ESP Seat Arona 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2017, Model line: Arona, Model: Seat Arona 2017Pages: 320, PDF Size: 6.73 MB
Page 280 of 320

Aanwijzingen
VOORZICHTIG
● De w ag
en is niet geconstrueerd voor het
gebruik van FAME-brandstof (biodiesel). Het
brandstofsysteem wordt beschadigd, indien
op deze brandstof wordt gereden.
● Brandstoftoevoegingen, zogenaamde
"vloeiverbeter
aars", benzine of dergelijke
middelen mogen niet aan de dieselolie wor-
den toegevoegd.
● Bij slechte kwaliteit van de diesel kan het
nodig zijn het
brandstoffilter te ontwateren
tussen de in het Serviceplan vermelde inter-
vallen door. Geadviseerd wordt om dit in een
gespecialiseerde werkplaats te laten uitvoe-
ren. Een ophoping van water in het filter kan
tot motorstoringen leiden. Werkzaamheden in de motor-
ruimt
e
V ei
ligheidsaanwijzingen voor werk-
zaamheden in de motorruimte Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 17
Voor alle werkzaamheden aan de motor of in
de motorruimte:
1. Motor uitschakelen en de sleutel uit het contacts
lot trekken.
2. Handrem aantrekken. 3. Versnellingshendel in neutraal resp. de
keuzehendel
in stand P zetten.
4. Motor laten afkoelen.
5. Kinderen ver van de wagen houden.
6. Motorkap openen ›››
pag. 279.
Werkzaamheden in de motorruimte alleen
zelf uitvoeren, wanneer u met de noodzakelij-
ke handelingen vertrouwd bent en over ge-
schikt gereedschap beschikt! Anders de
werkzaamheden bij een gespecialiseerde
werkplaats uit laten voeren.
Alle vloeistoffen en bedrijfsmiddelen, zoals
koelvloeistof en motorolie, maar ook bougies
en accu's worden voortdurend verder ontwik-
keld. De Erkende Seat Werkplaatsen worden
door SEAT constant op de hoogte gehouden
over wijzigingen. Wij adviseren u daarom be-
drijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen door
een Erkende Seat Werkplaats te laten vervan-
gen. Let ook op de aanwijzingen ››› pag. 265.
De motorruimte van de wagen is een gevaar-
lijke ruimte ››› .
ATTENTIE
Bij alle handelingen aan de motor of in de
motorruimt e - b
ijv. bij controleren en bijvullen
van vloeistoffen - kunnen verwondingen,
brandwonden en ander gevaar voor een onge-
val of brand ontstaan!
● Nooit de motorkap openen als u ziet dat er
stoom of
koelvloeistof uitkomt. Gevaar voor brandwonden! Wachten tot er geen damp of
koelvloei
s
tof meer naar buiten komt. De mo-
tor vóór het openen van de motorkap laten af-
koelen.
● Motor uitschakelen en de contactsleutel uit
het cont
actslot trekken.
● Trek de handrem aan en zet de versnel-
lingshendel
in de stand neutraal of de keuze-
hendel in de stand P.
● Kinderen ver van de wagen houden.
● Geen hete motordelen aanraken. Gevaar
voor brandw
onden!
● Geen vloeistof op de motor of op het uit-
laatsy
steem knoeien als deze nog heet zijn.
Brandgevaar!
● Kortsluiting voorkomen in de elektrische
inst
allatie, vooral op de starthulpaansluitin-
gen ›››
pag. 69. De accu kan exploderen!
● Nooit het koelsysteem aanraken. Deze
wordt
afhankelijk van de temperatuur gere-
geld en kan automatisch worden ingescha-
keld – ook bij uitgeschakeld contact of uit het
contact getrokken contactsleutel!
● Bedek de motor nooit met extra isolatiema-
teria
len zoals een deken. Brandgevaar!
● Nooit de vuldop van het koelvloeistofreser-
voir openen z
olang de motor warm is. Door de
hete koelvloeistof staat het koelsysteem on-
der druk!
● Vuldop bij het openen met een grote, dikke
lap afdekk
en om gezicht, handen en armen
tegen hete damp of hete koelvloeistof te be-
schermen. 278
Page 281 of 320

Controleren en bijvullen
●
Geen v oor
werpen, zoals poetslappen of ge-
reedschap, in de motorruimte achterlaten.
● Als u zich genoodzaakt ziet om onder de
wagen w
erkzaamheden uit te voeren, zet hem
dan met stroppen en bokken vast zodat hij
niet kan bewegen. De hydraulische krik al-
leen is niet voldoende om de wagen vast te
zetten en u loopt kans zich te verwonden.
● Als er werkzaamheden aan de motor moe-
ten wor
den uitgevoerd, terwijl er wordt ge-
start of terwijl de motor draait, bestaat er le-
vensbedreigend gevaar door draaiende delen
(zoals de geribde riem, de dynamo en de
koelluchtventilator) en door de hoogspan-
ningsontsteking. Let ook op het volgende:
–Raak nooit de elektrische kabels van het
ontstekingssysteem aan.
– Beslist voorkomen dat u bijv. met siera-
den, loshangende kledingstukken of lan-
ge haren in draaiende delen van de motor
komt. Er bestaat levensgevaar. Daarom
eerst sieraden afdoen, uw haar opsteken
en kleding dragen, die goed aansluit.
– Nooit bij een ingeschakelde versnelling
achteloos gas geven. De wagen zou zich
zelfs met aangetrokken handrem nog
kunnen verplaatsen. Er bestaat levensge-
vaar.
● Wanneer werkzaamheden aan het brand-
stof
systeem of aan de elektrische installatie
noodzakelijk zijn, ook op de hierboven ver-
melde waarschuwingen letten:
–Startaccu altijd losmaken van de elektri-
sche installatie. Daarbij moet de wagen ontgrendeld zijn, omdat anders het
al
armsy
steem wordt geactiveerd.
– Niet roken.
– Nooit in de buurt van open vuur werken.
– Altijd een brandblusser gereedhouden. ATTENTIE
Als de motorkap niet goed gesloten is, zou hij
onder het rijden plot
s open kunnen gaan en
de bestuurder het zicht kunnen ontnemen.
Dit kan ernstige ongevallen tot gevolg heb-
ben.
● Controleer na het sluiten van de motorkap
of de v
ergrendeling goed in de slotplaat vast-
geklikt is. De gesloten motorkap moet vlak
met de carrosseriedelen eromheen liggen.
● Als u onder het rijden vaststelt dat de mo-
torkap niet
goed gesloten is, moet u onmid-
dellijk stoppen en de motorkap goed sluiten.
● Open en sluit de motorkap alleen als nie-
mand z
ich binnen de actieradius ervan be-
vindt. VOORZICHTIG
Let er bij het bijvullen van vloeistoffen op dat
de vloei s
toffen in geen geval worden verwis-
seld. Anders zijn ernstige storingen en motor-
schade het gevolg! Milieu-aanwijzing
Vloeistoffen die uit de wagen komen, zijn
sc h
adelijk voor het milieu. Controleer daarom
regelmatig de grond onder de wagen. Als
daar vlekken van olie of andere vloeistoffen
zichtbaar zijn, dan dient u de wagen door een
gespecialiseerde werkplaats te laten contro-
leren. De motorkap openen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 17
De motorkap wordt vanuit het interieur ont-
grendeld.
Alvorens de motorkap te openen, erop letten
of de ruitenwissers wel in de ruststand staan. ATTENTIE
Hete koelvloeistof kan brandwonden veroor-
zak en!
● Nooit
de motorkap openen als u ziet dat er
damp, r
ook of koelvloeistof uit de motorruim-
te komt.
● Zo lang wachten tot er geen damp, rook of
koelvloeis
tof meer naar buiten komt, voordat
u de motorkap voorzichtig opent.
● Let vóór alle werkzaamheden in het motor-
compar
timent op de waarschuwingen ››› pag.
278. 279
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 283 of 320

Controleren en bijvullen
Wagenaccu
R uit
en
sproeiervloeistofreservoir
Het controleren en bijvullen van de vloeistof-
fen wordt bij de eerder genoemde onderde-
len uitgevoerd. Deze handelingen worden be-
schreven op ››› pag. 278.
Overzicht in tabelvorm
Nadere verklaringen, aanwijzingen en beper-
kingen op de technische gegevens vindt u
vanaf ››› pag. 296. Let op
De plaats van de onderdelen kan afhankelijk
van de mot or
verschillen.Motorolie
A l
g
emene aanwijzingen De motor wordt af fabriek voorzien van een
s
pec
i
ale multigrade-olie geschikt voor elk
jaargetijde.
Omdat het gebruik van een hoogwaardige
olie een voorwaarde is voor het correct functi-
oneren en de duurzaamheid van de motor,
dient uitsluitend olie volgens de VW-normen
gebruikt te worden als u olie bijvult of ver-
verst. 5 6 De specificaties die op de volgende bladzijde
s
t
aan (VW
-normen) moeten op de verpakking
vermeld staan; indien op de verpakking van
de olie zowel de normen voor zowel benzine-
als voor dieselmotoren vermeld staan, mag
de olie zonder onderscheid voor beide soor-
ten motoren gebruikt worden.
Geadviseerd wordt het verversen van de olie
uit te laten voeren door een Erkende Seat
Werkplaats of een gespecialiseerde werk-
plaats, volgens het Onderhoudsprogramma.
De voor de motor in uw wagen geldende olie-
specificaties staan in ›››
pag. 57.
Onderhoudsintervallen
De onderhoudsintervallen kunnen flexibel
(service-interval met lange duur) of vast (af-
hankelijk van de tijd of het gereden aantal ki-
lometers).
Als op de binnenkant van de omslag van het
boekje Onderhoudsprogramma de aandui-
ding PR QI6 voorkomt, betekent dit dat voor
de wagen een service-interval met lange duur
van toepassing is, terwijl de aanduidingen
QI1, QI2, QI3, QI4 of QI7 staan voor een on-
derhoudsinterval op basis van tijd of kilome-
ters.
Variabele onderhoudsintervallen (service-in-
tervallen met lange duur*)
Er zijn speciale oliën en controles ontwikkeld
die, afhankelijk van de rijomstandigheden en rijstijl van de bestuurder, de verversingsinter-
vall
en kunnen verlengen (service-intervallen
met lange duur).
Het gebruik van deze oliën is een voorwaarde
voor het verlengen van deze onderhoudsin-
tervallen, neem daarbij altijd het volgende in
acht:
● Vermeng de olie niet met de voor vaste on-
derhoudsint
ervallen voorgeschreven olie.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 282 en LongLife-olie
niet beschikbaar is, mag met oliesoorten
voor vaste onderhoudsintervallen
››› pag. 57 maximaal 0,5 liter eenmalig
worden bijgevuld.
Vaste service-intervallen*
Als er voor de wagen geen "Service-interval
met lange duur" van toepassing is of dit in-
terval op verzoek niet wordt toegepast, ge-
bruik dan olie voor vaste onderhoudsinter-
vallen die wordt vermeld in ›››
pag. 57. In
dit geval geldt voor uw wagen een vast on-
derhoudsinterval van 1 jaar of 15.000 km
(wat het eerst wordt bereikt) ››› brochure On-
derhoudsprogramma.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 282 en de voor uw wa-
gen voorgeschreven olie niet beschikbaar is,
mag met oliesoorten volgens specificatie
ACEA A2 of ACEA A3 (benzinemotoren) resp.
ACEA B3 of ACEA B4 (dieselmotoren) »
281
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 284 of 320

Aanwijzingen
hoogstens 0,5 liter eenmalig worden bijge-
v u
l
d.
Wagens met roetfilter voor dieselmotoren*
In het Onderhoudsprogramma staat of uw
wagen met een roetfilter voor dieselmotoren
is uitgerust.
Bij wagens die zijn uitgerust met een roetfil-
ter voor dieselmotoren mag uitsluitend mo-
torolie volgens specificatie VW 507 00 wor-
den bijgevuld. Dat is een low SAPS-motor-
olie. Het gebruik van andere typen motorolie
kan ertoe leiden dat het roetfilter eerder ver-
stopt raakt, waardoor de levensduur ervan
wordt verminderd. Daarom:
● Niet vermengen met andere oliesoorten.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 282 en de voor uw wa-
gen voorgeschreven olie niet beschikbaar is,
mag met oliesoorten volgens specificatie
VW 506 00 resp. VW 506 01 of VW 505 00
resp. VW 505 01 of ACEA B3 resp. ACEA B4
hoogstens 0,5 liter eenmalig worden bijge-
vuld. Let op
Alvorens een lange reis te gaan maken, advi-
seren w ij u
voor vertrek motorolie met de
overeenkomstige VW specificatie te kopen en
in uw wagen mee te nemen. Zo beschikt u al-
tijd over de juiste motorolie om bij te vullen
indien dit nodig mocht zijn. Waarschuwingslampje
Als het controlelampje
rood gaat
bran-
den, betekent dit dat de motoroliedruk te
laag is.
Als het symbool knippert en er klinken tege-
lijkertijd drie waarschuwingssignalen, de
motor afzetten en het oliepeil controleren. Zo
nodig olie bijvullen ››› pag. 283.
Als het lampje knippert hoewel het oliepeil in
orde is, niet verder rijden. De motor mag ook
niet stationair draaien. Roep de hulp in van
een vakman.
Oliepeil controleren
Als het controlelampje geel gaat branden,
moet het motoroliepeil zo snel mogelijk wor-
den gecontroleerd. Bij de eerstvolgende gele-
genheid olie bijvullen ›››
pag. 283.
Oliepeilsensor defect*
Als het controlelampje geel knippert, moet
u een gespecialiseerde werkplaats opzoeken
en de oliepeilsensor laten controleren. Veilig-
heidshalve het oliepeil elke keer bij het tan-
ken controleren. Motoroliepeil controleren
Afb. 237
Oliepeilstok. Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 56
Oliepeil controleren
– De wagen in horizontale stand parkeren.
– De motor kort stationair laten draaien en
uitzetten w
anneer de bedrijfstemperatuur
bereikt is.
– Ca. twee minuten wachten.
– Oliepeilstok uit de geleidingspijp trekken.
Oliepeil
stok met een schone doek afvegen
en tot de aanslag weer in de geleidingspijp
duwen.
– Vervolgens de oliepeilstok er weer uittrek-
ken en het o
liepeil controleren. Indien no-
dig motorolie bijvullen.
282
Page 285 of 320

Controleren en bijvullen
Afhankelijk van de rijstijl en het gebruik van
de w ag
en k
an het olieverbruik tot 0,5 l/1.000
km bedragen. Bij de eerste 5.000 kilometer
kan het verbruik hoger liggen. Het motorolie-
peil moet daarom regelmatig worden gecon-
troleerd - bij voorkeur elke keer bij het tanken
en vóór langere ritten. ATTENTIE
Werkzaamheden aan de motor of in de motor-
ruimte dienen met de nodig
e voorzichtigheid
uitgevoerd te worden.
● Let vóór alle werkzaamheden in het motor-
compar
timent op de waarschuwingen ››› pag.
278. VOORZICHTIG
Als het oliepeil zich boven het gebied A be-
vindt, de mot or niet
starten. Dit kan schade
aan de motor en de katalysator tot gevolg
hebben. Een Erkende Seat Werkplaats raad-
plegen. Motorolie bijvullen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 56
Voordat u de motorkap opent, eerst de waar-
schuwingen lezen en deze opvolgen ››› in
V ei
ligheid
saanwijzingen voor werkzaamhe-
den in de motorruimte op pag. 278. De plaats van de oliepeilstok is in de betref-
fende afbeeldin
g van de motorruimte weer-
gegeven ››› pag. 280.
Motoroliespecificatie ›››
pag. 57
. ATTENTIE
Olie kan gemakkelijk branden! Wanneer u
olie b ij
vult, mag er geen olie op hete motor-
delen komen. VOORZICHTIG
Als het oliepeil zich boven het gebied A be-
vindt, de mot or niet
starten. Dit kan schade
aan de motor en de katalysator tot gevolg
hebben. Ga dan naar een gespecialiseerde
werkplaats. Milieu-aanwijzing
Het oliepeil mag in geen geval boven gebied A liggen. Anders kan olie via de carteront-
luchtin g w
orden aangezogen en door de uit-
laat in de atmosfeer komen. Motorolie verversen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 56
De motorolie wordt bij onderhoudswerk-
zaamheden ververst. Wij adviseren u daarom om de motorolie bij
een Erkende Se
at Werkplaats te laten verver-
sen.
In het Onderhoudsprogramma staat vermeld
wanneer de motorolie moet worden ververst. ATTENTIE
Motorolie alleen zelf verversen, wanneer u
ov er de noodz
akelijke vakkennis beschikt!
● Voordat u de motorkap opent, eerst de
waars
chuwingen lezen en deze opvolgen
››› pag. 278, Veiligheidsaanwijzingen voor
werkzaamheden in de motorruimte.
● Motor eerst laten afkoelen. Hete olie kan
brandwonden
veroorzaken.
● Een beschermende bril dragen - gevaar
door etsende werk
ing van oliespetters.
● Uw arm horizontaal houden, als u de olie-
aftap
plug met de hand losdraait, zodat de er-
uit lopende olie niet langs uw arm naar bene-
den kan lopen.
● Als uw huid met motorolie in contact is ge-
komen, dan dient
u uw huid vervolgens gron-
dig te wassen.
● Olie is giftig! Motorolie buiten het bereik
van kinder
en bewaren. VOORZICHTIG
Geen extra smeermiddel aan de motorolie
toev oe
gen. De motor kan hiervan schade on-
dervinden. Schade die door zulke middelen
ontstaat, valt niet onder de garantie. » 283
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 286 of 320

Aanwijzingen
Milieu-aanwijzing
● Omdat de o
lie correct moet worden afge-
voerd en vanwege de benodigde speciale ge-
reedschappen en vakkennis adviseren wij u
de motorolie en het oliefilter bij een Erkende
Seat Werkplaats te laten verversen.
● In geen geval mag olie in de riolering of in
de grond ter
echtkomen.
● Voor het opvangen van de afgewerkte olie
een hiervoor be
stemde bak gebruiken die de
gehele oliehoeveelheid van uw motor kan op-
vangen. Koelsysteem
C ontr
o
lelampje Er is een storing als:
●
Het controlelampje na enk
el
e seconden
niet uitgaat.
● Het controlelampje brandt of
knippert
tijdens het rijden en er tegelijkertijd drie
waarschuwingssignalen ››› klinken.
Het k
oelvloei
stofpeil kan te laag of de koel-
vloeistoftemperatuur te hoog zijn.
Koelvloeistoftemperatuur te hoog
Indien het controlelampje brandt, de wa-
gen stoppen, de motor uitschakelen en hem
laten afkoelen. Koelvloeistofpeil controleren Als het koelvloeistofpeil in orde is, kan de
storin
g door het uitvallen van de koellucht-
ventilator zijn veroorzaakt. De zekering voor
de koelluchtventilator controleren en deze zo
nodig laten vervangen ››› pag. 102.
Als na een korte rit het controlelampje op-
nieuw gaat branden, niet verder rijden en de
motor afzetten. Neem contact op met een Er-
kende Seat Werkplaats of een gespecialiseer-
de werkplaats.
Koelvloeistofpeil te laag
Indien het controlelampje brandt, de wa-
gen stoppen, de motor uitschakelen en hem
laten afkoelen. Eerst het koelvloeistofpeil
controleren. Wanneer het koelvloeistofpeil in
het reservoir onder de "MIN"-markering staat,
koelvloeistof bijvullen ››› .
ATTENTIE
● Als
de wagen om technische redenen stil-
gevallen is, hem op een veilige afstand van
het verkeer zetten. De motor afzetten, de
knipperlichten inschakelen en de gevaren-
driehoeken op de weg zetten.
● Nooit de motorkap openen, wanneer u
merkt dat
damp of koelvloeistof naar buiten
komt - gevaar voor verbrandingen! Wachten
tot er geen damp of koelvloeistof meer ont-
snapt.
● De motorruimte van elke wagen is een ge-
vaarlijke
zone. Voordat u werkzaamheden in
de motorruimte uitvoert, de motor afzetten en af laten koelen. Altijd de waarschuwingsaan-
wijz
in
gen op ››› pag. 278 in acht nemen. Antivries/water bijvullen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 57
Vul koelvloeistof bij zodra het peil daarvan
onder de markering MIN (minimum) komt.
Koelvloeistofpeil controleren
– De wagen in horizontale stand parkeren.
– Contact uitschakelen.
– Lees het koelvloeistofpeil op het koelvloei-
stof
expansiereservoir af. Bij warme motor
moet het koelvloeistofpeil tussen de mar-
keringen staan. Bij warme motor kan het
peil ook iets boven de MAX-markering lig-
gen.
Antivries/water bijvullen
– Laat de motor afkoelen.
– Bedek de vuldop van het koelvloeistofex-
pans
iereservoir met een doek en draai de-
ze voorzichtig naar links ››› .
– Vul alleen koelvloeistof bij indien in het ex-
pan
s
iereservoir nog koelvloeistof aanwezig
is; indien dit niet het geval is, kan de motor
beschadigd raken. Rijd niet verder als er
geen koelvloeistof meer aanwezig is in het
284
Page 287 of 320

Controleren en bijvullen
expansiereservoir. Roep de hulp van vak-
men sen in
›
›
› .
– Als nog een restant koelvloeistof aanwezig
is
in het
expansiereservoir, vul dan bij tot
de max. markering.
– Vul koelvloeistof bij totdat het niveau sta-
biel b
lijft.
– Draai de vuldop goed vast.
Koelvloeis
tofverlies moet in de eerste plaats
in lekkage worden gezocht. Wend u direct tot
een gespecialiseerde werkplaats om het
koelsysteem te laten controleren. Bij een
dicht koelsysteem kunnen verliezen alleen
voorkomen, als de koelvloeistof door over-
verhitting kookt en daardoor uit het koelsys-
teem wordt geperst. ATTENTIE
● Het k oel
systeem staat onder druk! De vul-
dop van het koelvloeistofexpansiereservoir
niet openen zolang de motor warm is - gevaar
voor brandwonden!
● Antivries en koelvloeistof zijn schadelijk
voor de gez
ondheid. De antivries daarom al-
leen in de originele verpakking en buiten het
bereik van kinderen bewaren. Anders bestaat
gevaar voor vergiftiging.
● Als u werkzaamheden uitvoert in het mo-
torc
ompartiment, houd er dan rekening mee
dat de radiateurventilator ook bij uitgescha-
keld contact plotseling in werking kan treden
- gevaar voor verwondingen! ATTENTIE
Als er zich onvoldoende koelvloeistof in het
koel sy
steem bevindt, dan kunnen er zich fou-
ten in de motor voordoen en kunnen er bijge-
volg ernstige verwondingen worden opgelo-
pen.
● Er moet worden nagegaan of het additie-
fpercent
age juist is, rekening houdend met
de laagst voorziene omgevingstemperatuur
op de plaats waar de wagen gebruikt zal wor-
den.
● Als er een extreem lage buitentemperatuur
is, kan de k
oelvloeistof bevriezen en kan de
wagen niet meer bewegen. Omdat in dat ge-
val ook de verwarming niet werkt, kunnen in-
zittenden die niet warm genoeg zijn gekleed
doodvriezen. VOORZICHTIG
Vul geen koelvloeistof bij als geen vloeistof
meer aanw ez
ig is in het expansiereservoir! Er
kan zo lucht in het koelsysteem terechtko-
men. In dat geval, niet verder rijden. Roep de
hulp van vakmensen in. Gevaar voor motor-
schade! VOORZICHTIG
De originele additieven mogen niet worden
gemen gd met
koelvloeistoffen die niet zijn
goedgekeurd door SEAT. Deze mengsels kun-
nen ernstige schade veroorzaken aan de mo-
tor en het koelsysteem. ●
Als
de vloeistof in het expansiereservoir
niet lila is maar bijvoorbeeld bruin, dan is het
additief G13 waarschijnlijk gemengd met een
niet-geschikte koelvloeistof. In dat geval
moet de koelvloeistof direct worden ververst.
Anders kan de werking van de wagen ernstig
verstoord worden en kan de motor defect ra-
ken! Milieu-aanwijzing
De koelvloeistof en de toevoegingen kunnen
het milieu
vervuilen. Indien een bedrijfsvloei-
stof vrijkomt, moet die op een daartoe ge-
schikte wijze worden opgevangen en op mili-
euvriendelijke wijze worden afgevoerd. Remvloeistof
R em
vloei
stofpeil controleren Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 58
De plaats van het remvloeistofreservoir is te
zien in de betreffende afbeelding van de mo-
torruimte ››› pag. 280. Het is herkenbaar aan
de zwart-gele vuldop.
Het remvloeistofpeil zakt tijdens het rijden,
omdat de remblokken slijten en automatisch
gesteld worden. »
285
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 290 of 320

Aanwijzingen
elektrische apparatuur uitschakelen. De min-
kabel
van de accu losmaken. Bij het vervan-
gen van lampjes is het voldoende om de ver-
lichting uit te schakelen.
● Voordat u de kabels van de accu losmaakt,
door ontgrendelin
g van de wagen het alarm-
systeem uitschakelen! Anders wordt het
alarmsysteem geactiveerd.
● Bij het loskoppelen van de accu van de
elektris
che installatie eerst de minkabel en
daarna de pluskabel losmaken.
● Voordat de accu weer wordt aangesloten,
all
e elektrische apparatuur uitschakelen.
Eerst de pluskabel en daarna de minkabel
aansluiten. De aansluitkabels mogen in geen
enkel geval worden verwisseld – gevaar voor
kabelbrand!
● Nooit een bevroren of ontdooide accu opla-
den - gevaar
voor explosie en etsende werk-
ing! Een accu vervangen als deze eenmaal be-
vroren is geweest. Een lege accu kan al bij
temperaturen rond 0°C (+32°F) bevriezen.
● Let erop dat de ontgassingsslangen altijd
op de accu's
zijn aangesloten.
● Geen accu's gebruiken die beschadigd zijn.
Ontploffing
sgevaar! Beschadigde accu's di-
rect vervangen. VOORZICHTIG
● De k abel
s van de accu nooit bij ingescha-
keld contact losmaken omdat anders de elek-
trische installatie resp. elektronische onder-
delen worden beschadigd. ●
De ac c
u nooit langdurig aan direct daglicht
blootstellen, zodat de accubehuizing tegen
UV-stralen wordt beschermd.
● De accu bij langdurige stilstand van de wa-
gen te
gen vorst beschermen, zodat hij niet
"bevriest" en daardoor wordt beschadigd. Waarschuwingslampje
Gaat branden
Storing in dynamo.
Het controlelampje
gaat
br
anden wanneer
u het contact inschakelt. Het lampje moet na
het aanslaan van de motor uitgaan.
Gaat het controlelampje tijdens het rijden
branden, dan wordt de wagenaccu niet meer
door de dynamo geladen. U moet direct de
dichtstbijzijnde gespecialiseerde werkplaats
opzoeken.
Omdat de accu zich geleidelijk ontlaadt, alle
niet noodzakelijke elektrische apparatuur uit-
schakelen.
Zuurpeil van de accu controleren De zuurtegraad van de accu moet bij veel ge-
r
eden k
i
lometers, in landen met een warm
klimaat en bij oudere accu's regelmatig wor-
den gecontroleerd. –
Motorkap openen en de
voorzijde van de
accu-afdekking omhoogklappen ››› in
V ei
ligheid
saanwijzingen voor werkzaam-
heden in de motorruimte op pag. 278 ››› in Gebruikte symbolen en waarschuwingen
met
betr
ekk
ing tot werkzaamheden aan de
accu van de wagen op pag. 287. In wagens
met accu onder het reservewiel achterklep
openen en tapijt van de bodem oplichten.
Daar bevindt zich, naast het reservewiel, de
accu.
– Kleurweergave in het ronde kijkglas aan de
boven
zijde van de accu controleren.
– Als er luchtbelletjes in het kijkglas zitten,
deze v
erwijderen door voorzichtig op het
kijkglas te tikken.
De plaats van de accu is in de betreffende af-
beelding van de motorruimte in ››› pag. 280
weergegeven.
Het "kijkglas" dat aan de bovenkant van de
accu zit, verandert van kleur afhankelijk van
de ladingstoestand of de zuurtegraad van de
accu.
Twee kleuren worden onderscheiden:
● Zwart: correcte ladingstoestand.
● Transparant/lichtgeel: de accu moet ver-
vang
en worden. Raadpleeg een gespeciali-
seerde werkplaats.
288
Page 291 of 320

Wielen
Accu laden of vervangen De accu is onderhoudsvrij en wordt in het ka-
der v
an ser
vicewerkzaamheden regelmatig
gecontroleerd. Alle werkzaamheden aan de
accu vereisen speciale deskundigheid en ge-
reedschap.
Wanneer veelvuldig korte afstanden worden
gereden en bij langdurige stilstand moet u
de accu vaker dan in het kader van de norma-
le service-intervallen door een gespeciali-
seerde werkplaats laten controleren.
Bij startproblemen vanwege te weinig accula-
ding kan dit op een defecte accu wijzen. In
dit geval adviseren wij u om de accu bij een
Erkende Seat Werkplaats te laten controleren
en respectievelijk op te laden of te vervan-
gen.
Opladen van de accu
Het laden van de accu dient door een specia-
list te gebeuren aangezien accu's met een
speciale technologie worden toegepast waar-
voor laden met spanningsbegrenzing vereist
is.
Accu vervangen
De accu is overeenkomstig de inbouwplaats
ontwikkeld en met veiligheidssystemen uit-
gerust. Originele SEAT-accu's voldoen aan alle on-
derhouds-,
v
ermogens- en veiligheidseisen
van de wagen. ATTENTIE
● Wij a dv
iseren u alleen onderhoudsvrije
resp. cyclusbestendige, lekvrije accu's vol-
gens de normen T 825 06 en VW 7 50 73 te
gebruiken. Deze norm moet van augus-
tus 2001 of recentere datum zijn.
● Vóór alle handelingen aan de accu's de
waars
chuwingen lezen en opvolgen ››› in
Gebruikt e symbo
len en waarschuwingen met
betrekking tot werkzaamheden aan de accu
van de wagen op pag. 287. Milieu-aanwijzing
Accu's bevatten giftige stoffen zoals zwavel-
zuur en lood. Z
ij moeten daarom volgens de
voorschriften worden opgeslagen en afge-
voerd en horen in geen geval bij het huisvuil. Wielen
W iel
en en b
anden
Algemene aanwijzingen Beschadigingen voorkomen
– Alleen langzaam en indien mogelijk in een
rec ht
e hoek tegen stoepranden en dergelij-
ke oprijden.
– De banden niet met olie, vet en brandstof
in aanrakin
g laten komen.
– De banden regelmatig op beschadigingen
contr o
leren (gaten, sneden, scheuren en
bulten). Scherpe voorwerpen uit het ban-
denprofiel verwijderen.
Banden opslaan
– Verwijderde banden markeren. Ze moeten
namelijk dez
elfde looprichting hebben als
ze weer worden gemonteerd.
– Verwijderde banden resp. wielen koel,
droog en z
o donker mogelijk bewaren.
– Banden in verticale stand opslaan, wan-
neer ze niet
op een velg zijn gemonteerd.
Nieuwe banden
Nieuwe banden moet u inrijden ›››
pag. 197.
Op basis van constructiekenmerken en pro-
fielvormen kan de profieldiepte van nieuwe »
289
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 295 of 320

Wielen
Let op
● in een Ser v
icecentrum van SEAT moet geke-
ken worden of velgen en banden met een an-
dere afmeting dan de oorspronkelijke plaat-
sing bij SEAT gemonteerd kunnen worden, en
welke combinaties zijn toegestaan tussen de
vooras (as 1) en achteras (as 2).
● Om technische redenen kunt u normaal ge-
sprok
en de velgen van andere wagens niet
gebruiken. Dit geldt soms zelfs voor velgen
van hetzelfde model wagen. Als u banden of
velgen gebruikt die niet door SEAT voor uw
model zijn goedgekeurd, dan kan de toela-
ting van uw wagen voor de openbare weg on-
geldig worden.
● Als de uitvoering van het reservewiel af-
wijkt
van de banden waarmee wordt gereden
- zoals bij winterbanden - mag het reserve-
wiel alleen in geval van pech korte tijd en met
overeenkomstig voorzichtige rijstijl worden
gereden. Het moet zo snel mogelijk weer door
een normaal wiel worden vervangen. Wielbouten
De constructie van velgen en wielbouten is
op elk
aar af
g
estemd. Bij elke aanpassing
aan andere velgen de erbij behorende wiel-
bouten met de juiste lengte en vorm gebrui-
ken. De bevestiging van de wielen en de
werking van het remsysteem hangt daarvan
af. Soms mag u geen wielbouten van wagens
van dezelf
de productieserie gebruiken
››› pag. 265. ATTENTIE
Bij verkeerde behandeling van de wielbouten
kan het w
iel tijdens het rijden losraken - ge-
vaar voor ongevallen!
● Wielbouten moeten schoon zijn en gemak-
kelijk dr
aaien. Zij mogen echter nooit met vet
of olie worden behandeld.
● Alleen die wielbouten gebruiken, die bij de
betreffende
velg horen.
● Wanneer de wielbouten met een te laag
aanhaalmoment
zijn aangetrokken, kunnen
de wielen tijdens het rijden losraken - gevaar
voor ongevallen! Door een te groot aanhaal-
moment kan de wielbout resp. de schroef-
draad worden beschadigd. VOORZICHTIG
Het voorgeschreven aantrekmoment van de
wiel bout
en bij stalen en lichtmetalen velgen
bedraagt 120 Nm. Bandenspanningscontrole*
Afb. 241
Middenconsole: toets van de ban-
den s
p
anningscontrole. Het bandenspanningscontrolesysteem verge-
lijkt
de om
w
entelingen en dus de loopcirkel-
diameter van elk wiel met behulp van de ESC.
Een wijziging in de loopcirkeldiameter van
een wiel wordt aangegeven door het contro-
lelampje van de banden . De loopcirkeldia-
meter van een band varieert als:
● De bandenspanning onvoldoende is.
● De bandenstructuur beschadigd is.
● De wagen onevenwichtig geladen is.
● De wielen van een as dragen meer last (bij-
voorbeeld b
ij het rijden met een aanhangwa-
gen of bij het op- en afrijden van steile hellin-
gen).
● De wagen met sneeuwkettingen rijdt.
● Het reservewiel gemonteerd is. »
293
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid