acceleratie remmen Peugeot Partner 2020 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2020, Model line: Partner, Model: Peugeot Partner 2020Pages: 260, PDF Size: 7.76 MB
Page 108 of 260

106
Rijden
Zet de selectiehendel nooit in de stand N
als de auto rijdt.
Zet de selectiehendel nooit in de stand P of R
als de auto niet volledig stilstaat.
Tijdelijk handmatig
schakelen
U kunt tijdelijk zelf schakelen met de flippers " +"
en "-” aan het stuurwiel. Als het motortoerental
het toestaat, wordt de gevraagde versnelling
ingeschakeld.
Dankzij deze functie kunt u anticiperen op
bepaalde situaties, zoals het inhalen van een
andere auto of het naderen van een bocht.
Als de flippers enige tijd niet meer gebruikt
worden, gaat de versnellingsbak weer over op
de automatische stand.
Kruipen (bewegen zonder
het gaspedaal te gebruiken)
Dankzij deze functie kan de auto bij een lage
snelheid gemakkelijker worden bestuurd
(inparkeren, file rijden enz.).
Als de motor stationair draait, de parkeerrem
is uitgeschakeld en de stand D, M of R is
geselecteerd, begint de auto langzaam naar
voren te bewegen zodra u het rempedaal
loslaat (zelfs zonder dat u het gaspedaal
bedient).
Informatie op het
instrumentenpaneel
Wanneer u de selectiehendel verplaatst of op
toets M drukt, worden de betreffende versnelling
en het controlelampje op het instrumentenpaneel
weergegeven.
Het symbool - wordt weergegeven bij een
ongeldige waarde.
► Als de melding " V oet op het
rempedaal" op het instrumentenpaneel
wordt weergegeven, moet u het rempedaal
stevig indrukken.
Starten en wegrijden
► Trap het rempedaal in en selecteer de
stand P.
►
Start de motor
.
Als niet aan de bovenstaande voorwaarden
wordt voldaan, klinkt een geluidssignaal en
verschijnt een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
►
Zet de parkeerrem vrij.
►
Selecteer de stand R
, N of D.
Wanneer de auto zwaar beladen is en u
deze op een steile helling parkeert, houd
dan het rempedaal ingetrapt, selecteer de
stand D, laat de parkeerrem los en laat
vervolgens het rempedaal los.
►
Laat het rempedaal geleidelijk los.
De auto begint onmiddellijk te rijden.
Als P wordt weergegeven op het instrumentenpaneel terwijl de
keuzeschakelaar in een andere stand staat,
dient u de keuzeschakelaar in de stand P te
zetten om te kunnen starten.
Als tijdens het rijden per ongeluk de stand N
wordt geselecteerd, laat het motortoerental
dan zakken tot stationair toerental, zet de
selectiehendel in de stand D en trap het
gaspedaal weer in.
Als de motor stationair draait, het rempedaal is losgelaten en de stand R,
D of M is geselecteerd, zet de auto zich zelfs
al in beweging als het gaspedaal niet is
ingetrapt.
Laat geen kinderen zonder toezicht achter in
de auto.
Verlaat om veiligheidsredenen de auto nooit,
zelfs niet voor een korte tijd, zonder de sleutel
of afstandsbediening mee te nemen.
Trek de parkeerrem aan en selecteer de
stand P indien er onderhoudswerkzaamheden
moeten worden uitgevoerd bij draaiende
motor.
Probeer een auto met een automatische
transmissie nooit aan te duwen of slepen
om de motor te starten.
Automatische werking
► Selecteer stand D om de transmissie
automatisch te laten schakelen.
De transmissie werkt dan in de auto-adaptieve
stand; u hoeft zelf niet te schakelen. De
transmissie kiest voortdurend de meest
geschikte versnelling, afhankelijk van de rijstijl,
het profiel van de weg en de belading van de
auto.
Voor een maximale acceleratie zonder de
stand van de selectiehendel te wijzigen,
dient u het gaspedaal volledig in te trappen
(kickdown). De transmissie schakelt automatisch
terug of handhaaft de ingeschakelde versnelling
totdat de motor het maximumtoerental bereikt.
Bij het remmen schakelt de transmissie
automatisch terug voor een betere
motorremwerking.
Om de veiligheid te verbeteren schakelt de
transmissie niet naar een hogere versnelling als
u het gaspedaal plotseling loslaat.
Page 126 of 260

124
Rijden
► Neem onmiddellijk de controle over
de auto over: het systeem kan niet correct
reageren op de huidige rijsituatie.
"Inschakelen geweigerd, omstandigheden
ongeschikt". Het systeem weigert om de
snelheidsregelaar in te schakelen omdat er niet
aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan.
Stop-functie
“Snelheidsregelaar gepauzeerd”
(gedurende enkele seconden).
Het systeem heeft de auto remmend tot stilstand
gebracht en houdt de auto op zijn plaats: de
snelheidsregelaar is gepauzeerd.
De bestuurder moet het gaspedaal intrappen om
weg te rijden en vervolgens de snelheidsregelaar
opnieuw activeren.
Werkingslimieten
De snelheidsregelaar werkt zowel overdag als 's
nachts, ook bij mist en matige regen.
Het systeem kan met bepaalde situaties niet
omgaan; de bestuurder moet dan de controle
over de auto weer overnemen.
Het systeem detecteert geen:
– Voetgangers, sommige fietsers, dieren.
– Stilstaande voertuigen (file, autopech enz.).
De snelheidsregelaar blijft actief na het
schakelen, ongeacht het type
versnellingsbak.
Wanneer de bestuurder de onderbroken
snelheidsregelaar probeert te activeren,
wordt de melding "Inschakelen geweigerd,
omstandigheden ongeschikt" kort
weergegeven zolang het niet mogelijk is om
de snelheidsregelaar weer te activeren (niet
voldaan aan de veiligheidsvoorwaarden).
De geprogrammeerde snelheid
aanpassen met de functie
snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem
► Druk op 5 om de door de functie voorgestelde
snelheid op het instrumentenpaneel te
accepteren en druk vervolgens nog een keer op
de toets om te bevestigen.
Voorkom plotseling accelereren of
decelereren van de auto door een
snelheid te selecteren die dicht bij de huidige
snelheid van uw auto ligt.
De afstand tot de voorligger wijzigen
► Druk op 6 om de drempelwaarden van de
afstandsinstelling ("Veraf", "Normaal", "Dichtb.")
weer te geven en druk nog een keer op de toets
om een drempelwaarde te selecteren. Na enkele seconden wordt de optie
geaccepteerd en in het geheugen opgeslagen bij
het uitschakelen van het contact.
Tijdelijk overschrijden van de ingestelde
snelheid
► Druk het rempedaal helemaal in. De
afstandsbewaking en snelheidsregelaar worden
uitgeschakeld zolang er wordt geaccelereerd.
“Snelheidsregelaar onderbroken” wordt
weergegeven.
Het systeem uitschakelen
► Draai knop 1 omhoog naar de stand OFF.
Weergave op het
instrumentenpaneel
7.Voertuig waargenomen door het systeem
(symbool vol)
8. Snelheidsregelaar actief (kleur niet grijs)
9. Ingestelde snelheid
10. Snelheid voorgesteld door
snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem
11 .Auto stilgehouden (uitvoeringen met een
automatische transmissie)
12.Instelling afstand tot voorligger
13. Door het systeem gedetecteerde positie van
het voertuig
Meldingen en
waarschuwingen
Meldingen en waarschuwingen worden
niet achter elkaar weergegeven.
"Snelheidsregelaar gepauzeerd” of
“Snelheidsregelaar onderbroken”, na een
korte acceleratie door de bestuurder.
"Snelheidsregelaar actief”, geen voertuig
gedetecteerd.
“Snelheidsregelaar gepauzeerd”, voertuig
gedetecteerd.
"Snelheidsregelaar actief”, voertuig
gedetecteerd.
"Neem de controle over de auto
over" (oranje).
►
Remmen of accelereren, afhankelijk van de
situatie.
"Neem de controle over de auto
over" (rood).