Rijden
Page 274 of 566

272
3008-2_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Park Assist
Dit systeem assisteert u actief bij het parkeren: het
detecteert een parkeerplek en neemt vervolgens
het sturen van u over bij het inparkeren.
Het systeem bedient de stuurinrichting
ter wijl de bestuurder het gaspedaal, het
rempedaal, de versnellingsbak en de koppeling
(handgeschakelde versnellingsbak) bedient.
ti
jdens het in- en uitparkeren informeert het
systeem de bestuurder met beelden op het
scherm en geluidssignalen, zodat hij erop
kan toezien dat de manoeuvres veilig worden
uitgevoerd. Bij het parkeren kan het noodzakelijk
zijn dat u enkele keren moet steken.
ti
jdens de manoeuvres draait het
stuur wiel snel rond: houd daarom het
stuur wiel niet tegen, steek niet uw
handen tussen de spaken en zorg dat
ook uw kleding, uw sjaal of stropdas,
uw handtas en dergelijke niet tussen de
spaken terechtkomen - Kans op letsel!
Als de Park Assist is geactiveerd, gaat
het Stop & Start-systeem niet over op
de S
t
o
P
-stand. In de S
t
o
P
-stand
wordt bij het activeren van de Park
Assist de motor weer gestart.
Dit systeem is een hulpmiddel voor de
bestuurder die echter te allen tijde zijn
aandacht op het verkeer moet blijven
vestigen.
De bestuurder moet ervoor zorgen dat de
auto tijdens de gehele manoeuvre onder
controle blijft en geen obstakels kan raken.
ond
er bepaalde omstandigheden detecteren
de sensoren mogelijk geen kleine obstakels
die zich in hun dode hoeken bevinden.
De bestuurder kan op elk gewenst moment het
stuur zelf weer overnemen. De Park Assist assisteert u bij de volgende
parkeermanoeuvres:
A.
Fileparkeren.
B.
u
it
parkeren na fileparkeren.C.
H
aaks inparkeren.
De functie Park Assist werkt niet als de
motor is afgezet.
Rijden