ESP Lancia Flavia 2012 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: LANCIA, Model Year: 2012, Model line: Flavia, Model: Lancia Flavia 2012Pages: 257, PDF Size: 2.8 MB
Page 132 of 257

23. Controlelampje
antiblokkeersysteem (ABS)Dit lampje is een indicator
van het ABS-systeem. Dit
lampje gaat branden wan-
neer u de contactschakelaar
in de stand ON/RUN zet en kan
daarna nog drie seconden blijven
branden.
Als het ABS-lampje blijft branden of
tijdens het rijden gaat branden, duidt
dit erop dat een deel van het remsys-
teem niet werkt en dat onderhoud is
vereist. Het conventionele remsys-
teem blijft echter normaal werken,
mits waarschuwingslampje voor het
remsysteem niet brandt.
Wanneer het ABS-lampje brandt,
moet u het remsysteem zo spoedig
mogelijk laten controleren de werking
van het ABS-systeem te herstellen.
Controleer het ABS-lampje regelma-
tig om er zeker van te zijn dat het goed
werkt. Zet de contactschakelaar in de
stand ON (maar start de motor niet).
Het lampje moet gaan branden. Als het lampje niet gaat branden, laat dan
het systeem door een erkende dealer
controleren.
24. Storingslampje ESP
Het storingslampje van het
elektronisch stabiliteitsre-
gelsysteem (ESP) in de in-
strumentengroep gaat
branden wanneer de contactschake-
laar in de stand ON/RUN wordt gezet.
Als de motor draait, behoort dit
lampje uit te gaan. Wanneer het sto-
ringslampje ESP continu blijft bran-
den terwijl de motor draait, is een
storing gedetecteerd in het ESP-
systeem. Als het lampje blijft branden
nadat er verschillende keren is gestart
en u meerdere kilometers hebt gere-
den met een snelheid boven 48 km/u,
dient u zo snel mogelijk contact op te
nemen met uw erkende dealer om het
probleem te laten opsporen en verhel-
pen.
OPMERKING:
Het controlelampje "ESP uitge- schakeld" en het storingslampje
ESP gaan kort branden wanneer
de contactschakelaar in de
stand ON/RUN wordt gezet. Telkens wanneer de contact-
schakelaar in de stand ON/RUN
wordt gezet, wordt het ESP-
systeem ingeschakeld, ook wan-
neer dit eerder werd uitgescha-
keld.
Het ESP-systeem maakt zoe- mende of klikkende geluiden
wanneer het actief is. Dit is nor-
maal. De geluiden houden op
wanneer ESP inactief wordt na
de manoeuvre die de activering
van het ESP-systeem heeft ver-
oorzaakt.
25. Bandenspanningslampje Alle banden, ook de reser-
veband (indien aanwezig)
moeten elke maand worden
gecontroleerd wanneer ze
koud zijn en opgepompt tot de ban-
denspanning die door de fabrikant
wordt aanbevolen op de bandenspan-
ningensticker. (Als uw voertuig ban-
den heeft met een andere maat dan
wordt aangegeven op de bandenspan-
ningensticker, moet u de juiste ban-
denspanning voor die banden achter-
halen.)
125
Page 145 of 257

CD-SPELER
Als u één keer drukt op de bovenzijde
van de schakelaar, wordt het volgende
nummer op de cd gekozen. Als u één
keer op de onderkant van de schake-
laar drukt, wordt het begin van het
huidige nummer of het begin van het
vorige nummer gekozen wanneer het
nieuwe nummer korter dan één se-
conde is gespeeld.
Wanneer u de schakelaar tweemaal
naar boven of naar beneden drukt,
wordt het tweede nummer afgespeeld;
bij driemaal het derde, enz.
De knop midden op de linkerschake-
laar heeft bij deze stand geen functie.
WERKING VAN DE
RADIO EN MOBIELE
TELEFOONS
Onder bepaalde omstandigheden kan
een ingeschakelde mobiele telefoon in
uw auto de radio storen. Deze situatie
kunt u verhelpen door de antenne van
de mobiele telefoon te verplaatsen.
Dit probleem is niet schadelijk voor de
radio. Wanneer de radio nog steeds
niet naar tevredenheid werkt nadat deantenne is verplaatst, is het raadzaam
de radio zachter of uit te zetten wan-
neer de mobiele telefoon in gebruik is.
KLIMAATREGELING
Het systeem voor airconditioning en
verwarming is ontworpen voor een
optimaal interieurcomfort onder alle
weersomstandigheden.
AUTOMATISCHE
TEMPERATUURREGELING
Automatische werking
De automatische temperatuurrege-
ling handhaaft automatisch het kli-
maat in de cabine op de niveaus zoals
die door de bestuurder en passagier
zijn gewenst.
De bediening van het systeem is vrij
eenvoudig.
1. Draai de modusregelknop (rechts)
en de aanjagerschakelaar (links) in de
stand AUTO.
OPMERKING:
De stand AUTO levert alleen voor
de inzittenden voorin de beste re-
sultaten.
2. Stel de ge-
wenste tempera-
tuur met de tempe-
ratuurregelknop
in. Wanneer het
comfortniveau is
ingesteld, hand-
haaft het systeem dat niveau automa-
tisch met behulp van het verwar-
mingssysteem. Mocht het gewenste
comfortniveau de inschakeling van de
airconditioning vereisen, dan past het
systeem zich automatisch aan.
U ervaart het meeste gebruiksgemak
wanneer u het systeem automatisch
laat werken. Door de aanjagerschake-
laar in de stand “O” (uit) te zetten,
wordt het systeem geheel uitgescha-
keld en de luchtinlaat voor buiten-
lucht gesloten.
Automatische temperatuurregeling
138
Page 153 of 257

STROMEND/OPKOMEND WATER . . . . . . . . . 158
ONDIEP STILSTAAND WATER . . . . . . . . . . . 158
STUURBEKRACHTIGING . . . . . . . . . . . . . . . . . 159 CONTROLE VLOEISTOFSTUURBEKRACHTIGING . . . . . . . . . . . . . . . 159
HANDREM . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160
ABS-SYSTEEM . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 161
ELEKTRONISCHE REMREGELING . . . . . . . . . . 163 ABS-SYSTEEM . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163
Tractieregelsysteem (ASR) . . . . . . . . . . . . . . . 163
REMASSISTENT (BAS) . . . . . . . . . . . . . . . . . 163
ELEKTRONISCHSTABILITEITSREGELSYSTEEM (ESP) . . . . . 164
CONTROLE-/STORINGSLAMPJE ESP EN CONTROLELAMPJE ESP UIT . . . . . . . . . . . . 165
BANDEN — ALGEMENE INFORMATIE . . . . . . . 166 BANDENSPANNING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 166
BANDENSPANNING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 167
RADIAALBANDEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 168
DOORSLIPPEN VAN DE WIELEN . . . . . . . . . 168
BANDENSLIJTAGE-INDICATOREN . . . . . . . . 169
LEVENSDUUR VAN BANDEN . . . . . . . . . . . . 169
VERVANGENDE BANDEN . . . . . . . . . . . . . . . 169
SNEEUWKETTINGEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
ROULEREN VAN BANDEN . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEEM . . . 171
146
Page 162 of 257

king wordt hersteld zodra de versnel-
lingsbaktemperatuur voldoende is
gestegen.
Noodloopmodus van de
versnellingsbak
De werking van de versnellingsbak
wordt elektronisch gecontroleerd op
abnormale situaties. Als een situatie
wordt gedetecteerd die schade aan de
versnellingsbak kan veroorzaken,
wordt de noodloopmodus van de ver-
snellingsbak geactiveerd. In deze mo-
dus blijft de transmissie in de 3e ver-
snelling, ongeacht welke
vooruitversnelling is gekozen. PARK,
REVERSE en NEUTRAAL blijven
wel werken. Het is mogelijk dat het
storingslampje brandt. Dankzij de
noodloopmodus kan de auto voor re-
paratie naar een erkende dealer wor-
den gereden zonder dat de versnel-
lingsbak beschadigd raakt.
In het geval van een kortstondig pro-
bleem kan de versnellingsbak, door
de volgende stappen uit te voeren,
worden gereset om weer alle vooruit-
versnellingen te kunnen gebruiken:
1. Stop de auto.2. Schakel naar PARK.
3. Zet de contactschakelaar in de
stand LOCK/OFF.
4. Wacht ongeveer 10 seconden.
5. Start de motor opnieuw.
6. Schakel naar de gewenste versnel-
ling. Als het probleem niet langer
wordt gedetecteerd, werkt de versnel-
lingsbak weer op de normale manier.
OPMERKING:
Ook al kan de transmissie worden
gereset, we raden u toch aan zo
spoedig mogelijk een bezoek te
brengen aan uw erkende dealer.
Uw erkende dealer kan met speci-
ale diagnoseapparatuur vaststel-
len of het probleem zich nogmaals
kan voordoen.
Als geen reset van de versnellingsbak
mogelijk is, is service door de erkende
dealer noodzakelijk.
Werking van de overdrive
De automatische transmissie is voor-
zien van een elektronisch geregelde
overdrive (6e versnelling). De ver-
snellingsbak schakelt automatisch
naar de overdrive-versnelling als aan
de volgende voorwaarden wordt vol-
daan:
de schakelhendel staat in de stand
DRIVE,
de transmissievloeistof is heeft de juiste temperatuur bereikt,
de koelvloeistof heeft de juiste tem- peratuur bereikt,
de rijsnelheid is voldoende hoog en
de bestuurder trapt het gaspedaal niet diep in.
Koppelomvormerkoppeling
De automatische transmissie in deze
auto beschikt over een functie die het
brandstofverbruik helpt beperken. Bij
gekalibreerde toerentallen grijpt au-
tomatisch een koppeling in de kop-
pelomvormer aan. Dit kan een iets
ander gevoel of respons geven tijdens
normale werking in de hogere ver-
snellingen. Wanneer de rijsnelheid af-
neemt of soms tijdens het accelereren,
ontkoppelt de koppeling automatisch.
OPMERKING:
De koppelomvormerkoppeling grijpt
pas aan wanneer de transmissie-
155
Page 163 of 257

vloeistof en de motorkoelvloeistof
warm zijn (normaal gesproken na 2 -
5 km rijden). Omdat het motortoe-
rental hoger is wanneer de kop-
pelomvormerkoppeling niet aan-
grijpt, kan het lijken alsof de
transmissie in koude toestand niet
naar overdrive schakelt. Dat is nor-
maal. Door AutoStick® te gebruiken,
terwijl de transmissie voldoende
warm is, wordt aangetoond dat de
transmissie in staat is de overdrive in
en uit te schakelen.AUTOSTICK®
AutoStick® is een interactieve func-
tie, die handmatig schakelen mogelijk
maakt waardoor u meer controle over
de auto krijgt. Met AutoStick® kunt u
maximaal remmen op de motor, onge-
wenst op- of terugschakelen voorko-
men en de prestaties van de auto ver-
beteren. Met dit systeem heeft u ook
meer controle over de auto bij het
inhalen, bij het rijden in de stad, bij
glad wegdek, in de bergen, het trek-
ken van een aanhangwagen en vele
andere situaties.BEDIENING
Wanneer het schakelhendel in de
stand AutoStick® staat (onder de
stand DRIVE), kan hij heen en weer
worden bewogen. De bestuurder kan
zo handmatig de gewenste versnelling
kiezen. Door de schakelhendel naar
links (-) te bewegen, wordt terugge-
schakeld en naar rechts (+) wordt op-
geschakeld. De ingeschakelde ver-
snelling wordt weergegeven in de
instrumentengroep op de schakelindi-
cator van de transmissie.
OPMERKING:
In de AutoStick® modus schakelt
de transmissie alleen op of terug
wanneer de bestuurder de scha-
kelhendel naar rechts (+) of links
(-) beweegt of zoals hieronder is
beschreven.
AutoStick® wordt uitgeschakeld
wanneer de schakelhendel vanuit de
stand AutoStick (+/-) in de stand
DRIVE wordt gezet.
ALGEMENE INFORMATIE
U kunt in elke versnelling behalve
de zesde vanuit stilstand wegrijden. Wanneer de voertuigsnelheid te
laag is, negeert het systeem alle op-
schakelpogingen.
Indien een andere versnelling dan eerste is ingeschakeld en u stopt,
kiest de regeleenheid van de trans-
missie automatisch de eerste ver-
snelling.
Wegrijden in de tweede versnelling is zinvol als het wegdek glad is door
sneeuw of ijs. Als u de tweede ver-
snelling in wilt schakelen nadat de
auto tot stilstand is gebracht, tikt u
de schakelhendel een keer naar
rechts (+).
Maak geen gebruik van de cruise- control als AutoStick® is ingescha-
keld.
De transmissie schakelt automa- tisch op wanneer het maximumtoe-
rental is bereikt en AutoStick® is
ingeschakeld.
Het schakelen van de transmissie valt meer op als AutoStick® is in-
geschakeld.
156
Page 170 of 257

het rempedaal daalt iets of kan ietsverder ingetrapt worden nadat de
auto tot stilstand is gekomen.
Dit zijn normale kenmerken van het
ABS-systeem.WAARSCHUWING!
Het antiblokkeersysteem bevat ge-
avanceerde elektronische compo-
nenten die gevoelig is voor storingen
door verkeerd gemonteerde of zeer
krachtige radiozendapparatuur.
Dergelijke storingen kunnen ertoe
leiden dat de werking van het ABS-
systeem volledig uitvalt. Dergelijke
apparatuur mag uitsluitend door be-
voegde vakmensen worden geïnstal
leerd.
Alle wielen en banden van de auto
moeten van dezelfde maat en het-
zelfde type zijn en de bandenspanning
moet correct zijn, zodat de regeleen-
heid correcte signalen ontvangt.
ELEKTRONISCHE
REMREGELING
Uw auto kan zijn uitgerust met een
optionele geavanceerde elektronische
remregeling die bestaat uit: ABS, ASR (tractieregelsysteem), BAS (remassis-
tent) en ESP (elektronisch stabili-
teitsregelsysteem). Alle systemen wer-
ken samen om onder verschillende
rijomstandigheden de stabiliteit en de
controle over de auto te verbeteren en
wordt gewoonlijk aangeduid als
"ESP".
ABS-SYSTEEM
Dit systeem helpt de bestuurder het
voertuig onder controle te houden in
ongunstige remomstandigheden. Het
systeem regelt de hydraulische rem-
druk om het blokkeren van de wielen
te voorkomen. Bovendien helpt het bij
het voorkomen van slippen tijdens het
remmen op een glad wegoppervlak.
Raadpleeg de paragraaf "ABS-
systeem" in het hoofdstuk "Starten en
rijden" voor meer informatie hierover.
Tractieregelsysteem (ASR)
Dit systeem bewaakt de mate van het
doorslippen van elk van de aangedre-
ven wielen. Als het doorslippen van
een of meer wielen wordt gedetec-
teerd, worden de doorslippende wie-
len afgeremd en wordt het motorver-
mogen verminderd voor een betere
acceleratie en stabiliteit. Een voorzie-
ning van het ASR-systeem functio-
neert op dezelfde wijze als een limited
slipdifferentieel en regelt de wielspin
van een aangedreven as. Als één wiel
van een aangedreven as sneller draait
dan het andere, wordt het doorslip-
pende wiel afgeremd. Hierdoor kan er
meer motorkoppel naar het niet-
doorslippende wiel gaan. Deze functie
blijft ook actief als ASR en ESP in de
modus "Gedeeltelijk uit" staan.
Raadpleeg “Elektronisch stabiliteits-
regelsysteem (ESP)” in dit hoofdstuk
van deze handleiding.
REMASSISTENT (BAS)
De remassistent (BAS) is ontworpen
om de remwerking van de auto te
optimaliseren tijdens noodremsitua-
ties. Het systeem herkent een nood-
remsituatie aan de hand van de snel-
heid en kracht waarmee het
rempedaal wordt ingetrapt en opti-
maliseert de remdruk dienovereen-
komstig. Dit draagt bij aan een ver-
korting van de remweg. Het BAS vult
het ABS aan. Wanneer u het rempe-
daal zeer snel intrapt, is de assistentie
van het BAS-systeem optimaal. Om
163
Page 171 of 257

van het systeem te profiteren moet u
het rempedaal tijdens de noodstop
ononderbroken intrappen. Verminder
de druk op het rempedaal niet, tenzij
u niet langer hoeft te remmen. Zodra
u het rempedaal loslaat, wordt het
BAS-systeem uitgeschakeld.WAARSCHUWING!
Het BAS kan niet voorkomen datde auto onderworpen blijft aan de
wetten van de natuur. De effecti-
viteit van de remmen wordt door
BAS niet verder verhoogd dan de
remmen, banden en grip van de
auto toelaten.
Het BAS voorkomt geen ongeluk-
ken ten gevolge van bijvoorbeeld
te hoge snelheden in bochten, te
weinig afstand houden of aqua-
planing.
Gebruik de mogelijkheden van
een auto met BAS nooit op een
roekeloze of risicovolle wijze die
de veiligheid van uzelf of anderen
in gevaar brengt. ELEKTRONISCH
STABILITEITSREGEL-
SYSTEEM (ESP)
Dit systeem verbetert de bestuurbaar-
heid en stabiliteit van de auto onder
diverse rijomstandigheden. ESP cor-
rigeert over- en onderstuur van het
voertuig door het juiste wiel af te rem-
men. Zo wordt tegengestuurd bij
onder- of overstuur. Ook kan het mo-
torvermogen worden verminderd om
het voertuig te helpen bij het handha-
ven van de juiste rijrichting. ESP be-
paalt met behulp van sensors in het
voertuig de door de bestuurder ge-
wenste rijrichting. Het systeem verge-
lijkt deze baan dan met de werkelijke
rijrichting van het voertuig. Wanneer
de werkelijke baan niet overeenkomt
met de gewenste baan, remt ESP het
juiste wiel af om over- of onderstuur
tegen te gaan.
Overstuur: de auto reageert in
bochten te sterk op de stand van het
stuurwiel.
Onderstuur: de auto reageert in bochten onvoldoende op de stand
van het stuurwiel.
WAARSCHUWING!
Met het ESP-systeem wordt niet
voorkomen dat de auto onderwor-
pen blijft aan de wetten van de na-
tuur en het systeem zorgt evenmin
voor meer grip op het wegdek. ESP
kan geen ongelukken voorkomen,
zeker geen ongelukken die worden
veroorzaakt door te hoge snelheden
in bochten, het rijden op zeer glad
wegdek, of aquaplaning. ESP kan
evenmin ongelukken voorkomen die
het gevolg zijn van het verlies van de
controle over het voertuig doordat
het rijgedrag niet is aangepast aan
de omstandigheden. Alleen een op-
lettende en bekwame bestuurder
met een veilige rijstijl kan ongeluk-
ken voorkomen. Gebruik de moge-
lijkheden van een auto met ESP
nooit op een roekeloze of risicovolle
wijze die de veiligheid van de be-
stuurder of anderen in gevaar
brengt.
164
Page 172 of 257

Bedrijfsmodi van ESP
Bij alle auto's met ESP kan uit de
volgende ESP-bedrijfsmodi worden
gekozen:
ESP ingeschakeld
Dit is de normale bedrijfsmodus van
de ESP. Als de auto wordt gestart,
bevindt het ESP-systeem zich in deze
modus. Deze modus dient te worden
gebruikt onder vrijwel alle rijomstan-
digheden. Het ESP mag alleen om
specifieke redenen in de bedrijfsmo-
dus "Partial Off" (gedeeltelijk uit)
worden geschakeld, zoals hieronder
wordt beschreven.
Gedeeltelijke ESP-modus
Deze modus wordt ingeschakeld door
kort op de schakelaar “ESP uit” te
drukken (in de onderste rij schake-
laars onder de bedieningselementen
van de verwarming/airconditioning).
In de modus "gedeeltelijk uit" is het
ASR-gedeelte van het ESP uitgescha-
keld, behalve de functie "beperkte
slip", zoals beschreven in het hoofd-
stuk over ASR. Het controle-/
storingslampje ESP brandt. Alle ove-
rige stabiliteitsfuncties van het ESP
werken normaal, met uitzonderingvan de reductie van het motorvermo-
gen. Deze modus is bedoeld voor situ-
aties waarin het voertuig zich in diepe
sneeuw, zand of gravel bevindt en
waar de wielen sneller moeten draaien
dan het ESP normaal gesproken zou
toestaan, om weer grip te krijgen.
Om het ESP weer in te schakelen,
drukt u kort op de toets "ESP uit.
Hierdoor wordt de normale bedrijfs-
modus "ESP aan" hersteld.
WAARSCHUWING!
In de gedeeltelijke ESP-modus is de
ESP-functie voor reductie van het
motorvermogen uitgeschakeld. De
verbeterde voertuigstabiliteit die het
ESP-systeem biedt, neemt hierdoor
af.
OPMERKING:
Om de trekkracht tijdens het rij-
den met sneeuwkettingen, bij het
wegrijden in diepe sneeuw, zand of
grind te verbeteren, is het raad-
zaam de functie "Gedeeltelijk uit"
in te schakelen door kort op de
toets "ESP uit" te drukken. Wan-
neer er geen reden meer is om de
modus "Gedeeltelijk uit" te ge-
bruiken, drukt u kort op de scha-
kelaar "ESP uit" om het ESP weer
in te schakelen. Dit is ook mogelijk
tijdens het rijden.
CONTROLE-/
STORINGSLAMPJE ESP EN
CONTROLELAMPJE ESP
UIT
Het controle-/
storingslampje van het
elektronisch stabiliteitsre-
gelsysteem (ESP) in de in-
strumentengroep gaat branden wan-
neer de contactschakelaar in de stand
ON wordt gezet. Als de motor draait,
behoort dit lampje uit te gaan. Wan-
neer controle-/storingslampje ESP
continu blijft branden terwijl de mo-
Schakelaar ESP Uit
165
Page 173 of 257

tor draait, is een storing gedetecteerd
in het ESP-systeem. Als het lampje
blijft branden nadat er verschillende
keren is gestart en u meerdere kilome-
ters hebt gereden met een snelheid
boven 48 km/u, dient u zo snel moge-
lijk contact op te nemen met uw er-
kende dealer om het probleem te laten
opsporen en verhelpen.
Het controle-/storingslampje ESP (in
de instrumentengroep) begint te
knipperen zodra de banden grip ver-
liezen en het ESP-systeem wordt ge-
activeerd. Het controle-/
storingslampje ESP knippert ook
wanneer het ASR-systeem actief is.
Als het controle-/storingslampje ESP
gaat knipperen tijdens het optrekken,
neem dan gas terug en rijd verder
terwijl u zo min mogelijk gas geeft.
Pas uw snelheid en rijstijl altijd aan de
toestand van het wegdek aan.
OPMERKING:
Het controle-/storingslampje ESP
en het controlelampje "ESP uit"
gaan altijd kort branden wanneer
de contactschakelaar in de stand
ON wordt gezet.
Telkens wanneer de contact-schakelaar in de stand ON wordt
gezet, wordt het ESP-systeem in-
geschakeld, ook wanneer dit
eerder werd uitgeschakeld.
Het ESP-systeem maakt zoe- mende of klikkende geluiden
wanneer het actief is. Dit is nor-
maal. De geluiden houden op
wanneer ESP inactief wordt na
de manoeuvre die de activering
van het ESP-systeem heeft ver-
oorzaakt.
Het controlelampje "ESP
uit" geeft aan dat het elek-
tronische stabiliteitsregelsys-
teem (ESP) is uitgeschakeld.
BANDEN — ALGEMENE
INFORMATIE
BANDENSPANNING
Voor de veiligheid en goede rijeigen-
schappen is een juiste bandenspan-
ning absoluut noodzakelijk. Als de
bandenspanning niet juist is, heeft dit
de onderstaande gevolgen: Veiligheid
WAARSCHUWING!
Een onjuiste bandenspanning is
gevaarlijk en kan leiden tot onge-
lukken.
Bij een te lage bandenspanning
veert de band te veel in en kan de
band te warm worden en lek ra-
ken.
Bij een te hoge bandenspanning
zal de band schokken op het wiel
minder goed opvangen. Voorwer-
pen op de weg en gaten in het
wegdek kunnen de banden be-
schadigen waardoor ze lek raken.
Banden met een te hoge of te lage
spanning kunnen het rijgedrag
van de auto beïnvloeden en kun-
nen een klapband veroorzaken
waardoor u de controle over de
auto kunt verliezen.
Als niet alle banden dezelfde
spanning hebben, kunnen bestu-
ringsproblemen optreden. U kunt
de controle over de auto verliezen.
(Vervolgd)
166
Page 192 of 257

ervoor dat de functieregelknop (5)
op de luchtmodus is afgesteld als
zulke voorwerpen worden opge-
pompt om te voorkomen dat ze wor-
den ingespoten met afdichtingsmid-
del. Het TIREFIT-afdichtingsmiddel
is uitsluitend bedoeld voor het af-
dichten van gaatjes met een kleinere
diameter dan 6 mm in het loopvlak
van een band. U mag de TIREFIT-set niet aan deslangen optillen of dragen.WAARSCHUWING!
Probeer geen band af te dichtenaan de zijde van de auto waar
ander verkeer langs rijdt. Ga ver
genoeg van de weg af staan om
ongelukken te voorkomen bij ge-
bruik van de TIREFIT-set.
Onder de volgende omstandighe-
den mag u TIREFIT niet gebrui-
ken of met de auto rijden:
Als het gat in het loopvlak van
de band ongeveer 6 mm of gr o-
ter is.
Als de wang van de band be-
schadigd is.
(Vervolgd)
WAARSCHUWING! (Vervolgd)
Als de band is beschadigd door
rijden met zeer lage banden-
spanning.
Als de band is beschadigd door
rijden met een lekke band.
Als het wiel beschadigd is.
Als u niet zeker weet in welke
staat de band of het wiel ver -
keert.
Houd TIREFIT uit de buurt van
open vuur en warmtebronnen.
Een losse TIREFIT-set kan bij een
noodstop of ongeval naar voren
schieten en zo de inzittenden ern-
stig letsel toebrengen. Berg de
TIREFIT-set altijd op de daarvoor
voorziene plaats op. Als geen ge-
hoor wordt gegeven aan deze
waarschuwingen, kan dit ernstig
of dodelijk letsel tot gevolg heb-
ben voor u, uw passagiers en an-
deren in uw omgeving.
(Vervolgd)
WAARSCHUWING!(Vervolgd)
Voorkom dat TIREFIT in contact
komt met uw haar, ogen of kle-
ding. TIREFIT is schadelijk bij
inademen, inslikken en huidcon-
tact. Het veroorzaakt irritatie van
de huid, ogen en luchtwegen.
Spoel onmiddellijk met veel water
na eventuele aanraking met de
ogen of de huid. Trek zo snel mo-
gelijk andere kleding aan wanneer
TIREFIT in aanraking is geko-
men met de kleding.
De afdichtingsoplossing van TI-
REFIT bevat latexrubber. Raad-
pleeg bij een allergische reactie of
huiduitslag onmiddellijk een arts.
Houd TIREFIT buiten het bereik
van kinderen. Bij inslikken de
mond met veel water uitspoelen
en veel water drinken. Braken niet
opwekken! Direct een arts raad-
plegen.
185