sensor Hyundai Kona 2018 Handleiding (in Dutch)

Page 357 of 540

5-79
Rijden met uw auto
5
- Uw voorligger signaleren
Als uw voorligger een grote, naar
achteren uitstekende lading heeft of
een grotere bodemvrijheid heeft dan
uw auto, moet u extra goed opletten.
Mogelijk wordt de naar achteren
uitstekende lading niet door het FCA-
systeem gesignaleerd. Bewaar in
deze gevallen altijd voldoendeafstand tot het object dat het dichtst
voor u is, zodat u de auto veilig tot
stilstand kunt brengen en trap indiennodig het rempedaal in om uw
rijsnelheid te verlagen.
Signaleren van voetgangers
De werking van de sensor wordt
mogelijk in de volgende gevallen
beperkt:
• De voetganger wordt niet goed gesignaleerd door het
cameraherkenningssysteem als de
voetganger bijvoorbeeld voorover
buigt of niet volledig rechtop loopt
• De voetganger beweegt zeer snel of verschijnt plotseling in het
detectiegebied van de camera
• De voetganger draagt kleding die wegvalt tegen de achtergrond,
waardoor deze moeilijk door het
cameraherkenningssysteem kan
worden gesignaleerd
• De buitenverlichting is te fel (bijvoorbeeld bij het rijden in fel
zonlicht of de schittering van de
zon) of te donker (bijvoorbeeld 'snachts op het platteland)
• Het is moeilijk om de voetganger te signaleren en te onderscheiden
van andere objecten in de buurt,
bijvoorbeeld wanneer er een groep
voetgangers of een grote groepmensen is • Er wordt een object gesignaleerd
dat een vergelijkbare vorm heeftals het menselijk lichaam
• De voetganger is klein
• De voetganger is lichamelijk gehandicapt
• De herkenning door de sensor is beperkt
• De radarsensor of camera wordt geblokkeerd door een vreemd
voorwerp o.i.d.
• Slecht weer, zoals hevige regen of sneeuw, hinderen het blikveld van
de radarsensor of camera
• Wanneer licht van een straatlantaarn of
tegemoetkomende auto op een nat
wegdek of een plas op de weg
wordt gereflecteerd.
• Het blikveld voor wordt gehinderd door de schittering van de zon.
• De voorruit is beslagen; een helder zicht op de weg is niet mogelijk.
• Slechte wegomstandigheden zorgen voor overmatige trillingen
tijdens het rijden.
OOS057022

Page 361 of 540

5-83
Rijden met uw auto
5
Onthoud dat de rijsnelheid ten minste
ongeveer 60 km/h moet zijn om de
status van het LKA-systeem te laten
overschakelen naar ENABLE
(inschakelen). Het controlelampje in
het instrumentenpaneel gaat groen
branden.De kleur van hetcontrolelampje is
afhankelijk van de status
van het LKA-systeem.
- Wit: De sensor signaleert geen
rijstrookmarkeringen of de
rijsnelheid is lager dan 60km/h.
- Groen: De sensor detecteert
rijstrookmarkeringen en hetsysteem is in staat de
besturing van de auto tebedienen.
Informatie
Wanneer het controlelampje (wit)
tijdens de vorige contactcyclus is
geactiveerd, wordt het systeem
ingeschakeld zonder extra regeling.
Als u nogmaals op de toets LKA
drukt, gaat het controlelampje in het
instrumentenpaneel uit. Activeren van het LKA-systeem
• Om het scherm van het LKA- systeem op het LCD-display van
het instrumentenpaneel weer te
geven, selecteert u de modus
ASSIST ( ). Zie "LCD-
displaymodi" in hoofdstuk 3 voor
meer informatie. • Wanneer beide rijstrookmarkeringen
worden gesignaleerd en aan alle
voorwaarden voor activering van het
LKA-systeem wordt voldaan, gaat
het stuurwielcontrolelampje groen
branden en verandert het
controlelampje van het LKA-systeem
van wit naar groen. Dit geeft aan dat het LKA-systeem zich in de status ENABLED
(ingeschakeld) bevindt en dat het
stuurwiel kan worden bediend.
i
OOS057035L
Het Lane Keeping Assist- systeem (LKA) is een systeem
dat moet voorkomen dat de
bestuurder onbedoeld zijn
rijstrook verlaat. De bestuurder
moet echter niet uitsluitend op
het systeem vertrouwen maartijdens het rijden altijd op derijomstandigheden letten.WAARSCHUWING

Page 366 of 540

5-88
Rijden met uw auto
• U rijdt op een steile helling, overeen heuvel of op een bochtige
weg.
• Slechte wegomstandigheden zorgen voor overmatige trillingen
tijdens het rijden.
• De omgevingstemperatuur van de binnenspiegel is hoog als gevolg
van direct zonlicht, enz.
Als het zicht vooruit slecht is
• De voorruit of de cameralens van het LKAS wordt geblokkeerd door
vuil e.d.
• De voorruit is beslagen; een helder zicht op de weg is niet mogelijk.
• Door het plaatsen van objecten op het dashboard, enz.
• De sensor kan de rijstrook niet waarnemen als gevolg van mist,
zware regenval of sneeuw.Wijzigen functie LKA-systeem
De bestuurder kan overschakelen van het LKA-systeem naar het Lane
Departure Warning-systeem (LDW) ofin de modus LKA-systeem wisselen
tussen Standaard LKA en Actieve
LKA op het LCD-display. Ga naar
"Gebruikersinstellingen →
Bestuurdershulp →LKA (Hulp bij
rijbaan aanhouden) →LDW
(Waarschuwing bij
rijbaanwissel/Standaard LKA/ActieveLKA)". Het systeem is automatisch ingesteld op Standaard LKA als ergeen functie is geselecteerd.
Lane Departure Warning
Het LDW-systeem waarschuwt debestuurder zichtbaar en hoorbaar als
het systeem signaleert dat de auto
de rijstrook verlaat. Het stuurwiel
wordt niet bediend.
Standaard LKA
De Standaard LKA-modus helpt de
bestuurder de auto op de rijstrook te
houden. Het bedient nagenoeg nooithet stuurwiel als de auto goed op de
rijstrook rijdt. Als de auto de rijstrook
dreigt te verlaten, begint het het
stuurwiel echter wel te bedienen.
Actieve LKA
De modus Actieve LKA biedt een
intensievere bediening van het
stuurwiel in vergelijking met de
modus Standaard LKA. De ActieveLKA-modus kan helpen bij het
tegengaan van vermoeidheid bij debestuurder door te helpen de auto in
het midden van de rijstrook tehouden.

Page 370 of 540

5-92
Rijden met uw auto
Het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) maakt gebruik van
de camerasensor op de voorruit. Om de camerasensor in optimale conditie te houden moeten de
volgende aanwijzingen worden
opgevolgd:
• Plaats GEEN accessoires ofstickers op de voorruit en breng
geen getinte coating aan op de
voorruit.
• Plaats GEEN reflecterende objecten (bijv. wit papier,
spiegel) op het dashboard. Elke
lichtreflectie kan een storing in
het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) veroorzaken.
• Voorkom met de grootste zorgvuldigheid dat decamerasensor in aanraking
komt met water.
• Probeer de camera NOOIT zelf te demonteren en stel de camera
niet bloot aan schokken.
• Haal de camera niet uit elkaar, bijvoorbeeld om de ruit extra tetinten of coatings of accessoires
aan te brengen. ls u de camera uit elkaar hebt
gehaald en weer in elkaar hebt
gezet, adviseren we u de
kalibratie van het systeem te
laten controleren door een
officiële Hyundai-dealer.
AANWIJZING•Het rijgedrag van de auto in
voorwaartse richting laat
ernstig te wensen over (door
een groot verschil in
bandenspanning, ongelijk-
matige bandenslijtage, onjuisttoespoor/uitspoor).
•De auto rijdt op een slechte weg.
•De auto rijdt op een
slingerende weg.
•De auto rijdt door een gebied
waarin het hard waait.
•De volgende rijbegeleidings- systemen zijn actief:
- Lane Keeping Assist-
systeem (LKA)
- Forward Collision- Avoidance Assist (FCA)
Het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) werkt mogelijk
niet goed en waarschuwt inbeperkte mate onder de
volgende omstandigheden:
•De rijstrook wordt slecht
herkend. (Zie "Lane KeepingAssist-systeem (LKA)" in dit
hoofdstuk voor meer
informatie.)
•Er wordt wild met de auto
gereden of er wordt abrupt om
een obstakel heen gestuurd
(bijv. wegwerkzaamheden,
andere voertuigen, gevallen
objecten, slechte wegen).
OPMERKING
Als het volume van het
audiosysteem van de auto hoog
is, zijn de
waarschuwingssignalen van
het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) mogelijk niet
hoorbaar.
OPMERKING

Page 411 of 540

6-12
Wat te doen in een noodgeval
Een wiel verwisselen met TPMS
Bij een lekke band gaat het
waarschuwingslampjes lage
bandenspanning branden. Weadviseren u de band met een te lagespanning te laten controleren door
een officiële Hyundai-dealer.
Ieder wiel is uitgerust met een bandenspanningssensor achter het
ventiel in het wiel. Gebruik wielen die
speciaal geschikt zijn voor TPMS. Wij
raden u aan uw banden door eenofficiële Hyundai-dealer te laten
nakijken.Ook wanneer u de band met de lagebandenspanning door het
reservewiel hebt vervangen, blijft het
waarschuwingslampjes lagebandenspanning knipperen of
branden totdat de band met de lagebandenspanning is gerepareerd en
weer op de auto is gemonteerd. Nadat u de band met lage
bandenspanning hebt vervangen
door het reservewiel kan na een paar
minuten het waarschuwingslampjelage bandenspanning gaan
knipperen of branden omdat de
TPMS-sensor in het reservewiel nietis geïnitialiseerd. Als de band met lage
bandenspanning weer op de
aanbevolen spanning is gebracht enop de auto is gemonteerd of als de
TPMS-sensor van het reservewiel isgeïnitialiseerd door een officiële
Hyundai-dealer, doven het
controlelampje storing TPMS en het
waarschuwingslampje lagebandenspanning binnen een paar
minuten rijden.•Het controlelampje storing
TPMS zal mogelijk gaanbranden als de auto in de
buurt rijdt van
elektriciteitskabels of zenders
zoals in de nabijheid van
politiebureaus, kantoren,
zendstations, militaire
objecten, luchthavens,
zendmasten, enz. Dit kan de
normale werking van het
bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) storen.
•Het controlelampje storing TPMS gaan branden als er
sneeuwkettingen gebruikt
worden of als er in de auto
bepaalde elektronische
apparatuur wordt gebruikt,
zoals een notebook, een lader
voor een mobiele telefoon,
een externe starthulp of een
navigatiesysteem. Dit kan de
normale werking van het
bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) storen.
OPMERKING
We raden u aan door Hyundai
goedgekeurd
bandenreparatiemiddel te
gebruiken.
Het bandenreparatiemiddel op de bandenspanningssensor en
het wiel moet grondig worden
verwijderd wanneer u de band
door een nieuw exemplaar
vervangt.
OPMERKING

Page 412 of 540

6-13
Wat te doen in een noodgeval
6
Als het controlelampje niet dooft
nadat u een paar minuten hebt
gereden, raden we u aan hetsysteem te laten controleren door
een officiële Hyundai-dealer.U kunt de bandenspanning nietbeoordelen door alleen naar de
banden te kijken. Gebruik altijd een
bandenspanningsmeter van een
goede kwaliteit om de
bandenspanning te meten. Een band
die warm is (door het rijden), heefteen hogere bandenspanning dan
een band die koud is.
Een koude band houdt in dat de auto gedurende 3 uur heeft stilgestaan ofniet meer dan 1,6 km heeft gereden
gedurende deze periode.
Laat de band afkoelen alvorens de
bandenspanning te meten. Zorg er
altijd voor dat de band koud is
alvorens deze op de aanbevolenspanning te brengen.
Als de oorspronkelijk
gemonteerde band wordt
vervangen door het
reservewiel, moet de TPMS-
sensor op het reservewiel
worden geïnitialiseerd en desensor op het originele wiel
moet worden gedeactiveerd
door een Hyundai-dealer. Als deTPMS-sensor op het originele
wiel dat in de houder van het
reservewiel is gemonteerd nog
steeds actief is, werkt het
bandenspanningscontrolesyste
em mogelijk niet correct. We
adviseren u het systeem telaten repareren door een
officiële Hyundai-dealer.
OPMERKING
TPMS
•Het TPMS waarschuwt niet
voor ernstige en plotselinge
schade aan de banden
veroorzaakt door externe
factoren, zoals spijkers en
dergelijke.
•Als de auto instabiel aanvoelt,
haal dan onmiddellijk uw voet
van het gaspedaal, trap het
rempedaal licht in en breng
uw auto op een veilige plaatstot stilstand.
WAARSCHUWING
We raden u aan door Hyundai
goedgekeurd
bandenreparatiemiddel te
gebruiken indien uw auto is
uitgerust met het
controlesysteem voor lage
bandenspanning (TPMS). Hetvloeibare
bandenreparatiemiddel kan debandenspanningsensoren
beschadigen.
OPMERKING

Page 413 of 540

6-14
Wat te doen in een noodgeval
TPMS beschermen
Het aanpassen, wijzigen of
uitschakelen van onderdelen
van het controlesysteem lagebandenspanning (TPMS)
verhindert mogelijk dat de
bestuurder door het systeem
wordt gewaarschuwd over een
te lage bandenspanning en/of
storingen in het TPMS. Door het
aanpassen, wijzigen of
uitschakelen van onderdelen
van het TPMS vervalt mogelijk
de garantie voor dat deel van deauto.
WAARSCHUWING
EUROPA
•Voer geen wijzigingen door
aan de auto; deze kunnen de
TPMS-functie beïnvloeden.
•Universele wielen hebben
geen TPMS-sensor.
Voor uw veiligheid adviseren we u vervangende onderdelen
te gebruiken die zijn geleverddoor een officiële Hyundai-
dealer.
•Als u universele wielen onder
uw auto monteert, moet u
TPMS-sensoren gebruiken die
goedgekeurd zijn door een
Hyundai-dealer.
Als uw auto niet voorzien is
van TPMS-sensoren of als het
TPMS niet goed werkt, kunt u
problemen krijgen bij de APK.
❈Alle gedurende de
onderstaande periode op de
EUROPESE markt verkochte
auto's moeten zijn voorzien
van het TPMS.
- Nieuwe modellen: 1 november 2012 -
- Bestaande modellen: 1 november 2014 - (op basis
van voertuigregistratie)WAARSCHUWING

Page 416 of 540

6-17
Wat te doen in een noodgeval
6
In de volgende situaties raden we u aan het systeem door een
officiële HYUNDAI-dealer na telaten kijken.
1. Het waarschuwingslampje lagebandenspanning/controlelampj
e storing TPMS gaat niet
gedurende 3 seconden brandennadat het contact in stand ON is
gezet of de motor is gestart.
2. Het controlelampje storing TPMS blijft branden nadat het
gedurende ongeveer 1 minuut
heeft geknipperd.
3. Het waarschuwingslampje positie lage bandenspanning
blijft branden.
Waarschuwings-
lampje lage bandenspanning
Waarschuwings
-
lampje
positie lage bandenspanning en aanduiding bandenspanning
Wanneer de waarschuwingslampjes
van het bandenspanningscontrole
systeem branden en er een
waarschuwingsmelding op het LCD-
scherm in het instrumentenpaneel
wordt weergegeven, is de
bandenspanning van een of
meerdere band(en) aanmerkelijk te
laag. Het waarschuwingslampjepositie lage bandenspanning geeft
aan welke band een te lagebandenspanning heeft doordat het
bijbehorende lampje gaat branden. Wanneer een van deze
waarschuwingslampjes gaat
branden, verminder dan
onmiddellijksnelheid, vermijd scherp
aansnijden van bochten en
anticipeer op een langere remweg.
Zet de auto zo snel mogelijk stil en
controleer de banden. Breng de
banden op de juiste spanning zoals
aangegeven op het voertuigplaatje ofhet bandenspanningslabel op de
middenstijl aan bestuurderszijde.
Vervang de band met een te lage bandenspanning door het
reservewiel als u geen tankstation
kunt bereiken of als de band lek is.
Wanneer u ongeveer 10 minuten rijdt met een snelheid hoger dan 25 km/h
na het vervangen van de band meteen te lage bandenspanning door
het reservewiel, doet zich het
volgende voor:
• Het controlelampje storing TPMS
knippert mogelijk gedurende
ongeveer 1 minuut en blijft daarna
branden omdat de TPMS-sensor niet
op het reservewiel is gemonteerd.
AANWIJZING
OOS047115L

Page 417 of 540

6-18
Wat te doen in een noodgeval
Het reservewiel is niet uitgerust
met een bandenspanningssensor.
Controlelampje storing TPMS (bandenspanningsco
ntrolesysteem)
Het controlelampje storing TPMS
gaat branden nadat het ongeveer 1
minuut heeft geknipperd wanneer
er een probleem is met hetbandenspanningscontrolesysteem(TPMS).
We raden u aan het systeem door
een officiële HYUNDAI-dealer na te
laten kijken om het probleem te laten
vaststellen.
In het geval van een storing
in het TPMS gaat het
waarschuwingslampje positie
lage bandenspanning mogelijk
niet branden, ook al is de
spanning van een band te laag.
AANWIJZING
AANWIJZING
Mogelijk gaat het
waarschuwingslampje lagebandenspanning in de winter of
bij koud weer branden als debanden bij warm weer op de
aanbevolen spanning zijn
gebracht. Het betekent niet dat
het TPMS defect is, omdat de
lagere temperatuur een
evenredig lagere
bandenspanning tot gevolgheeft.
Controleer de bandenspanning
en stel deze af op de
aanbevolen spanning wanneer
u van een warm gebied naar een
koud gebied of vice versa
rijdt, of wanneer de
buitentemperatuur aanmerkelijktoe- of afneemt.
OPMERKING
Schade door lage bandenspanning
Een te lage bandenspanning
zorgt ervoor dat de auto
instabiel wordt en kan ervoor
zorgen dat u de controle overde auto verliest en dat de
remweg wordt verlengd. Doorrijden op banden met een
te lage spanning heeft
oververhitte en defecte banden
tot gevolg.
WAARSCHUWING

Page 418 of 540

6-19
Wat te doen in een noodgeval
6
Een wiel wisselen met TPMS
Bij een lekke band gaan de
waarschuwingslampjes lagebandenspanning en positie lage
bandenspanning branden. Weadviseren u het systeem te latencontroleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Ieder wiel is uitgerust met een bandenspanningssensor achter het
ventiel in het wiel. Gebruik wielen die
speciaal geschikt zijn voor TPMS. Wij
raden u aan uw banden door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten
nakijken.Wanneer u ongeveer 10 minuten rijdtmet een snelheid hoger dan 25 km/h
na het vervangen van de band meteen te lage bandenspanning door
het reservewiel, doet zich het
volgende voor:
• Het controlelampje storing TPMS
knippert mogelijk gedurende
ongeveer 1 minuut en blijft daarna
branden omdat de TPMS-sensor
niet op het reservewiel isgemonteerd.
•Het controlelampje storing
TPMS gaat mogelijk gedurende
ongeveer 1 minuut knipperen
en blijft daarna branden als de
auto in de buurt rijdt van
elektriciteitskabels of zenders
zoals in de nabijheid van
politiebureaus, overheidsen
publieke gebouwen,
zendstations, militaire
installaties, luchthavens,
zendmasten, enz. Dit kan de
normale werking van het TPMSstoren.
•Het controlelampje storing
TPMS gaat mogelijk gedurende
ongeveer 1 minuut knipperen
en blijft daarna branden als er
sneeuwkettingen gebruikt
worden of als er in de auto
bepaalde elektronische
apparatuur wordt gebruikt,
zoals een notebook, een lader
voor een mobiele telefoon, een
externe starthulp of een
navigatiesysteem, enz. Dit kan
de normale werking van hetTPMS storen.
OPMERKING
Gebruik NOOIT
bandenreparatiemiddel om de
band met een te lage spanningte repareren.
Het afdichtingsmiddel kan debandenspanningssensoren
beschadigen. In dat geval moet u de bandenspanningssensor
vervangen.
OPMERKING

Page:   < prev 1-10 ... 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 next >