Richting Peugeot Boxer 2020 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2020, Model line: Boxer, Model: Peugeot Boxer 2020Pages: 196, PDF Size: 5.19 MB
Page 68 of 196

66
Veiligheid
Overzichtstabel van zitplaatsen geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes
Volgens de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de auto die van
ISOFIX-bevestigingen is voorzien.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter ( A t/m
G).
Tot 10 kg
(categorie 0)
Tot ca. 6 maanden Tot 10 kg
(categorie 0) Tot 13 kg
(categorie 0+)
Tot ongeveer 1 jaar Van 9 tot 18 kg
(groep 1)
Van 1 tot ongeveer 3 jaar
Type
ISOFIX-kinderzitje Reiswieg
"Rug in de rijrichting" "Gezicht in de rijrichting"
ISOFIX-maat FG CD EC DA B1
Zitplaatsen
achterin aan de
buitenkant van rij
2 met afzonderlijke
zitplaatsen in Rij 1
IUF IUF IUF
Zitplaats Gewicht van het kind en leeftijdsindicatie
Tot 13 kg
(groepen 0 (tot)
en 0+)
Tot ongeveer 1 jaar Van 9 tot 18 kg
(groep 1)
Van ongeveer 1 tot
3 jaarVan 15 tot 25 kg
(groep 2)
Van ongeveer 3 tot
6 jaarVan 22 tot 36 kg
(groep 3)
Van ongeveer 6 tot
10 jaar
Passagiersstoel voor (b) U
Bank voor voorpassagier met middelste en buitenste
zitplaatsen (b)
Middelste en buitenste zitplaatsen op rij 2 en 3
(a) Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg.
(b) Raadpleeg de wettelijke bepalingen van uw land voordat u een kinderzitje op deze plaats bevestigt.
U Zitplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd kinderzitje met een veiligheidsgordel, zowel "met de rug in de rijrichting" als
"met het gezicht in de rijrichting".
ISOFIX-bevestigingen
Als uw voertuig is uitgerust met ISOFIX-
bevestigingspunten, worden deze met labels
aangegeven.
Elke zitplaats is voorzien van drie
bevestigingsringen:
– twee ringen vooraan, tussen de rugleuning en de zitting van de stoel.
– een ring achteraan, voor bevestiging van de bovenste riem, de TOP TETHER.
Page 69 of 196

67
Veiligheid
5Met de ISOFIX-bevestigingen kan een kinderzitje
veilig, degelijk en snel in het voertuig worden
gemonteerd.
ISOFIX-kinderzitjes beschikken over
twee vergrendelingen die aan de twee
bevestigingsringen vóór kunnen worden
bevestigd.
Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien
van een bovenste bevestigingsriem die kan worden vastgemaakt aan de achterste
bevestigingsring.
Als u deze riem wilt bevestigen, moet u de
hoofdsteun verwijderen van de zitplaats waarop
u het kinderzitje wilt plaatsen en de hoofdsteun
opbergen (plaats de hoofdsteun terug zodra het
kinderzitje weer is verwijderd). Bevestig daarna
de hoek aan de achterste ring en bevestig de
bovenste riem.Wanneer een kinderzitje niet goed is
bevestigd, kan de veiligheid van het kind
bij een ongeval in gevaar komen.
Zie de overzichtstabel voor het plaatsen van
ISOFIX-kinderzitjes wanneer u een ISOFIX-
kinderzitje in het voertuig wilt plaatsen.
Overzichtstabel van zitplaatsen geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes
Volgens de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de auto die van
ISOFIX-bevestigingen is voorzien.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter ( A t/m
G).
Tot 10 kg
(categorie 0)
Tot ca. 6 maanden Tot 10 kg
(categorie 0) Tot 13 kg
(categorie 0+)
Tot ongeveer 1 jaar Van 9 tot 18 kg
(groep 1)
Van 1 tot ongeveer 3 jaar
Type
ISOFIX-kinderzitje Reiswieg
"Rug in de rijrichting" "Gezicht in de rijrichting"
ISOFIX-maat FG CD EC DA B1
Zitplaatsen
achterin aan de
buitenkant van rij
2 met afzonderlijke
zitplaatsen in Rij 1
IUF IUF IUF
Page 70 of 196

68
Veiligheid
Tot 10 kg
(categorie 0)
Tot ca. 6 maandenTot 10 kg
(categorie 0) Tot 13 kg
(categorie 0+)
Tot ongeveer 1 jaar Van 9 tot 18 kg
(groep 1)
Van 1 tot ongeveer 3 jaar
Type
ISOFIX-kinderzitje Reiswieg
"Rug in de rijrichting" "Gezicht in de rijrichting"
ISOFIX-maat FG CD EC DA B1
Zitplaatsen
achterin aan de
buitenkant van rij
2 met achterbank
in Rij 1
IUF XIUF X IUF
IUF Zitplaats geschikt voor plaatsing van een universeel ISOFIX-kinderzitje. ISOFIX-kinderzitje voorzien van bovenste riem bevestigd aan de bovenste
ring van de zitplaatsen met ISOFIX in het voertuig.
X Zitplaats die niet geschikt is voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje van de aangegeven lengtecategorie.
Kinderslot
Dit slot voorkomt dat de schuifdeur van binnenuit
kan worden geopend.
► Druk op de knop op de rand van de zijdeur .
Page 72 of 196

70
Rijden
vermijden als bij het aankoppelen van een aanhanger een originele PEUGEOT-trekhaak
wordt gebruikt.
Tijdens het rijden
Koeling
Wanneer u op een helling rijdt en een aanhanger
sleept, stijgt de koelvloeistoftemperatuur. Het
maximale aanhangergewicht is afhankelijk van
het hellingspercentage en de buitentemperatuur.
Het koelvermogen van de ventilator neemt niet
toe met het motortoerental.
► Verlaag uw snelheid en het toerental om het opwarmen te beperken.
Let altijd goed op de koelvloeistoftemperatuur.
Als dit waarschuwingslampje gaat branden in combinatie met het
waarschuwingslampje STOP, stop dan zo snel
mogelijk en zet de motor uit.
Remsysteem
Met een aangekoppelde aanhanger heeft de
auto een langere remweg. Vermijd langdurig
gebruik van de remmen om te voorkomen dat de
remmen oververhit raken. Dan is het beter om
op de motor af te remmen.
Zijwind
Houd rekening met de verhoogde gevoeligheid
voor wind van uw auto.
Rijd voorzichtig en efficiënt
Neem de bochten met lage snelheid.
Anticipeer op het remmen, want de remweg is
langer, met name op nat of glad wegdek.
Wees bedacht op zijwind.
Door milieuvriendelijk te rijden kunt u liters
brandstof besparen: accelereer geleidelijk,
anticipeer op het remmen en pas uw snelheid
aan de situatie aan.
Geef ruim van te voren richting aan zodat andere
weggebruikers hierop kunnen anticiperen.
Ga zorgvuldig om met de auto
De banden moeten minimaal de op de sticker
aangegeven spanning hebben; op lange ritten is
het raadzaam de bandenspanning met 0,2 - 0,3
bar te verhogen.
Rijden op een overstroomde
weg
Probeer het rijden over overstroomde wegen zo
veel mogelijk te vermijden, want het water kan
de motor, versnellingsbak en het elektrische
systeem van uw auto ernstig beschadigen.
Bent u genoodzaakt over een overstroomd
weggedeelte te rijden, doe dan het volgende:
► controleer dat de diepte van het water nergens meer is dan 15 cm en houd daarbij rekening met de golven die kunnen worden
veroorzaakt door andere gebruikers,
► schakel de functie Stop & Start uit,► rijd zo langzaam mogelijk zonder de motor te laten afslaan. Rijd in elk geval niet sneller dan 10 km/h,► zet de auto niet stil en zet de motor niet af.Als u het overstroomde weggedeelte achter u
hebt gelaten, rem dan, zodra de verkeerssituatie
dat toelaat, meerdere keren licht af om de
remschijven en remblokken te drogen.
Als u twijfels hebt over de staat van uw auto,
neem dan contact op met het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Bij het trekken van een
aanhanger
Het rijden met een aanhanger heeft veel
invloed op het rijgedrag van de auto en
vergt daarom extra aandacht van de
bestuurder.
Houd u aan de maximale
aanhangergewichten.
Op hoogte: trek voor elke 1000 m hoogte
10% van het maximale aanhangergewicht af;
door een geringere luchtdichtheid nemen de
prestaties van de motor af als men op grotere
hoogte boven de zeespiegel komt.
Nieuwe auto: koppel geen aanhanger
achter de auto voordat deze een
kilometerstand van ten minste 1000 km heeft.
Als de buitentemperatuur hoog is, is het raadzaam de motor, als de auto stilstaat,
1 tot 2 minuten stationair te laten draaien om
de koeling te vergemakkelijken.
Controle voor vertrek
Kogeldruk
► Verdeel het gewicht in de caravan/aanhanger gelijkmatig, plaats zware voorwerpen zo dicht
mogelijk bij de as (op het punt van samenkomst
bij uw auto) en probeer de maximaal toegestane
kogeldruk zo dicht mogelijk te benaderen zonder
deze te overschrijden.
Banden
► Controleer de bandenspanning van de auto en de aanhanger en breng deze indien nodig op
de juiste waarde.
Verlichting
► Controleer de verlichting van de aanhanger en de hoogteverstelling van de koplampen van
uw auto.
De parkeerhulp wordt automatisch
uitgeschakeld om een geluidssignaal te
Page 80 of 196

78
Rijden
Handmatig wijzigen van de
wagenhoogte achter
De dorpel van het platform omhoog of
omlaag aanpassen
► Wanneer u kort op een van de knoppen drukt, kunt u een hogere of lagere stand
instellen. Telkens wanneer u op de knop drukt
(lampje brandt), gaat het systeem een stand
omhoog of omlaag.
Wanneer u lang op een van de knoppen
drukt, wordt de betreffende maximale stand
geselecteerd (-3 of +3).
Terug naar de normale dorpelhoogte
► Druk net zo vaak in de tegengestelde richting van de weergegeven positie.
Uitschakelen/weer inschakelen
► Houd beide knoppen tegelijkertijd ingedrukt om het systeem in of uit te schakelen.
De lampjes van de bediening gaan branden om
te bevestigen dat het systeem is uitgeschakeld.
Bij een snelheid hoger dan 5 km/u wordt
het systeem automatisch weer
ingeschakeld.
selecteer vervolgens de eenheid psi, bar of kPa
in het menu "Meeteenheid bandenspanning".
Zie het betreffende hoofdstuk voor meer
informatie over de configuratie van het
voertuig (MODE).
Waarschuwing te lage
bandenspanning
U krijgt deze waarschuwing als dit
waarschuwingslampje blijft branden in
combinatie met een geluidssignaal en,
afhankelijk van de uitvoering, een melding.
Wanneer er aan afwijking aan slechts één van
de banden wordt waargenomen, wordt deze
aangegeven met een symbool of een melding,
afhankelijk van de uitvoering.
► Verminder onmiddellijk uw snelheid en vermijd plotselinge stuurbewegingen en krachtig
remmen.
► Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Een te lage bandenspanning is niet altijd
aan de band te zien.
Beperk u daarom niet alleen tot een visuele
controle.
► Controleer als u een compressor in de auto hebt (bijvoorbeeld die van de
bandenreparatieset) de spanning van de vier
banden als deze zijn afgekoeld.
► Rijd voorzichtig verder als het niet mogelijk is om deze controle onmiddellijk uit te voeren.
► Gebruik in het geval van een lekke band de bandenreparatieset of het reservewiel
(afhankelijk van de uitvoering).
De waarschuwing wordt weergegeven
zolang de desbetreffende band(en) niet
op spanning is (zijn) gebracht, is (zijn)
gerepareerd of is (zijn) vervangen.
Storing
Als dit verklikkerlampje knippert en vervolgens permanent brandt in
combinatie met het branden van het
verklikkerlampje Service en, afhankelijk van de
uitvoering, de weergave van een melding, duidt
dit op een storing in het systeem.
In dat geval wordt de bandenspanning niet meer
gecontroleerd.
Deze waarschuwing wordt ook
weergegeven als een of meerdere wielen
niet zijn voorzien van een sensor.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren of monteer na reparatie van
de lekke band het oorspronkelijke wiel, dat is
voorzien van een sensor.
Pneumatische ophanging
Als uw voertuig is voorzien van een
pneumatische ophanging, dan kunt u de hoogte
van de achterste dorpel aanpassen zodat u
gemakkelijker kunt laden en lossen.
Dit systeem heeft een normale dorpelhoogte en 3 hogere standen (van +1 tot en met +3) en 3 lagere standen (van -1 tot en met -3). Elk niveau wordt op het display van het instrumentenpaneel
weergegeven.
Page 81 of 196

79
Rijden
6Handmatig wijzigen van de
wagenhoogte achter
De dorpel van het platform omhoog of
omlaag aanpassen
► Wanneer u kort op een van de knoppen drukt, kunt u een hogere of lagere stand
instellen. Telkens wanneer u op de knop drukt
(lampje brandt), gaat het systeem een stand
omhoog of omlaag.
Wanneer u lang op een van de knoppen
drukt, wordt de betreffende maximale stand
geselecteerd (-3 of +3).
Terug naar de normale dorpelhoogte
► Druk net zo vaak in de tegengestelde richting van de weergegeven positie.
Uitschakelen/weer inschakelen
► Houd beide knoppen tegelijkertijd ingedrukt om het systeem in of uit te schakelen.
De lampjes van de bediening gaan branden om
te bevestigen dat het systeem is uitgeschakeld.
Bij een snelheid hoger dan 5 km/u wordt
het systeem automatisch weer
ingeschakeld.
Automatisch wijzigen van de wagenhoogte achter
Bij een wagensnelheid hoger dan 20 km/h, wordt
de wagenhoogte achter automatisch op de
nominale stand teruggebracht.
Storing
In het geval van een storing in dit systeem
gaat dit verklikkerlampje branden.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Het rijden met een te lage of te hoge
wagenhoogte kan schade aan de
onderzijde van de auto veroorzaken.
De wagenhoogte kan automatisch worden
bijgesteld afhankelijk van eventuele
wijzigingen in temperatuur of lading.
Gebruik dit systeem niet onder de volgende
omstandigheden:
– werkzaamheden onder de auto,– het verwisselen van een wiel,
– vervoeren van de auto met een vrachtauto, trein, veerpont, enz.
Controleer alvorens de wagenhoogte hoger of
lager in te stellen of er zich geen voorwerpen
of personen dicht bij de auto bevinden om
beschadiging van de auto of letsel aan
personen te voorkomen.
Rij- en
parkeerhulpsystemen -
Algemene adviezen
Ondanks de aanwezigheid van rij- en
parkeerhulpsystemen moet de
bestuurder altijd alert blijven.
De bestuurder moet zich altijd aan de
verkeersregels houden, moet onder alle
omstandigheden de auto in zijn macht
hebben en moet te allen tijde in staat zijn
om de controle weer over te nemen. De
bestuurder moet de snelheid aanpassen aan
de weersomstandigheden, het verkeer en de
toestand van de weg.
De bestuurder moet te allen tijde het verkeer
in de gaten blijven houden en de snelheid
en afstand van achteropkomend verkeer
inschatten voordat richting aangegeven en
van rijstrook gewisseld wordt.
De systemen werken uitsluitend binnen de
grenzen van de natuurkundige wetten.
Rijhulpsystemen
De bestuurder moet beide handen aan
het stuurwiel houden, altijd de binnen- en
buitenspiegels gebruiken, altijd de voet
dichtbij de pedalen houden en iedere twee
uren pauze nemen.
Page 89 of 196

87
Rijden
6De functie in-/uitschakelen
► Druk het rem- of koppelingspedaal in of draai de ring in de stand OFF; het controlelampje gaat
uit.
Wanneer de dynamische stabiliteitsregeling
actief is, wordt de snelheidsregelaar tijdelijk
uitgeschakeld.
Herstellen - RES
Als u de geprogrammeerde snelheid van het
voertuig wilt herstellen (bijvoorbeeld nadat u het
rem- of koppelingspedaal hebt ingedrukt):
► Ga geleidelijk terug naar de gekozen snelheid en druk op de toets 3.Het controlelampje gaat branden; de
werking van de snelheidsregelaar is
hersteld.
Ingestelde snelheid wissen
De ingestelde snelheden worden uit het
geheugen gewist als het contact wordt afgezet.
Storing
Bij een storing stopt de functie met
werken en gaat het controlelampje uit.
Laat het systeem controleren door een
PEUGEOT-dealer of gekwalificeerde werkplaats.
Lane Departure Warning
System
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem registreert wanneer de
bestuurder onbedoeld een rijstrookmarkering
(doorgetrokken of onderbroken streep)
overschrijdt.
Bovenaan de voorruit is in het midden een
camera geplaatst; deze camera houdt de weg in
de gaten en ziet rijstrookmarkeringslijnen en de
positie van het voertuig ten opzichte van deze
lijnen.
Bij een rijsnelheid hoger dan 60 km/u wordt er
een alarm gegeven als het voertuig van zijn
rijrichting afwijkt.
Dit systeem is met name nuttig op snelwegen en
autowegen.
Wanneer de voorruit is beschadigd, raden
wij u aan om contact op te nemen met een PEUGEOT-dealer of gekwalificeerde werkplaats
om de camera eventueel te laten vervangen en/
of kalibreren.
Werking
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld als
de auto wordt gestart.
Deze twee verklikkerlampjes op
het instrumentenpaneel gaan
branden om aan te geven dat het systeem
controleert of aan de werkingsvoorwaarden
wordt voldaan.
Als aan de voorwaarden wordt voldaan, gaan
deze twee verklikkerlampjes uit. Het systeem is
dan geactiveerd.
Als niet meer aan de werkingsvoorwaarden
wordt voldaan, blijft het systeem wel
ingeschakeld maar is het niet meer actief. Dit
wordt aangegeven door het blijven branden
van deze twee verklikkerlampjes op het
instrumentenpaneel.
Werkingsvoorwaarden
Als het systeem is ingeschakeld, is het
systeem uitsluitend actief als aan de volgende
werkingsvoorwaarden wordt voldaan:
– De auto rijdt vooruit.– Er is geen enkele storing in de auto gesignaleerd.– De auto rijdt met een snelheid van minimaal 60 km/h.– De rijstrookmarkering is goed zichtbaar .– Het zicht is helder.
Page 90 of 196

88
Rijden
– De weg is recht (of maakt een flauwe bocht).– Het zichtveld is voldoende vrij van obstakels (er wordt voldoende afstand tot de voorligger
gehouden).
– Als de rijstrookmarkering wordt overschreden (bijvoorbeeld bij het uitvoegen), mag de
richtingaanwijzer voor de richting waarin de
rijstrook wordt verlaten (rechts of links) niet zijn
ingeschakeld.
– De rijrichting van de auto komt overeen met het verloop van de rijstrook.
Uitschakelen/inschakelen
► Druk op deze toets om de functie in of uit te schakelen.
Als de functie is uitgeschakeld, gaat het lampje
in de toets branden.
Als de functie weer wordt ingeschakeld,
blijven de twee controlelampjes op het
instrumentenpaneel branden totdat de rijsnelheid
60 km/u is.
De status van de functie blijft opgeslagen in het
geheugen nadat het contact is afgezet.
Detectie
Als er een afwijking naar links of rechts ten opzichte van de rijrichting wordt
gedetecteerd, gaat het controlelampje aan de
betreffende kant op het instrumentenpaneel
knipperen en hoort u een geluidssignaal.
Als de richtingaanwijzer is ingeschakeld,
en ongeveer 20 seconden nadat deze is
uitgeschakeld, wordt er geen waarschuwing
gegeven.
Het is mogelijk dat er een waarschuwing wordt
gegeven bij het overschrijden van een pijl op de
weg of een niet-officiële markering (graffiti).
Er kunnen storingen in de detectie
optreden:
– als de rijstrookmarkeringen zijn weggesleten;– als er weinig contrast is tussen het wegdek en de markeringen.
Dit systeem wordt automatisch
uitgeschakeld als de functie Stop & Start
actief is. Het systeem start opnieuw en
herkent de omstandigheden weer nadat het
voertuig is gestart.
Er kunnen storingen in de werking van
het systeem optreden:
– Als het voertuig een zeer zware lading vervoert (vooral als deze niet goed in
evenwicht is);
– Bij slecht zicht (door bijvoorbeeld regen, mist of sneeuw);– Bij weinig of juist heel veel licht (bijvoorbeeld bij verblindend zonlicht of in het
donker);
– Als de voorruit vlak bij de camera vuil of beschadigd is; – Als de ABS, DSC, ASR of Intelligent Traction Control niet werken.
Storing
Bij een storing gaat dit controlelampje,
gaan de waarschuwingslampjes branden
in combinatie met een geluidssignaal en een
melding ter bevestiging op het display.
Laat het systeem controleren door een
PEUGEOT-dealer of gekwalificeerde werkplaats.
Page 92 of 196

90
Rijden
Er zijn twee standen:– Max: voor een aanhanger langer dan 9 meter.– Auto: voor automatische detectie van de
lengte van de aanhanger (3 m, 6 m of 9 m).
In de stand Auto wordt er een pictogram op het
instrumentenpaneel weergegeven, dat de lengte
aangeeft die door het systeem is gedetecteerd.
Soms moet u een bocht van 90° maken
zodat het systeem de lengte van de
aanhanger kan detecteren.
Wanneer er een aanhanger is aangesloten,
wordt voertuigdetectie bij achteruitrijden
uitgeschakeld.
Werkingsvoorwaarden
– Alle voertuigen rijden in dezelfde richting op aangrenzende rijstroken.– De minimumsnelheid van het voertuig is 10 km/u. – Wanneer u een auto inhaalt en het verschil in snelheid minder dan 25 km/u is.– Wanneer u door een andere auto wordt
ingehaald en het verschil in snelheid minder dan 50 km/u is.
dodehoekbewaking met=
detectie aanhanger
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem werkt met sensoren op de zijkanten
van de achterbumper, die de dode hoek in de
gaten houden.
Het waarschuwt de bestuurder voor andere
voertuigen (zoals auto's, vrachtwagens en
motoren) op plekken waar de bestuurder ze niet
kan zien, tijdens voor- en achteruitrijden.
Als er een aanhanger aan het voertuig is
gekoppeld, wordt het detectiegebied vergroot
met de lengte van de aanhanger.
In de buitenspiegel aan de zijde waar
dat voertuig zich bevindt, gaat er een
waarschuwingslampje branden. Afhankelijk
van de configuratie kan er een geluidssignaal
klinken.
Inschakelen/uitschakelen
De functie kan worden in- of
uitgeschakeld met de toets MODE in het
menu Dode hoek.
Zie het betreffende hoofdstuk voor meer
informatie over de configuratie van het
voertuig (MODE).
Er zijn twee mogelijkheden voor inschakelen:
– VISUEEL: visuele waarschuwing. Onder
het rijden gaat er in de buitenspiegel aan
de zijde waar dat voertuig zich bevindt een
waarschuwingslampje branden.
– VISUEEL en GELUID : visuele en hoorbare
waarschuwing. Onder het rijden gaat er in
de buitenspiegel aan de betreffende zijde
een waarschuwingslampje branden. Als de
richtingaanwijzer wordt ingeschakeld aan de
zijde waar het voertuig is gedetecteerd, klinkt er
een geluidssignaal.
Wanneer het voertuig wordt gestart, gaat er in
elke spiegel een waarschuwingslampje branden
om aan te geven dat het systeem is geactiveerd.
De status van het systeem blijft na het afzetten
van het contact in het geheugen opgeslagen.
Achteruitversnelling
Het systeem helpt de bestuurder bij achteruit
rijden (bijvoorbeeld wanneer hij of zij achteruit uit
een parkeerplaats rijdt).
Het detecteert voertuigen die links of rechts
van het voertuig rijden bij een snelheid tussen
ongeveer 1 en 35 km/u.
Wanneer er een voertuig wordt gedetecteerd,
gaat er een waarschuwingslampje in de spiegel
aan de betreffende zijde branden en klinkt er een
geluidssignaal.
Aanhangerdetectie
Het systeem detecteert de aanwezigheid en
lengte van een aanhanger. Het detectiegebied
van het voertuig in dode hoeken wordt verlengd
met de lengte van de aanhanger.
De detectiemodus voor de aanhanger
wordt met de toets MODE ingeschakeld.
Zie het betreffende hoofdstuk voor meer
informatie over de configuratie van het
voertuig (MODE).
Page 93 of 196

91
Rijden
6Er zijn twee standen:– Max: voor een aanhanger langer dan 9 meter.– Auto: voor automatische detectie van de
lengte van de aanhanger (3 m, 6 m of 9 m).
In de stand Auto wordt er een pictogram op het
instrumentenpaneel weergegeven, dat de lengte
aangeeft die door het systeem is gedetecteerd.
Soms moet u een bocht van 90° maken
zodat het systeem de lengte van de
aanhanger kan detecteren.
Wanneer er een aanhanger is aangesloten,
wordt voertuigdetectie bij achteruitrijden
uitgeschakeld.
Werkingsvoorwaarden
– Alle voertuigen rijden in dezelfde richting op aangrenzende rijstroken.– De minimumsnelheid van het voertuig is 10 km/u. – Wanneer u een auto inhaalt en het verschil in snelheid minder dan 25 km/u is.– Wanneer u door een andere auto wordt
ingehaald en het verschil in snelheid minder dan 50 km/u is.
Active Safety Brake met Distance Alert
en intelligente
noodremassistentie
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem:– waarschuwt de bestuurder wanneer er een risico bestaat op een aanrijding met een
voorligger.
– vermindert de snelheid van de auto om een aanrijding te voorkomen of de zwaarte van de
aanrijding te beperken.
Dit systeem heeft drie functies:
– Distance Alert.– Intelligente noodremassistentie.– Active Safety Brake (automatisch noodremsysteem).
De auto is voorzien van een camera bovenaan
de voorruit.
Ondanks de aanwezigheid van dit
systeem moet de bestuurder waakzaam
blijven.
Dit systeem is ontwikkeld om de bestuurder te
ondersteunen en de veiligheid te verbeteren.
De bestuurder moet zelf altijd het verkeer
in de gaten blijven houden en zich aan de
verkeersregels houden.
Zodra het systeem een mogelijk obstakel
detecteert, wordt het remcircuit
voorbereid op een automatische remactie. Er
kan dan een zwak geluid hoorbaar zijn en
mogelijk lijkt de auto wat af te remmen.
Uitschakelen/Inschakelen
Standaard wordt het systeem automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart.