dashboard Peugeot Boxer 2013 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2013, Model line: Boxer, Model: Peugeot Boxer 2013Pages: 184, PDF Size: 5.78 MB
Page 76 of 184

74
Praktische voorzieningen
Plafonnier
De dubbele plafonnier in het midden van het
dak kan worden ingeschakeld:
- met de schakelaars op de plafonnier, bijaangezet contact (stand MAR),
-
door het openen of sluiten van de
voorportieren,
- door het ver
grendelen/ontgrendelen van de auto.
De plafonnier
gaat automatisch uit:
- als zowel de rechter als de linker schakelaar niet is ingedrukt,
- in alle
gevallen na 15 minuten, als
de portieren open blijven ofzodra hetcontact is aangezet.
Kaartleeslampjes
De kaartleeslampjes kunnen met een schakelaar worden in- en uitgeschakeld.
Met de schakelaar aan bestuurderszijde
kunnen beide kaartleeslampjes gelijktijdig
worden bediend.
Met de schakelaar aan passagierszijde
kunnen de kaartleeslamp
jes aan
bestuurders- en passagierszijde afzonderlijk
worden in- en uitgeschakeld.
Opbergvakken in de portieren
De bestuurder kan met behulp
van de bedienin
g links aan de
onderzijde van het dashboard
het lampje aan passagierszijde
in-
/uitschakelen.
Page 88 of 184

86
Luchtvering
LUCHTVERING
Als uw auto is voorzien van luchtvering,
kunt u de hoogte van de wagenhoogte
achter wijzigen om het in- en uitladen te
vergemakkelijken.
Het bedieningspaneel bevindt zich op het
dashboard.
Naast de standaard wagenhoogte beschikt u
over 6 standen, omhoog (van +1 tot +3) en
omlaag (van -1 tot -3). De ingestelde stand
wordt aangegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
Handmatig wijzigen van de
wagenhoogte achter
Wagenhoogte achter
omhoog
een hogere stand te selecteren.Elke keer dat op de schakelaar
wordt gedrukt (lampje brandt),
wordt de wagenhoogte achter één stand verhoogd: +1 tot +3.
Door lang op de schakelaar te drukken
wordt de hoogste stand geselecteerd (+3).
Wagenhoogte achter
omlaag
Druk snel o
p de schakelaar om
een lagere stand te selecteren.
Elke keer dat op de schakelaar
wordt
gedrukt (lampje brandt),
wordt de wa
genhoogte achter één stand
verlaa
gd: -1 tot -3.
Door lan
g op de schakelaar te drukken
wordt de laa
gste stand geselecteerd (-3).
Page 119 of 184

11
7
5
VEILIGHEI
D
Bij een storing in het ESP
zal dit verklikkerlampje gaan
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op
het display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om het
systeem na te laten kijken.
Gebruiksvoorschrift
Het ASR-/ESP-systeem zorgt voor meer
veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder
mag zich echter nooit laten verleiden tot
het nemen van meer risico's en het te hard
rijden.
De goede werking van het systeem wordt
verzekerd onder voorwaarde dat de
voorschriften van de constructeur op het
gebied van wielen (banden en velgen),
onderdelen van het remsysteem en
elektronische onderdelen worden nageleefd
en dat de procedures voor montage en het
uitvoeren van werkzaamheden door het
PEUGEOT-netwerk worden opgevolgd.
Laat deze systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk.
Intelligent Traction Control
Systeem dat zorgt voor extra tractie in
situaties met weinig grip (sneeuw, ijzel,
modder...).
Deze functie si
gnaleert situaties met weinig
grip en zorgt ervoor dat u onder deze
omstandi
gheden kunt wegrijden en kunt
bli
jven rijden.
In der
gelijke omstandigheden, neemt de
Intelligent Traction Controlde ASR-functie
over door de aandrijfkracht over te brengen
op het wiel met de meeste
grip, waardoor de
tract
ie en de bestuurbaarheid optimaal zijn.
Inschakelen
Bi
j het starten van de auto is de functie
uitgeschakeld.
Druk op de toets op het dashboard om de
functie in te schakelen; het lamp
je van de
toets
gaat branden.
De
functie blijft actief tot ongeveer 30 km/h.
Zodra u sneller ri
jdt dan 30 km/h, wordt de
functie automatisch uitgeschakeld, maar
bli
jft het lampje branden.
D
e functie wordt automatisch weer
ingeschakeld zodra u weer langzamer dan
30 km
/h rijdt.
Veiligheid tijdens het rijden
Page 120 of 184

11
8
Uitschakelen
Druk op de toets op het dashboard om de
functie uit te schakelen. Het lamp
je gaat uit
en de ASR is weer actief.
Storing
Dit lamp
je blijft branden op het
instrumentenpaneel in het
geval
van een storin
g aan de functie.
VASTE SNELHEIDSBEGRENZER
De vaste snelheidsbegrenzer (volgens
uitvoering) begrenst de maximumsnelheid
van de auto op 90 of 100 km/h. Deze
maximumsnelheid kan niet worden
gewijzigd.
Deze maximumsnelheid staat aangegeven
op een sticker in het interieur.
Deze vaste snelheidsbegrenzer werkt
niet volgens het principe van een
snelheidsregelaar. De functie kan niet tijdens
het rijden worden in- en uitgeschakeld.
Veiligheid tijdens het rijden
Page 124 of 184

122
Airbags
AIRBAGS
De airbags zijn speciaal ontworpen
voor een betere veiligheid van de
inzittenden bij een ernstige aanrijding: ze vormen een aanvulling op de
werking van de veiligheidsgordels met gordelkrachtbegrenzers.
De elektronische schoksensoren re
gistreren een plotselinge vertraging van de auto:
-bij een zware aanrijding worden de
airbags onmiddellijk opgeblazen om de inzittenden van de auto optimaal te be-schermen. Direct na de aanrijding lopende airbags snel leeg om het zicht niet
te beperken en ervoor te zorgen dat de inzittenden de auto ongehinderd kunnen
verlaten,
-bij een lichte aanrijding, bij een aan-rijding van achteren en in bepaalde gevallen als de auto over de kop slaat,worden de airba
gs niet opgeblazen; in
deze gevallen biedt de veiligheidsgordel
voldoende bescherming.
De airbags werken alleen als het contact
aan is.
Airbags voor
Deze zijn voor de bestuurder in het midden
van
het stuurwiel en voor de passagier in
het dashboard aan
gebracht. Ze worden
te
gelijkertijd geactiveerd, behalve als de
a
irbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.
Het afgaan van de airbag(s)gaat gepaard met een lichte
rookontwikkeling en een knal; dit
wordt veroorzaakt door de activering van de pyrotechnische lading van het systeem.
Het bij het a
fgaan van de airbags
ontsnappende gas is onschadelijk, maar
kan irriterend zijn voor mensen die hiervoor
gevoelig zijn.
De knal die bi
j het afgaan wordtgeproduceerd, kan het gehoor gedurendeeen korte periode enigszins verminderen.
Storing airbag voor
Als dit verklikkerlampje gaat
branden, laat het s
ysteem dan
controleren door het PEUGEOT-
netwerk.
Page 126 of 184

124
Airbags
Gebruiksvoorschrift
Houd u aan de volgende
veiligheidsvoorschriften voor een
maximale effectiviteit van de airbags
(volgens uitvoering):
Draag altijd een correct afgestelde
veiligheidsgordel.
Maak er een gewoonte van om normaal
rechtop in de voorstoelen te zitten.
Zorg dat er zich niets bevindt tussen
de airbag en de inzittenden (kinderen,
huisdieren, objecten...).
Dit kan de goede werking van de airbag
belemmeren en/of de inzittende bij het
opblazen van de airbag verwonden.
Het is beslist niet toegestaan om
werkzaamheden uit te voeren aan
airbagsystemen, alleen het
PEUGEOT-netwerk heeft hiervoor
gekwalificeerd personeel.
Laat na een aanrijding of diefstal van uw
auto de airbagsystemen controleren.
Airbags voor
Houd het stuurwiel niet aan de spaken
vast en laat uw handen niet op het
stuurwielkussen rusten.
Laat aan passagierszijde uw voeten niet op
het dashboard rusten.
Tracht roken in de auto zoveel mogelijk te
vermijden. Als de airbag wordt opgeblazen,
kunnen brandende sigaretten of een pijp
brandwonden of ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen
gaten in de stuurwielbekleding en sla er
niet op.
Zij-airbags
Bedek de stoelen alleen met goedgekeurde
stoelhoezen. Raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk.
Bevestig nooit iets aan de rugleuning van
de stoelen, dit zou bij het afgaan van de
airbags kunnen leiden tot verwondingen aan
armen of middel.
Ga niet onnodig dicht tegen het
portierpaneel zitten.
Window-airbags
Bevestig nooit iets op de stijlen of op de
hemelbekleding, dit zou bij het afgaan
van de window-airbags kunnen leiden tot
hoofdletsel.
Schroef nooit de handgrepen van het dak
los; deze maken deel uit van de bevestiging
van de window-airbags.
Page 139 of 184

137
7
ONDERHOU
D
Binnenzijde
Deze handeling mag alleen worden
uitgevoerd als de auto stilstaat en het
bestuurdersportier geopend is.
Trek aan de hendel aan de zijkant van het
dashboard.
Buitenzijde
Duw de veiligheidshaak aan de bovenzijde
van de grille naar rechts en til de motorkap op.
Sluiten
Laat de motorkap voorzichtig zakken en laat
deze aan het einde van de slag in het slot
vallen.
MOTORKAP OPENEN
Motorkapsteun
Maak de motorkapsteun los en steek deze
in de eerste en vervolgens de tweede
uitsparing van de motorkap.
Plaats de motorkapsteun in de houder
alvorens de motorkap te sluiten. Als de motorkap niet goed
is vergrendeld, gaat op
het instrumentenpaneel dit
verklikkerlampje branden.
Zet het contact altijd met de sleutel
af als u handelin
gen onder de
motor
kap wilt uitvoeren om letsel door het
automatisch activeren van de START-stand
t
e voorkomen.
Motorkap openen
Page 146 of 184

144
Brandstof
Te laag brandstofniveau
Als het brandstofniveau E
(Empty) is bereikt, gaat dit
verklikkerlampje branden.
U kunt afhankelijk van de
rijomstandigheden, de
motoruitvoering en het profiel van de weg
nog ongeveer 50 km met de resterende
hoeveelheid brandstof rijden. Tank bij de
eerstvolgende gelegenheid om een lege
brandstoftank te voorkomen. Het tanken dient met afgezette motor te
geschieden.
- Open de brandstofvulklep.
- Houd de tankdop met één hand vast.
- Steek met de andere hand de sleutel in
het slot en draai deze naar links.
- Trek de tankdop uit de vulopening en
bevestig deze aan de haak aan de
binnenzijde van de vulklep.
Op een label aan de binnenzijde van de
brandstofvulklep staat de voorgeschreven
soort brandstof aangegeven.
Laat het vulpistool bij het aftanken van de
auto nooit meer dan 3 keer automatisch
uitspringen. Indien dit wel gebeurt kunnen er
storingen optreden.
De inhoud van de brandstoftank bedraagt
ca. 90 liter.
- Vergrendel na het tanken de vuldop en
sluit de vulklep.
ONDERBREKING
BRANDSTOFTOEVOER
Bij een zware aanrijding worden de
brandstoftoevoer en de elektrische voeding
van de auto automatisch onderbroken.
BRANDSTOF TANKEN
Er zijn ook brandstoftanks leverbaar
met een inhoud van 60 en 125 liter. Controleer buiten de auto of u
geen brandstof ruikt en of er geen
brandstoflekkage is.
Herstel de brandstoftoevoer als volgt:
- druk eerst op de knop onder het
dashboardkastje.
-
druk vervolgens op de knop in het
accucompartiment onder de vloer bij de
bestuurderszitplaats.
Bij lage temperaturen
In bergachtige en/of koude gebieden wordt
aanbevolen zogenaamde "winter" brandstof
te tanken die speciaal geschikt is voor (zeer)
lage temperaturen.
Tank nooit als de motor door het Stop &
Start-systeem is afgezet; zet in dat geval
altijd het contact af met de sleutel.
Page 153 of 184

151
SNEL WEER OP WE
G
8
Wiel verwisselen
BANDENREPARATIESET
Werkwijze
- Trek de handrem aan. Haal het dopje
van het ventiel van de te repareren
band, monteer de flexibele vulslang B
en schroef de ring E vast op het ventiel
van de band,
- start de motor,
- sluit stekker G aan op de dichtstbijzijnde
12V-aansluiting in de auto,
- schakel de compressor in door de
schakelaar F in de stand I (aan) te
zetten,
- breng de band op een spanning van
4 bar.
Voor een betrouwbaardere metin
g van de
druk wordt aangeraden om de druk met de
compressor uitgeschakeld af te lezen op de
m
anometer H.
- controleer of de schakelaar F van de
compressor in de stand 0 (uit) staat, Deze set voor tijdelijke bandenreparatie
bevindt zich voorin in het interieur.
Deze bevat:
- een patroon A , met daarin het
afdichtmiddel, voorzien van:
●
een vulslang B ,
●
een sticker C "max. 80 km/h", die de
bestuurder op een zichtbare plaats op
het dashboard moet plakken nadat de
band gerepareerd is,
- een beknopte gebruiksaanwijzing voor
de bandenreparatieset,
- een compressor D voorzien van een
manometer en aansluitingen,
- aansluitnippels om de verschillende
onderdelen op spanning te brengen.
Page 159 of 184

157
SNEL WEER OP WE
G
8
Zekering vervangen
De drie zekeringkasten bevinden zich in het
dashboard aan bestuurderszi
jde, in de stijl
aan passagierszijde en in de motorruimte.
De weer
gegeven zekeringen betreffen alleen
de zekeringen die door de gebruiker kunnen
worden vervan
gen. Raadpleeg voor alle
overi
ge werkzaamheden het PEUGEOT-
netwerk o
f een gekwalificeerde werkplaats.
Vervangen van een zekering
Voordat u een zekering vervangt, dient
u eerst de oorzaak van de storing op te
sporen en te (laten) verhelpen. De nummers
van de zekerin
gen zijn aangegeven op de
zekerin
gkast.
Vervang een defecte zekering altijd door
een zekering met dezelfde stroomsterkte.
ZEKERINGEN VERVANGEN
PEUGEOT is niet aansprakelijk voor
kosten die voortvloeien uit storin
gen
v
eroorzaakt door het monteren van extra
accessoires die niet door PEUGEOT
aanbevolen en geleverd worden, of
door voorzienin
gen die niet volgens de
voorschri
ften van het merk zijn gemonteerd.
Dit
geldt met name voor apparatuur met
een totaal stroomverbruik van meer dan
10 milliampère.
Goed Defect
Voor professionele autobedrijven:
raadpleeg voor een compleet overzicht
van
de zekeringen en de relais, de schema's
v
an de "Methodes" via het Netwerk.