airbag OPEL AMPERA 2014 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2014, Model line: AMPERA, Model: OPEL AMPERA 2014Pages: 211, PDF Size: 5.16 MB
Page 50 of 211

48Stoelen, veiligheidssystemen
CS: NIKDY nepoužívejte dětský
zádržný systém instalovaný proti
směru jízdy na sedadle, které je chrá‐
něno před sedadlem AKTIVNÍM AIR‐
BAGEM. Mohlo by dojít k VÁŽNÉMU PORANĚNÍ nebo ÚMRTÍ DÍTĚTE.
SK: NIKDY nepoužívajte detskú se‐
dačku otočenú vzad na sedadle chrá‐
nenom AKTÍVNYM AIRBAGOM, pre‐ tože môže dôjsť k SMRTI alebo VÁŽ‐
NYM ZRANENIAM DIEŤAŤA.
LT: JOKIU BŪDU nemontuokite atgal
atgręžtos vaiko tvirtinimo sistemos
sėdynėje, prieš kurią įrengta AKTYVI
ORO PAGALVĖ, nes VAIKAS GALI
ŽŪTI arba RIMTAI SUSIŽALOTI.
LV: NEKĀDĀ GADĪJUMĀ neizmanto‐
jiet uz aizmuguri vērstu bērnu sēde‐
klīti sēdvietā, kas tiek aizsargāta ar
tās priekšā uzstādītu AKTĪVU DRO‐
ŠĪBAS SPILVENU, jo pretējā gadī‐
jumā BĒRNS var gūt SMAGAS
TRAUMAS vai IET BOJĀ.
ET: ÄRGE kasutage tahapoole suu‐
natud lapseturvaistet istmel, mille ees on AKTIIVSE TURVAPADJAGA kait‐stud iste, sest see võib põhjustadaLAPSE SURMA või TÕSISE VIGAS‐
TUSE.
Gebruik afgezien van de waarschu‐
wing conform ECE R94.02 omwille
van de veiligheid nooit een kindervei‐
ligheidssysteem op de passagiers‐
stoel met actieve frontairbag.
Frontaal airbagsysteemHet frontale airbagsysteem bestaat
uit een airbag in het stuurwiel en een
airbag in het instrumentenpaneel aan de passagierszijde. Deze zijn te her‐
kennen aan het opschrift AIRBAG.Ook is er een waarschuwingsetiket
aan de zijkant van het instrumenten‐
bord, dat bij een geopend voorste
passagiersportier zichtbaar is, of op
de zonneklep van de passagier.
Het frontairbagsysteem treedt in wer‐
king bij een voldoende krachtige aan‐ rijding aan de voorzijde. Het contact
moet ingeschakeld zijn.
De opgeblazen airbags vangen de
schok op waardoor het gevaar voor
letsel aan het bovenlichaam en hoofd van de inzittenden voorin de auto
aanzienlijk afneemt.9 Waarschuwing
Alleen bij een correcte zitpositie is
optimale bescherming mogelijk.
Stoelpositie 3 38.
Lichaamsdelen of voorwerpen uit het werkingsgebied van de airbag
houden.
Veiligheidsgordel correct omleg‐
gen en goed vastzetten. Alleen dan kan de airbag bescherming
bieden.
Page 51 of 211

Stoelen, veiligheidssystemen49Zijdelings airbagsysteem
Het zijairbagsysteem bestaat uit een
airbag in elke kant van de rugleunin‐
gen van de voorstoelen. Ze zijn te
herkennen aan het opschrift
AIRBAG .
Het zijairbagsysteem treedt in wer‐
king bij een voldoende krachtige zij‐
delingse aanrijding. Het contact moet
ingeschakeld zijn.
De opgeblazen airbags vangen de
schok op waardoor het gevaar voor
letsel aan het bovenlichaam en de
heupen bij een zijdelingse aanrijding
aanzienlijk afneemt.
9 Waarschuwing
Lichaamsdelen of voorwerpen uit
het werkingsgebied van de airbag
houden.
Let op
Op de voorstoelen alleen stoelhoe‐
zen gebruiken die voor de auto zijn goedgekeurd. De airbags niet afdek‐
ken.
Gordijnairbagsysteem Het hoofdairbagsysteem bestaat uiteen airbag aan weerskanten in het
dakframe. Ze zijn te herkennen aan
het opschrift AIRBAG op de dakstij‐
len.
Het gordijnairbagsysteem treedt in werking bij een voldoende krachtige
zijdelingse aanrijding. Het contact
moet ingeschakeld zijn.
De opgeblazen airbags vangen de
schok op waardoor het gevaar voor
letsel aan het hoofd bij een zijdelingse aanrijding aanzienlijk afneemt.
9 Waarschuwing
Lichaamsdelen of voorwerpen uit
het werkingsgebied van de airbag
houden.
De haken aan de handgrepen van het dakframe zijn alleen geschikt
om lichte kledingstukken, zonder
kleerhangers, aan op te hangen.
Geen voorwerpen in de kleding‐
stukken bewaren.
Page 52 of 211

50Stoelen, veiligheidssystemenKnieairbagsysteemDe knieairbags zitten onder de stuur‐
kolom en onder het handschoenen‐
kastje.
Bij knieairbags verschijnt het woord
AIRBAG op het onderste gedeelte
van het instrumentenpaneel.
Het knieairbagsysteem treedt in wer‐
king bij een voldoende krachtige fron‐ tale aanrijding. Het contact moet in‐geschakeld zijn.
De opgeblazen airbags vangen de
schok op waardoor het gevaar voor
letsel aan het onderlichaam van de
inzittenden voorin de auto aanzienlijk afneemt.
Lichaamsdelen of voorwerpen uit het
werkingsgebied van de airbag hou‐
den.
Airbag deactiveren
Wanneer u een kinderveiligheidssys‐
teem op de passagiersstoel voorin monteert, moet u de airbag vooraan
en de knieairbag van deze stoel deac‐ tiveren. Het gordijn- en zijdelings air‐
bagsysteem, de gordelspanners en
alle airbagsystemen van de bestuur‐
der blijven actief.
Het airbagsysteem van de passagier
voorin kan worden gedeactiveerd met
een sleutel in de schakelaar in het
handschoenenkastje.
Gebruik de contactsleutel om de po‐ sitie te kiezen:
W : Front- en knieairbags voor de
passagier voorin zijn gedeactiveerd
en gaan niet af bij een aanrijding. De
controlelamp W brandt continu. U
kunt een kinderzitje aanbrengen in
overeenstemming met de tabel In‐
bouwposities kinderveiligheidssyste‐
men 3 53. Er mag geen volwassen
persoon op de stoel van de voorpas‐
sagier vervoerd worden.
Page 53 of 211

Stoelen, veiligheidssystemen51
V: Front- en knieairbags voor de
passagier voorin zijn actief. U mag
geen kinderveiligheidssystemen aan‐
brengen.9 Gevaar
Kans op dodelijk letsel voor een
kind in een kinderzitje op de pas‐
sagiersstoel met geactiveerde
front- en knieairbag.
Kans op dodelijk letsel voor een
volwassene op de passagiersstoel met gedeactiveerde front- en
knieairbag.
Zolang de controlelamp W niet
brandt, zullen de airbags van de pas‐ sagiersstoel afgaan in geval van een
aanrijding.
Indien beide conrolelampen tegelij‐
kertijd branden zit er een storing in het
systeem. Aangezien de systeemsta‐
tus niet wordt aangeduid, mag er nie‐ mand op de passagiersstoel worden
vervoerd. Onmiddellijk de hulp van
een werkplaats inroepen.
Raadpleeg onmiddellijk een werk‐
plaats indien geen van beide contro‐
lelampjes brandt.
Verander de status alleen tijdens stil‐
stand terwijl de ontsteking is uitge‐
schakeld.
Controlelamp airbag-deactivering
3 75.Kinderveiligheidssyste‐
men
Wij bevelen het Opel kinderveilig‐
heidssysteem aan dat specifiek voor
montage in uw auto geschikt is.
Wanneer u een kinderveiligheidssys‐
teem gebruikt, moet u de gebruikers-
en montagehandleiding én de instruc‐ ties bij het kinderveiligheidssysteemopvolgen.
Houd u altijd aan de plaatselijke of landelijke voorschriften. In sommige
landen is het gebruik van kindervei‐ ligheidssystemen op bepaalde zit‐
plaatsen verboden.9 Gevaar
Wanneer u een kinderveiligheids‐
systeem op de passagiersstoel
gebruikt, moeten de airbagsyste‐
men voor de passagiersstoel zijn
Page 54 of 211

52Stoelen, veiligheidssystemengedeactiveerd; anders kan het
kind dodelijk gewond raken wan‐
neer de airbags afgaan.
Dit geldt vooral wanneer u achter‐ waarts gerichte kinderveiligheids‐
systemen op de passagiersstoel
gebruikt.
Airbag deactiveren 3 50.
Airbaglabel 3 45.
Juiste systeem selecteren
De achterbank is de beste plaats om een kinderzitje vast te maken.
Kinderen zo lang mogelijk tegen de
rijrichting in vervoeren. Hierdoor
wordt de nog erg zwakke ruggengraat van het kind bij een ongeval minderbelast.
Geschikt zijn veiligheidssystemen die
voldoen aan de geldende UN ECE-
regelgeving. Raadpleeg de plaatse‐ lijke wetgeving en richtlijnen voor het
verplichte gebruik van kinderveilig‐
heidssystemen.
Het kinderveiligheidssysteem dat u
gaat monteren, moet geschikt zijn voor het autotype.
Het kinderveiligheidssysteem moet
op de correcte positie in de auto wor‐ den gemonteerd.
Laat kinderen alleen aan de trottoir‐
kant van de auto uit- en instappen.
Wanneer het kinderveiligheidssys‐
teem niet wordt gebruikt, moet u vast‐
zetten met een veiligheidsgordel of
verwijderen.
Let op
Kinderveiligheidssystemen niet be‐
plakken of met andere materialen af‐ dekken.
Een kinderveiligheidssysteem dat
tijdens een aanrijding werd belast
moet worden vervangen.
Page 55 of 211

Stoelen, veiligheidssystemen53Inbouwposities kinderveiligheidssystemen
Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een kinderveiligheidssysteemGewichtscategorie
Op passagiersstoel
Op buitenste zitplaatsen achterin
geactiveerde airbaggedeactiveerde airbagGroep 0: Tot 10 kgXU 1UGroep 0+: Tot 13 kgXU 1UGroep I: 9 tot 18 kgXU1UGroep II: 15 tot 25 kgXXUGroep III: 22 tot 36 kgXXU1=De zithouding moet op de hoogste stoelstand worden gezet.U=Geschikt voor veiligheidssystemen uit de universele categorie, goedgekeurd voor deze gewichtsklasse.X=Zitplaats niet toegestaan voor kinderen in deze gewichtscategorie.
Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderveiligheidssysteem
GewichtscategorieMaatklasseBevestigingOp passagiersstoelOp buitenste zitplaatsen achterinGroep 0: tot 10 kgEISO/R1XIL 1Groep 0+: tot 13 kgEISO/R1XIL 1DISO/R2XIL1CISO/R3XIL1
Page 76 of 211

74Instrumenten en bedieningsorganen
Controlelampen in dedakconsole
Richtingaanwijzer
O brandt of knippert groen.
Knippert
Controlelamp knippert bij ingescha‐ kelde richtingaanwijzer of alarmknip‐
perlichten.
Knippert snel: storing in een richting‐
aanwijzer of de bijbehorende zeke‐
ring.
Vervangen van lampen 3 158.
Zekeringen 3 161.
Richtingaanwijzers 3 92.
Gordelverklikker
Gordelverklikker op de
voorstoelen
X van de bestuurdersstoel brandt of
knippert rood.
k van de passagiersstoel voorin
brandt of knippert rood wanneer de
stoel bezet is.
Als er een voorwerp op de stoel wordt gelegd, kan de gordelverklikker van
de passagiersstoel ook gaan bran‐
den.
Brandt
Brandt nadat de waarschuwingslam‐
pen voor de betreffende voorstoel
enige tijd hebben geknipperd, totdat
de veiligheidsgordel is omgedaan.
Knippert
Tot een bepaalde tijd nadat het con‐
tact is ingeschakeld.
Gordelstatus op de achterbank
6 knippert of brandt.Brandt
Na het starten van de motor gedu‐
rende minimaal 35 seconden totdat
de veiligheidsgordel is vastgemaakt.
Na het omdoen van de passagiers‐
veiligheidsgordels wordt de bijbeho‐
rende veiligheidsgordellamp groen.
Knippert
Als een passagier op de tweede rij onderweg zijn/haar veiligheidsgordel weer losmaakt, knippert het bijbeho‐
rende veiligheidsgordelsymbool en‐
kele seconden rood en kan er een ge‐
luidssignaal klinken.
Veiligheidsgordel omdoen 3 43.
Airbag en gordelspanners
v brandt rood.
Bij het starten van de auto brandt de controlelamp enkele seconden.
Brandt deze niet, dooft deze niet na
een paar seconden of licht deze tij‐
dens het rijden op, dan is er een sto‐
ring in het airbagsysteem. De hulp
Page 77 of 211

Instrumenten en bedieningsorganen75
van een werkplaats inroepen. De air‐
bags en gordelspanners gaan
mogelijkerwijs niet af tijdens een on‐
geval.
Bij een eventueel probleem met het airbagsysteem kan er ook een bericht op het Driver Information Center
(DIC) verschijnen.
Geactiveerde gordelspanners of air‐
bags worden aangeduid door aan‐
houdend branden van v.9 Waarschuwing
Oorzaak van de storing onmiddel‐
lijk door een werkplaats laten ver‐
helpen.
Gordelspanners, airbagsysteem
3 42, 3 45.
Driver Information Centre (DIC)
3 80.
Airbag-deactivering
V brandt geel.
De front- en knieairbags voor de pas‐ sagier voorin worden geactiveerd.
W brandt geel.
De front- en knieairbags voor de pas‐ sagier voorin worden gedeactiveerd
3 50.9 Gevaar
Kans op dodelijk letsel voor een
kind in een kinderzitje op de pas‐
sagiersstoel met geactiveerde
front- en knieairbag.
Kans op dodelijk letsel voor een
volwassene op de passagiersstoel met gedeactiveerde front- en
knieairbag.
Als beide statusindicatielampjes na
een paar seconden aan blijven of als
er helemaal geen lampjes branden, is er wellicht een probleem met de ver‐lichting of de deactiveringsschakelaar van de airbag. De hulp van een werk‐
plaats inroepen.
Laadsysteem p brandt rood.
Brandt korte tijd als het contact wordt
ingeschakeld.
Lamp blijft aan of licht onderweg
op
1. Zo spoedig mogelijk de verkeers‐ stroom verlaten zonder hierbij an‐
dere weggebruikers te hinderen.
2. Stop, schakel de ontsteking uit. 3. De hulp van een werkplaats inroe‐
pen.
Bij rijden met dit lampje aan kan de
12 V-accu ontladen raken.
Storingsindicatielamp Z brandt of knippert geel.
Brandt alleen in de
onderhoudsmodus Brandt ter controle of de modus al‐
leen-onderhoud werkt. Raadpleeg
een werkplaats als een storing wordt vastgesteld.
Aan/Uit-knop 3 106.
Page 87 of 211

Instrumenten en bedieningsorganen85
■ Obstakeldetectiesystemen
■ Camera voor
■ Verlichting, gloeilampen vervangen
■ Wis-/wasinstallatie
■ Portieren, ruiten
■ Afstandsbediening
■ Airbagsystemen
■ Motor en elektrische aandrijving
■ Banden
■ Accu en opladen
■ Bedieningsmodi auto
■ MaximumsnelheidPersoonlijke
instellingen
Persoonlijke instellingen zijn toegan‐
kelijk via de Infotainment-bedienings‐ organen of het aanraakscherm op hetColour-Info-Display. Raadpleeg de
afzonderlijke handleiding Infotain‐
mentsysteem voor meer informatie.
De Infotainmentbedieningsor‐
ganen gebruiken Met de knop TUNE/MENU en de toet‐
sen CONFIG en 9 BACK op het in‐
strumentenpaneel selecteert u func‐
ties voor persoonlijke instellingen.
■ CONFIG : indrukken om te bladeren
door de beschikbare menu's bo‐
venaan het display van het aan‐
raakscherm.■ TUNE/MENU :
◆ Indrukken voor invoeren, selec‐ teren of activeren van een ge‐
markeerde menuoptie.
◆ Draaien om een menuoptie te markeren.
◆ Indrukken om een systeeminstel‐
ling in of uit te schakelen.
■ 9 BACK :
◆ Indrukken om een menu af te sluiten.
◆ Indrukken om terug naar een vo‐
rig scherm te gaan.
Submenu's
Een pijl aan de rechter rand van het
menu geeft aan dat het een submenu met andere opties heeft.
Menuoptie selecteren 1. Draai aan de knop TUNE/MENU
om de functie te markeren.
2. Druk op de TUNE/MENU-knop
om de gemarkeerde optie te se‐
lecteren. Een vinkje naast de op‐
tie geeft aan dat deze geselec‐
teerd is.
Page 94 of 211

92VerlichtingAlarmknipperlichten
Bediening met toets ¨.
De alarmknipperlichten worden auto‐
matisch ingeschakeld wanneer de
airbags bij een ongeval in werking tre‐ den.
Richtingaanwijzershendel omhoog=rechter richting‐
aanwijzerhendel omlaag=linker richtingaan‐
wijzer
Als de hendel voorbij het weerstands‐
punt wordt geduwd, blijft de richting‐
aanwijzer ingeschakeld. Bij het terug‐ draaien van het stuurwiel gaat derichtingaanwijzer automatisch uit.
Om driemaal te knipperen, bijv. om
van rijstrook te wisselen, de hendel
tot tegen het weerstandspunt duwen
en loslaten.
Schakel de richtingaanwijzer hand‐
matig uit door de hendel in de oor‐
spronkelijke stand te zetten.
Controlelamp richtingaanwijzer 3 74.
Mistachterlicht
Draai de mistachterlichtband op de
hendel naar r en laat deze los om het
mistachterlicht in of uit te schakelen.
De band keert terug naar de oor‐
spronkelijke stand.
Elke keer bij het starten van de auto
wordt het mistachterlicht automatisch
op uit gezet.