sloten Hyundai Kona 2018 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2018, Model line: Kona, Model: Hyundai Kona 2018Pages: 540, PDF Size: 9.01 MB
Page 387 of 540

5-109
Rijden met uw auto
5
Controleer de accu en de ccukabels
Winterse temperaturen hebben
invloed op de accuprestaties.
Controleer de accu en de kabels,
zoals beschreven in hoofdstuk 7.
De ladingstoestand van de accu kan
worden gecontroleerd door een
officiële HYUNDAI-dealer of een
garagebedrijf. Laat de motor indien nodig vullen
met een speciale “winterolie”
In sommige regio's wordt geadviseerd in de winter speciale
winterolie te gebruiken met een
lagere viscositeit. Zie hoofdstuk 8
voor meer informatie. Neem contact
op met een officiële HYUNDAI-
dealer als u niet weet welk type
winterolie u moet gebruiken.Controleer de bougies en hetntstekingssysteem
Controleer de bougies, zoals
beschreven in hoofdstuk 7.
Vervang ze indien nodig. Controleer
ook de bedrading en de onderdelen
van het ontstekingssysteem op
scheuren, slijtage en andere vormen
van beschadiging.
Voorkom bevriezing van de sloten
Spuit een goedgekeurde
slotontdooier of glycerine in het
sleutelgat om bevriezing van de
sloten te voorkomen. Verwijder het ijs
van een bevroren slot door het in te
spuiten met een goedgekeurde
slotontdooier. Als een slot inwendig
bevroren is, kunt u het proberen te
ontdooien met een verwarmde
sleutel. Zorg ervoor dat u zich niet
brandt aan de verwarmde sleutel.Gebruik goedgekeurde
ruitensproeierantivries
Vul het ruitensproeierreservoir met
goedgekeurde ruitensproeierantivries,
zoals voorgeschreven op het
reservoir, om bevriezing van de
ruitensproeiervloeistof te voorkomen.
Ruitensproeierantivries is verkrijgbaar
bij een officiële HYUNDAI-dealer en
de meeste automaterialenzaken.
Gebruik geen koelvloeistof of andere
soorten antivries omdat deze de lakkunnen beschadigen.
Page 405 of 540

6-6
Wat te doen in een noodgeval
Om schade aan uw auto te
voorkomen:
• Gebruik alleen een 12V-voedingsbron (accu of
startbooster) om de auto met
een hulpaccu te starten.
• Probeer uw auto niet aan te duwen.
Informatie Een onjuist afgevoerdebatterij kan schadelijk zijn
voor het milieu en voor de
gezondheid. Voer de accu
volgens de wettelijke
voorschriften af.
Startprocedure met behulp van
een hulpaccu
1. Plaats de auto's zo dicht bij elkaar dat de startkabels de afstandtussen de accu's kunnen
overbruggen, maar zorg ervoor
dat de auto's elkaar niet raken.
2. Voorkom te allen tijde dat u in aanraking komt met ventilatoren
of andere bewegende onderdelen,
ook al draaien de motoren niet.
3. Schakel alle elektrische verbruikers, zoals het
audiosysteem, de verlichting, de
airconditioning, enz. uit. Zet deselectiehendel in stand P
(parkeren, Double clutch-
transmissie) of de vrijstand
(handgeschakelde transmissie)
en activeer de parkeerrem. Zet de
motor van beide auto's UIT.
i
AANWIJZING•Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizingkan door de druk accuzuur
naar buiten komen. Houd bijhet optillen uw handen aan de
zijkant van de accu.
•Probeer uw auto niet met een
hulpaccu te starten als de
lege accu bevroren is.
•Laad NOOIT een accu bij terwijl de accukabels nog
aangesloten zijn.
•Het ontstekingssysteem werkt
met hoogspanning. Raak deze
onderdelen NOOIT aan als demotor draait of als het contactin stand ON staat.
•Voorkom dat de startkabel (+)
en (-) elkaar raken. Anders
kunnen vonken ontstaan.
•De accu kan scheuren of
exploderen wanneer u een
ontladen of bevroren accu
start met behulp van eenhulpaccu.
Pb
Page 410 of 540

6-11
Wat te doen in een noodgeval
6
Vervolgens knippert na het starten
van de auto en na ongeveer 10
minuten aaneengesloten rijden het
waarschuwingslampje lagebandenspanning mogelijk
gedurende ongeveer 1 minuut en
blijft het daarna continu branden totde band met de lagebandenspanning is gerepareerd enonder de auto is gemonteerd.
Controlelampje storing TPMS
(bandenspanningscontrolesysteem)
Het controlelampje storing TPMS
gaat branden nadat het ongeveer 1
minuut heeft geknipperd wanneer er
een probleem aanwezig is in hetbandenspanningscontrolesysteem.Als het systeem in staat is om
gelijktijdig zowel correct een te lage
bandenspanning als een storing inhet systeem te registreren, gaat het
controlelampje storing TPMS
branden.
We adviseren u het systeem te laten controleren door een officiële
Hyundai-dealer.
Schade door lagebandenspanning
Een te lage bandenspanning
zorgt ervoor dat de auto
instabiel wordt en kan ervoor
zorgen dat u de controle overde auto verliest en dat de
remweg wordt verlengd. Doorrijden op banden met een
te lage spanning kan
oververhitte en defecte banden
tot gevolg hebben.
WAARSCHUWING
Mogelijk gaat het
waarschuwingslampje lagebandenspanning in de winter of
bij koud weer branden als debanden bij warm weer op de
aanbevolen spanning zijn
gebracht. Het betekent niet dat
uw TPMS defect is, omdat de
lagere temperatuur een
evenredig lagere
bandenspanning tot gevolgheeft.
OPMERKING
Controleer de bandenspanning
en breng deze op de juiste
waarde wanneer u van een
warm gebied naar een koud
gebied of vice versa rijdt, of
wanneer de buitentemperatuuraanmerkelijk toe- of afneemt.
Page 430 of 540

6-31
Wat te doen in een noodgeval
6
De Tire Mobility Kit is niet ontworpen
of bedoeld voor een permanente
reparatie van een band en mag maar
voor 1 band gebruikt worden. Deze
handleiding laat u stap voor stap zien
hoe u op een eenvoudige en
betrouwbare manier een lekke band
kunt repareren. Lees het hoofdstuk
'Aanwijzingen voor een veilig gebruik
van het Tire Mobility Kit'.Aanwijzingen voor een veilig
gebruik van de Tire Mobility Kit
• Breng uw auto tot stilstand op eenveilige plaats, zodat u bij het
werken met het TMK niet
gehinderd wordt door het
passerende verkeer.
• Activeer de parkeerrem, ook als de auto tamelijk horizontaal staat,
zodat de auto niet in beweging kan
komen.
• Gebruik de Tire Mobility Kit uitsluitend voor het repareren en
op spanning brengen van
personenautobanden. Alleen
lekken in het loopvlak van de band
kunnen met de Tire Mobility Kit
worden gerepareerd.
• Verwijder het voorwerp dat het lek heeft veroorzaakt - spijkers,
schroeven enzovoort - niet uit deband.
• Gebruik de Tire Mobility Kit in het belang van uw eigen veiligheid niet
wanneer het wiel en de velgbeschadigd zijn. • De Tire Mobility Kit kan mogelijk
niet effectief worden gebruikt
wanneer het lek groter is dan ca. 6mm.
We adviseren u contact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer als de band niet
gerepareerd kan worden met deTire Mobility Kit.
• Gebruik de Tire Mobility Kit niet wanneer de band ernstigbeschadigd is doordat er te lang is
gereden met een lekke band ofmet een te lage bandenspanning.
• Verwijder het voorwerp dat het lek heeft veroorzaakt - spijkers,
schroeven enzovoort - niet uit deband.
• Laat de motor draaien als de auto in een niet-afgesloten ruimte staat.
Anders kan het gebruik van de compressor er uiteindelijk toe
leiden dat de accuspanning te verdaalt.
• Verlies de Tire Mobility Kit tijdens het gebruik niet uit het oog.
Gebruik het TMK niet bij een
band die ernstig beschadigd is
door het te lang blijven rijdenmet de lekke band of door het te
lang blijven rijden met een te
lage bandenspanning. Alleen lekken in het loopvlak
van de band kunnen met het
TMK worden gerepareerd.
WAARSCHUWING
Page 438 of 540

6-39
Wat te doen in een noodgeval
6
De Tire Mobility Kit is niet ontworpen
of bedoeld voor een permanente
reparatie van een band en mag maar
voor 1 band gebruikt worden. Deze
handleiding laat u stap voor stap zien
hoe u op een eenvoudige en
betrouwbare manier een lekke band
kunt repareren. Lees het hoofdstuk
'Aanwijzingen voor een veilig gebruik
van het Tire Mobility Kit'.Aanwijzingen voor een veilig
gebruik van de Tire Mobility Kit
• Breng uw auto tot stilstand op eenveilige plaats, zodat u bij het
werken met het TMK niet
gehinderd wordt door het
passerende verkeer.
• Activeer de parkeerrem, ook als de auto tamelijk horizontaal staat,
zodat de auto niet in beweging kan
komen.
• Gebruik de Tire Mobility Kit uitsluitend voor het repareren en
op spanning brengen van
personenautobanden. Alleen
lekken in het loopvlak van de band
kunnen met de Tire Mobility Kit
worden gerepareerd.
• Verwijder het voorwerp dat het lek heeft veroorzaakt - spijkers,
schroeven enzovoort - niet uit deband.
• Gebruik de Tire Mobility Kit in het belang van uw eigen veiligheid niet
wanneer het wiel en de velgbeschadigd zijn. • De Tire Mobility Kit kan mogelijk
niet effectief worden gebruikt
wanneer het lek groter is dan ca. 6mm.
We adviseren u contact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer als de band niet
gerepareerd kan worden met deTire Mobility Kit.
• Gebruik de Tire Mobility Kit niet wanneer de band ernstigbeschadigd is doordat er te lang is
gereden met een lekke band ofmet een te lage bandenspanning.
• Verwijder het voorwerp dat het lek heeft veroorzaakt - spijkers,
schroeven enzovoort - niet uit deband.
• Laat de motor draaien als de auto in een niet-afgesloten ruimte staat.
Anders kan het gebruik van de compressor er uiteindelijk toe
leiden dat de accuspanning te verdaalt.
• Verlies de Tire Mobility Kit tijdens het gebruik niet uit het oog.
Gebruik het TMK niet bij een
band die ernstig beschadigd is
door het te lang blijven rijdenmet de lekke band of door het te
lang blijven rijden met een te
lage bandenspanning. Alleen lekken in het loopvlak
van de band kunnen met het
TMK worden gerepareerd.
WAARSCHUWING
Page 455 of 540

7-7
7
Onderhoud
Twee keer per jaar:(in het voorjaar en in het najaar)
• Controleer de radiateurslangen en de slangen van de verwarming en de airconditioning op lekkage enbeschadigingen.
• Controleer de werking van de ruitenwissers en -sproeiers. Reinig
de ruitenwisserbladen met een
schone, met ruitensproeiervloei-stof doordrenkte doek.
• Controleer de stand van de koplampen.
• Controleer de dempers, de uitlaatpijpen, de hitteschilden en
de bevestigingen van de uitlaat.
• Controleer de werking van de veiligheidsgordels en controleer op
slijtage.
Ten minste eenmaal per jaar:
• Reinig de afvoeropeningen aan deonderzijde van de portieren en de
dorpels.
• Smeer alle portierscharnieren en motorkapscharnieren.
• Smeer de portier- en motorkapsloten, - vergrendelingen.
• Smeer de portierrubbers.
• Controleer vóór de zomer de werking van de airconditioning.
• Controleer en smeer het bedieningsmechanisme van de.
• Reinig de accu en de accupolen.
• Controleer het remvloeistofniveau.Motorolie en oliefilter
De motorolie moet worden ververst
en het filter moet worden vervangen
volgens de intervallen van het
onderhoudsschema. Als er onderongunstige omstandigheden
gereden wordt, moet de olie vaker
ververst en het filter vaker vervangen
worden.
Aandrijfriemen
Controleer alle aandrijfriemen op
tekenen van sneetjes, scheurtjes,
overmatige slijtage of verzadiging
met olie en vervang indien nodig.
De spanning van de aandrijfriemen
moet periodiek wordengecontroleerd en indien nodig
worden afgesteld.
UITLEG BIJ
ONDERHOUDSSCHEMA
Wanneer u de riem controleert,
zet dan het contact in stand
LOCK/OFF of ACC.
OPMERKING
Page 463 of 540

7-15
7
Onderhoud
Controle van niveau rem-/
koppelingsvloeistof
Controleer regelmatig het niveau in
het reservoir. Het vloeistofniveau
dient zich tussen de merktekens
MAX en MIN aan de zijkant van het
reservoir te bevinden. Reinig het gebied rondom de dop
van het reservoir grondig alvorens de
dop te verwijderen en vloeistof bij te
vullen, om te voorkomen dat deze
vervuild raakt.
Vul vloeistof bij tot aan het
merkteken MAX wanneer het niveau
te laag is.Het niveau van de remvloeistof zal
na verloop van tijd dalen. Dit is
normaal en wordt veroorzaakt door
het slijten van de remblokken.
Als het rem-/koppelingsvloeistof
extreem laag is, adviseren we u hetsysteem te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
Informatie
Gebruik alleen de voorgeschreven
remvloeistof. Zie "Aanbevolen
smeermiddelen en hoeveelheden" in
hoofdstuk 8.
Informatie
Lees voor het verwijderen van de
vuldop van het rem-/
koppelingsvloeistofreservoir eerst de
waarschuwing op de dop.
Informatie
Reinig de vuldop alvorens hem te
verwijderen. Gebruik alleen DOT3 of
DOT4 rem-/koppelingsvloeistof uit
een afgesloten verpakking.
i
i
i
REM-/KOPPELINGSVLOAEISTOF (INDIEN VAN TOEPASSING)
OOS077011 Als u het rem-/koppelings-
vloeistofreservoir regelmatig
moet bijvullen, kan dit duiden
op een lekkage in het rem-
/koppelingssysteem. Laat de
auto controleren door een
officiële Hyundai-dealer.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat rem-
/koppelingsvloeistof niet in
contact komt met uw ogen.
Spoel uw ogen gedurende ten
minste 15 minuten met schoon
water en roep onmiddellijk
medische hulp in wanneer u
rem-/koppelingsvloeistof in uw
ogen krijgt.
WAARSCHUWING
Page 471 of 540

7-23
7
Onderhoud
• Wanneer de auto gedurendelangere tijd niet wordt gebruikt
in een gebied met lage
temperaturen, verwijder dan de
accu en bewaar deze binnen.
• Laad de accu altijd volledig op om te voorkomen dat de
accubak beschadigd raakt in
een gebied met lagetemperaturen.
Als u niet-toegestane elektronische
apparaten aansluit, raakt de accu
mogelijk ontladen. Gebruik nooit
niet-toegestane apparaten.
Voor een optimale werking van de accu
• Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
• Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
• Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg
ervoor dat ze goed vastzitten en
bescherm ze met vaseline.
• Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water
en natriumbicarbonaat (dubbel
koolzure soda).
• Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere
periode niet gaat gebruiken.
AANWIJZING
AANWIJZING
Accu’s bevattenzwavelzuur dat uitermate
corrosief is. Laataccuzuur niet in contact
komen met uw ogen,
huid of kleding.
Spoel uw ogen gedurende ten
minste 15 minuten en roep
onmiddellijk medische hulp in
wanneer u zuur in uw ogen
krijgt. Was uw huid grondig
wanneer deze in aanraking
komt met zuur. Roep
onmiddellijk medische hulp inwanneer u pijn of een brandend
gevoel hebt.
•Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizingkan door de druk accuzuur
naar buiten komen. Houd bijhet optillen uw handen aan de
zijkant van de accu.
•Probeer uw auto niet met een
hulpaccu te starten als de
lege accu bevroren is.
•Laad NOOIT een accu bij terwijl de accukabels nog
aangesloten zijn.
•Het ontstekingssysteem werkt
met hoogspanning. Raak deze
onderdelen NOOIT aan als demotor draait of als het contactin stand ON staat.
OOS077020
Page 525 of 540

7-77
7
Onderhoud
2. Brandstofdampafzuigsysteem
Het brandstofdampafzuigsysteem is
ontworpen om te voorkomen dat
brandstofdampen in de atmosfeer
terechtkomen.
Reservoir
De brandstofdampen die vrijkomen
in de brandstoftank wordengeabsorbeerd en opgeslagen in een
reservoir. Als de motor draait worden
de opgeslagen brandstofdampen via
de magneetklep dampafvoer naar
het inlaatsysteem gevoerd.
Magneetklep dampafvoer (PCSV- Purge Control Solenoid valve)
De magneetklep dampafvoer wordt
aangestuurd door de motor-ECU; als
de koelvloeistoftemperatuur laag is
bij stationair draaien, is de PCSV
gesloten en wordt de verdampte
brandstof niet naar de motor
toegevoerd. Als de motor op
bedrijfstemperatuur is, wordt tijdens
normaal rijden de verdampte
brandstof via de geopende PCSV
naar de motor gevoerd.
3. Emissieregelsysteem
Het emissieregelsysteem is een
uiterst effectief systeem dat de
uitstoot van schadelijke stoffen tot
een minimum beperkt zonder dat dit
ten koste gaat van de prestaties.
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot uitlaatgassen (koolmonoxide)
• Koolmonoxide kan samen met andere uitlaatgassen aanwezig
zijn. Laat het uitlaatsysteem vanuw auto direct controleren enindien nodig repareren indien u in
het interieur uitlaatgas ruikt. Rijdniet met de auto als u in het
interieur uitlaatgassen ruikt, maar
als het niet anders kan, rijd dan
met alle ruiten volledig geopend.Laat uw auto onmiddellijkcontroleren en repareren. Uitlaatgassen bevatten het gas
koolmonoxide (CO). Hoewel het
kleurloos en reukloos is, is het
gevaarlijk en kan het bij
inademing dodelijk zijn. Neem
de aanwijzingen op deze
bladzijde in acht ter voorkoming
van koolmonoxidevergiftiging.
WAARSCHUWING
Page 526 of 540

7-78
Onderhoud
• Laat de motor in een afgeslotenruimte (bijvoorbeeld een garage)
niet langer draaien dan nodig is om
de auto naar binnen of naar buiten
te rijden.
• Stel het ventilatiesysteem zo af dat er verse buitenlucht naar het
interieur gevoerd wordt als de auto
in een open ruimte stilstaat terwijl
de motor wat langer moet blijven
draaien.
• Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in eenstilstaande auto zitten.
• Als de motor afslaat of niet wil aanslaan en er teveel
startpogingen ondernomen
worden, kan hetemissieregelsysteem beschadigd
raken.Voorzorgsmaatregelen
katalysator (indien van toepassing)
Uw auto is uitgerust met een
katalysator ten behoeve van deemissieregeling.
Daarom moeten de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht
worden genomen:
• Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend LOODVRIJE BENZINE.
• Gebruik de auto niet als de motor duidelijk storingen vertoont, zoals
overslaan of vermogensverlies.
• Doe geen dingen die slecht zijn voor de motor. Voorbeelden
hiervan zijn: de auto laten uitrollenterwijl het contact uit is en een
steile helling af rijden in de
versnelling met het contact uit.
•Een heet uitlaatsysteem kan brandbare materialen in brand
doen vliegen. Vermijd contacttussen de auto en brandbarematerialen zoals gras,
planten, papier, bladeren, enz.door niet in de nabijheid
daarvan te parkeren of te
rijden, of de motor stationairte laten draaien.
•Het uitlaatsysteem en de
katalysator zijn zeer heetwanneer de motor draait endirect nadat de motor is
uitgezet. Blijf op veilige
afstand van het uitlaatsysteem
en de katalysator, anders kunt
u brandwonden oplopen.
WAARSCHUWING
Verwijder het hitteschild van
het uitlaatsysteem niet, maak
de onderkant van de auto niet
dicht en breng geen coating
aan om corrosie tegen te
gaan. Onder bepaaldeomstandigheden kan er
brandgevaar ontstaan.