alarm TOYOTA MIRAI 2023 Instructieboekje (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: TOYOTA, Model Year: 2023, Model line: MIRAI, Model: TOYOTA MIRAI 2023Pages: 530, PDF Size: 103.29 MB
Page 290 of 530

mogelijk ijs, sneeuw, modder, enz. op de
bumper bij de sensoren op de
achterbumper. (→B. 224) Na het
verwijderen van het ijs, de sneeuw, de
modder, enz. van de achterbumper moet
het systeem weer normaal gaan werken.
Ook werken de sensoren mogelijk niet
normaal bij extreem warm of koud weer.
Voorwaarden voor werking
noodstopsignaal
Als aan de volgende drie voorwaarden
wordt voldaan, werkt het
noodstopsignaal:
• De alarmknipperlichten zijn uit
• De werkelijke rijsnelheid is hoger dan
55 km/h
• Het rempedaal wordt op zo'n manier
ingetrapt dat het systeem op basis
van de deceleratie van de auto
oordeelt dat het om een noodstop
gaat
Automatisch uitschakelen van
noodstopsignaal
Het noodstopsignaal wordt in de
volgende situaties uitgeschakeld:
• De alarmknipperlichten worden
ingeschakeld
• Het rempedaal wordt losgelaten
• Het systeem oordeelt op basis van de
deceleratie van de auto dat het niet
om een noodstop gaat
WAARSCHUWING!
Het ABS werkt niet effectief als
• De maximale grip van de banden
overschreden wordt (bijvoorbeeld
versleten banden op een weg die
bedekt is met sneeuw).
• Er sprake is van aquaplaning bij hoge
snelheid op een nat of glad wegdek.
WAARSCHUWING!(Vervolg)
De remweg met ABS in werking kan
langer zijn dan onder normale
omstandigheden
Het ABS is niet ontworpen om de
remweg van de auto te verkorten. Houd
altijd voldoende afstand tot uw
voorligger, met name in de volgende
gevallen:
• Als wordt gereden op wegen met
grind, zand en dergelijke, of op
besneeuwde wegen
• Als wordt gereden met
sneeuwkettingen
• Als wordt gereden op slechte wegen
• Als wordt gereden over wegen met
diepe gaten of andere grote
oneffenheden
De TRC/VSC werkt mogelijk niet
effectief als
Het insturen van de juiste richting en
het overbrengen van de aandrijfkracht
kunnen op een gladde weg niet onder
alle omstandigheden gerealiseerd
worden, zelfs niet als het
TRC/VSC-systeem in werking is. Rijd
voorzichtig met de auto onder
omstandigheden waarbij de stabiliteit
en de aandrijfkracht verloren kunnen
gaan.
De Active Cornering Assist werkt niet
effectief als
• Vertrouw niet alleen op de Active
Cornering Assist. De Active
Cornering Assist werkt mogelijk niet
effectief bij het accelereren op een
helling of bij het rijden op een glad
wegdek.
• Wanneer de Active Cornering Assist
vaak in werking is getreden, wordt de
werking ervan mogelijk tijdelijk
gestopt om een goede werking van
de remmen, TRC en VSC te
garanderen.
5.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
288
Page 291 of 530

WAARSCHUWING!(Vervolg)
De Hill Start Assist Control werkt niet
effectief wanneer
• Vertrouw niet uitsluitend op de Hill
Start Assist Control. De Hill Start
Assist Control werkt mogelijk niet
effectief op steile hellingen en op
met ijs bedekte wegen.
• In tegenstelling tot de parkeerrem is
de Hill Start Assist Control niet
bedoeld om de auto gedurende
langere tijd op zijn plaats te houden.
Gebruik de Hill Start Assist Control
niet om de auto op een helling op zijn
plaats te houden omdat dat kan
leiden tot een ongeval.
Als TRC/ABS/VSC is geactiveerd
Het controlelampje Traction Control
knippert. Rijd altijd voorzichtig.
Roekeloos rijgedrag kan leiden tot
ongevallen. Wees bijzonder voorzichtig
als het controlelampje knippert.
Als TRC/VSC is uitgeschakeld
Wees zeer voorzichtig en pas uw
snelheid aan de conditie van het
wegdek aan. Schakel de TRC en de VSC
alleen in geval van nood uit, aangezien
deze systemen zorgdragen voor de
voertuigstabiliteit en het
aandrijfvermogen.
Secondary Collision Brake
Vertrouw niet uitsluitend op de
Secondary Collision Brake. Dit systeem
is ontworpen om te helpen de kans op
verdere schade ten gevolge van een
tweede aanrijding te verkleinen, maar
het effect is afhankelijk van diverse
omstandigheden. Te veel vertrouwen
op het systeem kan dodelijk of ernstig
letsel tot gevolg hebben.
Vervangen van banden
Controleer of alle banden dezelfde
maat hebben, van hetzelfde merk zijn
en hetzelfde profiel en draagvermogen
hebben. Controleer verder of alle
banden de aanbevolen spanning
hebben.
WAARSCHUWING!(Vervolg)
Het ABS-, TRC- en VSC-systeem
werken niet goed als er verschillende
banden onder de auto gemonteerd zijn.
Neem contact op met een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur
of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige voor meer informatie over
het vervangen van de wielen of
banden.
Omgaan met banden en
wielophanging
Problemen met de banden of
wijzigingen aan de wielophanging
hebben een negatief effect op de
ondersteunende systemen en kunnen
een storing veroorzaken.
Omgaan met de radarsensor opzij
achter (auto's met automatisch
knipperende alarmknipperlichten
achter)
→Blz. 224
5.6 Rijtips
5.6.1 Rijden in de winter
Tref voor het aanbreken van de winter de
noodzakelijke voorbereidingen en voer de
benodigde controles uit. Pas uw rijgedrag
altijd aan de actuele
weersomstandigheden aan.
Voorbereiding voor de winter
• Gebruik ruitensproeiervloeistof die
geschikt is voor winterse
omstandigheden.
• Laat de toestand van de 12V-accu
controleren door een monteur.
• Laat vier winterbanden onder uw auto
monteren of schaf een set
sneeuwkettingen voor de
achterwielen aan.
Controleer of alle banden dezelfde
maat hebben en van hetzelfde merk
5.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
289
5
Rijden
Page 336 of 530

WAARSCHUWING!(Vervolg)
ruitenwisserbladen beschadigd raken.
AUit
BAUTO
• Wanneer het bovenste deel van de
voorruit waar de regensensor is
geplaatst met de hand wordt
aangeraakt
• Wanneer een natte doek of iets
dergelijks in de buurt van de
regensensor wordt gehouden
• Als iets tegen de voorruit stoot
• Als u het regensensorhuis aanraakt of
als iets in aanraking komt met de
regensensor
Voorzorgsmaatregelen met betrekking
tot de achterbumper
Als de lak van de achterbumper is
geschilferd of bekrast, werken de
onderstaande systemen mogelijk niet
goed. Neem, als dit gebeurt, contact op
met een erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
• BSM (indien aanwezig)
• Automatisch knipperende
alarmknipperlichten achter (indien
aanwezig)
• RCTA (indien aanwezig)
• PKSB (indien aanwezig)
OPMERKING
Aantasting van de lak en corrosie van
de carrosserie en onderdelen
(lichtmetalen velgen, enz.) voorkomen
• Was de auto zo spoedig mogelijk:
– Na het rijden in een kustgebied
OPMERKING(Vervolg)
– Na het rijden over gepekelde wegen
– Als er zich teer of boomsappen op
de lak bevinden
– Als er zich dode insecten, insecten-
of vogelpoep op de lak bevinden
– Na het rijden in gebieden waar
sprake is van veel rook, stof,
ijzerdeeltjes of chemische stoffen
– Als de auto erg vuil is geworden van
stof of modder
– Als er brandstof op de lak is gemorst
• Als de lak is geschilferd of bekrast, laat
deze dan direct herstellen.
• Verwijder vuil van de velgen en berg
ze op een droge plaats op om te
voorkomen dat de velgen tijdens de
opslag gaan corroderen.
Schoonmaken van de verlichting aan
de buitenzijde
• Was deze met de nodige
voorzichtigheid. Gebruik geen
organische oplosmiddelen en borstel
ze ook niet af met een harde borstel.
Dit kan het oppervlak van de lampen
beschadigen.
• Breng geen was aan op de lenzen. Was
kan het lampglas beschadigen.
Wassen in een autowasstraat
Zet de ruitenwisserschakelaar in stand
OFF. Als de ruitenwisserschakelaar in
stand AUTO staat, kunnen de
ruitenwissers in werking treden
waardoor de ruitenwisserbladen
beschadigd kunnen raken.
Bij het wassen van de auto
Verwijder de dop van de tank in de auto
niet en zorg dat er geen water over de
tank stroomt. Als er water in de tank
terechtkomt, kan er schade ontstaan.
Reinigen met een hogedrukreiniger
• Stel de camera of de omgeving ervan
tijdens het wassen van de auto niet
bloot aan sterke waterstralen uit een
hogedrukreiniger. Door de kracht van
de waterstralen werkt het apparaat
mogelijk niet goed meer.
• Spuit geen water rechtstreeks op de
radarsensor die achter het embleem is
7.1 Onderhoud en verzorging
334
Page 379 of 530

8.1 Belangrijke informatie.........378
8.1.1 Alarmknipperlichten........378
8.1.2 Als uw auto in geval van nood tot
stilstand moet worden gebracht . .378
8.1.3 Als de auto onder water staat of het
wateropdewegstijgt.......379
8.2 Stappen die genomen moeten worden in
noodgevallen..............379
8.2.1 Als uw auto moet worden gesleept .379
8.2.2 Als u denkt dat er iets mis is....383
8.2.3 Als een waarschuwingslampje gaat
branden of een waarschuwingszoemer
klinkt ...............384
8.2.4 Als er een waarschuwingsmelding
wordt weergegeven........391
8.2.5 Als uw auto een lekke band heeft. .396
8.2.6 Als het brandstofcelsysteem niet kan
worden gestart..........406
8.2.7Alsuuwsleutelsverliest......407
8.2.8 Als de tankdopklep niet kan worden
geopend..............407
8.2.9 Als de elektronische sleutel niet goed
werkt ...............408
8.2.10 Als de 12V-accu is ontladen . . .410
8.2.11 Als uw auto oververhit raakt . . .416
8.2.12 Als de auto vast komt te zitten . .420
Bij problemen8
377
Page 380 of 530

8.1 Belangrijke informatie
8.1.1 Alarmknipperlichten
De alarmknipperlichten worden gebruikt
om andere bestuurders te waarschuwen
wanneer de auto tot stilstand moet
worden gebracht, bijvoorbeeld bij pech.
Bedieningsinstructies
Druk op de schakelaar om alle
richtingaanwijzers in te schakelen.
Druk nogmaals op de schakelaar om ze
weer uit te schakelen.
Alarmknipperlichten
• Als de alarmknipperlichten gedurende
langere tijd worden gebruikt terwijl
het brandstofcelsysteem niet in
werking is (terwijl het controlelampje
READY niet brandt), kan de 12V-accu
ontladen raken.
• Als een van de airbags wordt
geactiveerd of bij een harde aanrijding
van achteren worden de
alarmknipperlichten automatisch
ingeschakeld. De alarmknipperlichten
worden na ongeveer 20 minuten
automatisch uitgeschakeld. Druk
tweemaal op de schakelaar om de
alarmknipperlichten handmatig uit te
schakelen. (De alarmknipperlichten
worden mogelijk niet automatisch
ingeschakeld, afhankelijk van de
kracht en de omstandigheden van de
aanrijding.)
8.1.2 Als uw auto in geval van
nood tot stilstand moet worden
gebracht
Breng de auto alleen in noodgevallen,
bijvoorbeeld wanneer de auto niet op de
normale manier stilgezet kan worden, als
volgt tot stilstand:
De auto tot stilstand brengen
1. Trap het rempedaal met beide voeten
stevig in.
Rem niet “pompend”; hierdoor is meer
kracht nodig om de auto tot stilstand te
brengen.
2. Zet de transmissie in stand N.
Als de transmissie in stand N is gezet
3. Zet na het afremmen de auto stil op
een veilige plaats langs de weg.
4. Schakel het brandstofcelsysteem uit.
Als de transmissie niet in stand N gezet kan
worden
3. Blijf het rempedaal met beide voeten
intrappen om de rijsnelheid van de auto
zo veel mogelijk af te remmen.
4. Om het brandstofcelsysteem uit te
schakelen, houdt u de startknop
2 seconden of langer ingedrukt of drukt u
deze driemaal of vaker kort na elkaar in.
5. Breng de auto op een veilige plaats
langs de weg tot stilstand.
8.1 Belangrijke informatie
378
Page 398 of 530

OPMERKING(Vervolg)
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige. Blijf niet doorrijden, anders
kan het brandstofcelsysteem mogelijk
niet weer worden gestart.
8.2.5 Als uw auto een lekke band
heeft
Uw auto is niet uitgerust met een
reservewiel, maar wel met een
bandenreparatieset.
Een lek dat wordt veroorzaakt door een
spijker of schroef die door het loopvlak
van de band steekt, kan tijdelijk worden
gerepareerd met de bandenreparatieset.
(De set bestaat uit een fles met
bandenreparatievloeistof. De
bandenreparatievloeistof kan slechts één
keer worden gebruikt voor de tijdelijke
reparatie van één band, waarbij de spijker
of schroef in het loopvlak moet blijven
zitten.) Afhankelijk van de schade kan
deze set mogelijk niet worden gebruikt
om de band te repareren. (→Blz. 396)
Laat na de noodreparatie met de
bandenreparatieset de band repareren of
vervangen door een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde
en uitgeruste deskundige. Met de
bandenreparatieset kunnen alleen
tijdelijke reparaties worden uitgevoerd.
Laat de band zo snel mogelijk repareren
of vervangen.
WAARSCHUWING!
Als uw auto een lekke band heeft
Rijd niet door met een lekke band. Zelfs
als er over een korte afstand met een
lekke band wordt doorgereden, kunnen
band en velg zodanig beschadigd
worden dat reparatie niet meer
mogelijk is en kan er een ongeval
ontstaan.Vóór het repareren van de band
• Breng de auto tot stilstand op een
veilige plaats en een stevige, vlakke
ondergrond.
• Activeer de parkeerrem.
• Zet de selectiehendel in stand P.
• Schakel het brandstofcelsysteem uit.
• Schakel de alarmknipperlichten in.
(→Blz. 378)
• Controleer de mate waarin de band
beschadigd is.
Haal de spijker of schroef niet uit de
band. Door het verwijderen ervan kan
het gat groter worden waardoor de band
niet meer tijdelijk gerepareerd kan
worden.
Een lekke band die niet kan worden
gerepareerd met de
bandenreparatieset
In de volgende gevallen is reparatie van
de band met behulp van de
bandenreparatieset niet mogelijk. Neem
contact op met een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde
en uitgeruste deskundige.
• De band is beschadigd door rijden met
onvoldoende spanning
• Wanneer de scheurtjes of
beschadigingen zich niet in het
loopvlak bevinden maar bijvoorbeeld
in de wangen van de band
• De band is zichtbaar van de velg
afgelopen
8.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
396
Page 412 of 530

Uitschakelen van het
brandstofcelsysteem
Activeer de parkeerrem, zet de
selectiehendel in stand P en druk op de
startknop zoals u normaal doet bij het
uitschakelen van het
brandstofcelsysteem.
Batterij elektronische sleutel
Omdat deze procedure een
noodmaatregel is, wordt geadviseerd de
batterij van de elektronische sleutel zo
snel mogelijk te laten vervangen als deze
ontladen is. (→Blz. 366)
Alarm (indien aanwezig)
Het alarmsysteem wordt niet
ingeschakeld als de mechanische sleutel
wordt gebruikt om de portieren te
vergrendelen. Het alarm kan worden
geactiveerd als een portier met de
mechanische sleutel wordt ontgrendeld
terwijl het alarmsysteem is ingeschakeld.
(→Blz. 61)
Wijzigen van de standen van het
contact
Laat het rempedaal los en druk tijdens
stap3hierboven op de startknop. Het
brandstofcelsysteem wordt niet
ingeschakeld en de standen van het
contact wijzigen iedere keer dat de knop
wordt ingedrukt. (→Blz. 155)
8.2.10 Als de 12V-accu is
ontladen
Als de 12V-accu ontladen is, kan het
brandstofcelsysteem met behulp van de
onderstaande procedures worden
gestart. U kunt contact ook opnemen met
een erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.Opnieuw starten van het
brandstofcelsysteem
Als u de beschikking hebt over een set
startkabels en een tweede voertuig met
een 12V-accu, kunt u uw auto starten met
behulp van de onderstaande
hulpstartprocedure.
1. Controleer of u de elektronische
sleutel bij u hebt.
Auto's met een alarm: Als u de
startkabels (of booster) aansluit, kan
het alarm afgaan of kunnen de
portieren worden vergrendeld,
afhankelijk van de situatie. (→Blz. 63)
2. Open de motorkap. Verwijder het
deksel van de zekeringenkast.
(→Blz. 340)
Druk de borglippen in en til de klep
eraf.
Auto's met linkse besturing
8.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
410
Page 431 of 530

Systemen met mogelijkheden voor persoonlijke voorkeursinstellingen
Sommige voorkeursinstellingen zijn van invloed op de instellingen van andere functies.
Neem voor meer informatie contact op met een erkende Toyota-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
AInstellingen die u met het multimediasysteem kunt wijzigen
BInstellingen die u met behulp van het multi-informatiedisplay kunt wijzigen
CInstellingen die door een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een
andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige kunnen worden gewijzigd
Definitie van symbolen: O = beschikbaar, — = niet beschikbaar
Alarm
*(→blz. 61)
FunctieStandaardinstel-
lingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Schakelt het alarm uit wan-
neer de portieren of de ach-
terklep worden ontgrendeld
met de sleutel of de mecha-
nische sleutelUit Aan — — O
*Indien aanwezig
Meters, tellers en multi-informatiedisplay (→blz. 88, blz. 90)
Functie*1Standaardinstel-
lingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Ta a l*2Engels*3—O—
Eenheden*4km (kg/100 km) mijl (kg/100 km) — O —
Begeleiding milieubewust
bedienen gaspedaalAan Uit — O —
Weergave brandstofverbruikTotaal gemiddelde
(gemiddeld
brandstofverbruik
[sinds resetten])Ritgemiddelde
(gemiddeld
brandstofverbruik
[sinds starten])
—O—
Gemiddelde per
tankbeurt (gemid-
deld brandstof-
verbruik [sinds
tanken])
Audiosysteemgekoppeld dis-
playAan Uit — O —
Energiemonitor Aan Uit — O —
Type rij-informatieReis (sinds star-
ten)Totaal (sinds re-
setten)—O—
Rij-informatie-items (eerste
item)AfstandGemiddelde rij-
snelheid
—O—
Verstreken tijd
9.2 Persoonlijke voorkeursinstellingen
429
9
Voertuigspecificaties
Page 433 of 530

FunctieStandaardinstel-
lingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Functie koppeling van stand
transmissie aan portierver-
grendelingUit Aan O — O
Functie koppeling van stand
selectiehendel aan portier-
ontgrendelingUit Aan O — O
Functie koppeling portier-
ontgrendeling aan bestuur-
dersportierAan Uit O — O
Vergrendelen/ontgrendelen
van de achterklep wanneer
alle portieren worden
vergrendeld/ontgrendeldAan Uit — — O
Smart entry-systeem met startknop en afstandsbediening (→blz. 108, blz. 114, blz. 116)
FunctieStandaardinstel-
lingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Bedieningssignaal (alarm-
knipperlichten)Aan Uit O — O
Tijd totdat na het ontgrende-
len, zonder dat een portier
wordt geopend, de portieren
automatisch weer worden
vergrendeld30 seconden60 seconden
O—O
120 seconden
Waarschuwingszoemer open
portier/achterklepAan Uit — — O
Smart entry-systeem met startknop (→blz. 108, blz. 114, blz. 116)
FunctieStandaardinstel-
lingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Smart entry-systeem met
startknopAan Uit O — O
Ontgrendelen portier met
Smart entry-systeem en
startknopAlle portierenBestuurderspor-
tierO—O
Tijd die verstrijkt voordat alle
portieren worden ontgren-
deld wanneer de portier-
greep van het bestuur-
dersportier wordt vastgepaktUit2 seconden
—— O 1,5 seconden
2,5 seconden
Aantal opeenvolgende por-
tiervergrendelingen
*2 keerZo veel als ge-
wenst—— O
*Alleen Israël.
9.2 Persoonlijke voorkeursinstellingen
431
9
Voertuigspecificaties
Page 441 of 530

FunctieStandaardinstel-
lingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Tijd die verstrijkt voordat de
instapverlichting in de spie-
gelvoet
*dooft15 secondenUit
O—O 7,5 seconden
30 seconden
Werking van de instapver-
lichting in de spiegelvoet
*
wanneer u de auto nadert
terwijl u de elektronische
sleutel bij u draagtAan Uit — — O
Werking van de instapver-
lichting in de spiegelvoet
*
wanneer de portieren worden
ontgrendeldAan Uit — — O
*Indien aanwezig
Persoonlijke voorkeursinstellingen
auto
• Wanneer de functie koppeling van
portiervergrendeling aan rijsnelheid
en de functie koppeling van
portiervergrendeling aan stand
transmissie allebei zijn ingeschakeld,
werkt de portiervergrendeling als
volgt.
– Als de transmissie in een andere
stand dan P wordt gezet, worden
alle portieren vergrendeld.
– Als de auto wordt gestart terwijl alle
portieren zijn vergrendeld, werkt de
functie koppeling
portiervergrendeling aan rijsnelheid
niet.
– Als de auto wordt gestart terwijl een
van de portieren is ontgrendeld,
werkt de functie koppeling van
rijsnelheid aan portiervergrendeling
wel.
• Als het Smart entry-systeem met
startknop is uitgeschakeld, kan de
functie ontgrendelen met instap niet
worden aangepast.
• Als de portieren niet worden geopend
nadat de portieren zijn ontgrendeld
en de timer automatisch opnieuw
vergrendelen wordt geactiveerd,
worden er signalen gegenereerdovereenkomstig de instelling van de
bedieningssignaalfunctie
(alarmknipperlichten).
• Bepaalde instellingen kunnen worden
gewijzigd via een schakelaar of het
multimediasysteem. Wanneer een
instelling wordt gewijzigd via een
schakelaar, wordt de gewijzigde
instelling pas op het
multimediasysteem weergegeven
wanneer het contact UIT en weer AAN
wordt gezet.
9.2 Persoonlijke voorkeursinstellingen
439
9
Voertuigspecificaties