ESP Seat Arona 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2017, Model line: Arona, Model: Seat Arona 2017Pages: 320, PDF Size: 6.73 MB
Page 87 of 320

Airbagsysteem
ATTENTIE
● Het v
erkeerd dragen van de veiligheidsgor-
dels en elke verkeerde zithouding kan tot
levensgevaarlijk lichamelijk letsel leiden.
● Alle inzittenden, ook kinderen die niet juist
zijn v
astgegespt, kunnen levensgevaarlijk li-
chamelijk letsel oplopen als de airbag wordt
geactiveerd. Kinderen t/m 12 jaar moeten al-
tijd op de zitplaatsen achterin worden ver-
voerd. Neem nooit kinderen mee in de wagen
als deze niet vastgegespt kunnen worden of
als deze niet over een kinderzitje beschikken
dat geschikt is voor hun lengte en gewicht.
● Als de veiligheidsgordel niet is vastge-
ges
pt, als er opzij of naar voren wordt ge-
leund of als er een verkeerde zithouding
wordt ingenomen, is de kans op lichamelijk
letsel bij een aanrijding aanzienlijk groter. Dit
verhoogde gevaar op lichamelijk letsel stijgt
nog meer als zij in zo'n geval door een geacti-
veerde airbag worden getroffen.
● Om het risico op lichamelijk letsel door een
geactiv
eerde airbag te reduceren, altijd de
veiligheidsgordel juist dragen.
● Voorstoelen altijd juist verstellen. Beschrijving van het airbagsysteem
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 20.
Het airbagsysteem is geen vervanging van de
veiligheidsgordel! Het airbagsysteem biedt in combinatie met de veiligheidsgordels een
bijkomende be
scherming voor de bestuurder
en bijrijder.
Het airbagsysteem bestaat (afhankelijk van
de installatie) voornamelijk uit:
● een elektronische stuur- en controlevoor-
ziening (r
egelapparaat);
● voorairbags voor bestuurder en bijrijder,
● zij-airbags,
● hoofdairbags,
● een controlelampje in het ins
trumenten-
paneel ››› pag. 86.
● een sleutelschakelaar voor de voorairbag
van de bijrijder
,
● een controlelampje voor het uitschake-
len/ins
chakelen van de voorairbag van de
bijrijder.
De werking van het airbagsysteem wordt
elektronisch gecontroleerd. Telkens wanneer
het contact wordt ingeschakeld, gaat het air-
bagcontrolelampje enkele seconden branden
(zelfdiagnose).
Er is een storing in het systeem als het con-
trolelampje :
● gaat niet branden wanneer het contact
wordt
ingeschakeld ›››
pag. 86,
● niet na ca. vier seconden uitgaat nadat het
cont act
werd ingeschakeld, ●
weer g aat
branden nadat het contact werd
ingeschakeld en het controlelampje uitging,
● gaat branden of knipperen tijdens het rij-
den.
Het airbag
systeem wordt niet geactiveerd
bij:
● uitgeschakeld contact,
● lichte frontale botsingen,
● lichte botsingen van opzij;
● botsingen van achteren;
● over de kop slaan. ATTENTIE
● De m ax
imale beschermende werking van de
veiligheidsgordels en het airbagsysteem
wordt alleen bij een correcte zitpositie be-
reikt ››› pag. 73, Zithouding van de inzitten-
den.
● Als er een storing in het airbagsysteem is,
moet het sy
steem direct in een werkplaats
van een officiële dealer worden gecontro-
leerd. Anders bestaat het gevaar dat ze bij
een frontale botsing helemaal niet of niet op-
timaal worden geactiveerd. Airbag activeren
De airbag wordt in een fractie van een secon-
de en met
hog
e s
nelheid opgeblazen om bij
een ongeval extra bescherming te kunnen »
85
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 88 of 320

Veiligheid
bieden. Als de airbags worden ontvouwen,
k an fijn s
t
of ontstaan. Dit is normaal en geen
teken van vuur in de wagen.
Het airbagsysteem is enkel klaar voor werk-
ing met ingeschakeld contact.
In bijzondere omstandigheden van ongeval-
len kunnen verscheidene airbags tegelijk af-
gaan.
Bij lichte botsingen frontaal, van opzij of van
achteren, kantelen of over de kop slaan van
het voertuig, zullen de airbags niet afgaan.
Factoren van activering
Er kunnen geen algemene uitspraken worden
gedaan over de omstandigheden die leiden
tot het activeren van het airbagsysteem in
elke situatie. Wel zijn er een aantal factoren
die een belangrijke rol spelen, zoals bijvoor-
beeld de eigenschappen van het voorwerp
dat botst tegen het voertuig (hard/zacht),
botshoek, rijsnelheid enz.
Doorslaggevend voor de activering van de
airbags is het traject van vertraging.
Het regelapparaat analyseert het traject van
de botsing en activeert het betreffende be-
vestigingssysteem.
Indien tijdens de botsing de gemeten vertra-
ging van het voertuig die daaruit volgt onder
de vooraf ingestelde referentiewaarden in het
regelapparaat blijft, zullen de airbags niet af- gaan zelfs al kan het voertuig ernstig ver-
vormd wor
den.
Bij ernstige frontale botsingen worden de
volgende airbags geactiveerd
● Voorairbag van de bestuurder.
● Voorairbag van de bijrijder.
Bij ernstig
e botsingen van opzij worden de
volgende airbags geactiveerd
● Zij-airbag vooraan aan de zijde van het on-
geval
.
● Zij-airbag achteraan aan de zijde van het
ongev
al.
● Hoofdairbag aan de zijde van het ongeval.
Bij een ongev
al met activering van de airbag:
● gaan de lampjes van het interieur branden
(indien de sch
akelaar voor binnenverlichting
in portierschakelaarstand staat);
● worden de knipperlichten tegelijk inge-
sch
akeld;
● worden alle portieren ontgrendeld;
● wordt de toevoer van brandstof naar de
motor afg
esloten. Controlelampje van de airbag en de
gordel
spanner Het controlelampje dient voor de controle
van al
l
e airbags en gordelspanners in de wa-
gen inclusief regelapparaten en bekabeling.
Controle van het airbag- en gordelspansys-
teem
De paraatheid van het airbag- en gordelspan-
systeem wordt continu elektronisch gecontro-
leerd. Elke keer dat het contact wordt inge-
schakeld, gaat het controlelampje enkele
seconden branden (zelfdiagnose).
Het systeem moet worden gecontroleerd als
het controlelampje :
● gaat niet branden wanneer het contact
wor dt
ingeschakeld,
● niet na ca. vier seconden uitgaat nadat het
contact
werd ingeschakeld,
● weer gaat branden nadat het contact werd
inge
schakeld en het controlelampje uitging,
● gaat branden of knipperen tijdens het rij-
den.
Bij een storin
g brandt het controlelampje
continu. Het airbagsysteem direct door een
gespecialiseerde werkplaats laten controle-
ren.
Ingeval een van de airbags door een Erkende
Seat Werkplaats werd uitgeschakeld, zal het
86
Page 89 of 320

Airbagsysteem
controlelampje enkele seconden langer bran-
den n a het
uit
voeren van de controle en zal
het daarna uitgaan als er geen storing is. ATTENTIE
● Als
er een storing is, kunnen het airbag- en
gordelspansysteem hun beschermende func-
tie niet goed uitvoeren.
● Als er een storing is, moet het systeem zo
snel mog
elijk door een gespecialiseerde
werkplaats worden gecontroleerd. Anders be-
staat het gevaar dat het airbagsysteem en
ook de gordelspanners bij een aanrijding niet
of niet optimaal worden geactiveerd. Veiligheidsaanwijzingen voor
de airb
ag
s
V
oorairbags Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 21. ATTENTIE
● De m ax
imale beschermende werking van de
veiligheidsgordels en het airbagsysteem
wordt alleen bij een correcte zitpositie be-
reikt ››› pag. 73, Zithouding van de inzitten-
den.
● Tussen de personen voorin en het wer-
king
sbereik van de airbag mogen zich verder geen personen, dieren of voorwerpen bevin-
den.
●
De beschermende werking van de airbags
gel dt
slechts voor één aanrijding en nadat ze
geactiveerd zijn geweest, moeten ze vervan-
gen worden.
● Ook mogen er geen voorwerpen zoals be-
kerhouders
of telefoonhouders op de afdek-
kingen van de airbags worden bevestigd.
● Aan de delen van het airbagsysteem mag
geen enkel
e verandering worden aange-
bracht. Zij-airbags*
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 22. ATTENTIE
● Als
de inzittenden geen veiligheidsgordels
dragen, tijdens de rit naar voren leunen of
een verkeerde zitpositie aannemen, staan ze
bij een ongeval bloot aan een verhoogd risico
op lichamelijk letsel als het airbagsysteem
wordt geactiveerd.
● Om de zij-airbags hun volledige bescher-
mende werkin
g te laten bieden, moet u tij-
dens het rijden de juiste zithouding aanhou-
den en de veiligheidsgordel op de juiste ma-
nier dragen.
● Tussen de inzittenden op de buitenste zit-
plaat
sen en het werkingsgebied van de air- bags mogen zich geen andere personen, die-
ren of
voorwerpen bevinden. Om de werking
van de zij-airbags niet te belemmeren, mogen
bovendien aan de portieren geen accessoires
zoals bekerhouders worden bevestigd.
● Aan de kledinghaken in de wagen mag uit-
sluitend k
leding met weinig gewicht worden
opgehangen. In de zakken van de kleding-
stukken mogen geen zware en scherpe voor-
werpen zitten.
● Er mogen geen grote krachten (zoals krach-
tig stot
en of trappen) op de zijkanten van de
rugleuningen worden uitgeoefend omdat an-
ders het systeem kan worden beschadigd. De
zij-airbags zouden in dit geval niet worden
geactiveerd!
● Er mogen in geen enkel geval stoelhoezen
op de stoel
en met ingebouwde zij-airbags
worden aangebracht die niet uitdrukkelijk
voor uw wagen zijn goedgekeurd. Omdat de
luchtzak aan de zijkant uit de stoel wordt ont-
vouwen, zou bij gebruik van niet-vrijgegeven
stoelhoezen de beschermende werking van
uw zij-airbag aanzienlijk nadelig worden be-
invloed.
● Beschadigingen aan de originele stoelhoe-
zen of de n
aad in de module van de zij-airbag
moeten direct door een gespecialiseerde
werkplaats worden gerepareerd.
● De beschermende werking van de airbags
geldt
slechts voor één aanrijding en nadat ze
geactiveerd zijn geweest, moeten ze vervan-
gen worden.
● Alle werkzaamheden aan de zij-airbag en
het uit- en inbou
wen van onderdelen van het » 87
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 93 of 320

Veilig vervoer van kinderen
Belangrijke aanwijzingen over de
v oor
airb
ag van de bijrijder Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 23.
Neem de veiligheidsaanwijzingen van de vol-
gende hoofdstukken in acht: ● Veiligheidsafstand tot de airbag aan bijrij-
dersz
ijde ››› pag. 84.
● Voorwerpen tussen de bijrijder en de air-
bag aan bijrijder
szijde ››› in Voorairbags
op p ag. 87
Indien de v
oorairbag aan bijrijderszijde wordt
geactiveerd, vormt dat een groot gevaar voor
een kind dat met de rug naar het dashboard
is gekeerd, aangezien de airbag met zo'n
grote kracht tegen de stoel kan slaan dat dit
levensgevaarlijke letsels kan opleveren. Kin-
deren t/m 12 jaar moeten altijd op de zit-
plaatsen achterin worden vervoerd.
Om deze reden raden wij u met klem aan om
kinderen op de zitplaatsen achterin te ver-
voeren. Het is de veiligste plek van de wa-
gen. Met de sleutelschakelaar kan de bijrij-
dersairbag buiten werking worden gesteld
››› pag. 89. Vervoer kinderen in een geschikt
kinderzitje dat in overeenstemming is met de
leeftijd en de grootte van het kind ›››
pag.
92. ATTENTIE
● Als
op de bijrijdersstoel een kinderzitje
wordt gemonteerd, betekent dit bij een aan-
rijding een grotere kans op, mogelijk dode-
lijk, lichamelijk letsel bij het kind.
● Een geactiveerde bijrijdersairbag kan een
kinderz
itje, dat met de rug naar het dash-
board is gekeerd, raken en dit met volle
kracht tegen het portier, de hemelbekleding
of de rugleuning werpen.
● Nooit een kinderzitje op de bijrijdersstoel
beves
tigen waarbij het kind met de rug naar
het dashboard is gekeerd en de voorairbag in
paraatheid is – levensgevaarlijk! Wanneer
het in uitzonderlijke gevallen noodzakelijk is
een kind op de bijrijdersstoel mee te nemen,
moet de voorairbag aan de bijrijderszijde bui-
ten werking worden gesteld ››› pag. 89, Voor-
airbag van de voorpassagier buiten werking
stellen*. Indien de bijrijdersstoel over een
hoogteregeling bezit, plaats deze dan zo ver
mogelijk naar achteren en in de hoogste posi-
tie. Als u een vaste stoel heeft, moet de stoel
zo ver mogelijk naar achteren worden gezet.
● In de versies zonder sleutelschakelaar voor
het uits
chakelen van de airbag dient de uit-
schakeling door een Erkende Seat Werkplaats
te worden verricht. Vergeet niet de airbag op-
nieuw in te schakelen wanneer een volwasse-
ne plaats wenst te nemen naast de bestuur-
der.
● Alle inzittenden - vooral kinderen - moeten
tijdens het
rijden de juiste zithouding aanne- men en de veiligheidsgordels juist hebben
omg
e
gespt.
● Laat nooit kinderen of baby's op schoot
meerijden - leven
sgevaarlijk!
● Sta nooit toe dat kinderen onbeschermd in
de wagen mee
gaan of tijdens het rijden in de
wagen gaan staan resp. geknield op de stoe-
len zitten. Bij een ongeval wordt uw kind zelf
ook door de wagen geslingerd en kunnen an-
dere inzittenden daardoor levensgevaarlijk
worden verwond.
● Als kinderen tijdens het rijden een verkeer-
de zithoudin
g aannemen, stellen de kinderen
zich bij plotseling remmen of een aanrijding
bloot aan een verhoogd risico op lichamelijk
letsel. Dit geldt in het bijzonder voor kinde-
ren die op de bijrijdersstoel worden vervoerd,
want als het airbagsysteem bij een ongeval
wordt geactiveerd, kan dit ernstig letsel en
zelfs de dood tot gevolg hebben.
● Een geschikt kinderzitje biedt een goede
besc
herming!
● Laat een kind nooit alleen op het kinderzi-
tje of in het
interieur, aangezien de gepar-
keerde wagen naargelang het seizoen zeer
hoge en nagenoeg dodelijke temperaturen
kan bereiken.
● Kinderen kleiner dan 1,50 m mogen niet
zonder kinder
zitje met een normale veilig-
heidsgordel worden vastgegespt omdat ze
anders bij plotseling remmen of een ongeval
letsel kunnen oplopen aan buik en hals.
● De veiligheidsgordel mag niet zijn vastge-
klemd en moet
juist zijn omgedaan ››› pag.
78. » 91
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 94 of 320

Veiligheid
●
In een kinder z
itje mag slechts één kind zit-
ten ››› pag. 92, Kinderzitjes.
● Wanneer een kinderzitje gemonteerd wordt
op de achterb
ank, wordt aanbevolen om het
kinderslot te activeren ››› pag. 136. Kinderzitjes
Vei ligheid
saanwijzingenLees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 23. ATTENTIE
Tijdens het rijden moeten kinderen in de wa-
gen w or
den vervoerd in een zitje dat geschikt
is voor hun leeftijd, lichaamsgewicht en li-
chaamslengte.
● Lees in elk geval de informatie en waar-
schu
wingen voor het gebruik van de kinderzi-
tjes ››› pag. 91 en volg deze op. ATTENTIE
De bevestigingsbeugels zijn alleen ontwik-
kel d
voor kinderzitjes met het "ISOFIX"- en
Top Tether*-systeem.
● Nooit kinderzitjes zonder "ISOFIX"- en Top
Tether*-sy
steem of spanbanden of andere
voorwerpen aan de bevestigingsbeugels
vastmaken – levensgevaarlijk! ●
Zor g er
voor dat de kinderzitjes goed in de
"ISOFIX"- en Top Tether*-bevestigingsbeu-
gels vastzitten. ATTENTIE
Een onjuiste installatie van de kinderzitjes
v erhoog t
het risico op verwonding bij een
botsing.
● Bind de veiligheidsriem nooit aan een be-
ves
tigingshaak in de bagageruimte.
● De bagage of andere voorwerpen nooit bij
de onderst
e (ISOFIX) of de bovenste veranke-
ringen (Top Tether) vastbinden of vastzetten. Indeling van de kinderzitjes in klas-
sen
Er mogen alleen kinderzitjes worden gebruikt
die
z
ijn g
oedgekeurd en voor het kind ge-
schikt zijn.
Voor deze kinderzitjes geldt de norm ECE-R
44 of ECE-R 129. ECE-R betekent: Economic
Commision of Europe-regeling.
De kinderzitjes zijn ingedeeld in vijf groepen:
Groep 0: tot 10 kg (tot ongeveer 9 maan-
den)
Groep 0+: tot 13 kg (tot ongeveer 18 maan-
den) Groep 1: van 9 tot 18 kg (tot ongeveer 4
jaar)
Gr
oep 2: van 15 tot 25 kg (tot ongeveer 7
jaar)
Groep 3: van 22 tot 36 kg (meer dan 7 jaar)
Kinderzitjes die conform de ECE-R 44 of ECE-R
129 norm zijn getest, zijn voorzien van het
ECE-R 44 of ECE-R 129 keurmerk (grote E in
een cirkel, daaronder het testnummer).
Let voor het inbouwen en het gebruik van
kinderzitjes op de wettelijke bepalingen en
montageaanwijzingen van de fabrikant van
het betreffende kinderzitje.
Wij adviseren u het instructieboekje voor het
kinderzitje bij de wagendocumentatie te voe-
gen en altijd in de wagen mee te nemen.
SEAT adviseert kinderzitjes uit het accessoi-
resprogramma van SEAT te gebruiken. Deze
kinderzitjes zijn voor het gebruik in wagens
van SEAT geselecteerd en getest. Bij uw SEAT
dealer kunt u terecht voor het meest geschik-
te zitje voor uw model wagen en de leeftijds-
categorie waarin uw kind valt.
Kinderzitjes volgens categorieën
De kinderzitjes kunnen universeel, semi-uni-
verseel, specifiek voor een voertuig (allemaal
volgens het voorschrift ECE-R 44) of i-Size
(volgens het voorschrift ECE-R 129) goedge-
keurd zijn.
92
Page 97 of 320

Zelfhulp
Noodgevallen
Z elfhu
lp
Nooduitru
sting
Gevarendriehoek* In sommige landen is een reflecterende geva-
rendriehoek
voor noodgevallen verplicht,
evenals een verbanddoos en reservelampjes.
De gevarendriehoek bevindt zich in het op-
bergvak onder de laadvloerafdekking in de
bagageruimte van de wagen. Let op
● De g ev
arendriehoek behoort niet tot de
standaarduitrusting van de wagen.
● De gevarendriehoek moet voldoen aan de
wettelijk
e vereisten. Verbanddoos en brandblusser*
De verbanddoos kan zich in het opbergvak
onder de l
aa
dvloer
afdekking in de bagage-
ruimte van de wagen bevinden.
De brandblusser* bevindt zich in de bagage-
ruimte en is met klittenband op de vloermat
vastgezet. Let op
● De v
erbanddoos en de brandblusser beho-
ren niet tot de standaarduitrusting van de wa-
gen.
● De verbanddoos moet voldoen aan de wet-
telijke ei
sen.
● Let bij het verbandkussen resp. de verband-
doos op de houdb
aarheidsdatum van de in-
houd. Is de houdbaarheidsdatum verstreken,
dan moet u zo snel mogelijk een nieuwe ver-
banddoos aanschaffen.
● De brandblusser moet altijd aan de wette-
lijke eisen
voldoen.
● Let er bij een brandblusser op, dat deze ook
bedrijfskl
aar is. Daarom moet een brandblus-
ser regelmatig worden gecontroleerd. Wan-
neer de eerstvolgende controle noodzakelijk
is, kunt u zien op de controlesticker op de
brandblusser.
● Alvorens nieuwe of vervangende accessoi-
res
aan te schaffen de aanwijzingen raadple-
gen in "Accessoires en onderdelen" ››› pag.
265. Wagengereedschap
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 62
Afhankelijk van de uitrusting bevinden het
wagengereedschap en de bandenafdichtset*
zich in de bagageruimte onder de afdekking
van de laadvloer. Het wagengereedschap bestaat uit de vol-
gende onderdel
en:
● Adapter voor wielboutbeveiliging*
● Sleepoog
● Wielsleutel*
● Krik*
● Haak voor verwijderen van de grote wiel-
doppen*/ kl
em voor de doppen van de wiel-
bouten.
Enkele van de vermelde onderdelen horen al-
leen bij bepaalde uitvoeringen of zijn optio-
neel. ATTENTIE
● De uit de f
abriek meegeleverde krik is al-
leen voor uw wagenmodel bedoeld. In geen
geval daarmee zwaardere wagens of andere
lasten optillen - gevaar voor verwondingen!
● Krik alleen op een stevige, vlakke onder-
grond ge
bruiken.
● Nooit de motor bij opgekrikte wagen star-
ten - gev
aar voor ongelukken!
● Als er handelingen onder de wagen verricht
moeten wor
den, dient men hiervoor geschik-
te middelen te gebruiken. Gevaar voor ver-
wondingen! » 95
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 100 of 320

Noodgevallen
ATTENTIE
Rijden met een niet afgedichte band is ge-
vaarlijk en k
an ongevallen en ernstig letsel
veroorzaken.
● Rij niet verder als de bandenspanning
1,3 bar (19 ps
i / 130 kPa) of lager is.
● Roep de hulp van vakmensen in. Ruitenwisserbladen vervangen
De ruit en
wisserbladen voor- en ach-
teraan vervangen Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 70.
Ruitenwisserbladen in perfecte staat zorgen
voor goed zicht. Zijn ze beschadigd, dan
moeten ze onmiddellijk vervangen worden.
De ruitenwisserbladen zijn standaard voor-
zien van een laagje grafiet. Deze laag zorgt
ervoor dat de ruit stil wordt geveegd. Als het
grafietlaagje beschadigd is, wordt de ruit met
meer lawaai schoongeveegd.
Controleer de toestand van de wisserbladen
regelmatig. Als de ruitenwisserbladen over
het glas schrapen , dan moet u ze bij bescha-
diging vervangen en bij verontreiniging
schoonmaken ››› . Als dit laatste niet voldoende mocht zijn, kan
het
z
ijn dat de montagehoek van de ruiten-
wisserarmen slecht afgesteld staat. In dat ge-
val dient u bij een gespecialiseerde werk-
plaats langs te gaan om de montagehoek te
laten controleren en eventueel af te stellen. ATTENTIE
Rijd alleen wanneer u goed zicht hebt door al-
le ruit en!
● R
egelmatig de ruitenwisserbladen en alle
ruiten sc
hoonmaken.
● Ruitenwisserbladen elk jaar een- tot twee-
maal
vervangen. VOORZICHTIG
● Def ect
e of vervuilde ruitenwisserbladen
kunnen krassen op de voorruit veroorzaken.
● Ruiten nooit met brandstof, nagellakremo-
ver, l
akverdunner e.d. schoonmaken. Hier-
door kunnen de ruitenwisserbladen worden
beschadigd.
● De voorruit- of achterruitwisser nooit met
de hand v
erplaatsen. Deze kunnen hierdoor
beschadigd raken.
● Om beschadiging van de motorkap en de
ruitenw
isserarmen te voorkomen, mogen ze
uitsluitend worden opgetild van de ruiten zo-
dra ze in servicestand staan. Let op
● De w i
sserarmen kunnen alleen in de be-
drijfsstand worden gezet als de motorkap vol-
ledig gesloten is.
● De servicestand kunt u bijvoorbeeld ook
gebruik
en wanneer u 's winters de voorruit
met een hoes tegen bevriezing wilt bescher-
men. Aanslepen en motor starten
door sl
epen
A
lgemeen Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 67.
Motor starten door slepen (of "aanslepen") is
het starten van de motor van een voertuig
dat door een ander voertuig wordt getrokken.
Wegslepen is het trekken van een voertuig
dat niet in staat is om te rijden.
Als de auto uitgerust is met het Keyless
Access-systeem, mag hij alleen gesleept wor-
den met ingeschakeld contact!
De accu van de wagen ontlaadt als de wagen
gesleept wordt met de motor uitgeschakeld
en het contact ingeschakeld. Afhankelijk van
de batterijstatus kan de afname van de span-
ning zo groot zijn, ook al duurt dat slechts
enkele minuten, dat geen enkel apparaat van
98
Page 104 of 320

Noodgevallen
Zekeringen en lampjes Z ek
erin
gen
Inleiding tot thema In principe kan een zekering toegewezen zijn
aan v
er
scheidene apparaten. Omgekeerd is
het ook mogelijk dat één apparaat verschil-
lende zekeringen gebruikt.
Vervang de zekeringen alleen als de oorzaak
van de fout werd opgelost. Wanneer een
nieuw geplaatste zekering na korte tijd weer
doorbrandt, moet de elektrische installatie
door een gespecialiseerde werkplaats wor-
den nagekeken. ATTENTIE
De hoge spanning van het elektrische sys-
teem k an s
troomschokken en ernstige brand-
wonden veroorzaken. Deze kunnen zelfs do-
delijk zijn!
● Raak nooit de elektrische kabels van het
ontst
ekingssysteem aan.
● Voorkom kortsluiting in de elektrische in-
sta
llatie. ATTENTIE
Het gebruik van verkeerde zekeringen, de ver-
van gin
g van zekeringen en het overbruggen
van een stroomcircuit zonder zekeringen kan brand en ernstige verwondingen tot gevolg
hebben.
● Ge bruik
nooit zekeringen met een te hoge
strooms
terkte. Vervang de zekeringen alleen
door zekeringen voor dezelfde stroomsterkte
(zelfde kleur en opschrift) en grootte.
● Probeer een zekering nooit te repareren.
● Vervang de zekeringen nooit door een me-
tal
en draad, een nietje of iets vergelijkbaars. VOORZICHTIG
● Sc hak
el de motor, lichten en overige elek-
trische apparatuur uit en haal de sleutel uit
het contact voordat u een zekering vervangt,
om schade aan het elektrische systeem te
voorkomen.
● Wanneer een zekering door een zwaardere
zekerin
g wordt vervangen, kan er ook schade
op een andere plaats in de elektrische instal-
latie ontstaan.
● Dek de open zekeringenhouders af om te
voorkomen d
at er vuil of vocht in de kast te-
rechtkomt, aangezien dit het elektrische sys-
teem kan beschadigen.
● Verwijder de deksels van de zekeringen-
houders en bou
w ze weer correct in om be-
schadigingen te voorkomen. Let op
● Bij een elektri s
ch apparaat kunnen meerde-
re zekeringen horen. ●
Meer der
e apparaten kunnen gezamenlijk
met een zekering zijn beveiligd.
● Er zijn in het voertuig meer zekeringen dan
in dit hoofd
stuk vermeld worden. Deze mo-
gen alleen vervangen worden in een gespeci-
aliseerde werkplaats.
● De posities die niet bezet zijn door een ze-
kering s
taan ook niet vermeld in de tabellen.
● Enkele van de in de tabellen vermelde ver-
bruikers
horen alleen bij bepaalde type-uit-
voeringen of zijn voor optioneel verkrijgbare
uitrusting.
● Let erop dat de tabellen overeenkomen met
de stand
van de techniek tijdens het drukken
van dit instructieboekje; waardoor ze dus aan
wijzigingen onderhevig zijn. Zekeringenoverzicht, dashboard links
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 59
Vervang de zekeringen alleen door zekerin-
gen voor dezelfde stroomsterkte (zelfde kleur
en opschrift) en grootte.
Nr.Stroomverbruiker/Ampère
1Trekhaak20
2Sigarettenaansteker/Accessoireaan-
sluiting20
3Soundversterker30 102
Page 107 of 320

Zekeringen en lampjes
ATTENTIE
● Als
de motor op bedrijfstemperatuur is,
moet bij werkzaamheden in de motorruimte
bijzonder zorgvuldig te werk worden gegaan -
gevaar voor verbranding!
● Lampen staan onder druk en kunnen explo-
deren al
s ze worden vervangen - gevaar voor
verwondingen!
● Let er bij het vervangen van de lampen op,
dat u
zich niet verwondt aan scherpe delen in
het koplamphuis. VOORZICHTIG
● Voor het w
erken aan het elektrisch systeem
moet de sleutel uit het contact gehaald wor-
den. Gevaar voor kortsluiting!
● Vóór het vervangen van het gloeilampje de
verlichtin
g resp. parkeerlichten uitschakelen. Milieu-aanwijzing
Met betrekking tot de opslag en afvoer van
defect e l
ampjes kunt u informatie verkrijgen
bij de gespecialiseerde winkels. Let op
● Afhank elijk
van de weersomstandigheden
(koude, vocht) kunnen de koplampen, de mis-
tlampen, achterlichten en knipperlichten tij-
delijk beslaan. Dit heeft geen invloed op de
levensduur van het verlichtingssysteem. Bij
het inschakelen van de lichten, ontwasemt de
zone waar de lichtbundel uitstraalt snel. Het is echter mogelijk dat de randen binnenin
aang
e
slagen blijven.
● Controleer regelmatig of de verlichting van
uw wag
en goed werkt, met name de verlich-
ting aan de buitenzijde van de wagen. Dat is
niet alleen in het belang van uw eigen veilig-
heid, maar ook in het belang van de veilig-
heid van andere verkeersdeelnemers.
● Zorg ervoor dat u een nieuw lampje hebt,
voord
at u het kapotte lampje gaat uitbouwen.
● Lampenglas niet met de blote hand aanra-
ken. Gebruik
een stoffen doek of papier. Pak
het glas van het gloeilampje niet met blote
handen vast. Gebruik een schone stoffen
doek of schoon papier. De vetsporen die de
vingers achterlaten zouden anders door de
warmte van het brandende gloeilampje ver-
dampen en op het spiegeloppervlak neer-
slaan met als gevolg dat de reflector dof
wordt.
● Afhankelijk van de uitrusting van de wagen
kan de binnen- en/of
buitenverlichting ge-
heel of gedeeltelijk uit led bestaan. De leds
gaan gemiddeld langer mee dan de levens-
duur van de wagen. Bij schade aan een led-
lampje moet u naar de werkplaats van een of-
ficiële dealer gaan voor vervanging. Gloeilampjes voor vervangen
Lamp j
e
van het grootlicht Afb. 109
In de motorruimte: lampje grootlicht. –
Motorkap openen.
– Draai het deksel 1 naar links en verwijder
het
›
›
› afb. 109.
– Verwijder de stekker van het lampje 2 door deze naar buiten te trekken.
– Verwijder het lampje door het los te trekken
en p l
aats
het nieuwe.
– Breng de stekker van het lampje 2 aan.
– Breng het deksel 1 aan en draai het naar
r ec
hts.
– W
erking van het nieuwe lampje controle-
ren.
105
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 110 of 320

Noodgevallen
Achterklep openen.
V er
w
ijder het deksel door het met de
platte zijde van een schroevendraaier in
de uitsparing ››› afb. 115 1 los te wip-
pen.
V er
w
ijder de stekker van het lampje 2 .
Dr aai met
de h
and of met een schroe-
vendraaier de bevestigingsschroef van
de lamp los 3 .
D e l
amp
van de carrosserie weghalen
door ze voorzichtig naar u te trekken en
op een schone en vlakke ondergrond
leggen.
Demonteer de fitting door de bevesti-
gingslipjes te openen ››› afb. 116 A .
D ef
ect
e lampje vervangen.
In omgekeerde volgorde te werk gaan
voor de montage en speciaal opletten
bij het plaatsen van de fitting. De beves-
tigingslippen moeten hoorbaar vastklik-
ken. VOORZICHTIG
Ga bij het uitbouwen van het achterlicht voor-
zic htig t
e werk, om te voorkomen dat onder-
delen resp. lak beschadigd raken. Let op
● Een z
achte doek klaarleggen, zodat er geen
krassen op het achterlichtglas komen als dit
wordt neergelegd. 2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
●
Bij het ac ht
erlicht met leds kan alleen het
lampje van het knipperlicht en dat van het
achteruitrijlicht worden vervangen. Achterlichten (in achterklep)
Afb. 117
Achterklep open: de afdekking ver-
w ijder
en. Afb. 118
Fitting uitbouwen. De handelingen in de aangegeven volgorde
uit
v
oer
en:
Controleren welk lampje defect is.
Achterklep openen.
Trek de afdekking van de achterklep in
pijlrichting los ››› afb. 117.
Verwijder de stekker van het lampje
››› afb. 118 1 .
D emont
eer de fittin
g door de bevesti-
gingslipjes te openen A .
D ef
ect
e lampje vervangen.
Met een doek eventuele vingerafdruk-
ken op het glas van het lampje verwijde-
ren.
Werking van het nieuwe gloeilampje
controleren.
In omgekeerde volgorde te werk gaan
voor de montage en speciaal opletten
bij het plaatsen van de fitting, daarbij
controleren of de bevestigingslippen
goed vastzitten. Let op
● Bij het ac ht
erlicht met leds kan alleen het
lampje van het knipperlicht en dat van het
achteruitrijlicht worden vervangen. 1.
2.
3.
4.
5.
4.
6.
7.
8.
108