ESP Hyundai Santa Fe 2013 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2013, Model line: Santa Fe, Model: Hyundai Santa Fe 2013Pages: 670, PDF Size: 44.06 MB
Page 584 of 670

317
Veiligheidssysteem van uw auto
Neerklappen van de rugleuning achter:
1. Steek de gesp van deveiligheidsgordel achter in de opening
tussen de rugleuning en de zitting enplaats de gordel in de geleider om
beschadiging te voorkomen.
2. Zet de rugleuning zoveel mogelijk rechtop en schuif indien nodig de
voorste stoel naar voren.
3. Zet de hoofdsteunen achter in de laagste positie.■2e
zitrij
ODM032034/OXM039030/ODM032027/ODM032035
■3e
zitrij
Page 596 of 670

329
Veiligheidssysteem van uw auto
Driepuntsgordel
Vastmaken van uw gordel:
Trek de gordel uit de blokkeerautomaat en plaats de metalen gesp (1) in de
gordelsluiting (2). Wanneer de gesp in de
gordelsluiting vergrendelt, is een klik
hoorbaar.
De veiligheidsgordel kan zich alleen automatisch tot de juiste lengte oprollenals u eerst handmatig het heupgedeelte
van de gordel strak over uw heupen trekt.
Als u zich langzaam voorover beweegt,rolt de gordel af en heeft u een maximale
bewegingsruimte. Bij een noodstop of
een aanrijding echter zal de gordel
geblokkeerd worden. Daarnaast zal de
gordel blokkeren wanneer u te snel naar
voren buigt.
✽✽AANWIJZING
Als het u niet lukt om de veiligheidsgordel uit de
blokkeerautomaat te trekken, trek dankrachtig aan de gordel en laat dezevervolgens los. U kunt dan de gordel
gemakkelijk uittrekken.
Hoogteverstelling
U kunt de hoogte van het bovenste
bevestigingspunt in vier standen
afstellen voor maximaal comfort en een
maximale veiligheid. De gordel biedt geen optimale
bescherming als de veiligheidsgordel te
dicht langs de nek loopt. Het
schoudergedeelte van de gordel moet
zodanig zijn aangepast dat het over de
borst en het midden van de schouder
loopt, en nooit over de nek.
Verhoog of verlaag het bovenste
bevestigingspunt van de
veiligheidsgordel tot de juiste hoogte.B180A01NF
1
2OCM030026
Voorstoel
Page 605 of 670

Veiligheidssysteem van uw auto
38
3
Gehandicapten
Ook gehandicapten die in de auto
vervoerd worden, moeten gebruik maken
van de veiligheidsgordel. Neem indien
nodig voor meer informatie contact op
met een arts.
Een persoon per veiligheidsgordel
Een enkele gordel mag nooit gedragen
worden door twee personen (ook niet
door een volwassene en een kind). Als
dat wel gedaan wordt, kan dat bij een
aanrijding resulteren in ernstig letsel.
Zet de rugleuning niet horizontaal
Om de kans op letsel bij een aanrijding te
beperken en de veiligheidsgordels zo
effectief mogelijk te gebruiken, moetenalle inzittenden rechtop zitten en moeten
de rugleuningen tijdens het rijden zo
rechtop mogelijk staan. Als eeninzittende op de achterbank ligt of als de
rugleuning van de voorstoel te ver
horizontaal staat, kan de gordel
onvoldoende bescherming bieden. Verzorging van de
veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels mogen niet
gedemonteerd of gemodificeerd worden.
Verder moet er op worden gelet dat de
gordels en de onderdelen daarvan niet
beschadigd worden door de scharnieren
van de stoelen, de portieren of
anderszins.
WAARSCHUWING
Beschadig de veiligheidsgordel en
de gesp niet als u de neergeklapte
rugleuning van de achterbank weer
in zijn oorspronkelijke positie zet.
Zorg ervoor dat de gordel of gesp
niet klem komen te zitten tussen de
achterbank. Een beschadigde
gordel of gesp is minder sterk enkan bij een aanrijding of noodstop
dienst weigeren, waardoor ernstigletsel kan ontstaan.
WAARSCHUWING
Als de rugleuning te ver horizontaal
staat, neemt de kans op letsel bijeen aanrijding of een noodstop
aanzienlijk toe. De beschermingdie de veiligheidssystemen
(veiligheidsgordels en airbags)
bieden, neemt aanzienlijk af als derugleuning te ver horizontaal staat.
De veiligheidsgordel moet strak
over uw heupen en borst lopen
voor een maximale effectiviteit.
Hoe verder de rugleuning naar
achteren staat, hoe groter de kansis dat de inzittende bij een
aanrijding onder het heupgedeelte
van de gordel door schiet of dat de
nek in aanraking komt met het
schoudergedeelte van de gordel.
Bestuurder en passagiers moeten
altijd goed in hun stoel zitten, de
gordel op de juiste manier dragen
en de rugleuning zo ver mogelijk
rechtop zetten.
Page 610 of 670

343
Veiligheidssysteem van uw auto
2. Zet de gesp vast in de gordelsluiting.Controleer of een klikkend geluid
hoorbaar is.
Plaats de ontgrendelknop zo dat deze
in geval van nood gemakkelijk
bereikbaar is.
3. Maak de gordel vast en zorg ervoor dat de gordel overal goed aansluit.Controleer na het installeren of het
kinderzitje goed vastzit door het in alle
richtingen te bewegen. Als de gordel strakker moet, beweeg dan
meer band richting de blokkeerautomaat.
Wanneer u de gordel losmaakt zodat die
ingetrokken wordt, gaat de
blokkeerautomaat automatisch terug
naar de stand waarin hij normaal
blokkeert in een noodsituatie.
OEN036104OEN036101
Page 614 of 670

347
Veiligheidssysteem van uw auto
Beide buitenste zitplaatsen achter zijn
uitgerust met ISOFIX-
bevestigingspunten en een bijbehorende
bevestiging voor de bovenste band op de
achterzijde van de rugleuning. De
ISOFIX-bevestigingspunten bevinden
zich tussen de zitting en de rugleuning
en zijn gemarkeerd met het ISOFIX-
pictogram.
Bij het bevestigen moeten CRS ISOFIX-
gespen in de ISOFIX-bevestigingspunten
van de auto worden geklikt (luister of u
een klik hoort en controleer mogelijkevisuele aanwijzingen op de CRS en
controleer extra door te trekken).CRS met universele goedkeuring tot
ECE-R44 moet aanvullend worden
bevestigd met een bovenste band die is
verbonden met het overeenkomstige
bevestigingspunt in de rugleuning.
Volg bij het installeren en gebruiken van een kinderzitje de installatiehandleiding
die bij het ISOFIX-zitje wordt geleverd.
WAARSCHUWING
Plaats het kinderzitje helemaal naar
achteren tegen de rugleuning met
de rugleuning rechtop.
ODM032038
WAARSCHUWING
Als een kinderzitje op de achterbank is geplaatst met
behulp van de ISOFIX-
bevestigingen, moeten alle
ongebruikte gordels op de
achterbank worden vastgemaakt
in de gordelsluitingen en moet de
gordel op de plaats van het
kinderzitje achter het zitje worden
vastgemaakt om ervoor te zorgen
dat de gordel buiten bereik van
het kind blijft. Bij losse gespen of
gordelsluitingen kan het kind in
het kinderzitje verstrikt raken enernstig letsel oplopen.
Plaats geen voorwerpen rond de onderste bevestigingspunten.
Controleer ook of de
veiligheidsgordel niet wordt
gehinderd door de onderste
bevestigingspunten.
Page 658 of 670

Introductie
4
1
Gebruik van MTBE
Geadviseerd wordt geen brandstof in uw
auto te gebruiken die meer dan 15,0
volumeprocent MBTE (Methyl Tertiair
Butyl Ether) (zuurstofmassa 2,7%) bevat.
Brandstof die meer dan 15,0 volume
-procent MBTE (zuurstofmassa 2,7%)
bevat kan de prestaties van de auto in
negatieve zin beïnvloeden en damp
-vorming of slecht aanslaan veroorzaken.
Gebruik geen methanol
Uw auto is niet geschikt voor het gebruik
van methanol (methylalcohol). Dit type
brandstof heeft een negatieve invloed op
de prestaties van uw auto en kan schade
aan het brandstofsysteem veroorzaken.
Benzines die het milieu minder
belasten
HYUNDAI adviseert het gebruik van
kwalitatief hoogwaardige brandstoffen
die voldoen aan de Europese
brandstofnormen (EN228) of
gelijkwaardige normen.
Klanten die niet de beschikking hebben
over kwalitatief hoogwaardige
brandstoffen met de juiste additieven
wordt geadviseerd elke 15.000 km
(Europa) een fles additieven toe te
voegen aan de brandstoftank als er
problemen zijn met het starten of soepel
ronddraaien van de motor. Bij uw officiële
HYUNDAI-dealer zijn additieven
verkrijgbaar met de daarbij behorende
gebruiksinstructies. Gebruik geen
andere additieven.
Rijden in het buitenland
Als u van plan bent om met uw auto naar
het buitenland te gaan:
Zorg ervoor dat uw auto voldoet aan de in dat land geldende wettelijke
voorschriften met betrekking tot
registratie en verzekering.
Informeer of de juiste brandstof verkrijgbaar is. Dieselmotor
Dieselbrandstof
Gebruik voor de dieselmotor alleen bij
het benzinestation verkrijgbare diesel-brandstof die aan de EN 590-norm of
vergelijkbaar voldoet. (EN staat voor
“European Norm”).
Gebruik geen dieselbrandstof die
bestemd is voor de scheepvaart, lichte
stookoliën of niet-goedgekeurde brand
-stoftoevoegingen, aangezien dit de slijtage zal bespoedigen en de motor en
het brandstofsysteem kan beschadigen.
Het gebruik van niet-goedgekeurde
brandstoffen en/of brandstoftoevoegin
-gen heeft een beperking van de garantie
tot gevolg.
Het cetaangetal van de dieselbrandstof
voor uw auto moet hoger zijn dan 51. Als
er twee soorten diesel leverbaar zijn,
moet afhankelijk van de temperatuur
worden gekozen voor zomer- ofwinterdiesel.
Boven -5°C ... Zomerkwaliteit diesel
-brandstof
Onder -5°C ... Winterkwaliteit diesel
-brandstof
OPMERKING
Schade aan het brandstofsysteem van uw auto of het verhelpen vanproblemen met betrekking tot deprestaties van de auto worden niet
door de garantie gedekt indien zeveroorzaakt worden door brandstofdie methanol bevat of brandstof die meer dan 15,0% volumeprocent
MTBE (Methyl Tertiair Butyl Ether) (zuurstofmassa 2,7%) bevat.
Page 659 of 670

15
Introductie
Zorg ervoor dat de brandstoftank niet
leeg raakt. Als de motor door
brandstoftekort afslaat, moeten de
brandstofcircuits volledig worden
ontlucht voordat de motor weer kan
worden gestart.Biodiesel
Indien uw auto aan de EN 14214-norm of
vergelijkbaar voldoet, mag bij het
benzinestation verkrijgbare dieselmeng
-sels met niet meer dan 7% biodiesel,
algemeen bekend als “B7-diesel” worden
gebruikt. (EN staat voor “European
Norm”). Het gebruik van biobrandstoffen
van meer dan 7% gemaakt uit koolzaad
methylester (RME), vetzuur methylester
(FAME), plantaardige methylester
(VME), enz. of een diesel/biodiesel
-mengsel zal de slijtage bespoedigen en
kan de motor of het brandstofsysteem
beschadigen. Reparatie of vervanging
van versleten of beschadigde
onderdelen als gevolg van het gebruik
van niet-goedgekeurde brandstoffen valt
niet onder de fabrieksgarantie.
OPMERKING
Zorg ervoor dat er geen benzine ofwater in de brandstoftankterechtkomt. Als dat wel het geval is
moet de brandstoftank wordenafgetapt en moet het brandstof-systeem worden ontlucht omschade aan de brandstofpomp en
de motor te voorkomen.
OPMERKING
Gebruik nooit brandstof, ongeacht of diesel, B7-biodieselof anderszins, dat niet aan de meest recente specificatiesvoldoet.
Gebruik nooit brandstoftoe
-voegingen en dergelijke die niet door de fabrikant zijn aanbevolenof goedgekeurd.
OPMERKING -
Dieselbrandstof
(indien voorzien van een
roetfilter (DPF))
Het is raadzaam de aanbevolen diesel voor dieselauto's uitgerustmet een DPF-systeem te gebruiken.Het gebruik van diesel met een
hoog zwavelgehalte (meer dan 50ppm zwavel) en niet-gespecificeerde toevoegingen kan ertoe leiden dat het DPF-systeem
beschadigd raakt en er witte rook wordt uitgestoten.
Page 667 of 670

Index
2
I
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden ................8-6
Aanvullend veiligheidssysteem ....................................3-51
Accu ..............................................................................7-43
Achterklep ....................................................................4-25
Achteruitrijcamera ......................................................4-124
Actief ECO-systeem ....................................................5-72
Actieve motorkapverhoging ........................................3-77
Afmetingen ....................................................................8-2
Airconditioning ..............................................................8-3
Alarmknipperlichten ..................................................4-125
Als de motor niet gestart kan worden ............................6-4
Als de motor oververhit raakt ........................................6-7
Antidiefstalsysteem ......................................................4-17
Audiosysteem ............................................................4-192
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem ......4-157
Automatische transmissie ............................................5-19
Banden en wielen ..................................................7-46, 8-4
Bandenspanningslabel ..................................................8-10
Brandstofbesparing ......................................................5-73
Brandstoffilter (diesel) ..................................................7-35 Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) ............6-8
Cruise control-systeem ................................................5-60
Dashboard, oversicht ......................................................2-6
Door de eigenaar uit te voeren
onderhoudswerkzaamheden ........................................7-7
Emissieregelsysteem ....................................................7-99
Exterieur ....................................................................4-190
Gebruik van dit instructieboekje ....................................1-2
Handgeschakelde transmissie ......................................5-16
Handmatig bediend verwarmings-en ventilatiesysteem4-146
A
B
C
D
E
G
H