ESP TOYOTA PROACE CITY EV 2021 Instructieboekje (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: TOYOTA, Model Year: 2021, Model line: PROACE CITY EV, Model: TOYOTA PROACE CITY EV 2021Pages: 352, PDF Size: 75.88 MB
Page 107 of 352

107
Veiligheid
5
Noodoproep of
pechhulpoproep
eCall (SOS)
Uw auto kan standaard of optioneel zijn uitgerust met het eCall (SOS)-systeem.Het eCall (SOS)-systeem kan u rechtstreeks met de hulpdiensten verbinden en is in de auto ingebouwd.Afhankelijk van het land van verkoop kan het eCall (SOS)-systeem functioneren via de systemen PE112, ERA-GLONASS, 999, enz.Het eCall (SOS)-systeem is standaard ingeschakeld.► Druk in geval van nood langer dan 2 seconden op deze toets.Het branden van het controlelampje en een gesproken bericht bevestigen dat de oproep is verstuurd naar de alarmcentrale.*.
* Conform de algemene gebruiksvoorwaarden die u bij uw dealer kunt opvragen en afhankelijk \
van de technische beperkingen van het systeem.
** Afhankelijk van de geografische dekking van het eCall (SOS)-systeem.
De lijst van landen waar het systeem werkzaam is en de lijst van beschik\
bare telematicadiensten kunt u bij uw dealer opvragen of op toyota.nl be\
kijken.
Het eCall (SOS)-systeem lokaliseert onmiddellijk uw auto en brengt u in contact met de bevoegde hulpdiensten.**.► Door nogmaals op deze toets te drukken wordt de oproep onmiddellijk geannuleerd.Het controlelampje knippert als de voertuiggegevens worden verzonden en blijft vervolgens branden als de verbinding tot stand is gebracht.
WARNI NG
Als een aanrijding is gesignaleerd door de airbagmodule, wordt automatisch een noodoproep verzonden, ongeacht of de airbags zijn geactiveerd.
NOTIC E
Dit systeem is een publieke dienst die gratis beschikbaar is.
Werking van het systeem
– Bij het AAN zetten van het contact gaat het controlelampje eerst rood en dan groen branden om vervolgens te doven: het systeem werkt correct.– Als het controlelampje rood knippert: vervang de back-upbatterij.
– Als het controlelampje rood blijft branden: storing in het systeem. De noodoproep- en pechhulpoproepservice werkt mogelijk niet.– Als het controlelampje niet gaat branden als het contact AAN wordt gezet, duidt dat eveneens op een storing in het systeem.Neem, als het probleem aanhoudt, zo snel mogelijk contact op met een gekwalificeerde werkplaats.
NOTIC E
Bij een storing in het systeem kan er wel met de auto worden gereden.
NOTIC E
GegevensverwerkingDe verwerking van persoonsgegevens door het eCall (SOS)-systeem voldoet volledig aan de regels voor de bescherming van persoonsgegevens die voortvloeien uit Verordening 2016/679 (Algemene verordening gegevensbescherming - AVG) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Europese Raad, en is in het bijzonder bedoeld om de vitale belangen van de betrokkene te beschermen, conform artikel 6 (1) d) van de AVG.
Page 113 of 352

11 3
Veiligheid
5
Sneeuw
In deze modus stemt het systeem bij het wegrijden de regeling af op de hoeveelheid grip die elk voorwiel op dat moment heeft.(modus actief tot 80 km/h)
Offroad (modder, nat gras, enz.)
In deze modus wordt bij het wegrijden veel wielslip toegestaan bij het wiel met de minste grip, zodat de modder van de band wordt verwijderd en het wiel vervolgens weer grip krijgt. Tegelijkertijd wordt zo veel mogelijk koppel naar het wiel met de meeste grip overgebracht.Tijdens het optrekken optimaliseert het systeem de wielslip zodanig dat maximaal wordt ingespeeld op wat de bestuurder nodig heeft.(modus actief tot 50 km/h)
Zand
In deze stand is het gelijktijdig licht doorslippen van de twee aangedreven wielen toegestaan, zodat de auto vooruit kan komen en het risico van ingraven wordt beperkt.
(stand actief tot 120 km/h)
WARNI NG
Gebruik op zand geen andere standen omdat dan de kans bestaat dat de auto vast komt te zitten.
Uitschakelen
U kunt de ASR en DSC uitschakelen door de knop in de stand OFF te draaien.
NOTIC E
De ASR en DSC grijpen niet meer in op de werking van de motor en het remsysteem als de auto uit de koers raakt.Deze systemen worden automatisch weer
ingeschakeld vanaf 50 km/h of als het contact opnieuw AAN wordt gezet.
WARNI NG
AanbevelingenUw auto is hoofdzakelijk ontworpen voor het gebruik op verharde wegen, maar u kunt er ook mee uit de voeten op minder goed begaanbare wegen.Uw auto is echter geen terreinauto en is niet ontworpen voor de volgende omstandigheden:– het rijden in terreinen die de onderzijde van de auto zouden kunnen beschadigen of waarin onderdelen (brandstofleiding, brandstofkoeler, enz.) geraakt zouden kunnen worden door stenen of andere objecten,– het rijden in terrein met steile hellingen en weinig grip,– het doorwaden van beekjes en stroompjes, enz.
Hill Assist Descent Control
Het Hill Assist Descent Control-systeem is een hulpsysteem bij het afdalen van een steile tot zeer steile helling op een onverhard wegdek (gravel, modder, enz.) of verhard wegdek.Dit systeem beperkt de kans op wegglijden van de auto en de kans dat de auto te veel vaart maakt tijdens het voorruit of achteruit afdalen.Bij het afdalen van een helling assisteert dit systeem de bestuurder, afhankelijk van de ingeschakelde versnelling, bij het wegrijden en constant houden van de snelheid door geleidelijk de remdruk te verminderen.
NOTIC E
Het systeem werkt alleen bij hellingen van meer dan 5%.Het systeem kan worden gebruikt met de transmissie in de neutraalstand.Het is echter raadzaam een voor de rijsnelheid geschikte versnelling in te schakelen om te voorkomen dat de motor afslaat.Bij een automatische transmissie kan het systeem worden gebruikt met de keuzeschakelaar in stand N, D of R.
WARNI NG
Als het systeem in werking treedt, wordt het systeem Active Safety Brake automatisch uitgeschakeld.
Page 115 of 352

11 5
Veiligheid
5
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels voor
De veiligheidsgordels voor zijn voorzien van een pyrotechnische gordelspanner en een spankrachtbegrenzer.Dit systeem verbetert de veiligheid op de voorstoelen bij een frontale of zijdelingse aanrijding. Afhankelijk van de kracht van de aanrijding zorgen de pyrotechnische gordelspanners ervoor dat de veiligheidsgordels direct tegen het lichaam worden getrokken.De pyrotechnische gordelspanners worden geactiveerd wanneer het contact AAN staat.De spankrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee de veiligheidsgordel tegen de borst van de inzittende wordt getrokken, zodat de inzittende beter wordt beschermd.
De veiligheidsgordels voor zijn voorzien van enkelvoudige pyrotechnische gordelspanners (of dubbele aan bestuurderszijde, afhankelijk van de uitrusting) en een spankrachtbegrenzer (of progressieve spankrachtbegrenzer aan bestuurderszijde, afhankelijk van de uitrustingsopties).
Dit systeem verbetert de veiligheid op de voorstoelen bij een frontale of zijdelingse aanrijding.Afhankelijk van de kracht van de aanrijding zorgen de enkelvoudige pyrotechnische gordelspanners ervoor dat de veiligheidsgordels direct tegen het lichaam worden getrokken.De dubbele pyrotechnische gordelspanners werken op dezelfde manier. Er wordt echter gebruikgemaakt van twee verankeringspunten in plaats van één, voor een effectievere werking.De pyrotechnische gordelspanners worden geactiveerd wanneer het contact AAN staat.De spankrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee de veiligheidsgordel tegen de borst van de inzittende wordt getrokken, zodat de inzittende beter wordt beschermd.De progressieve spankrachtbegrenzer werkt op dezelfde manier. Er wordt echter rekening gehouden met het postuur van de bestuurder, zodat de verminderde druk van de veiligheidsgordel op de borst van de bestuurder bij een aanrijding wordt geoptimaliseerd.
Vastmaken
► Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.► Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door even aan de riem te trekken.
Losmaken
► Druk op de rode knop op de gordelsluiting.► Houd de veiligheidsgordel tijdens het oprollen vast.
Page 117 of 352

11 7
Veiligheid
5
Omdoen
► Trek aan de riem en steek de gesp A in de linker gordelsluiting.► Steek de gesp B in de rechter gordelsluiting.► Controleer of beide gespen goed zijn vastgemaakt door even aan de riem te trekken.
Losmaken en opbergen
► Druk op de rode knop van de gordelsluiting B en vervolgens op de knop van de gordelsluiting A.► Geleid de riem bij het oprollen en beweeg gesp B en daarna gesp A naar de magneet van het bevestigingspunt in de hemelbekleding.
WARNI NG
Controleer voordat u handelingen uitvoert met de achterstoelen of de buitenste veiligheidsgordels goed zijn gespannen, om beschadiging ervan te voorkomen. De middelste veiligheidsgordel moet volledig worden opgerold.
Veiligheidsgordels achter
(derde zitrij)
Deze veiligheidsgordels zijn niet voorzien van een pyrotechnische gordelspanner of spankrachtbegrenzer.
Waarschuwingslampje(s)
veiligheidsgordel(s)
1.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel losgemaakt/niet vastgemaakt.
2.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel links voor (of veiligheidsgordel bestuurder, bij linkse besturing) losgemaakt/niet vastgemaakt.
3.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel rechts voor (of veiligheidsgordel bestuurder, bij rechtse besturing) losgemaakt/niet vastgemaakt.
4.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel midden voor (1e zitrij) losgemaakt/niet vastgemaakt.
5.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel links achter (2e zitrij) losgemaakt/niet vastgemaakt.
6.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel midden achter (2e zitrij) losgemaakt/niet vastgemaakt.
7.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel rechts achter (2e zitrij) losgemaakt/niet vastgemaakt.
Page 118 of 352

11 8
Voorin niet vastgemaakt
Als het contact AAN staat, gaan waarschuwingslampje 1 op het instrumentenpaneel (afhankelijk van de uitvoering) en het desbetreffende controlelampje (2, 3 of 4) (afhankelijk van de uitvoering) branden als de veiligheidsgordel van de bestuurder en/of de voorpassagier niet is vastgemaakt.Bij een rijsnelheid van meer dan 20 km/h gaan deze waarschuwingslampjes gedurende ongeveer twee minuten knipperen, vergezeld van een steeds luider klinkend geluidssignaal. Na twee minuten blijven deze waarschuwingslampjes branden zolang de veiligheidsgordels voor niet zijn vastgemaakt.
Achterin niet vastgemaakt
Als het contact AAN staat, gaan bij draaiende motor of bij een rijsnelheid van minder dan 20 km/h waarschuwingslampje 1 (afhankelijk van de uitvoering) en de desbetreffende controlelampjes (5 t/m 7) gedurende ongeveer 60 s branden als ten minste één van de veiligheidsgordels achterin (2e
zitrij) niet is vastgemaakt.
NOTIC E
Voor de 3e zitrij zijn er geen waarschuwingslampjes voor de veiligheidsgordels.
Losgemaakt
Als het contact AAN staat, gaan waarschuwingslampje 1 (afhankelijk van de uitvoering) en de desbetreffende controlelampjes branden als de veiligheidsgordel van de bestuurder en/of van ten minste één van de passagiers is losgemaakt.Bij een rijsnelheid van meer dan 20 km/h gaan deze waarschuwingslampjes gedurende ongeveer twee minuten knipperen, vergezeld van een geluidssignaal. Vervolgens blijven deze waarschuwingslampjes branden zolang de veiligheidsgordels niet weer worden vastgemaakt.
Advies
WARNI NG
Alvorens te gaan rijden moet de bestuurder controleren of alle passagiers hun veiligheidsgordel goed hebben omgedaan en vastgemaakt.Draag in de auto, ongeacht op welke plaats u zit, altijd de veiligheidsgordel, ook bij korte ritten.Wissel de gespen van de veiligheidsgordels onderling niet om; de gordels werken dan niet optimaal.Controleer om u ervan te verzekeren dat de gesp van de veiligheidsgordel goed vast blijft zitten of het vastmaken ervan niet wordt gehinderd door een vreemd voorwerp (bijv. een munt).
Controleer zowel voor en na het gebruik van de gordel of deze goed is opgerold.Controleer na het neerklappen of verwijderen van een stoel of bank of de gordel goed is gepositioneerd en opgerold.
WARNI NG
OmdoenHet onderste deel van de gordel moet zo laag
mogelijk tegen het bekken aanliggen.Het bovenste deel moet tegen het holle gedeelte van de schouder aanliggen.Voorin moet voor het optimaal afstellen van de veiligheidsgordel de zithoogte mogelijk worden afgesteld.Voor een effectieve werking van de veiligheidsgordel:– dient deze zo dicht mogelijk tegen het lichaam aan te worden gedragen.– moet deze in een vloeiende beweging naar voren worden getrokken, zonder dat de gordel gedraaid raakt.– mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen.– mag deze geen beschadigingen of rafels vertonen.– mag er niets aan worden gewijzigd, om te voorkomen dat de gordel niet goed werkt.
Page 124 of 352

124
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel of het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten, wordt vastgemaakt, waarbij de speling ten opzichte van het lichaam van het kind zoveel mogelijk moet worden beperkt.Zorg er bij het bevestigen van het kinderzitje met de veiligheidsgordel voor dat de veiligheidsgordel correct tegen het kinderzitje is gespannen en dat de gordel het kinderzitje stevig op zijn plaats houdt. Schuif de passagiersstoel, wanneer deze versteld kan worden, indien nodig naar voren.Verwijder de hoofdsteun voordat u een kinderzitje met rugleuning op een passagiersstoel plaatst.Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om te voorkomen dat de hoofdsteun door de auto vliegt bij krachtig afremmen. Plaats de hoofdsteun weer zodra het kinderzitje is verwijderd.
WARNI NG
Plaatsen van een zittingverhogerHet bovenste gedeelte van de veiligheidsgordel moet over de schouder van het kind liggen, zonder de hals te raken.Controleer of de heupgordel goed over de dijen van het kind ligt.Gebruik een zittingverhoger met rugleuning en een gordelgeleider ter hoogte van de schouder.
WARNI NG
Extra beveiligingGebruik het kinderslot om te voorkomen dat de portieren en zijruiten achter per ongeluk worden geopend.Zorg ervoor dat de zijruiten achter niet verder dan voor 1/3 deel worden geopend.Plaats zonneschermen op de zijruiten achter om jonge kinderen tegen de zon te beschermen.Laat uit veiligheidsoverwegingen:– Geen kinderen zonder toezicht in de auto achter.– Nooit een kind of een dier in een auto achter wanneer alle ruiten gesloten zijn en de auto in de zon staat.– De sleutels nooit binnen bereik van kinderen achter in de auto.
Kinderzitje achterin
Tweede zitrij
Gezicht in de rijrichting of gezicht tegen de rijrichting in
► Schuif de voorstoel naar voren en zet de rugleuning ervan rechtop, zodat de benen van het kind in het kinderzitje “met gezicht in de rijrichting” of het kinderzitje “met gezicht tegen de rijrichting in” zelf de voorstoel niet raakt.► Zorg ervoor dat de afstand tussen de rugleuning van het kinderzitje “met gezicht in de rijrichting” en de rugleuning van de achterzitplaats zo klein mogelijk is. Idealiter raken ze elkaar.► Zet de achterzitplaats (tweede zitrij) in de achterste stand, met de rugleuning rechtop.
Page 139 of 352

139
Rijden
6
Rijden op een overstroomde
weg
Probeer het rijden op overstroomde wegen zo veel mogelijk te vermijden, omdat hierbij de motor, de transmissie en de elektrische installatie van uw auto ernstig beschadigd kunnen raken.
Als het niet te vermijden is om op een overstroomd gedeelte van de weg te rijden:► Verzeker u ervan dat het water nergens dieper is dan 15 cm en houd daarbij rekening met de golven die kunnen worden veroorzaakt door andere weggebruikers.► Schakel de functie Stop & Start uit.► rijd zo langzaam mogelijk zonder de motor te laten afslaan. Rijd in elk geval niet sneller dan 10 km/h.► Zet de auto niet stil en zet de motor niet uit.Als u het overstroomde weggedeelte achter u hebt gelaten, rem dan zodra de verkeerssituatie dit toelaat meerdere keren licht af om de remschijven en -blokken droog te maken.Neem contact op met een erkende Toyota-dealer of Toyota-hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige als u twijfelt over de staat van uw auto.
Geluiden (Electric)
Aan de buitenzijde
Omdat de auto zo stil is, moet de bestuurder extra goed opletten.Blijf bij het manoeuvreren met de auto de omgeving in de gaten houden.Bij snelheden tot 30 km/h waarschuwt de voetgangerclaxon andere weggebruikers voor de aanwezigheid van de auto.
NOTIC E
Koelen van de tractiebatterijDe koelventilator wordt tijdens het laden ingeschakeld om de ingebouwde lader en de tractiebatterij te koelen.
Aan de binnenzijde
Tijdens het gebruik hoort u mogelijk bepaalde volstrekt normale geluiden die specifiek zijn voor elektrische auto's, zoals:– Het relais van de tractiebatterij tijdens het starten.– De vacuümpomp tijdens het remmen.– De autobanden of aerodynamica tijdens het rijden.– Stoot- en klopgeluiden tijdens het wegrijden op een helling.
Bij het trekken van een
aanhangwagen
WARNI NG
Het rijden met een aanhangwagen heeft veel invloed op het rijgedrag van de auto en vergt daarom extra aandacht van de bestuurder.
NOTIC E
Houd u aan de maximale aanhangwagengewichten.Op hoogte: trek voor elke 1000 m hoogte 10% van het maximale aanhangwagengewicht af; door een geringere luchtdichtheid nemen de prestaties van de motor af als men op grotere hoogte boven de zeespiegel komt.
WARNI NG
Nieuwe auto: koppel geen aanhangwagen achter de auto voordat deze een kilometerstand van ten minste 1000 km heeft.
NOTIC E
Als de buitentemperatuur hoog is, is het raadzaam bij stilstaande auto de motor 1 tot 2 minuten stationair te laten draaien om de koeling te vergemakkelijken.
Page 142 of 352

142
WARNI NG
Als de motor niet onmiddellijk aanslaat, zet dan het contact uit.Wacht een paar seconden voordat u de motor opnieuw start. Als de motor na enkele startpogingen nog steeds niet start, probeer dan niet langer de motor te starten: de startmotor of de motor zou beschadigd kunnen raken.Neem contact op met een erkende Toyota-dealer of Toyota-hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Met de Smart entry-systeem met
startknop-afstandsbediening
► Zorg dat de afstandsbediening zich in het detectiegebied in de auto bevindt.► Druk op de toets “START/STOP”.
Bij een handgeschakelde transmissie wordt de stuurkolom ontgrendeld en wordt de motor vrijwel
direct gestart.Bij de automatische transmissie EAT8 wordt de motor vrijwel direct gestart.
NOTIC E
Het waarschuwingslampje gaat niet branden als de motor al op bedrijfstemperatuur is. Bij sommige weersomstandigheden wordt aanbevolen de volgende voorschriften te volgen:– Laat de motor bij gematigde temperaturen niet stationair warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg zonder de motor veel toeren te laten draaien. Afhankelijk van de uitvoering: als de airconditioning is ingeschakeld en de buitentemperatuur hoger is dan 35°C, kan het stationair toerental oplopen tot 1300 omw/min, afhankelijk van de airconditioningbehoeften.– Onder winterse omstandigheden kan nadat het contact AAN is gezet het controlelampje voorgloeien langer blijven branden. Wacht met het starten van de motor tot het controlelampje uit is.– Laat onder extreem koude omstandigheden (temperatuur lager dan -23°C) de motor gedurende 4 minuten
stationair draaien voordat u wegrijdt. Dit garandeert een optimale werking en levensduur van de mechanische componenten (motor en transmissie) van de auto.Laat de motor nooit draaien in een onvoldoende geventileerde, afgesloten ruimte: verbrandingsmotoren stoten gevaarlijke uitlaatgassen zoals koolmonoxide uit. Kans op vergiftiging met dodelijke afloop!
NOTIC E
Bij een benzinemotor kan na een koude start het voorverwarmen van de katalysator 2 minuten lang duidelijk voelbare motortrillingen veroorzaken wanneer de motor stationair draait (bij verhoogd stationair toerental).
WARNI NG
Bij een dieselmotor kan bij een buitentemperatuur beneden het vriespunt de motor pas worden gestart als het controlelampje voorgloeien uit is.Als dit lampje gaat branden nadat u op de knop “START/STOP” hebt gedrukt, moet u zonder nogmaals op de knop “START/STOP” te drukken het rem- of koppelingspedaal ingetrapt houden tot het lampje dooft en de motor wordt gestart en draait.
Page 156 of 352

156
► Beweeg de selectiehendel naar voren of achteren zonder het weerstandspunt te passeren om terug te keren naar stand N.
Stuurkolomschakelaars
(Afhankelijk van de uitvoering)In stand M of D kunt u met de paddle shift-schakelaars achter het stuurwiel handmatig de gewenste versnelling inschakelen.Ze kunnen niet worden gebruikt om de neutraalstand te selecteren of de achteruitversnelling te (de)selecteren.
► Trek de paddle shift-schakelaar “+” of “-” naar u toe en laat hem weer los om respectievelijk op of terug te schakelen.
Informatie op het
instrumentenpaneel
Als het contact AAN staat, wordt de status van de transmissie weergegeven op het instrumentenpaneel:
PParkeren
RReverse
NNeutral
D1...8Vooruitrijden in de automatische stand
M1...8Vooruitrijden in de handgeschakelde stand
De status van de transmissie wordt nadat het contact UIT is gezet nog enkele seconden weergegeven op het instrumentenpaneel.
Werking
Voor het selecteren van een andere stand moet aan de desbetreffende voorwaarden worden voldaan.Bij draaiende motor moet het rempedaal worden ingetrapt om een andere stand te selecteren. Om u hierop te attenderen verschijnt een waarschuwingsmelding op het instrumentenpaneel.
WARNI NG
Als de motor draait, het rempedaal is losgelaten en stand R, D of M wordt geselecteerd, gaat de auto ook rijden zonder dat het gaspedaal wordt ingetrapt.Trap nooit tegelijkertijd het gaspedaal en het
rempedaal in: dit kan leiden tot een defecte transmissie!
NOTIC E
Wanneer u het bestuurdersportier opent terwijl
stand N is geselecteerd, klinkt een geluidssignaal en wordt automatisch stand P geselecteerd. Het geluidssignaal stopt zodra het bestuurdersportier is gesloten.
WARNI NG
Als bij een snelheid lager dan 5 km/h het bestuurdersportier wordt geopend, wordt automatisch stand P geselecteerd. Hierbij kan de auto plotseling tot stilstand komen!
WARNI NG
Bij een lege of defecte accu moet(en) het wielblok/de wielblokken uit de gereedschapsset tegen een van de wielen worden geplaatst om te voorkomen dat de auto wegrolt.
Bijzonderheden van de automatische
stand
De transmissie selecteert de voor de rijomstandigheden (buitentemperatuur, wegprofiel, belading van de auto en rijstijl) optimale versnelling.Voor een maximale acceleratie dient u het gaspedaal volledig in te trappen (kickdown). De transmissie schakelt automatisch terug of handhaaft de ingeschakelde versnelling totdat het maximumtoerental is bereikt.Met de paddle shift-schakelaars achter het stuurwiel kunt u, als de rijsnelheid en het motortoerental dat toestaan, desgewenst zelf een andere versnelling kiezen, waarna de transmissie het schakelen weer van u overneemt.
Page 159 of 352

159
Rijden
6
WARNI NG
In bepaalde situaties (bijv. tractiebatterij volledig opgeladen, extreme buitentemperatuur) kan de mate van regeneratief remmen tijdelijk worden beperkt, waardoor de auto minder sterk wordt afgeremd.De bestuurder moet altijd op het verkeer blijven letten en op elk moment het rempedaal kunnen intrappen.
Met het rempedaal
Als het rempedaal wordt ingetrapt, regenereert het intelligente remsysteem automatisch een deel van de vrijkomende energie om daarmee de tractiebatterij bij te laden.Het regenereren van energie vermindert ook het gebruik en dus de slijtage van de remblokken.
NOTIC E
Het intrappen van het rempedaal kan voor de bestuurder anders aanvoelen dan bij een auto zonder regeneratief remsysteem.
Rijmodi
De rijmodi worden met de volgende knop geselecteerd:
1. Druk op deze toets om de Eco-mode te activeren. Het controlelampje gaat branden. (benzine of diesel)2. Door op deze knop te drukken worden de modi weergegeven op het instrumentenpaneel.Electric: het selecteren van de modus is pas mogelijk als het controlelampje READY brandt.
Als de melding verdwijnt, wordt de geselecteerde modus geactiveerd en wordt deze continu aangegeven op het instrumentenpaneel (behalve modus Normal).Telkens wanneer het contact AAN wordt gezet, wordt standaard de modus Normal geselecteerd.
Normal
Om terug te keren naar de standaardinstellingen.
Eco
Om het energieverbruik te optimaliseren door de werking van de verwarming en airconditioning te beperken, zonder ze daadwerkelijk uit te schakelen.Om het verbruik van elektrische energie van de tractiebatterij te beperken door het motorkoppel te begrenzen.
Power (Electric)
Om bij een volledig beladen (binnen het maximaal toelaatbare voertuiggewicht) auto te beschikken over dezelfde prestaties als bij een onbeladen auto in de modus Normal.
NOTIC E
Alle modi worden weergegeven op het instrumentenpaneel, behalve de modus Normal.
NOTIC E
UitrolmodiAfhankelijk van de uitvoering of motor kunt u bij uitvoeringen met automatische transmissie EAT8, als stand D is geselecteerd, door het gaspedaal geleidelijk los te laten de auto laten uitrollen in de vrijloop om brandstof te besparen.Het motortoerental kan hierbij sterk afnemen
(toerenteller op stationair toerental, wegvallend motorgeluid).