ABS Peugeot Boxer 2020 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2020, Model line: Boxer, Model: Peugeot Boxer 2020Pages: 196, PDF Size: 5.19 MB
Page 11 of 196

9
Instrumentenpaneel
1Pneumatische ophangingPermanent.
Er is een storing in het systeem.
Zie (3).
ParkeerremPermanent.
De parkeerrem is aangetrokken of niet
goed vrijgezet.
Zet de parkeerrem vrij zodat het lampje uitgaat;
trap het rempedaal in.
RemmenPermanent.
Het remvloeistofniveau is te laag.
Voer (1) uit en vul het reservoir bij met door de
fabrikant aanbevolen remvloeistof.
Zie (2) als het probleem niet verdwijnt.
Permanent.
Een storing in het systeem van de
elektronische remdrukregelaar (EBD).
Zie (1) en dan (2).
Oranje waarschuwingslampjes
Service
Brandt tijdelijk.
Er zijn één of meer kleine storingen
gedetecteerd waarbij geen specifiek
waarschuwingslampje gaat branden.
Zie (2).
Brandt permanent, in combinatie met de
weergave van een melding.
Er zijn één of meerdere grote storingen
gedetecteerd waarbij geen specifiek
waarschuwingslampje gaat branden. Identificeer de oorzaak van de storing
met behulp van de melding op het
instrumentenpaneel en zie (3).
Antiblokkeersysteem (ABS)Brandt permanent.
EStoring in het antiblokkeersysteem.
De normale remwerking blijft behouden.
Rijd voorzichtig en met lage snelheid en voer
(3) uit.
Distance Alert / Active Safety BrakeBrandt permanent, in combinatie met de
weergave van een melding.
Het systeem is uitgeschakeld via het
configuratiemenu van de auto.
Distance Alert/Active Safety BrakeKnippert.
Het systeem grijpt in en remt de auto
kort af om de snelheid van de aanrijding met de
voorligger te beperken.
Brandt permanent, in combinatie met een
melding en een geluidssignaal.
Storing in het systeem.
Voer (3) uit.
Distance Alert / Active Safety BrakePermanent.
Er is een storing in het systeem.
Als deze waarschuwingslampjes gaan branden
nadat de motor is uitgeschakeld en opnieuw is
gestart, zie (3).
RemblokkenPermanent.
De remblokken voor zijn versleten. Zie (3) om de remblokken te vervangen.
ESP/ASRKnippert.
Het systeem is in werking.
Het systeem verbetert de tractie en zorgt ervoor
dat het voertuig beter bestuurbaar blijft.
Brandt permanent, in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het
display.
Storing in het DSC-/ASR-systeem of de Hill Start
Assist.
Zie (2).
Permanent.
Er is een storing in de Intelligent Traction
Control.
Zie (2).
Roetfilter (diesel)Permanent.
Het roetfilter wordt automatisch
geregenereerd.
Laat de motor draaien totdat het
waarschuwingslampje uit gaat, zodat de
regeneratie kan worden voltooid.
Zelfdiagnose motorPermanent.
Er is een storing in de motor of het
EOBD-emissieregelsysteem waargenomen.
EOBD (European On Board Diagnosis) is
een Europees diagnosesysteem dat de
emissieregeling bewaakt en ervoor zorgt dat het
voertuig voldoet aan de normen voor de uitstoot
van:
Page 58 of 196

56
Veiligheid
Vermijd gedurende deze periode situaties waarbij u hard, veelvuldig en aanhoudend
moet remmen.
Het antiblokkeersysteem garandeert
geen kortere remweg. Op een erg glad
wegdek (ijzel, olie enz.) kan de remweg door
de werking van het ABS juist langer zijn.
Zorg er bij vervanging van de wielen
(banden en velgen) voor dat wielen
worden gemonteerd die voor uw auto zijn
gehomologeerd.
Trap het rempedaal bij een noodstop
krachtig en volledig in en laat het niet
los, ook niet op een glad wegdek. Het ABS
zorgt er dan voor dat u om het obstakel
heen kunt sturen.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Dynamische
stabiliteitscontrole (DSC)
Inschakelen
Het CDS-systeem wordt automatisch
ingeschakeld zodra de motor wordt gestart.
Het systeem wordt geactiveerd zodra de wielen
te weinig grip hebben of de koers van de auto
Claxon
► Druk op het middelste gedeelte van het stuurwiel.
Elektronisch
stabiliteitsprogramma
(ESP)
Het elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
omvat de volgende systemen:
– antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische remdrukregelaar (EBD),– noodremassistentie (BAS),– antispinregeling (ASR),
– dynamische stabiliteitscontrole (DSC).
Begrippen
Antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische remdrukregelaar (EBD)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor
een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van
uw auto en dragen bij tot een betere controle in
bochten, vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen
in het geval van een noodstop.
De elektronische remdrukregelaar (EBFD)
verdeelt de remdruk over de wielen.
Noodremassistentie (BAS)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de
optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat de
remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt geactiveerd als het
rempedaal sneller wordt ingetrapt dan een
bepaalde grenswaarde. Het systeem zorgt er
dan voor dat de benodigde bedieningskracht
minder wordt en dat de effectiviteit van het
remmen wordt vergroot.
Antispinregeling (ASR)
De ASR (ook wel aangeduid met tractieregeling)
past de aandrijfkracht aan om het doorspinnen
van de wielen te beperken via de remmen van
de aangedreven wielen en de motor. De ASR
zorgt ook voor meer koersstabiliteit bij het
accelereren.
Dynamische stabiliteitscontrole (DSC)
De dynamische stabiliteitscontrole bewaakt de
vier wielen en grijpt, als de koers van de auto
afwijkt van de door de bestuurder gewenste
richting, automatisch in via de remmen van een
of meerdere wielen en het motorkoppel om de
auto voor zover mogelijk weer in de juiste koers
te brengen.
Antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische
remdrukregelaar (EBD)
Als dit waarschuwingslampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het display,
duidt dit op een storing in het
antiblokkeersysteem (ABS). Door deze storing
zou u tijdens het remmen de controle over uw
auto kunnen verliezen.
Als dit waarschuwingslampje gaat branden in combinatie met een
melding op het display, duidt dit op een storing in
het antiblokkeersysteem (ABS). Door deze
storing zou u tijdens het remmen de controle
over uw auto kunnen verliezen.
Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats.
Raadpleeg in beide gevallen het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Voor een optimale werking van het
remsysteem is het raadzaam een
inremperiode van 500 km aan te houden.
Page 59 of 196

57
Veiligheid
5Vermijd gedurende deze periode situaties
waarbij u hard, veelvuldig en aanhoudend
moet remmen.
Het antiblokkeersysteem garandeert
geen kortere remweg. Op een erg glad
wegdek (ijzel, olie enz.) kan de remweg door
de werking van het ABS juist langer zijn.
Zorg er bij vervanging van de wielen
(banden en velgen) voor dat wielen
worden gemonteerd die voor uw auto zijn
gehomologeerd.
Trap het rempedaal bij een noodstop
krachtig en volledig in en laat het niet
los, ook niet op een glad wegdek. Het ABS
zorgt er dan voor dat u om het obstakel
heen kunt sturen.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Dynamische
stabiliteitscontrole (DSC)
Inschakelen
Het CDS-systeem wordt automatisch
ingeschakeld zodra de motor wordt gestart.
Het systeem wordt geactiveerd zodra de wielen
te weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt van de door de bestuurder gewenste
richting.
In dat geval gaat dit lampje op het
instrumentenpaneel knipperen.
Uitschakelen
De bestuurder kan dit systeem niet uitschakelen.
Storing
Als dit verklikkerlampje brandt, in
combinatie met een geluidssignaal en
een melding ter bevestiging op het display van
het instrumentenpaneel, wijst dit op een storing
in het CDS-systeem.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Antislipregeling (ASR)
Uitschakelen/inschakelen
De ASR wordt automatisch ingeschakeld als de
motor wordt gestart.
In bijzondere omstandigheden (als het voertuig
bijvoorbeeld vastzit in de modder of sneeuw,
of in mulle grond) kan het nuttig zijn om het
ASR-systeem uit te schakelen, zodat de wielen
kunnen spinnen en weer grip kunnen krijgen.
Schakel het systeem weer in zodra er weer
voldoende grip is.
ASR
► Druk op deze toets om de functie in of uit te schakelen.
Het controlelampje in de toets gaat branden en
er wordt een melding op het scherm van het
instrumentenpaneel weergegeven om aan te
geven dat het ASR-systeem is uitgeschakeld.
Het ASR-systeem wordt automatisch
ingeschakeld zodra het contact wordt
uitgeschakeld
Storing
Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en
een melding ter bevestiging op het display van
het instrumentenpaneel, duidt dit op een storing
in het ASR-systeem.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
ASR/DSC
Deze systemen zorgen voor meer
veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder
Page 82 of 196

80
Rijden
Om te voorkomen dat de pedalen blijven hangen:► controleer of de mat goed op zijn plaats ligt,► leg nooit meerdere matten boven op elkaar.
Snelheidseenheden
Als u in een ander land bent, controleer
dan of de eenheid van snelheid die door het
instrumentenpaneel wordt gebruikt (mph
of km/h), overeenkomt met de in het land
geldende eenheid.
Zo niet, verander dan bij stilstaande
auto de door het instrumentenpaneel
gebruikte eenheid van snelheid zodat deze
overeenkomt met de ter plaatse geldende
eenheid.
Neem bij twijfel contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Snelheids-
limietherkennings- en
snelheidsadviessysteem
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Parkeerhulpsystemen
De bestuurder moet voorafgaand aan en
tijdens het manoeuvreren altijd en met name
met behulp van de spiegels de omgeving van
de auto in de gaten houden.
Radar
De werking van de radar en de
bijbehorende functies kan negatief worden
beïnvloed door de opeenhoping van vuil
(stof, modder, ijs enz.) of door bepaalde
weersomstandigheden (zware regenval,
sneeuw) wanneer de bumper beschadigd is.
Neem contact op met het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats alvorens
de voorbumper te spuiten of de lak ervan bij
te werken. Bepaalde laksoorten kunnen de
werking van de radar beïnvloeden.
Rijhulpcamera
Deze camera en bijbehorende functies
werken mogelijk minder goed of helemaal
niet als het gedeelte van de voorruit vóór
de camera vuil, beslagen, bevroren, bedekt
met sneeuw, beschadigd of bedekt met een
sticker is.
Bij vochtige en koude weersomstandigheden
moet u de voorruit regelmatig ontwasemen.
Slecht zicht (slecht verlichte weg, zware
regenval, dichte mist, sneeuw) en
verblinding (koplampen van tegenliggers,
laagstaande zon, reflecties op nat wegdek,
uitrijden van een tunnel, snelle overgangen
tussen schaduw en licht) kunnen ook de
detectieprestaties negatief beïnvloeden.
Wanneer de voorruit wordt vervangen, neem
contact op met een PEUGEOT-dealer of
gekwalificeerde werkplaats om de camera
opnieuw te laten kalibreren; de werking
van de bijbehorende systemen kan worden
onderbroken.
Overige camera’s
De op het touchscreen of het
instrumentenpaneel weergegeven beelden
van de camera('s) kunnen door het reliëf
worden vervormd.
Bij de aanwezigheid van schaduwzones, of bij
zonnig weer of onvoldoende omgevingslicht
kan het beeld donkerder en minder
contrastrijk zijn.
De obstakels kunnen verder weg lijken dan ze
in werkelijkheid zijn.
Sensoren
De werking van de sensoren en de
bijbehorende functies kan worden verstoord
door omgevingsgeluiden van bijvoorbeeld
luidruchtige voertuigen en machines (zoals
vrachtwagens of drilboren), door de ophoping
van sneeuw of dode bladeren op de weg of bij
beschadigde bumpers en spiegels.
Bij het inschakelen van de
achteruitversnelling geeft een geluidssignaal
(lange pieptoon) aan dat de sensoren
mogelijk vuil zijn.
Een aanrijding aan de voorzijde
of achterzijde van de auto kan de
sensorinstellingen verstoren, hetgeen niet
altijd door het systeem wordt vastgesteld: de
afstandsmetingen kunnen hierdoor incorrect
zijn.
De sensoren detecteren geen obstakels die
te laag (trottoirbanden, drempels) of te dun
(bomen, palen, draadhekken) zijn.
Bepaalde obstakels die aanvankelijk wel
worden gedetecteerd, worden mogelijk niet
meer gedetecteerd als ze zich in de dode
hoek van het detectiebereik van de sensoren
bevinden.
Bepaalde materialen (stoffen) kunnen
geluidsgolven absorberen: hierdoor worden
voetgangers mogelijk niet gedetecteerd.
Onderhoudscontroles
Reinig de bumpers, de spiegels en het
gezichtsveld van de camera's regelmatig.
Houd tijdens het wassen van de auto het
uiteinde van de hogedrukspuit op minimaal
30 cm van de radar, sensoren en camera's.
Matten
Het gebruik van matten die niet door
PEUGEOT zijn goedgekeurd, kan de
bediening van de snelheidsbegrenzer of de
snelheidsregelaar hinderen.
Page 90 of 196

88
Rijden
– De weg is recht (of maakt een flauwe bocht).– Het zichtveld is voldoende vrij van obstakels (er wordt voldoende afstand tot de voorligger
gehouden).
– Als de rijstrookmarkering wordt overschreden (bijvoorbeeld bij het uitvoegen), mag de
richtingaanwijzer voor de richting waarin de
rijstrook wordt verlaten (rechts of links) niet zijn
ingeschakeld.
– De rijrichting van de auto komt overeen met het verloop van de rijstrook.
Uitschakelen/inschakelen
► Druk op deze toets om de functie in of uit te schakelen.
Als de functie is uitgeschakeld, gaat het lampje
in de toets branden.
Als de functie weer wordt ingeschakeld,
blijven de twee controlelampjes op het
instrumentenpaneel branden totdat de rijsnelheid
60 km/u is.
De status van de functie blijft opgeslagen in het
geheugen nadat het contact is afgezet.
Detectie
Als er een afwijking naar links of rechts ten opzichte van de rijrichting wordt
gedetecteerd, gaat het controlelampje aan de
betreffende kant op het instrumentenpaneel
knipperen en hoort u een geluidssignaal.
Als de richtingaanwijzer is ingeschakeld,
en ongeveer 20 seconden nadat deze is
uitgeschakeld, wordt er geen waarschuwing
gegeven.
Het is mogelijk dat er een waarschuwing wordt
gegeven bij het overschrijden van een pijl op de
weg of een niet-officiële markering (graffiti).
Er kunnen storingen in de detectie
optreden:
– als de rijstrookmarkeringen zijn weggesleten;– als er weinig contrast is tussen het wegdek en de markeringen.
Dit systeem wordt automatisch
uitgeschakeld als de functie Stop & Start
actief is. Het systeem start opnieuw en
herkent de omstandigheden weer nadat het
voertuig is gestart.
Er kunnen storingen in de werking van
het systeem optreden:
– Als het voertuig een zeer zware lading vervoert (vooral als deze niet goed in
evenwicht is);
– Bij slecht zicht (door bijvoorbeeld regen, mist of sneeuw);– Bij weinig of juist heel veel licht (bijvoorbeeld bij verblindend zonlicht of in het
donker);
– Als de voorruit vlak bij de camera vuil of beschadigd is; – Als de ABS, DSC, ASR of Intelligent Traction Control niet werken.
Storing
Bij een storing gaat dit controlelampje,
gaan de waarschuwingslampjes branden
in combinatie met een geluidssignaal en een
melding ter bevestiging op het display.
Laat het systeem controleren door een
PEUGEOT-dealer of gekwalificeerde werkplaats.
Page 102 of 196

100
Praktische informatie
4.Afneembare kogel
5. Draaiknop voor vergrendeling/ontgrendeling
6. Slot met verwijderbaar kapje
7. Label voor sleutelnummer
Zie het betreffende hoofdstuk voor meer
informatie over de technische
gegevens van het voertuig, met name voor
gewichten en maximaal sleepbare massa's.
A. Vergrendelde stand; de draaiknop maakt
contact met de kogel (geen speling).
B. Ontgrendelde stand; de draaiknop maakt
geen contact met de kogel (speling van
ongeveer 5 mm).
Houd u aan de ter plaatse geldende
regelgeving.
Vóór het gebruik
Controleer of de trekhaakkogel goed is
vergrendeld. Doe dit door de volgende
punten te controleren:
– het groene merkteken van de draaiknop valt samen met het groene merkteken van de
kogel;
– de draaiknop maakt contact met de kogel;– het slot is vergrendeld en de sleutel is verwijderd; de draaiknop kan niet meer
worden bediend;
– de kogel mag absoluut niet in de bevestigingssteun kunnen bewegen: duw en
trek eraan om dit te controleren.
Tijdens het gebruik
Ontgrendel nooit het systeem terwijl een
aanhanger is aangekoppeld of een
bagageplateau op de trekhaakkogel is
gemonteerd.
Overschrijd nooit het maximaal toelaatbare
gewicht van de auto en van de aanhanger en
het maximaal toelaatbare treingewicht.
Na het gebruik
Als gereden wordt zonder aanhanger of
bagageplateau, moet de trekhaakkogel
zijn verwijderd en moet de afdekplaat zijn
aangebracht. Dit is met name van belang als de kogel het zicht op de kentekenplaat of de
verlichting van de auto belemmert.
De kogel monteren
► Verwijder de beschermdop onder de achterbumper uit de bevestigingssteun.► Steek het uiteinde van de trekhaakkogel 4
in de bevestigingssteun 1 en beweeg het naar
boven; de kogel wordt automatisch vergrendeld.
De draaiknop ( 5) maakt een kwart slag linksom;
houd uw handen uit de buurt van de knop.
► Controleer of het mechanisme goed is vergrendeld (stand A).► Vergrendel het slot (6) met de sleutel.► Verwijder altijd de sleutel. De sleutel kan niet worden verwijderd als het slot is ontgrendeld.► Klem het kapje op het slot.
► Verwijder de beschermkap van de trekhaakkogel.► Maak de aanhanger vast aan de trekhaakkogel.► Maak de kabel van de aanhanger vast aan het veiligheidsoog ( 3) van de steun.► Sluit de stekker van de aanhanger aan op de trekhaakaansluiting ( 2) op de steun.
De kogel verwijderen
► Koppel de stekker van de aanhanger los van de trekhaakaansluiting ( 2) op de steun.► Maak de kabel van de aanhanger los van het veiligheidsoog ( 3) van de steun.
Page 127 of 196

125
In geval van pech
8Zekeringen dashboard links
► Verwijder de schroeven en kantel de behuizing om bij de zekeringen te komen.
ZekeringenA (ampère)Functie
12 7,5Dimlicht rechts
13 7,5Dimlicht links
32 7,5Verlichting interieur (+ accu)
34 7,5Verlichting interieur minibus - alarmknipperlichten
36 10Audiosysteem - Bediening airconditioning - Alarm - Tachograaf- Onderbreking accuvoeding computer -
Programmeereenheid extra verwarming (+ accu)
37 7,5Contact remlichten - Derde remlicht - Instrumentenpaneel (+ sleutel)
38 20Centrale vergrendeling portieren (+ accu)
42 5ABS-sensor en computer - ASR-sensor - DSC-sensor - Contact remlichten
43 20Motor ruitenwissers (+ sleutel)
47 20Motor elektrische ruitbediening bestuurderszijde
48 20Motor elektrische ruitbediening passagierszijde
Page 129 of 196

127
In geval van pech
8ZekeringenA (ampère)Functie
55 15Stoelverwarming
56 1512 V-aansluiting passagiers achterin
57 10Extra verwarming onder de stoel
58 15Achterruitverwarming links
59 15Achterruitverwarming rechts
63 10Bediening extra verwarming passagiers achterin
65 30Ventilator extra verwarming passagiers achterin
Zekeringkast in de
motorruimte
► Verwijder de moeren en kantel de behuizing om bij de zekeringen te komen.
Sluit het deksel na de werkzaamheden
zorgvuldig.
ZekeringenA (ampère)Functie
1 40Toevoer ABS-pomp
2 50Elektronische voorverwarmingeenheid dieselbrandstof
Page 130 of 196

128
In geval van pech
ZekeringenA (ampère)Functie
3 30Contactschakelaar - Startmotor
4 40Dieselverwarming
5 20/50Ventilatie interieur met programmeerbare aanvullende verwarming (+ accu)
6 40/60Koelventilator met maximaal toerental in interieur (+ accu)
7 40/50/60Koelventilator met minimaal toerental in interieur (+ accu)
8 40Koelventilator in interieur (+ sleutel)
9 1512 V-aansluiting achter (+ accu)
10 15Claxon
14 1512 V-aansluiting voor (+ accu)
15 15Sigaretaansteker (+ accu)
19 7,5Aircocompressor
20 30Pomp ruitensproeiers/koplampsproeiers
21 15Toevoer brandstofpomp
23 30ABS-solenoïden
24 7,5Extra bedieningspaneel - bediening en inklappen buitenspiegel (+ sleutel)
30 15Ontdooiing van de buitenspiegel
12V-accu
Procedure voor het gebruik van een hulpaccu
voor het starten van de motor met behulp van
startkabels of voor het laden van een lege accu.
12V-loodaccu
Accu's bevatten giftige stoffen zoals zwavelzuur en lood.
Ze moeten worden verwerkt conform de
regelgeving en mogen in geen geval met het
huishoudelijke afval worden weggegooid.
Lever lege batterijen en accu's in bij een
speciaal afvalstoffendepot.
Bescherm uw ogen en gezicht voordat u
handelingen aan de accu uitvoert.
Voer ingrepen aan de accu uitsluitend uit in
een goed geventileerde ruimte, ver van open
vuur of vonken veroorzakende bronnen, om elk risico van brand- of explosiegevaar uit te
sluiten.
Was uw handen als de werkzaamheden
beëindigd zijn.
Toegang tot de accu
De accu bevindt linksvoor onder de vloer.
► Draai de 6 bevestigingsschroeven voor de toegangsklep los.► Zet de toegangsklep omhoog en verwijder deze volledig.
Page 184 of 196

182
Audio- en telematicasysteem op het touchscreen
– "Search" > "Henk" > "Jansen" of "Search" > "Jansen" > "Henk".
Gesproken commando's
voor Autoradio AM/FM/DAB
Deze commando's kunnen vanaf elke
pagina van het hoofdscherm worden
gegeven door op de stuurwieltoets "Gesproken
commando's" te drukken, behalve als er een
telefoongesprek bezig is.
Stem af op > 105,5 > FM
Stem de radio af op de frequentie van 105,5 van
de FM-band.
Stem af op > 940 > AM
Stem de radio af op de frequentie van 940 van
de AM-band.
Stem af op* > Magic > FM
Stem de radio af op de zender Magic.
Stem af op een DAB-zender** > Absolute
Radio
Stem de DAB-radio af op de zender Absolute
Radio.
* U kunt "Magic" do or de naam van elke andere FM-zender vervangen die door de radio wordt ontvangen. Maar niet alle radiozenders leveren deze dienst.
** U kunt "Absolute radio" door de naam van elke andere DAB-zender vervangen die door de radio wordt ontvangen. Niet alle DAB-zenders leveren deze dienst.
Gesproken commando's
"Multimedia"
Deze commando's kunnen vanaf elke
pagina van het hoofdscherm worden
gegeven door op de stuurwieltoets "Gesproken
commando's" te drukken, behalve als er een
telefoongesprek bezig is.
Listen to track > "Track 1 " (Luister naar
nummer > "Nummer 1")
Speel Nummer 1 af.
Listen to album > "Album 1" (Luister naar
album > "Album 1")
Speel de nummers van "Album 1" af.
Listen to artist > "Artist 1" (Luister naar artiest
> "Artiest 1")
Speel de nummers van "Artiest 1" af.
Listen to music style > "Jazz" (Luister naar
muziekgenre > "Jazz")
Speel nummers van het muziekgenre "Jazz" af.
Listen to playlist > "Playlist 1" (Luister naar
afspeellijst > "Afspeellijst 1")
Speel nummers van de afspeellijst "Afspeellijst
1" af.
Listen to podcast > "Radio 1" (Luister naar
podcast > "Radio 1")
Speel de podcast "Podcast 1" af. Listen to audio book
> "Book 1" (Luister naar
audioboek > "Boek 1")
Luister naar audioboek "Boek 1"
Listen to track number > "5" (Luister naar
nummer > "5")
Speel nummer 5 af.
Select > "USB" (Selecteer > "USB")
Selecteer het USB-medium als actieve
audiobron.
Browse > "Album" (Blader naar > "Album")
Bekijk de lijst met beschikbare albums.
Gesproken commando's
"Navigatie"
Deze commando's kunnen vanaf elke
pagina van het hoofdscherm worden
gegeven door op de toets voor spraakherkenning
of de stuurwieltoets "Gesproken commando's" te
drukken, behalve als er een telefoongesprek
bezig is.
Naar huis
Toon de route naar huis.
2D-modus
Schakel over op de 2D-modus.
3D-modus
Schakel over op de 3D-modus.
Wis route
Wis de weergegeven route.Voeg een favoriet toe
Toon de schermpagina met favorieten.
Herhaal instructie
Herhaal het laatst gesproken bericht.
Gesproken commando's
"Tekstberichten"
Deze commando's kunnen vanaf elk hoofdscherm worden gegeven door op de
stuurwieltoets voor de telefoon te drukken,
behalve als er een telefoongesprek bezig is.
Stuur een tekstbericht naar > 0123456789
Start de procedure voor gesproken commando's
om een vooraf ingesteld teksbericht met het
systeem te versturen.
Stuur een tekstbericht naar > Henk Jansen >
Mobiele telefoon
Start de procedure voor gesproken commando's
om een vooraf ingesteld teksbericht met het
systeem te versturen.
Bekijk tekstbericht > Henk Jansen > Mobiele
telefoon
Bekijk de lijst met tekstberichten die door de
telefoon zijn gedownload.
Gesproken commando's
voor "Hands-free oproepen"
De volgende commando's zijn beschikbaar als een oproep bezig is.
De commando's kunnen tijdens een oproep
vanaf elke schermpagina worden gegeven