service FIAT FULLBACK 2017 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2017, Model line: FULLBACK, Model: FIAT FULLBACK 2017Pages: 332, PDF Size: 10.46 MB
Page 154 of 332

RIJHULPSYSTEMEN
Hill Start Assist (waar aanwezig)
Hill Start Assist (ondersteuning bij
wegrijden op een helling) helpt bij het
optrekken op een steile helling, door te
voorkomen dat het voertuig naar
achteren zakt. De remkracht blijft
ongeveer enkele seconden behouden,
terwijl u uw voet van het rempedaal
naar het gaspedaal brengt.
77) 78)
214) 215)
Gebruik
1. Zet het voertuig volledig stil met het
rempedaal.
2. Zet de versnellingspook op
voertuigen met een handgeschakelde
versnellingsbak in de eerste versnelling.
Zet de versnellingspook op voertuigen
met een automatische versnellingsbak
in stand "D".
Opmerking Zet de versnellingspook in
stand "R" als achterwaarts een helling
opgereden moet worden.
3. Laat het rempedaal los en Hill Start
Assist zorgt ervoor dat de remkracht
tijdens stilstand ongeveer 2 seconden
behouden blijft.
4. Trap het gaspedaal in en Hill Start
Assist verlaagt geleidelijk de remkracht,
zodra het voertuig in beweging komt.Opmerking Hill Start Assist wordt
geactiveerd als aan alle onderstaande
voorwaarden wordt voldaan.
De motor draait (Hill Start Assist
wordt niet tijdens het starten van de
motor of direct daarna geactiveerd).
De versnellingspook op voertuigen
met een handgeschakelde
versnellingsbak staat in de volgende
stand: Tijdens het voorwaarts
optrekken op een helling > De
versnellingspook staat in een andere
stand dan “R” (Hill Start Assist werkt,
zelfs als de versnellingspook in de
stand “N” staat). Tijdens het
achterwaarts optrekken op een helling
> De versnellingspook staat in de stand
“R” (Hill Start Assist werkt niet als de
versnellingspook in de stand “N” staat).
Op voertuigen met een automatische
versnellingsbak staat de
versnellingspook op een andere stand
dan "P" of "N".
Met het rempedaal ingetrapt staat
het voertuig volledig stil.
De parkeerrem wordt losgelaten.
Opmerking Hill Start Assist werkt niet
als het gaspedaal wordt ingetrapt
voordat het rempedaal is losgelaten.
Opmerking Hill Start Assist werkt ook
als achterwaarts een helling op wordt
gereden.Opmerking Als Hill Start Assist is
ingeschakeld, kunt u het werkingsgeluid
waarschijnlijk horen. Dit is normaal
tijdens gebruik van Hill Start Assist en
duidt niet op een probleem.
Waarschuwingslampje
Als zich een storing in het systeem
voordoet, gaat het indicatielampje
branden.
79) 80)
Stuurbekrachtigingssysteem
Het stuurbekrachtigingssysteem werkt
zolang de motor draait. Het helpt het
draaien van het stuurwiel te
vergemakkelijken.
Het stuurbekrachtigingssysteem heeft
een mechanische stuurbekrachtiging
voor als de elektrische bekrachtiging
niet werkt. Als de elektrische
bekrachtiging om een of andere reden
niet werkt, kunt u het voertuig toch nog
besturen, maar dat kost duidelijk meer
moeite. Laat uw voertuig in dit geval
nakijken bij een Fiat Servicepunt.
81) 82)
Trailer Stability Assist — TSA (waar
aanwezig)
Het Trailer Stability Assist-systeem helpt
het voertuig veilig op de weg te houden
tijdens het trekken van een
aanhangwagen, door de remkracht van
ieder wiel en het motorvermogen te
regelen om de beweging te stabiliseren
als een constante slingerbeweging van
152
VEILIGHEID
Page 155 of 332

het voertuig, veroorzaakt door een
aanhangwagen, wordt gedetecteerd.
Als het Trailer Stability Assist-systeem
de remmen bedient, gaan de remlichten
branden. Raadpleeg voor meer
informatie over het trekken van een
aanhangwagen "Aanhangwagens
trekken".
83) 84)
Opmerking Als het TSA-systeem in
werking treedt, kan de carrosserie van
het voertuig gaan trillen en kunnen er
werkingsgeluiden uit de motorruimte
komen. Deze omstandigheden duiden
op een normale werking van het
systeem, niet op een storing.
Opmerking Het TSA-systeem treedt in
werking als het voertuig een snelheid
van ca. 55 km/u of hoger heeft.
Opmerking Als het TSA-systeem werkt,
knippert het ESC-indicatielampje.
Opmerking Als de ESC niet werkt,
werkt het TSA-systeem ook niet.
BELANGRIJK
214)Als heuvelopwaarts moet worden
gereden, vertrouw er dan niet op dat Hill
Start Assist gebruikt kan worden om het
voertuig stil te houden, als alternatief op
het intrappen van het rempedaal. Dit zou
kunnen leiden tot een ongeval.215)Draai de contactschakelaar niet naar
de stand "LOCK" of "ACC" en zet de
bedieningsmodus niet op "ACC" of "OFF",
als Hill Start Assist is geactiveerd. Hill Start
Assist zou kunnen stoppen met werken,
wat zou kunnen leiden tot een ongeval.
BELANGRIJK
77)Vertrouw niet teveel op Hill Start Assist
om achteruitrijbeweging van het voertuig te
voorkomen. Onder bepaalde
omstandigheden, als het voertuig bijv.
zwaar beladen is, als de weg zeer steil of
glad is, of als een aanhangwagen aan het
voertuig is gekoppeld, zakt het voertuig,
ondanks dat Hill Start Assist is
ingeschakeld, toch terug als het rempedaal
niet voldoende wordt ingetrapt.
78)Hill Start Assist is niet ontworpen om
het voertuig meer dan 2 seconden stil te
houden op hellingen.
79)Als het waarschuwingslampje brandt,
werkt Hill Start Assist niet. Trek voorzichtig
op.
80)Zet uw voertuig op een veilige plek stil
en zet de motor af. Start de motor opnieuw
en controleer of het waarschuwingslampje
uit is gegaan. Als dit het geval is, werkt Hill
Start Assist weer naar behoren. Als het
waarschuwingslampje blijft branden of
regelmatig weer aangaat, hoeft het voertuig
niet direct te worden stilgezet, maar moet
het voertuig wel worden nagekeken bij een
Fiat Servicepunt.
81)Stop de motor niet terwijl het voertuig
rijdt. Met afgezette motor is het stuurwiel
bijzonder moeilijk te bewegen, wat zou
kunnen leiden tot een ongeval.82)Laat het stuurwiel niet helemaal naar
één kant gedraaid staan. Hierdoor zou het
stuurbekrachtigingssysteem kunnen
beschadigen.
83)Vertrouw niet teveel op het
TSA-systeem. Door een glad wegdek, een
krachtige zijwind, een ongeschikt gewicht
en een slechte plaatsing van de bagage
en/of een hoge snelheid, zou het kunnen
gebeuren dat het TSA-systeem de
stabiliteit van het voertuig niet kan
herstellen. Houd tijdens het rijden altijd
rekening met de verkeers-, weg- en
weersomstandigheden, en het gewicht en
de plaatsing van de bagage.
84)Het Trailer Stability Assist-systeem
werkt niet in de volgende gevallen:1–Als
plotseling remmen of heuvelafwaarts
remmen een abrupte beweging van het
voertuig veroorzaakt, waardoor het voertuig
en de aanhangwagen een hoek vormen. 2
– Als zijwaarts wordt geslipt door plotseling
sturen.
153
Page 170 of 332

Uitschakelen
Iedere keer dat de contactschakelaar of
de bedieningsmodus op "ON" wordt
gezet, wordt het Start&Stop-systeem
automatisch ingeschakeld. Het systeem
kan worden uitgeschakeld door op de
schakelaar "OFF" van het
Start&Stop-systeem te drukken.
Als het Start&Stop-systeem wordt
uitgeschakeld, gaat het indicatielampje
branden.
Druk op de schakelaar "OFF" van
Start&Stop om het Start&Stop-systeem
opnieuw in te schakelen; het
indicatielampje gaat uit.Opmerking Als de contactschakelaar of
de bedieningsmodus op "ON" wordt
gezet, gaat dit indicatielampje ook een
paar seconden branden.
Als het indicatielampje
knippert
tijdens het rijden
Als het indicatielampje
knippert, is er
sprake van een storing in het
Start&Stop-systeem en werkt het
systeem niet.
We raden u aan het Fiat Servicenetwerk
te raadplegen.
BELANGRIJK
102)Als het voertuig langere tijd stil blijft
staan, of als u het voertuig onbewaakt
achterlaat, zet de motor dan af.
103)Neem de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht als de motor
automatisch wordt afgezet. Anders zou zich
een onverwacht ongeval voor kunnen doen
als de motor automatisch herstart: trap het
gaspedaal niet in om de motor te laten
razen, terwijl het voertuig stilstaat (ongeacht
of de motor draait of is afgezet). Anders zou
zich een onverwacht ongeval voor kunnen
doen als de motor automatisch herstart;
verlaat het voertuig niet als de motor
automatisch is afgezet. Aangezien de motor
automatisch herstart als de
veiligheidsgordel van de bestuurder wordt
losgemaakt of het bestuurdersportier wordt
geopend, zou zich een onverwacht ongeval
voor kunnen doen als het voertuig in
beweging komt; zet de versnellingspook
niet op een andere stand dan "N"
(vrijstand). Als de versnellingspook op een
andere stand dan "N" (vrijstand) wordt
gezet, gaat het indicatielampje/-display
knipperen en gaat de zoemer af. Als de
versnellingspook weer op "N" (vrijstand)
wordt gezet, stopt het indicatielampje met
knipperen en gaat de zoemer uit. De motor
herstart niet als de versnellingspook in een
andere stand staat dan "N" (vrijstand).
255AHA106333
256AHA106346
168
STARTEN EN RIJDEN
Page 174 of 332

Opmerking Als het rempedaal niet
ingetrapt wordt gehouden, wordt het
schakelslot ingeschakeld om te
voorkomen dat de versnellingspook uit
de stand "P" (parkeren) wordt gezet.
Als de versnellingspook niet uit de
stand "P" (parkeren) kan worden
geschakeld
Als de versnellingspook niet vanuit de
stand "P" (parkeren) in een andere
stand kan worden gezet, terwijl het
rempedaal ingetrapt wordt gehouden
en de contactschakelaar of
bedieningsmodus op "ON" staat, zou
de accu leeg kunnen zijn of zou er
sprake kunnen zijn van een storing in
het schakelslot. Laat het voertuig
onmiddellijk nakijken door het Fiat
Servicenetwerk.
Schakel als volgt met de
versnellingspook als u het voertuig
moet verplaatsen.
Voor voertuigen met linkse
besturing
1. Zorg ervoor dat de parkeerrem
volledig is ingeschakeld.
2. Zet de motor af, als deze draait.
3. Steek een platte schroevendraaier
met een doek over de punt in de
uitsparing (A) van de afdekking. Wrik
voorzichtig met de schroevendraaier,
zoals weergegeven, om de afdekking te
verwijderen.4. Trap het rempedaal in.
5. Steek een platte schroevendraaier in
het gat (B) voor de ontgrendeling van
het schakelslot. Zet de versnellingspook
in de stand "N" (vrijstand), terwijl u de
platte schroevendraaier omlaag drukt.Voor voertuigen met rechtse
besturing
1. Zorg ervoor dat de parkeerrem
volledig is ingeschakeld.
2. Zet de motor af, als deze draait.
3. Trap het rempedaal met de
rechtervoet in.
4. Steek een platte schroevendraaier in
het gat (A) voor de ontgrendeling van
het schakelslot. Zet de versnellingspook
in de stand "N" (vrijstand), terwijl u de
platte schroevendraaier omlaag drukt.
Weergave stand versnellingspook
Als de contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" wordt gezet,
wordt de stand van de versnellingspook
op het multi-informatiedisplay
weergegeven.
262AHA106304
263AHA106043
264AHA103589
172
STARTEN EN RIJDEN
Page 177 of 332

Als het waarschuwingslampje van
de transmissieolietemperatuur van
de automatische versnellingsbak
gaat branden
Als de transmissieolietemperatuur van
de automatische versnellingsbak te
hoog wordt, gaat het
waarschuwingslampje van de
transmissieolietemperatuur van de
automatische versnellingsbak branden
en kan er een zoemer afgaan. Normaal
gesproken, gaat het
waarschuwingslampje branden
wanneer de contactsleutel naar de
stand "ON" wordt gedraaid of de
bedieningsmodus op "ON" wordt gezet
en gaat het enkele seconden later weer
uit.
121)
Werking van de automatische
versnellingsbak
122) 123) 124) 125) 126) 127)
Versnelling om in te halen
Trap het gaspedaal volledig in, om extra
te versnellen in de stand "D" (vooruit).
De automatische versnellingsbak
schakelt automatisch terug.
In de sportmodus wordt niet
teruggeschakeld als het gaspedaal
volledig wordt ingetrapt.
Wachten
Tijdens korte wachtperiodes, voor bijv.
verkeerslichten, kan het voertuig in de
versnelling blijven staan en stationair
draaien, zolang het rempedaal is
ingetrapt. Zet de versnellingspook in de
stand "N" (vrijstand) en schakel de
parkeerrem in, terwijl het voertuig stil
wordt gehouden met de bedrijfsrem, als
langere tijd met draaiende motor moet
worden gewacht.
128)
Parkeren
Zet het voertuig eerst volledig stil,
schakel de parkeerrem in en zet de
versnellingspook op de stand "P"
(parkeren) om het voertuig te parkeren.
Zet altijd de motor af en neem de
sleutel mee, als u het voertuig
onbeheerd achterlaat.Zorg er op hellingen voor dat de
parkeerrem wordt ingeschakeld,
voordat de versnellingspook in de stand
"P" (parkeren) wordt gezet. Als de
versnellingspook in de stand "P"
(parkeren) wordt gezet, voordat de
parkeerrem wordt ingeschakeld, zou
het lastig kunnen zijn de
versnellingspook uit de stand "P"
(parkeren) te halen, als u weer met het
voertuig gaat rijden, waardoor een grote
kracht op de versnellingspook moet
worden uitgeoefend om hem uit de
stand "P" (parkeren) te krijgen.
Als de automatische
versnellingsbak niet van versnelling
verandert
Als de versnellingsbak tijdens het rijden
niet van versnelling verandert of uw
voertuig heuvelopwaarts niet snel
genoeg optrekt, is het mogelijk dat er
iets aan de versnellingsbak mankeert,
waardoor een veiligheidsinrichting is
ingeschakeld. Laat uw voertuig
onmiddellijk nakijken bij een Fiat
Servicepunt.
1. Zet de versnellingspook in de tweede
versnelling van de sportmodus, als uw
voertuig moeite heeft om
heuvelopwaarts te rijden. Het is
mogelijk dat deze methode niet werkt,
afhankelijk van de storing in de
versnellingsbak.
2. Zet de versnellingspook terug in
stand "D" (vooruit), zodra het voertuig
op een vlakke weg rijdt.
269AHA103622
175
Page 178 of 332

Als de weergave van de stand van de
versnellingspook op het
instrumentenpaneel knippert, betekent
dit dat er sprake is van een storing in de
versnellingsbak. Raadpleeg "Als de
weergave van de stand van de
versnellingspook knippert".
BELANGRIJK
111)Trap altijd het rempedaal in als u de
versnellingspook uit de stand "P" (parkeren)
of "N" (vrijstand) schakelt. Zet nooit uw voet
op het gaspedaal als u de versnellingspook
uit de stand "P" (parkeren) of "N" (vrijstand)
schakelt.
112)Schakel nooit naar de stand "P"
(parkeren) of "R" (achteruit) terwijl het
voertuig in beweging is, om schade aan de
versnellingsbak te voorkomen.
113)Zet de versnellingspook tijdens het
rijden nooit in de stand "N" (vrijstand). Dit
zou kunnen leiden tot een ernstig ongeval,
doorat u de versnellingspook per ongeluk in
de stand "P" (parkeren) of "R" (achteruit)
zou kunnen zetten, of de motorrem niet
meer kan worden gebruikt.
114)Als het voertuig op een helling staat,
moet de motor worden gestart in de stand
"P" (parkeren) en niet in de stand "N"
(vrijstand).
115)Houd uw voet op het rempedaal, als
het voertuig in de stand "N" (vrijstand) staat
of als naar of vanuit de stand "N" (vrijstand)
wordt geschakeld, om te voorkomen dat
het voertuig wegzakt.116)Schakel nooit vanuit de stand "R"
(achteruit) naar de stand "D" (vooruit), als
het voertuig in beweging is, om schade aan
de versnellingsbak te voorkomen.
117)In de sportmodus moet de bestuurder
opschakelen naargelang de overheersende
wegomstandigheden, en moet het
motortoerental onder de rode zone
gehouden worden.
118)Door herhaald gebruik van de
versnellingspook of schakelpeddels, wordt
voortdurend van versnelling veranderd.
119)Gebruik op voertuigen met
schakelpeddels niet voortdurend de linker
en rechter schakelpeddels tegelijkertijd.
Hierdoor zou de overbrengingsverhouding
onverwacht kunnen veranderen.
120)Als de weergave van de stand van de
versnellingspook knippert tijdens het rijden,
is de kans groot dat een
veiligheidsinrichting is geactiveerd door een
storing in de automatische versnellingsbak.
Laat het voertuig zo snel mogelijk nakijken
bij een Fiat Servicepunt.
121)Verlaag het motortoerental en zet het
voertuig op een veilige plek stil, als dit
lampje gaat branden. Zet de
versnellingspook vervolgens in de stand "P"
(parkeren) en laat de motor stationair
draaien tot het waarschuwingslampje
uitgaat. Als het waarschuwingslampje
uitgaat, kunt u normaal verder rijden. Als
het waarschuwingslampje niet uitgaat,
raden we u aan uw voertuig te laten
nakijken door een Fiat Servicenetwerk.122)Trap het rempedaal volledig in,
voordat met draaiende motor een
versnelling wordt geselecteerd, terwijl het
voertuig stilstaat, om te voorkomen dat het
voertuig wegrolt. Het voertuig begint te
bewegen, zodra de versnelling is
ingeschakeld, vooral als het motortoerental
hoog is, hoog stationair is of als de
airconditioning is ingeschakeld; in dit geval
hoeft u alleen het rempedaal los te laten als
u klaar bent om weg te rijden.
123)Trap het rempedaal altijd met de
rechtervoet in. Gebruik van de linkervoet
zou kunnen leiden tot een vertraagde
reactie van de bestuurder in noodgevallen.
124)Laat de motor nooit razen als vanuit
de stand "P" (parkeren) of "N" (vrijstand)
wordt geschakeld, om een plotselinge
versnelling te voorkomen.
125)Gebruik van het gaspedaal, terwijl de
andere voet op het rempedaal rust, kan de
remwerking nadelig beïnvloeden en leiden
tot een vroegtijdige slijtage van de
remblokken.
126)Gebruik de versnellingspook in de
juiste schakelstand, naargelang de
rijomstandigheden. Laat het voertuig nooit
achteruit heuvelafwaarts rollen met de
versnellingspook in stand "D" (vooruit) of de
sportmodus, of vooruit heuvelafwaarts
rollen met de versnellingspook in stand "R"
(achteruit). De motor zou af kunnen slaan
en de grotere kracht die onverwachts op
het rempedaal en op het stuurwiel moet
worden uitgeoefend, zou kunnen leiden tot
een ongeval.
176
STARTEN EN RIJDEN
Page 185 of 332

130)Rijd niet met het voertuig in de gearing
"4H" of "4L" over een droog, verhard
wegdek of op de weg. Dit zou kunnen
leiden tot overmatige slijtage van de
banden, een hoger brandstofverbruik, en
mogelijk lawaai. Bovendien zou de
temperatuur van de tussenbakolie op
kunnen lopen, waardoor het
aandrijfsysteem zou kunnen beschadigen.
Daarnaast wordt de aandrijflijn teveel
belast, waardoor olie kan gaan lekken,
componenten vast kunnen lopen en andere
ernstige problemen veroorzaakt kunnen
worden. Rijd alleen met het voertuig in de
gearing "2H" over een droog, verhard
wegdek of op de weg.
131)Gebruik de rijmodusschakelaar niet als
de achterwielen van het voertuig slippen in
sneeuw of ijs.
132)Als een probleem in de tussenbak
wordt gedetecteerd, wordt een
veiligheidsinrichting geactiveerd. Het
indicatielampje van de 2WD-/4WD-
besturing gaat knipperen (twee keer per
seconde), en schakelen met de tussenbak
wordt onmogelijk. Zet uw voertuig op een
veilige plek stil en zet de motor even af.
Herstart de motor. Het lampje zou weer
normaal moeten gaan werken. Laat het
voertuig zo snel mogelijk nakijken bij een
Fiat Servicepunt, als het lampje blijft
knipperen.SUPER SELECT 4WD
II
(indien aanwezig)
Met gebruik van de rijmodusschakelaar
(A) kan worden overgeschakeld van
achterwielaandrijving naar
vierwielaandrijving. Zet de
rijmodusschakelaar in de geschikte
stand, naargelang de
wegomstandigheden. Het
indicatielampje van de 2WD-/4WD-
besturing en het indicatielampje van de
lage gearing duiden de instelling van de
rijmodusschakelaar aan. Raadpleeg
"Indicatielampje 2WD-/4WD-besturing
en indicatielampje lage gearing".Stand rijmodusschakelaar en
indicatielampje 2WD-/4WD-
besturing
Schakel-
aarstandIndicatie-
lampjeRijom-
standig-
heden
2HAchterwiel-
aandrijving
Als over
een
droog,
verhard
wegdek
wordt
gereden
4HAltijd
vierwiel-
aandrijving
De
basispositie
voor
Superselect
4WD II.
Als over
een
droog,
verhard
wegdek of
gladde
wegen
wordt
gereden.
4HLcVierwiel-
aandrijving
met
ingeschakeld
centraal
differentieel-
slot
Als over
ruige,
zanderige
of
besneeuwde
wegen
wordt
gereden.273AHA103635
183
Page 191 of 332

Opmerking Als het lampje van de lage
gearing knippert terwijl u probeert een
selectie van "4HLc" "4LLc" te maken,
kan de selectie van "4HLc" "4LLc"
niet gemaakt worden. Zet het voertuig
stil en laat het gaspedaal los. Houd
vervolgens het koppelingspedaal (bij
een handgeschakelde versnellingsbak)
ingetrapt of zet de versnellingspook in
de stand "N" (vrijstand) (bij een
automatische versnellingsbak) en
verricht de selectie van de gearing nog
een keer.
Opmerking De ESC-functie wordt
geannuleerd zolang "4LLc" is
geselecteerd. Het indicatielampje
brandt, zolang de regeling is
geannuleerd. Dit duidt niet op een
probleem. Zodra "2H", "4H" of "4HLc"
is geselecteerd, gaat het lampje uit en
werkt de regeling weer. Raadpleeg
"Indicatielampje ESC, Indicatielampje
ESC OFF".
136)
BELANGRIJK
133)De gearing “4LLc” biedt het
maximumkoppel om langzaam
heuvelopwaarts of op zanderige,
modderige of andere lastige ondergronden
te rijden. Ga met voertuigen met een
automatische versnellingsbak in de gearing
"4LLc" niet sneller dan ca. 70 km/u.
134)Rijd niet met het voertuig in de gearing
"4HLc" of "4LLc" over een droog, verhard
wegdek of op de weg. Dit zou kunnen
leiden tot overmatige slijtage van de
banden, een hoger brandstofverbruik, en
mogelijk lawaai. Bovendien zou de
temperatuur van de tussenbakolie op
kunnen lopen, waardoor het
aandrijfsysteem zou kunnen beschadigen.
Daarnaast wordt de aandrijflijn teveel
belast, waardoor olie kan gaan lekken,
componenten vast kunnen lopen en andere
ernstige problemen veroorzaakt kunnen
worden. Rijd alleen met het voertuig in de
gearing "2H" of "4H" over een droog,
verhard wegdek of op de weg.
135)Gebruik de rijmodusschakelaar niet als
de achterwielen van het voertuig slippen in
sneeuw of ijs.136)Als een probleem in de tussenbak
wordt gedetecteerd, wordt een
veiligheidsinrichting geactiveerd. De
indicatielampjes van de voor- en
achterwielen gaan uit, het indicatielampje
van het centrale differentieelslot knippert
snel (twee keer per seconde), en er kan niet
met de tussenbak geschakeld worden
fig. 276. Zet uw voertuig op een veilige plek
stil en zet de motor even af. Herstart de
motor. Het lampje zou weer normaal
moeten gaan werken. Laat het voertuig zo
snel mogelijk nakijken bij een Fiat
Servicepunt, als de lampjes blijven
knipperen.
276AHZ101128
189
Page 195 of 332

BELANGRIJK
224)Het is zeer gevaarlijk om de stand
"4L" of "4H" (Easy Select 4WD), "4LLc" of
"4HLc" (Super Select 4WD II) en het
achterste differentieelslot tegelijkertijd te
gebruiken, omdat dit kan leiden tot de
volgende situaties. Schakel het achterste
differentieelslot altijd uit als u over normale
wegen rijdt. Als het achterste
differentieelslot abusievelijk op een verhard
wegdek wordt gebruikt: Als het achterste
differentieelslot is ingeschakeld, wordt de
kracht die wordt uitgeoefend om recht
vooruit te rijden erg groot, waardoor het
moeilijk wordt het stuurwiel te draaien.
225)Als het achterste differentieelslot
abusievelijk in een bocht of een afslag naar
links of naar rechts op een kruispunt wordt
gebruikt, of iets dergelijks: Het voertuig kan
de bocht niet maken en zou rechtdoor
kunnen rijden.
226)Als het achterste differentieelslot
abusievelijk wordt gebruikt als in geval van
nood een besneeuwde of bevroren weg
wordt verlaten: Het wordt moeilijk een
goede bocht te maken.
227)Ingeval de toestand van de weg voor
de rechterband afwijkt van die voor de
linkerband (als bijv. één band over een
verhard wegdek gaat en de andere over
ijs), kan de rijrichting van het voertuig
plotseling veranderen als op de motor
wordt geremd of als gas wordt gegeven.
Gebruik het achterste differentieelslot alleen
als in noodgevallen een besneeuwde of
bevroren weg moet worden verlaten, maar
gebruik dan ook de 4WD.
BELANGRIJK
137)Bedien het achterste differentieelslot
nadat de wielen tot stilstand zijn gekomen.
Als de schakelaar wordt bediend terwijl de
wielen nog draaien, zou het voertuig in
onverwachte richtingen kunnen schieten.
138)Als een probleem in het achterste
differentieelslot wordt gedetecteerd, wordt
een veiligheidsinrichting geactiveerd. Het
indicatielampje van het achterste
differentieelslot knippert snel (twee keer per
seconde) en het achterste differentieelslot
wordt uitgeschakeld. Zet uw voertuig op
een veilige plek stil en zet de motor even af.
Herstart de motor. Als het lampje weer
normaal werkt, is het veilig om verder te
rijden. Laat het voertuig zo snel mogelijk
nakijken bij een Fiat Servicepunt, als bij
inschakeling van het achterste
differentieelslot, het indicatielampje van het
achterste differentieelslot gaat knipperen.
139)Gebruik het achterste differentieelslot
alleen in noodgevallen, als het voertuig
vastzit en niet met de rijmodusschakelaar in
de stand "4L" of "4H" (Easy Select 4WD) of
de stand "4LLc" of "4HLc" (Super Select
4WD II) kan worden vrijgereden. Schakel
het achterste differentieelslot direct na
gebruik weer uit.
WERKING VAN DE
VIERWIEL-
AANDRIJVING
Als vierwielaandrijving wordt
geselecteerd, zijn beide assen van het
voertuig star met elkaar verbonden.
Hierdoor verbeteren de tractie-
eigenschappen. Als echter herhaaldelijk
scherpe bochten moeten worden
genomen of naar voren en naar
achteren moet worden gereden, komt
de aandrijflijn onder druk te staan, wat
aan kan voelen als een remwerking.
Een voertuig met vierwielaandrijving kan
sneller en soepeler versnellen.
Houd er echter rekening mee dat de
remafstand niet korter is dan die van
een voertuig met achterwielaandrijving.
Als met vierwielaandrijving over ruig
terrein (sneeuw, modder, zand, enz.)
wordt gereden, is het van belang dat
het voertuig correct wordt bestuurd.
Opmerking De bestuurder moet
rechtop en dichterbij het stuurwiel zitten
dan normaal; zet de stoel in een goede
stand om het stuur en de pedalen
eenvoudig te kunnen bedienen. Draag
altijd een veiligheidsgordel.
Opmerking Controleer na het
terreinrijden ieder onderdeel van het
voertuig en was het voertuig grondig
met water. Raadpleeg
"Voertuigverzorging" en "Inspectie en
onderhoud na terreinrijden".
193
Page 197 of 332

Steile hellingen afrijden
Zet de rijmodusschakelaar in de stand
"4L" (Easy Select 4WD), "4LLc" (Super
Select 4WD II), rem op de motor
(terugschakelen) en rijd langzaam de
helling af.
231)
Opmerking Als u een steile helling
afrijdt en plotseling moet remmen,
omdat u een obstakel tegenkomt, zou u
de controle over het voertuig kunnen
verliezen. Loop eerst zelf de helling af
om het pad te controleren, voordat u de
helling afrijdt.
Opmerking Voordat u een helling afrijdt,
moet de juiste versnelling worden
gekozen. Probeer niet te schakelen of
het koppelingspedaal in te trappen, als
u van een helling afrijdt.
Opmerking Fiat is verantwoordelijk
noch aansprakelijk voor enige schade
of letsel veroorzaakt door oneigenlijk of
nalatig gebruik van een voertuig. Alle
technieken voor gebruik van het
voertuig die hierin worden beschreven,
zijn afhankelijk van de rijvaardigheid en
-ervaring van de bestuurder en andere
deelnemende partijen, en enige
afwijkingen van de aanbevolen
instructies voor gebruik, zijn voor eigen
risico.Scherpe bochten nemen
Als bij lage snelheid en in de stand "4H"
of "4L" (Easy Select 4WD), "4HLc" of
"4LLc" (Super Select 4WD II) een
scherpe bocht wordt genomen, kan
een klein verschil in de stuurwerking
worden ervaren, die lijkt op de
stuurwerking als de rem wordt
ingetrapt. Dit afremmen in scherpe
bochten wordt veroorzaakt doordat
ieder afzonderlijk wiel een andere
afstand tot de bocht heeft.
Een beek oversteken
Voertuigen met vierwielaandrijving zijn
niet per definitie waterdicht. Als de
elektrische circuits nat worden, kan het
voertuig niet meer bestuurd worden;
voorkom daarom het oversteken van
beekjes, tenzij het echt niet anders kan.
Als het onvermijdelijk is dat u door een
beekje rijdt, volg dan de volgende
procedure:
Controleer de diepte van het beekje
en de geografische eigenschappen,
voordat u tracht het beekje over te
steken, en steek het beekje over
waar het water zo ondiep mogelijk
is.Zet de rijmodusschakelaar in de
stand "4L" (Easy Select 4WD) of
"4LLc" (Super Select 4WD II).Rijd
langzaam, met een snelheid van ca.
5 km/u om te voorkomen dat teveel
water omhoog spettert.
144) 145)
Inspectie en onderhoud na
terreinrijden
Voer de volgende inspectie- en
onderhoudsprocedures uit, nadat met
het voertuig over ruig terrein is gereden:
Controleer het voertuig op schade
door stenen, grind, enz.
Was het voertuig zorgvuldig met
water. Rijd langzaam met het voertuig
en trap daarbij zachtjes het rempedaal
in om de remmen te laten drogen.
Neem zo snel mogelijk contact op met
het Fiat Servicenetwerk als de remmen
nog steeds niet goed werken, om de
remmen te laten controleren.
Verwijder insecten, droog gras, enz.,
waardoor de kern van de radiateur en
de oliekoeler van de automatische
versnellingsbak verstopt zou kunnen
raken.
Zorg ervoor dat u de volgende
onderdelen na laat kijken bij een Fiat
Servicepunt en tref de noodzakelijke
maatregelen, als u met het voertuig een
beekje hebt overgestoken:
Controleer het remsysteem en laat
het, indien nodig, onderhouden.
Controleer het peil en de troebelheid
van de olie of het smeermiddel van de
motor, de versnellingsbak, de
tussenbak en het differentieel. Als de
olie of het smeermiddel troebel ziet,
duidt dit op verontreiniging met water.
Ververs de olie of het smeermiddel.
195