ESP Seat Arona 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2017, Model line: Arona, Model: Seat Arona 2017Pages: 320, PDF Size: 6.73 MB
Page 118 of 320

Bedienen
VOORZICHTIG
● Vermijd hog e mot
ortoerentallen als de mo-
tor nog koud is, geef niet vol gas en belast de
motor niet sterk. Elementen op het display
Bij het inschakelen van het contact kan op
het di
s
play van het instrumentenpaneel
››› afb. 124 3 uiteenlopende informatie
weer g
egeven worden, naargelang de uitvoe-
ring van de wagen:
● Motorkap, achterklep en portieren geopend
›› ›
pag. 39.
● Waarschuwings- en informatieteksten.
● Afgelegde afstand.
● Tijd.
● Navigatieaanwijzingen.
● Buitentemperatuur.
● Kompas.
● Keuzehendelstand ›››
pag. 189.
● Aanbevolen versnelling (handgeschakelde
vers
nellingsbak) ›››
pag. 40.
● Multifunctie-indicatie (MFA) en menu's voor
vers
chillende instellingsopties ›››
pag.
35
● Service-intervalindicatie ››
›
pag. 41.
● Tweede snelheidsindicatie ››
›
pag. 35. ●
Snelheidss
ignaal ›››
pag. 41.
● Statusindicatie van het start-stopsysteem
›››
pag. 203.
● Motorcode (MKB).
Afgel
egde afstand
De totale kilometerteller registreert de totaal
afgelegde afstand van de wagen.
De dagkilometerteller (trip ) geeft het aantal
kilometers of mijlen weer dat na de laatste
keer terugzetten van de dagteller is afgelegd.
Het laatste cijfer geeft elke 100 meter resp.
1/10 mijl weer.
● Druk kort op de knop ›››
afb. 124 4 om de
d agk
i
lometerteller op 0 te zetten.
● Houd de knop 4 gedurende 3 sec. inge-
drukt om t
erug t
e keren naar de vorige waar-
de.
Tijd
● Om de tijd in te stellen, houdt u op knop
›››
afb. 124 4 gedurende min. 3 sec. inge-
drukt om n
aar de ur
en resp. minuten te gaan.
● Druk om verder te gaan met het instellen
op knop 4 . Houd de toets ingedrukt om de
c ijf
er
s snel te veranderen.
● Druk nogmaals op knop 4 om het instel-
l en
v
an de klok te beëindigen. De klok kan ook worden ingesteld via toets
en de functieknop
S
ETUP van het Easy
C onnect
-
systeem ››› pag. 120.
Kompas
Wanneer het contact is ingeschakeld en het
navigatiesysteem is aangezet, wordt op het
display van het instrumentenpaneel de wind-
streek overeenkomstig de rijrichting van de
wagen weergegeven.
Keuzehendelstand
De ingeschakelde rijstand wordt zowel aan-
gegeven naast de keuzehendel als op het
display in het instrumentenpaneel. In de
standen D en S, alsook bij de tiptronic, wordt
op het display tevens de overeenkomstige
versnelling weergegeven.
Aanbevolen versnelling (schakelbak)
Tijdens het rijden wordt op het display van
het instrumentenpaneel de aanbevolen ver-
snelling getoond om brandstof te besparen
››› pag. 40.
Tweede snelheidsmeter (mph of km/u)
Naast de gewone weergave van de snel-
heidsmeter kan tijdens het rijden de snelheid
ook in een andere maateenheid (in mijl of ki-
lometer per uur) getoond worden.
116
Page 120 of 320

Bedienen
Milieu-aanwijzing
Vroeg opschakelen helpt om brandstof te be-
sp ar
en, de uitstoot te beperken en rijgeluiden
te verminderen! Kilometerteller
Afb. 125
Instrumentenpaneel: kilometerteller
en r e
setknop
. De weergave van het afgelegde afstand ge-
beur
t
in k
ilometers "km" of in mijlen "mi".
Het is mogelijk om van maateenheid (kilome-
ters "km"/mijlen "mi") te wisselen via de
radio/Easy Connect*. Meer informatie hier-
over vindt u in het Instructieboekje bij het Ea-
sy Connect*-systeem.
Kilometerteller/dagteller
De kilometerteller toont het totaal aantal met
de wagen verreden kilometers. De dagteller geeft de afstand aan die gere-
den is n
adat de dagteller voor de laatste keer
is teruggezet. Hiermee kunnen korte afstan-
den worden gemeten. Het laatste cijfer geeft
een afstand van 100 meter of 1/10 mijl aan.
De dagteller kunt u op nul terugzetten door
de knop 0.0/SET
› ››
afb
. 125 in te drukken.
St
oringsindicatie
Als er een storing in het instrumentenpaneel
is, wordt op het display van de dagteller DEF
weergegeven. Laat de storing zo spoedig mo-
gelijk verhelpen.
Koelvloeistoftemperatuurmeter Bij wagens zonder koelvloeistoftemperatuur-
met
er
v
erschijnt er een controlelampje
wanneer er een hoge temperatuur is ››› pag.
284. Zie ook ››› .
D e k
oelvloei
stoftemperatuurmeter 2
› ›
›
afb.
124 werkt alleen bij ingeschakeld contact.
Let op de volgende aanwijzingen bij de tem-
peratuurbereiken om motorschade te voorko-
men.
Koud bereik
Als uitsluitend de lichtsegmenten in het on-
derste bereik van de schaal branden, heeft
de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet bereikt. Vermijd hoge motortoerentallen,
vol
gas en sterke motorbelasting.
Normaal bereik
De motor heeft zijn bedrijfstemperatuur be-
reikt, als de led's tot in het middelste bereik
van de schaal branden. Bij hoge omgevings-
temperaturen resp. bij zware belasting van
de motor is het mogelijk dat de led's blijven
branden, zelfs tot in het hoogste bereik. Dit
is geen probleem zolang het controlelampje
in het display van het instrumentenpaneel
niet oplicht.
Temperatuurbereik
Als de leds in het bovenste deel van de
schaal en het controlelampje in het dis-
play van het instrumentenpaneel oplichten,
is de koelvloeistoftemperatuur te hoog
››› pag. 284. VOORZICHTIG
● Voor een l an
ge levensduur van de motor
wordt geadviseerd om hoge toerentallen,
plankgas en het sterk belasten van de motor
gedurende de eerste 15 minuten na de start
bij een koude motor te vermijden. De tijd die
de motor heeft om op bedrijfstemperatuur te
komen, hangt mede af van de omgevingstem-
peratuur. In dat geval kunt u kijken naar de
motorolietemperatuur* ›››
pag. 40.118
Page 127 of 320

Communicatie en multimediaKnopRadioMedia (behalve AUX)AUXTelefoon
a)Navigatie a)
B
Kort indrukken:
toegang tele-
foonmenu in instrumentenpa- neela)
.
Lang indrukken: nummer her- halena)Kort indrukken:
toegang tele-
foonmenu in instrumentenpa- neela)
.
Lang indrukken: nummer her- halena)Kort indrukken:
toegang tele-
foonmenu in instrumentenpa- neela)
.
Lang indrukken: nummer her- halena)Kort indrukken:
Binnenkomende op-
roep opnemen / actieve oproep be- eindigen / toegang tot lijst met op- roepen.
Lang indrukken: Binnenkomende / herhaalde oproep weigerenKort indrukken: toegang tele-
foonmenu in instrumentenpa- neela)
.
Lang indrukken: nummer herha- lena)
CZoekopdracht vorige zender
Kort indrukken:
terug naar vo-
rige track
Lang indrukken: versneld ach- teruit
Geen functieGeen functie b)Functie Radio / Media (behalve
AUX)
DVolgende zender zoeken
Kort indrukken: naar volgende
track
Lang indrukken: versneld vooruit
Geen functieGeen functie b)Functie Radio / Media (behalve
AUX)
E, FVeranderen van menu in het
instrumentenpaneelVeranderen van menu in hetinstrumentenpaneelVeranderen van menu in hetinstrumentenpaneelVeranderen van menu in het instru- mentenpaneelVeranderen van menu in het in-strumentenpaneel
GSpraakbediening in- / uitscha- kelena)Spraakbediening in- / uitscha-
kelena)Spraakbediening in- / uitscha-
kelena)Geen functie b)Spraakbediening in- / uitscha-
kelen
H
Draaien: Volgende / vorigevoorselectie c)
Indrukken: Werkt op de MFA of bevestigt de menu-optie vanhet instrumentenpaneel af-
hankelijk van de menu-optieDraaien: Volgende / vorige trackc)
Indrukken: Werkt op de MFA of bevestigt de menu-optie vanhet instrumentenpaneel af-
hankelijk van de menu-optieDraaien: Werkt op het menu
van het instrumentenpaneel afhankelijk van dat waarin u zich bevindt
Indrukken: Werkt op de MFA of bevestigt de menu-optie vanhet instrumentenpaneel af-
hankelijk van de menu-optieDraaien: Toegang tot lijst met op-
roepen / selecteren handeling voor binnenkomende of actieve oproep (opnemen/beëindigen/nege-
ren/onthouden/op stil zetten/privé- stand inschakelen).
Indrukken: De door draaien geselec- teerde handeling bevestigenDraaien: Werkt op het menu
van het instrumentenpaneel af- hankelijk van dat waarin u zich bevindt
Indrukken: Werkt op de MFA of bevestigt de menu-optie van
het instrumentenpaneel afhan- kelijk van de menu-optie
a)Afhankelijk van de uitrusting van de wagen.
b) Bij actief telefoongesprek, zo niet functie van Radio/Media (behalve AUX).
c) Uitsluitend indien het instrumentenpaneel zich in het menu Audio bevindt.
125
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 128 of 320

Bedienen
Multimedia USB/A UX
-IN-in
gangAfb. 129
Middenconsole: USB/AUX-IN-in-
g an
g. Afhankelijk van de uitrusting en het land kan
de w
ag
en be
schikken over verschillende
soorten USB/AUX-IN-aansluiting.
De USB/AUX-IN-ingang bevindt zich bij het
opbergvak van de voorste middenconsole
››› afb. 129.
De bedieningsinstructies bevinden zich in de
respectieve instructieboekjes van de audio of
het navigatiesysteem. Connectivity Box* / Wireless Charger* Afb. 130
Gerelateerde vi-
deo Afb. 131
Middenconsole: Connectivity Box Afhankelijk van de uitrusting en het land kan
de w
ag
en be
schikken over een van deze twee
opties: Connectivity Box of Wireless Charger .
Met de Connectivity Box kunt u uw mobiele
apparaat draadloos opladen met behulp van
Qi-technologie 1)
, de straling in de wagen be-
perken en uw ontvangst verbeteren. Met de Wireless Charger beschikt u uitslui-
tend ov
er de draadloze oplaadfunctie van uw
mobiele apparaat met Qi-technologie.
De Connectivity Box / Wireless Charger be-
vindt zich bij het opbergvak van de midden-
console voorin ››› afb. 131.
De bedieningsinstructies bevinden zich in de
respectieve instructieboekjes van de audio of
het navigatiesysteem. Let op
Voor de juiste werking moet uw mobiele ap-
par aat
compatibel zijn met de Qi-interfaces-
tandaard voor draadloos opladen via induc-
tie. 1)
Dankzij de Qi-technologie kunt u uw mobiele tele-
foon dr aa
dloos opladen.
126
Page 137 of 320

Openen en sluiten
Functie voor tijdelijke uitschakeling van de
K eyl
e
ss Access
Als u de Keyless Access tijdelijk wilt uitscha-
kelen, dient u een reeks handelingen uit te
voeren. U dient eerst de wagen met de auto-
sleutel te vergrendelen. Op dat moment heeft
u 5 seconden om de wagen met de sensor op
de greep van het portier een tweede keer af
te sluiten.
Wanneer de tweede handeling 5 seconden
na het vergrendelen van de wagen met de
sleutel wordt verricht, kan de Keyless Access
niet worden uitgeschakeld.
Wanneer de Keyless Access tijdelijk is uitge-
schakeld, kan de wagen alleen met de sleutel
worden ontgrendeld. Na het ontgrendelen
wordt de functionaliteit van de Keyless Ac-
cess weer hersteld.
Comfortfuncties
Om alle elektrische ruiten te sluiten met de
comfortfunctie, houdt u een vinger geduren-
de enkele seconden op het sensoroppervlak
voor vergrendeling ››› afb. 141 B (pijl) van
de por tier
gr
eep tot de ruiten gesloten zijn.
Het openen van de portieren bij aanraking
van het sensoroppervlak van de portiergreep
vindt plaats volgens de instellingen in het Ea-
sy Connect-systeem met de toets en de
f u
nctieknop
pen SETUP en
Openen en s
luit
en . VOORZICHTIG
De sensoroppervlaken van de portiergrepen
ku nnen g
eactiveerd worden wanneer ze ge-
raakt worden door een waterstraal of hoge-
drukspuit wanneer er een passende autosleu-
tel in de omgeving aanwezig is. Als ten min-
ste één van de elektrische ramen geopend is
en het sensoroppervlak B (pijl) van de por-
tiergr eep w
ordt permanent ingeschakeld,
worden alle ruiten gesloten. Let op
● Als
de accu van de wagen nog weinig span-
ning heeft of helemaal leeg is, of de batterij
van de autosleutel bijna of helemaal leeg is,
dan is het mogelijk dat de wagen niet ont-
grendeld of vergrendeld kan worden met het
Keyless Access-systeem. De wagen kan hand-
matig worden ontgrendeld of vergrendeld.
● Om de juiste vergrendeling van de wagen te
contro
leren, blijft de ontgrendelingsfunctie
uitgeschakeld gedurende ca. 2 seconden.
● Als op het scherm van het instrumentenpa-
neel het beric
ht Keyless-systeem de-
fect wordt getoond, kunnen er zich storin-
gen voordoen in de werking van het Keyless
Access-systeem. Raadpleeg een gespeciali-
seerde werkplaats. SEAT raadt u aan om daar-
voor een SEAT-dealer te raadplegen.
● Afhankelijk van de functie ingesteld in het
infotainment
systeem voor buitenspiegels,
worden de buitenspiegels ingeklapt en gaat
de omgevingsverlichting branden bij het ont-
grendelen van de wagen via het sensoropper- vlak op de portiergreep van het bestuurder-
spor
tier
.
● Als er zich geen enkele passende sleutel
binnenin de wag
en bevindt of het systeem
hem niet herkent, zal er een melding verschij-
nen op het display van het instrumentenpa-
neel. Dit zou kunnen gebeuren als er een an-
der radiofrequentiesignaal zou interfereren
met het signaal van de sleutel (bijv. van een
of andere accessoire voor mobiele apparaten)
of als de sleutel afgedekt wordt door een
voorwerp (bijv. door een metalen koffer).
● De werking van de sensoren van de portier-
grepen kan beïn
vloed worden als de sensoren
erg vuil zijn en er bijvoorbeeld een laagje
zout op zit. Reinig zo nodig de wagen.
● Als de wagen uitgerust is met een automa-
tisc
he versnellingsbak, kan hij enkel vergren-
deld worden als de keuzehendel in de stand P
staat. 135
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 143 of 320

Openen en sluiten
Comfortopenen
– Druk de ontgrendelingsknop op de s l
eu-
t el in tot alle ruiten in de gewenste stand
staan, of
– Ontgrendel eerst de wagen met de knop
op de sleut
el met afstandsbediening en
houd de knop voor het vergrendelen van
het portier aan bestuurderszijde ingedrukt
totdat alle ruiten in de gewenste stand
staan.
Comfortsluiten
– Druk de ontgrendelingsknop op de sl
eu-
tel in tot alle ruiten gesloten zijn ››› , of
– Houd de sleutel in het slot van het bestuur-
der s
por
tier in de vergrendelingsstand tot
alle ruiten gesloten zijn.
Comfortopenen instellen in het Easy Con-
nect-systeem*
– Selecteer: toets > functietoets
SETUP >
Openen en sluiten > Ruitbediening
> Comfortopenen , om all
e ruit
en te kiezen
(Alle ), alleen die van de bestuurder ( Be-
stuurder ) of geen (Gedeactiveerd ).ATTENTIE
● Sluit de ruit en nooit
achteloos of ongecon-
troleerd. Gevaar voor verwondingen!
● Om veiligheidsredenen mogen de ruiten al-
leen op een afs
tand van ca. 2 meter van de wagen met de sleutel met radiografische af-
st
and
sbediening worden geopend en geslo-
ten. Tijdens het sluiten altijd naar het om-
hoogschuiven van de ruiten kijken, opdat nie-
mand klem komt te zitten. Als de vergrende-
lingsknop wordt losgelaten, wordt het sluiten
direct afgebroken. Sluit- en openingsautomaat*
Dankzij de sluit-/openingsautomaat hoeft u
de knop niet t
e b
lijven indrukken.
Knoppen ››› afb. 143 1 ,
2 ,
3 en
4 heb-
ben tw ee s
t
anden voor het openen en twee
voor het sluiten van de ruiten. Daardoor is
het eenvoudiger het openen en sluiten ge-
controleerd uit te voeren.
Sluitautomaat
– Trek de knop voor de ruitbediening kort tot
in de tweede st
and naar boven. De ruit sluit
volledig.
Openingsautomaat – Druk de knop voor de ruitbediening kort tot
in de tweede st
and naar beneden. De ruit
gaat helemaal open. Weer activeren van de sluit- en openingsau-
tomaat
– A
ls de kabels van de accu zijn los- en vast-
gemaakt, i
s de sluit- en openingsautomaat
buiten werking. Als volgt weer activeren:
– Ruit door het permanent omhoogtrekken
van de ruitbedienin
gsschakelaar tot de
aanslag omhoogschuiven.
– Schakelaar loslaten en opnieuw een secon-
de omhoogtrekk
en. De automaat is nu
weer geactiveerd.
Als u een knop tot in de eerste stand drukt
resp. trekt, opent of sluit het raam zolang de
knop wordt bediend. Wanneer u de knop kort
tot de tweede stand indrukt of loslaat, wordt
de ruit automatisch geopend (openingsauto-
maat) of gesloten (sluitautomaat). Wanneer u
de knop bedient tijdens het openen of slui-
ten van de ruit, blijft de ruit in die stand
staan. 141
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 145 of 320

Lichten en zicht
●
Geen kl ev
ers voor de sensor op de voorruit
bevestigen. Dit kan eventueel storingen of
defecten in de automatische rijlichtregeling
veroorzaken.
● De regensensor schakelt het dimlicht in
wanneer de ruiten
wissers gedurende enkele
seconden ononderbroken wissen, en schakelt
het dimlicht weer uit als het ononderbroken
of met interval wissen gedurende enkele mi-
nuten is gestopt. Dagrijverlichting
Voor het dagrijlicht zijn er afzonderlijke lam-
pen in de k
op
l
ampen opgenomen. Bij het in-
schakelen van de automatische dagrijverlich-
ting gaan die lampen branden 1)
››› .
Het d
agrijlic
ht wordt ontstoken zodra het
contact wordt ingeschakeld, terwijl de scha-
kelaar in de standen of staat, al naar
gelang de hoeveelheid daglicht.
Wanneer de lichtschakelaar in de stand
staat, zorgt een verlichtingssensor voor het
automatisch in- en uitschakelen van het dim-
licht (inclusief de verlichting van het instru-
mentenpaneel) resp. het dagrijlicht, al naar
gelang de hoeveelheid daglicht. ATTENTIE
● U mag nooit met
dagrijlicht rijden als de
weg slecht verlicht is vanwege de weersom-
standigheden of als het donker is. De dagrij-
verlichting levert onvoldoende licht om de
weg goed te verlichten of om goed zichtbaar
te zijn voor andere weggebruikers.
● In wagens met achterlichten met lampen
gaan de acht
erlichten niet branden wanneer
de dagrijverlichting wordt ingeschakeld. Een
wagen zonder ingeschakelde achterlichten is
's nachts, bij regen of bij slecht zicht voor
achteropkomend verkeer niet zichtbaar. Mistlicht
Afb. 144
Dashboard: lichtschakelaar. Mistlampen voor inschakelen*
● Schakelaar vanuit positie
,
of in
de eerste stand draaien en omhoog trekken.
Het symbool van de lichtschakelaar gaat
branden.
Mistachterlicht inschakelen (wagens met
mistlampen voor)
● Schakelaar vanuit positie ,
of in
de tweede stand draaien en omhoog trekken.
Er gaat een controlelampje aan op het paneel
voor controle- en waarschuwingslampjes.
Mistachterlicht inschakelen (wagens zonder
mistlampen voor)
● Lichtschakelaar tot tegen de aanslag draai-
en vanuit
positie , of en omhoog
trekken. Er gaat een controlelampje aan op
het paneel voor controle- en waarschuwings-
lampjes.
Knipperlicht- en grootlichthendel Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 31 »1)
In wagens uitgerust met led-achterlichten gaat ook
het s t
adslicht achteraan branden. 143
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 146 of 320

Bedienen
Parkeerlicht
● Contact uitzetten en de sleutel uit het con-
t acts
lot
trekken.
● Hendel omhoog- of omlaagdrukken om het
recht
er- of het linkerparkeerlicht in te schake-
len.
Comfortlichten
Beweeg voor de comfortlichten de hendel
omhoog of omlaag tot aan het punt waar u
enige weerstand voelt en laat de hendel los.
Het knipperlicht knippert driemaal.
De comfortknipperlichten kunnen worden ge-
activeerd en gedeactiveerd in het Easy Con-
nect-systeem via toets en de functieknop
S ETUP
› ›
› p
ag. 120.
Bij wagens die niet over het betreffende me-
nu beschikken, kan de functie worden ge-
deactiveerd in een gespecialiseerde werk-
plaats. ATTENTIE
Door het grootlicht worden andere bestuur-
ders ern
stig verblind - gevaar voor ongeval-
len! Gebruik het grootlicht resp. grootlicht-
signaal alleen wanneer niemand kan worden
verblind. Let op
● Indien de comf or
tknipperlichten in werking
zijn (driemaal knipperen) en het comfortknip- perlicht van het tegenoverliggende deel
wor
dt
geactiveerd, dan stopt het actieve deel
met knipperen en knippert het licht slechts
eenmaal in het nieuwe deel dat is geselec-
teerd.
● De knipperlichten werken alleen bij inge-
sc
hakeld contact. Het betreffende controle-
lampje in het instrumentenpaneel knip-
pert. Het controlelampje knippert als de
knipperlichten worden ingeschakeld en een
aanhangwagen correct op de wagen is aange-
sloten. Als een gloeilamp van de knipperlich-
ten defect is, knippert het controlelampje
twee keer zo snel. Als de knipperlichten van
de aanhangwagen defect zijn, brandt het con-
trolelampje niet. De gloeilamp vervangen.
● Het grootlicht kan alleen bij ingeschakeld
dimlic
ht worden ingeschakeld. In het instru-
mentenpaneel brandt dan controlelampje .
● Het grootlichtsignaal brandt zo lang als u
de hendel
vasthoudt, ook als het licht niet is
ingeschakeld. In het instrumentenpaneel
brandt dan controlelampje .
● Bij ingeschakeld parke
erlicht branden aan
de betreffende zijde van de wagen de kop-
lamp met stadslicht en het achterlicht. Het
parkeerlicht brandt alleen bij uitgeschakeld
contact. Als het licht is ingeschakeld, klinkt
er een akoestisch signaal zolang het bestuur-
dersportier is geopend.
● Als bij ingeschakelde knipperlicht de con-
tacts
leutel uit het contactslot wordt getrok-
ken, klinkt er een waarschuwingssignaal zo-
lang het bestuurdersportier geopend is. Dat
herinnert u eraan de knipperlichten uit te schakelen, tenzij u het parkeerlicht juist wilt
hebben in
g
eschakeld. Functie Coming Home/Leaving Home*
Afb. 145
Gerelateerde vi-
deo De functie Leaving Home wordt met een licht-
sen
sor g
ec
ontroleerd.
Indien de functie Coming Home of Leaving
Home ingeschakeld is, gaan als oriëntatie-
lichten de stadslichten en dimlichten voor-
aan, de achterlichten en de kentekenverlich-
ting aan.
Functie Coming Home
De functie Coming Home wordt geactiveerd
en het contact wordt uitgeschakeld. Na het
openen van het bestuurdersportier, gaat de
verlichting Coming Home aan.
De verlichting Coming Home gaat uit in on-
derstaande gevallen:
● Indien, 30 seconden na het inschakelen,
nog een portier of de ac
hterklep open is.
144
Page 153 of 320

Stoelen en hoofdsteunen
Milieu-aanwijzing
De verwarming van de buitenspiegels moet
niet l an
ger dan nodig aan blijven staan. An-
ders wordt onnodig veel brandstof verbruikt. Let op
● Als
het elektrische verstelmechanisme
eens zou uitvallen, kunt u beide buitenspie-
gels met de hand verstellen door op de rand
van het spiegelvlak te drukken.
● Bij wagens met elektrisch inklapbare bui-
tens
piegels geldt: als het spiegelhuis door
krachten van buitenaf (bijv. aanstoten bij in-
parkeren) is versteld, moeten de spiegels
elektrisch tot aan de aanslag worden inge-
klapt. Het spiegelhuis mag in geen geval met
de hand worden versteld, omdat dan de werk-
ing van de spiegel wordt beïnvloed.
● De inklapfunctie van de buitenspiegels
wordt
niet geactiveerd bij een snelheid die
hoger is dan 40 km/u (25 mph). Stoelen en hoofdsteunen
St oel
en en hoof
dsteunen ver-
stellen
Voorstoelen verstellen Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 18 ATTENTIE
Belangrijke informatie, tips, adviezen en
waar s
chuwingen die u in het belang van uw
eigen veiligheid en de veiligheid van uw pas-
sagiers moet lezen en in acht nemen, vindt u
in het hoofdstuk Veilig rijden ››› pag. 72. ATTENTIE
● Nooit de be s
tuurders- of bijrijdersstoel tij-
dens het rijden verstellen. Tijdens het ver-
stellen van de stoel neemt u een verkeerde
zithouding aan, wat kan leiden tot ongeval-
len. Verstel de bestuurders- of bijrijdersstoel
alleen wanneer de wagen stilstaat.
● Om het risico op verwondingen bij plotse-
ling remmen of
een ongeluk te verkleinen,
nooit met te ver naar achteren staande rug-
leuning rijden. De optimale beschermende
werking van de veiligheidsgordel wordt al-
leen bereikt wanneer de rugleuning in een
rechte stand staat en de inzittenden de veilig-
heidsgordels goed hebben omgegespt. Hoe verder de rugleuning naar achteren gekanteld
is, hoe gr
ot
er het gevaar op lichamelijk letsel
is door een verkeerd gordelverloop!
● Wees voorzichtig bij het verstellen van de
stoel
in hoogte of lengterichting! Door het
ongecontroleerd en achteloos verstellen van
de voorstoelen kunnen verwondingen door
knellen ontstaan.
● Trek verticaal en niet lateraal aan de hendel
om de stoel
in de lengterichting te verplaat-
sen, aangezien deze door de kracht die zo
uitgeoefend wordt beschadigd kan raken. Voorste hoofdsteunen verstellen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 19
Hoofdsteun zo verstellen ›››
pag. 19 dat
de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk
in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het
hoofd van de inzittende. Als dit niet mogelijk
is, probeer dan een stand in te stellen die zo
goed mogelijk daarbij in de buurt komt. ATTENTIE
● Rijd nooit met uit
gebouwde hoofdsteunen -
risico op zware verwondingen!
● Hoofdsteunen na het inbouwen altijd juist
vers
tellen naargelang de lichaamslengte van
de inzittenden om de optimale beschermende
werking te bereiken. » 151
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 155 of 320

Stoelen en hoofdsteunen
Verwarmde stoelen* Afb. 152
In de middenconsole: bedienings-
knop pen
v
oor verwarming van de voorstoe-
len. : versie met Climatronic. : versie met
handbediende airconditioning. De zittingen kunnen elektrisch verwarmd
w
or
den indien het
contact is ingeschakeld. In
een aantal uitvoeringen wordt ook de rugleu-
ning verwarmd.
In de volgende gevallen kan de stoelverwar-
ming niet worden ingeschakeld:
● de ventilator is uitgeschakeld;
● de stoel is voorzien van een stoelhoes;
● er is een kinderzitje op de stoel geplaatst;
● het zitvlak is nat of vochtig; ●
de binnen- of b
uitentemperatuur is hoger
dan 25°C (77°F).
Activeren
Toets of indrukken. De stoelverwarming
staat aan op de maximale stand.
Verwarmingscapaciteit instellen
Druk verschillende malen op de toets of ,
tot de gewenste intensiteit is ingesteld.
Uitschakelen
Druk op de toets of totdat alle controle-
lampjes in de toets uitgaan. ATTENTIE
Personen waarvan de gewaarwording van pijn
en warmt e beïn
vloed is door inname van be-
paalde medicijnen, verlamming of chronische
ziekte (bijv. diabetes), lopen het risico op
brandwonden aan de rug, het zitvlak en de
benen door het gebruik van de stoelverwar-
ming, wat een lang herstelproces of onvolle-
dige genezing kan inhouden. Raadpleeg een
arts indien u twijfels hebt over uw eigen ge-
zondheidstoestand.
● Personen met een beperkte gewaarwording
van pijn en warmt
e mogen de stoelverwar-
ming nooit gebruiken.
● Indien een storing wordt waargenomen bij
de temperat
uurregeling van de inrichting,
brengt u ze naar een gespecialiseerde werk-
plaats. ATTENTIE
Als de bekleding van de zitting vochtig is,
kan d at
de werking van de stoelverwarming
negatief beïnvloeden en het risico op brand-
wonden verhogen.
● Controleer of het zitvlak droog is voordat u
de stoelv
erwarming gebruikt.
● Ga niet met natte of vochtige kleding op de
stoel
zitten.
● Leg geen natte of vochtige voorwerpen op
de stoel
en hang deze ook niet daaraan.
● Mors geen vloeistoffen over de stoel. VOORZICHTIG
● Om de v er
warmingselementen van de
stoelverwarming niet te beschadigen, mag u
nooit op de stoelen knielen noch geconcen-
treerde druk uitoefenen op een enkel punt
van de zitting of rugleuning.
● Vloeistoffen, scherpe voorwerpen en isole-
rende mat
erialen (bijv. een stoelhoes of een
kinderzitje) op de stoel kunnen de stoelver-
warming beschadigen.
● Indien u een geur waarneemt, dient u de
stoelv
erwarming onmiddellijk uit te schake-
len en te laten herstellen in een gespeciali-
seerde werkplaats. Milieu-aanwijzing
Gebruik de stoelverwarming niet langer dan
strikt nodig. Ander
s wordt onnodig veel
brandstof verbruikt. 153
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid