ABS FIAT FULLBACK 2017 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2017, Model line: FULLBACK, Model: FIAT FULLBACK 2017Pages: 332, PDF Size: 10.46 MB
Page 193 of 332

Het indicatielampje van de
2WD-/4WD-besturing gaat ook een
paar seconden branden, als de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" wordt gezet.
Raadpleeg "Indicatielampjes
2WD-/4WD-besturing*. De status van
het achterste differentieelslot (als gevolg
van het indrukken van de schakelaar
van het achterste differentieelslot) wordt
weergegeven doordat het
indicatielampje van het achterste
differentieelslot gaat knipperen of blijft
branden.
Bedrijfsstatus
achterste
differentieel-
slotIndicatielampje
achterste
differentieelslot
Easy
Select
4WDSuper
Select
4WD II
Achterste
differentieelslot
uitgeschakeld
Bezig met
inschakeling
Achterste
differentieelslot
ingeschakeld
Knippert
Brandt
Blijft uit
Het indicatielampje knippert terwijl het
achterste differentieelslot wordt
overgeschakeld tussen ingeschakeld en
uitgeschakeld. Als het overschakelen is
voltooid, blijft het indicatielampje ofwel
constant aan of uit.
De werking van de ESC en het ABS
wordt geannuleerd zolang het achterste
differentieelslot is ingeschakeld. Het
indicatielampje ESC, het indicatielampje
ESC OFF en het waarschuwingslampje
ABS branden zolang de werking is
geannuleerd. Dit duidt niet op een
probleem. Als het achterste
differentieelslot is uitgeschakeld, gaan
de lampjes uit en treden de systemen
weer in werking. Raadpleeg
"Waarschuwingslampje
antiblokkeersysteem (ABS)" en
"Indicatielampje ESC, Indicatielampje
ESC OFF".
Houd het stuurwiel in de stand recht
vooruit en druk enkele keren langzaam
op het gaspedaal en laat het weer los,
als het indicatielampje blijft knipperen
nadat de knop is ingedrukt om het
achterste differentieelslot uit te
schakelen.Volg de volgende instructies, als het
indicatielampje blijft knipperen nadat de
schakelaar is ingedrukt om het
achterste differentieelslot in te
schakelen:
Breng de voertuigsnelheid terug tot
een snelheid van 2,5 km/u of lager, als
de voertuigsnelheid hoger is dan
12 km/u. Het indicatielampje gaat
constant branden en het achterste
differentieelslot wordt ingeschakeld.
Draai met een voertuigsnelheid van
12 km/u of lager het stuurwiel van de
ene naar de andere kant, tot het
indicatielampje constant blijft branden.
Controleer eerst of de omgeving
rondom het voertuig vrij is en probeer
dan naar voren en naar achteren te
rijden, als het voertuig vastzit in zachte
aarde. Het indicatielampje gaat
constant branden en het achterste
differentieelslot wordt ingeschakeld.
138)
191
Page 229 of 332

NOODSTART
263) 264) 265) 266) 267) 268) 269) 270) 271) 272) 273) 274)
275) 276) 277) 278) 279)
Als de motor niet kan worden gestart
omdat de accu zwak of leeg is, kan de
accu van een ander voertuig worden
gebruikt om met startkabels de motor
te starten.
1. Zet de voertuigen dicht genoeg bij
elkaar om de accukabels te verbinden,
maar zorg ervoor dat de voertuigen
elkaar niet raken.
2. Zet alle lampen, de verwarming en
andere elektrische belastingen uit.
3. Zet beide voertuigen stevig op de
parkeerrem. Zet een automatische
versnellingsbak op "P" (parkeren) en
een handgeschakelde versnellingsbak
op "N" (vrijstand). Stop de motor.
4. Zorg ervoor dat de accuvloeistof het
juiste peil heeft. Raadpleeg "Accu".
5. Sluit één eind van de startkabel (1)
aan op de pluspool (+) van de lege
accu (A) en het andere eind (2) op de
pluspool (+) van de hulpaccu (B).
Sluit één eind van de andere startkabel
aan op de minpool (−) van de hulpaccu
(B) en het andere eind zover mogelijk
van de accu verwijderd, op het
motorblok van het voertuig met de lege
accu.
Opmerking Open de afdekking van de
accu voordat de startkabel op de
pluspool (+) van de accu wordt
aangesloten. Raadpleeg "Accu".6. Start de motor van het voertuig met
de hulpaccu, laat de motor enkele
minuten stationair draaien en start
vervolgens de motor van het voertuig
met de leeggelopen accu.
Opmerking Druk op voertuigen met het
Start&Stop-systeem op de
uitschakelaar van het "Start&Stop
OFF"-systeem om het systeem uit te
schakelen en te voorkomen dat de
motor automatisch af wordt gezet
voordat de accu volledig is geladen.
Raadpleeg "Uitschakelen"
7. Ontkoppel de kabels, nadat de
motor is gestart, in omgekeerde
volgorde en laat de motor enkele
minuten draaien.
Opmerking Als het voertuig wordt
gebruikt voordat de accu volledig is
geladen, kan een soepele werking van
de motor niet gegarandeerd worden en
zou het ABS-waarschuwingslampje
kunnen gaan branden. Raadpleeg
"Antiblokkeersysteem (ABS)".
355AHA106290356AHA102061
227
Page 249 of 332

Op een nat wegdek
Als door de regen of op een weg met
veel plassen wordt gereden, kan zich
een laagje water tussen de banden en
het wegdek vormen. Hierdoor neemt de
wrijvingsweerstand van de banden op
de weg af, waardoor de rem- en
stuurwerking afnemen.
Volg de volgende aanwijzingen om
hiermee om te gaan:
(a) Rijd met een lage snelheid.
(b) Rijd niet met versleten banden.
(c) Behoud altijd de gespecificeerde
bandenspanning.
Op besneeuwde of bevroren wegen
Als op een besneeuwde of bevroren
weg wordt gereden, raden we aan
winterbanden of
sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen) te gebruiken.
Raadpleeg de hoofdstukken
"Winterbanden" en
"Sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen)".
Vermijd hoge snelheden, plotseling
versnellen, plotseling remmen en het
nemen van scherpe bochten.
Als het rempedaal op besneeuwde of
bevroren wegen wordt ingetrapt,
zouden de banden kunnen slippen en
schuiven. Bij minder tractie tussen de
banden en de weg, kunnen de wielen
gaan slippen en kan het voertuig niet
gemakkelijk tot stilstand worden
gebracht met conventioneleremtechnieken. Voertuigen met een
antiblokkeersysteem (ABS) remmen
anders dan voertuigen zonder. Als het
voertuig is uitgerust met ABS, rem dan
door het rempedaal hard in te trappen
en ingetrapt te houden. Als het voertuig
niet is uitgerust met ABS, pomp dan
met korte stoten met de remmen, door
de remmen iedere keer volledig in te
trappen en los te laten, voor het beste
effect.
Bewaar extra afstand tussen uw
voertuig en het voertuig voor u, en
vermijd plotseling remmen.
Door een verzameling ijs op het
remsysteem, zouden de wielen kunnen
blokkeren. Trek na stilstand langzaam
op, nadat de veiligheid rondom het
voertuig is gecontroleerd.
326)
Op hobbelige wegen of wegen met
spoorvorming
Rijd zo langzaam mogelijk op hobbelige
wegen of wegen met spoorvorming.
178)
BELANGRIJK
326)Trap het gaspedaal niet snel in. Als de
wielen los komen uit het ijs, zou het
voertuig plotseling in beweging kunnen
komen en een ongeval kunnen
veroorzaken.
BELANGRIJK
178)De belasting van de banden en/of
wielen tijdens het rijden op hobbelige
wegen of wegen met spoorvorming kan de
band en/of het wiel beschadigen.
247
Page 294 of 332

Winterbanden
387)
219) 220)
Voor het rijden op sneeuw of ijs wordt
gebruik van winterbanden aanbevolen.
Monteer op alle vier de wielen
winterbanden van dezelfde maat en
met hetzelfde profiel om de rijstabiliteit
te behouden. Winterbanden die meer
dan 50% versleten zijn, zijn niet langer
geschikt voor gebruik als winterbanden.
De porfieldiepte moet minimaal 3 mm
zijn (voor markten / uitvoeringen, waar
aanwezig). Winterbanden die niet aan
de specificaties voldoen, mogen niet
gebruikt worden.
Opmerking De wetten en voorschriften
omtrent winterbanden (rijsnelheid,
vereist gebruik, type, enz.) variëren.
Achterhaal en volg de wetten en
voorschriften in de omgeving waar u
gaat rijden.Opmerking Als flensmoeren op uw
voertuig zijn gebruikt, vervang die dan
op stalen wielen door conische moeren.
Opmerking Voor markten /
uitvoeringen, waar aanwezig, geven de
identificatieletters op de winterbanden
de toegestane snelheden voor
M&S-banden aan:
QMS: max. 160 km/u
TMS: max. 190 km/uDe
desbetreffende maximumsnelheid dient
absoluut in acht te worden genomen en
er is een aanwijzingsscherm in het
gezichtsveld van de bestuurder
aanwezig, in het geval dat de
maximumsnelheid van het voertuig,
aangegeven op het registratiecertificaat
van het voertuig, hoger is.
Sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen)
Als sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen) gebruikt moeten
worden, zorg er dan voor dat deze
alleen om de aandrijfwielen (achter)
worden aangebracht, in
overeenstemming met de instructies
van de fabrikant.
Breng sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen) op voertuigen met
4WD, waarbij de aandrijfkracht bij
voorkeur over de achterwielen is
verdeeld, om de achterwielen aan.
Gebruik alleen sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen) bestemd voor
gebruik met de banden die op hetvoertuig zijn gemonteerd: gebruik van
de verkeerde maat of het verkeerde
type sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen), zou kunnen leiden
tot schade aan de carrosserie.
Neem voor het aanbrengen van
sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen) contact op met het
Fiat Servicenetwerk. De max. dikte van
het sneeuwtractiesysteem
(sneeuwkettingen) is als volgt.
Banden-
maatWiel-
maatMax.
kettingdikte
[mm]
205R16C16x6 J
16x6 JJ
22
245/70R1616x7 J
16x7 JJ
245/65R17 17x7 1/2J
Rijd met sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen) om de banden niet
sneller dan 50 km/u. Verwijder
onmiddellijk het sneeuwtractiesysteem
(sneeuwkettingen), zodra u wegen
bereikt die niet zijn ondergesneeuwd.
221) 222) 223) 224) 225) 226) 227) 228)
De wetten en voorschriften omtrent het
gebruik van sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen) variëren. Volg altijd
de plaatselijke wetten en voorschriften.
In de meeste landen is het verboden
om met sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen) op wegen te rijden
waar geen sneeuw op ligt.
469AA0002552
292
SERVICE EN ONDERHOUD