display OPEL ZAFIRA B 2014 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2014, Model line: ZAFIRA B, Model: OPEL ZAFIRA B 2014Pages: 225, PDF Size: 7.89 MB
Page 85 of 225

Instrumenten en bedieningsorganen83
Houdt u de hendel van u af geduwd,
dan spuit er sproeiervloeistof tegen
de achterruit.
Niet inschakelen wanneer de achter‐
ruit bevroren is.
Uitschakelen in wasstraten.
Als de voorruitwissers ingeschakeld
zijn, wordt de achterruitwisser bij het
inschakelen van de achteruitversnel‐ ling automatisch ingeschakeld.
Buitentemperatuur
Een dalende temperatuur wordt on‐
middellijk aangeduid, een stijgende
temperatuur met enige vertraging.
Zakt de buitentemperatuur tot 3 °C,
dan verschijnt als waarschuwing voor
ijzel het symbool : op het
Triple-Info-Display of op het
Board-Info-Display . Bij het stijgen van
de temperatuur dooft het symbool :
pas vanaf 5 °C.
Bij auto’s met Graphic-Info-Display of
Color-Info-Display verschijnt als waarschuwing voor ijzel een waar‐
schuwingsmelding op het display.
Onder –5 °C verschijnt er geen mel‐
ding.
9 Waarschuwing
Ook bij een aanduiding van enkele
graden boven 0 °C kan het weg‐
dek al beijzeld zijn.
Klok
Datum en tijd worden op het
Info-Display weergegeven.
Board-Info-Display 3 96,
Graphic-Info-Display,
Color-Info-Display 3 99.
Datum en tijd op
Triple-Info-Display instellen
Page 86 of 225

84Instrumenten en bedieningsorganen
Het infotainment-systeem moet uitge‐schakeld zijn. Voor het oproepen van
de instelmodus, toets Ö ca.
2 seconden indrukken. Met toets ;
wordt de knipperende waarde inge‐
steld. Toets Ö gebruiken om naar de
volgende instelling te gaan of de in‐
stelmodus te verlaten.
Automatische tijdsynchronisatie
Het RDS-signaal van de meeste FM-
zenders stelt de tijd automatisch in, te
herkennen aan } op het display.
Sommige zenders zenden geen cor‐
rect tijdsignaal uit. Het is dan zinvol de automatische tijdsynchronisatie uit te
schakelen.
Instelmodus oproepen en naar het in‐
stellen van de jaren gaan. Toets Ö ca.
3 seconden ingedrukt houden tot } op
het display knippert en de aanduiding
“RDS TIME” verschijnt. Met toets ;
de functie inschakelen (RDS TIME 1)
of uitschakelen (RDS TIME 0). Instel‐
modus verlaten met toets Ö.Stekkerdozen
De 12V-aansluitingen voor accessoi‐
res zitten in de middenconsole en in
de bagageruimte.12V-aansluitingen niet beschadigen
door het gebruik van ongeschikte stekkers. Bij aansluiting van elektri‐sche accessoires terwijl de motor stil‐ staat, raakt de accu ontladen. Het
maximaal opgenomen vermogen
mag niet meer bedragen dan
120 watt. Geen accessoires aanslui‐
ten die stroom leveren, zoals laadtoe‐
stellen of accu’s.
Aangesloten elektrische accessoires
moeten wat betreft de elektromagne‐
tische compatibiliteit voldoen aan de
DIN-norm VDE 40 839.
Aansteker
Page 90 of 225

88Instrumenten en bedieningsorganen
Als daarna de aardgastanks niet bij‐
gevuld worden, moet bij de volgende
start handmatig worden overgescha‐
keld op benzine als brandstof. Dit is
nodig om schade aan de katalysator
(oververhitting door onregelmatige
brandstoftoevoer) te voorkomen.
Als de keuzeschakelaar binnen korte
tijd meerdere keren wordt bediend,
treedt een overschakelblokkering in
werking. De motor blijft rijden op de
eerder geselecteerde brandstof. De
blokkering is actief totdat de ontste‐
king wordt uitgeschakeld.
Bij rijden op benzine rekeningen hou‐ den met een gering verlies van ver‐
mogen en draaimoment. Daarom rij‐
stijl (bijv. bij inhaalmanoeuvres) en
belasting van de auto (bijv. door een
aanhanger) overeenkomstig aanpas‐
sen.
De benzinetank om de zes maanden
leegrijden totdat controlelamp Y op‐
licht en opnieuw voltanken. Dit is no‐ dig om de voor het rijden op benzine
vereiste systeemfunctie en brandstof‐
kwaliteit te handhaven.De auto regelmatig voltanken om cor‐ rosie in de tank tegen te gaan.
Servicedisplay
Als het tijd is voor een servicebeurt,
verschijnt de melding InSP. Verdere
informatie 3 199.
Controlelampen De beschreven controlelampen zijn
niet in alle auto's aanwezig. Deze be‐
schrijving geldt voor alle instrument‐
uitvoeringen. Bij het inschakelen van
de ontsteking lichten de meeste con‐
trolelampen korte tijd op bij wijze van
functietest.
Betekenis kleuren controlelampen:Rood=gevaar, belangrijke herin‐
nering,Geel=waarschuwing, aanwij‐
zing, storing,Groen=inschakelbevestiging,Blauw=inschakelbevestiging.
Page 93 of 225

Instrumenten en bedieningsorganen91
Brandt bij een draaiende motorStoring in het uitlaatgasreinigingssys‐ teem. De toegestane emissiewaar‐
den worden mogelijk overschreden.
Onmiddellijk de hulp van een werk‐
plaats inroepen.
Knippert bij een draaiende
motor
Storing die schade aan de katalysator kan veroorzaken. Gas terugnemen
totdat de lamp niet meer knippert. On‐ middellijk de hulp van een werkplaats
inroepen.
Service-indicatie A brandt of knippert geel.
Brandt bij een draaiende motor
Storing in motor- of versnellingsbake‐
lektronica 3 136, 3 141. Elektronica
schakelt over op een noodlooppro‐
gramma. Het brandstofverbruik
neemt mogelijk toe en het rijgedrag
van de auto kan verslechteren.
Kan de storing niet worden verholpen door opnieuw te starten, dan de hulp
van een werkplaats inroepen.Brandt in combinatie met
InSP4 op servicedisplay
Water in het dieselbrandstoffilter door een werkplaats laten aftappen
3 104.
Knippert bij ingeschakeld
contact Storing in de startbeveiliging. De mo‐
tor kan niet worden gestart 3 38.
Contact uitschakelen en opnieuw pro‐ beren te starten.
Als de controlelamp blijft knipperen,
kunt u proberen om de motor met de
reservesleutel te starten en daarna
de hulp van een werkplaats inroepen.
Rem- en
koppelingssysteem R brandt of knippert rood.
Brandt
Licht op als de handrem wordt gelost
en het rem- en koppelingsvloeistof‐
peil te laag is 3 163.9 Waarschuwing
Stoppen. De auto meteen stilzet‐
ten. De hulp van een werkplaats
inroepen.
Brandt nadat de ontsteking is inge‐
schakeld en de handrem is aange‐
trokken 3 143.
Knippert Bij auto's met een geautomatiseerde
versnellingsbak knippert deze enkele
seconden na het uitschakelen van de
ontsteking wanneer de handrem niet
is aangetrokken.
Bij auto's met een geautomatiseerde
versnellingsbak knippert deze wan‐
neer bij het openen van het bestuur‐
dersportier geen versnelling is inge‐
schakeld en de handrem niet is aan‐
getrokken.
Antiblokkeersysteem
(ABS) u brandt rood.
Page 98 of 225

96Instrumenten en bedieningsorganen
Brandt bij geopende portieren of een
geopende achterklep.Informatiedisplays
Triple-Info-Display
Weergave van tijd, buitentempera‐
tuur en datum of infotain‐
mentsysteem als dat is ingeschakeld.
Tijd, datum en buitentemperatuur kunnen bij uitgeschakeld contact door
een korte druk op een van beide
knoppen onder het display worden
opgeroepen.
Board-Info-Display
Weergave van tijd, buitentempera‐
tuur en datum of informatie van het
infotainment-systeem.
Functies selecteren
Via het Board-Info-Display zijn func‐
ties en instellingen van het infotain‐
ment-systeem toegankelijk.
Dit gebeurt aan de hand van de me‐
nu's en toetsen van het infotainment-
systeem.
Ongebruikte menu’s worden na ca.
5 seconden automatisch verlaten.
Page 101 of 225

Instrumenten en bedieningsorganen99
Maateenheden instellen
Gewenste maateenheden met de pijl‐
tjestoetsen selecteren.
Graphic-Info-Display,
Color-Info-Display
Weergave van tijd, buitentempera‐
tuur en datum of informatie van het
infotainment-systeem (als dit inge‐
schakeld is) en van de elektronische
klimaatregeling (ECC).
Het Color-Info-Display geeft de infor‐
matie in kleur weer.
De getoonde informatie en de weer‐
gave ervan hangen af van de uitvoe‐
ring van de auto en de geselecteerde
instellingen.
Functies selecteren
De functies en instellingen van het in‐ fotainment-systeem en van de elek‐
tronische klimaatregeling (ECC) zijn
via het display toegankelijk.
Selecteren gebeurt aan de hand van
de menu's en toetsen, met de meer‐
functieknop van het infotainment-sys‐
teem of met het linker stelwiel op het
stuurwiel.
Selecteren met de toetsen van het
infotainment-systeem
Page 102 of 225

100Instrumenten en bedieningsorganen
Selecteer menuopties via de menu's
en met de toetsen van het infotain‐
ment-systeem. Met de OK-toets de
gemarkeerde optie selecteren of een
commando bevestigen.
Voor het verlaten van een menu op de linker of rechter pijltjestoets drukken
om naar Terug of Main te gaan.
Selecteren met de meerfunctieknop
Om menuopties of commando's te
markeren en functiegebieden te se‐
lecteren, aan de meerfunctieknop
draaien.
Om de gemarkeerde menuoptie te
selecteren of om commando's te be‐
vestigen, de meerfunctieknop indruk‐
ken.
Om een menu te verlaten, de meer‐
functieknop naar Terug of Main
draaien en selecteren.
Selecteren met het linker stelwiel op
het stuurwiel
Eraan draaien om een menuoptie te
selecteren.
Om de gemarkeerde menuoptie te
selecteren of om commando's te be‐
vestigen, het stelwiel indrukken.
Functiegebieden
Voor ieder functiegebied bestaat er
een hoofdpagina (Main) die boven‐ aan op het display kan worden gese‐
lecteerd (niet bij het infotainmentsys‐
teem CD 30 of een portaal voor mo‐
biele telefoon):
■ audio,
■ navigatie,
■ telefoon,
■ boordcomputer.
Page 104 of 225

102Instrumenten en bedieningsorganen
De gewenste taal selecteren.
De keuze wordt aangeduid door een
6 voor de menuoptie.
Bij systemen met gesproken aanwij‐
zingen verschijnt na de wijziging van
de taalinstelling op het display de vraag of de meldingstaal ook moet
worden gewijzigd, zie handleiding bij
het infotainment-systeem.
Maateenheden instellen
Selecteer de menuoptie Units in het
menu Instellingen .
De gewenste eenheid selecteren.
De keuze wordt aangeduid door een
o voor de menuoptie.
Contrast instellen
(Graphic-Info-Display)
Selecteer de menuoptie Contrast in
het menu Instellingen .
De gewenste instelling bevestigen.
Displaymodus instellen
De lichtsterkte van het display hangt
af van de autoverlichting. Bovendien
kunnen als volgt aanvullende instel‐
lingen worden verricht:
Selecteer de menuoptie Dag / Nacht
in het menu Instellingen.
Automatisch aanpassing van de kleu‐
ren afhankelijk van de autoverlichting.
Page 105 of 225

Instrumenten en bedieningsorganen103
Altijd dag design zwarte of gekleurde
tekst tegen een lichte achtergrond.
Altijd nacht design witte of gekleurde
tekst tegen een donkere achtergrond.
De keuze wordt aangeduid door een
o voor de menuoptie.
Ontstekingslogica
Zie de handleiding bij het infotain‐
ment-systeem.Boordinformatie
Voertuigmeldingen
Meldingen worden via het display op
het instrumentenpaneel of als waar‐
schuwings- en geluidssignalen gege‐ ven. De Check-Control geeft de mel‐
dingen via het Info-Display. Sommige
daarvan in verkorte vorm. Waarschu‐
wingsmeldingen bevestigen met de
multifunctieknop 3 96, 3 99.
Waarschuwingssignalen
Bij het starten van de motor of tijdens het rijden ■ Als de elektronische sleutel niet aanwezig is of niet herkend wordt.
■ Wanneer de veiligheidsgordel niet wordt gedragen.
■ Wanneer bij het wegrijden een van de portieren of de achterklep niet
goed gesloten is.
■ Bij aangetrokken handrem vanaf een bepaalde snelheid.■ Bij het overschrijden van een af fa‐briek geprogrammeerde snelheid.
■ Bij auto's met een geautomati‐ seerde versnellingsbak als het be‐stuurdersportier bij draaiende mo‐
tor wordt geopend, terwijl er een
versnelling is ingeschakeld zonder
dat het rempedaal wordt bediend.
Bij het parkeren van de auto en
het openen van het
bestuurdersportier ■ Als de contactsleutel nog in het contactslot steekt.
■ Bij ingeschakelde buitenverlichting.
■ Bij Open&Start-systeem en auto‐ matische versnellingsbak, als dekeuzehendel niet in stand P staat.
■ Bij een geautomatiseerde versnel‐ lingsbak wanneer bij een uitge‐
schakelde motor de handrem niet is aangetrokken en geen versnelling
is ingeschakeld.
Page 106 of 225

104Instrumenten en bedieningsorganenBatterijspanningBatterijspanning van afstandsbedie‐
ning of elektronische sleutel te laag.
Bij auto's zonder Check-Control ver‐
schijnt de melding InSP3 op het dis‐
play op het instrumentenpaneel. Bat‐
terij vervangen 3 27, 3 28.
Remlichtschakelaar
Remlicht brandt niet bij het remmen.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
KoelvloeistofpeilVloeistofpeil van motorkoelsysteem
te laag. Koelvloeistofpeil meteen con‐
troleren 3 161.
Water in dieselbrandstoffil‐ ter aftappen Als er water in het dieselbrandstoffil‐
ter zit, verschijnt de melding InSP4 op
het instrumentenpaneel. De hulp van
een werkplaats inroepen.
Verlichting De belangrijkste buitenverlichtings‐
functies worden bewaakt, inclusief
kabels en zekeringen. Bij het rijden met een aanhanger wordt ook de ver‐ lichting van de aanhanger bewaakt.
Aanhangers met led-verlichting moe‐
ten een voorziening hebben die be‐
waking van de verlichting net als bij
traditionele gloeilampen mogelijk
maakt.
Op het Info-Display wordt aangege‐
ven dat de verlichting defect is of de
melding InSP2 verschijnt op het dis‐
play van het instrumentenpaneel.
Diefstalalarmsysteem Systeemfout in het diefstalalarmsys‐
teem. Oorzaak van de storing onmid‐
dellijk door een werkplaats laten ver‐
helpen.