door FIAT FULLBACK 2017 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2017, Model line: FULLBACK, Model: FIAT FULLBACK 2017Pages: 332, PDF Size: 10.46 MB
Page 268 of 332

VOORZORG-
MAATREGELEN
VOOR ONDERHOUD
342) 343) 344) 345) 346) 347) 348) 349)
Regelmatig onderhoud van uw voertuig
zorgt ervoor dat de waarde en het
uiterlijk van uw voertuig zo lang mogelijk
behouden blijven. De
onderhoudswerkzaamheden zoals
beschreven in dit Instructieboek kunnen
door de eigenaar verricht worden.
We raden u aan de periodieke inspectie
en het geprogrammeerde onderhoud
door een Fiat Servicepunt te laten
verrichten.
Ingeval een storing of een probleem
wordt gedetecteerd, raden we aan het
voertuig te laten nakijken en repareren.
Dit hoofdstuk bevat informatie over
inspectie- en onderhoudsprocedures
die u zelf kunt verrichten. Volg de
instructies en voorzorgsmaatregelen
van alle verschillende procedures.
BELANGRIJK
342)Zorg er tijdens inspectie of onderhoud
aan de binnenkant van de motorruimte
voor dat de motor is afgezet en de tijd
heeft gehad om af te koelen.343)Als werkzaamheden in de
motorruimte moeten worden verricht,
terwijl de motor draait, wees dan extra
voorzichtig dat uw kleding, haar, enz. niet in
de koelventilator, aandrijfriemen of andere
bewegende delen komen.
344)Na het uitvoeren van de
onderhoudswerkzaamheden, dient u
ervoor te zorgen dat er geen
gereedschappen of kledingstukken in de
motorruimte zijn achtergebleven. Als er
gereedschappen of kledingstukken
achterblijven, kan er brand of schade aan
de auto ontstaan.
345)De koelventilator kan, zelfs als de
motor niet draait, automatisch worden
ingeschakeld. Draai de contactschakelaar
naar de stand "LOCK" of zet de
bedieningsmodus op "OFF" om veilig in de
motorruimte te kunnen werken.
346)Houd sigaretten, vonken of andere
open vlammen uit de buurt van de
brandstof en de accu. De dampen zijn
ontvlambaar.
347)Wees bijzonder voorzichtig bij
werkzaamheden rondom de accu. De accu
bevat giftig en corrosief zwavelzuur.
348)Ga niet onder uw voertuig liggen, als
het alleen door de krik wordt ondersteund.
Gebruik altijd kriksteunen.
349)Oneigenlijk gebruik van componenten
of materialen die in het voertuig zijn
gebruikt, kunnen de veiligheid van uw
personeel in gevaar brengen. We raden u
aan een specialist te raadplegen voor de
benodigde informatie.
266
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 276 of 332

BELANGRIJK
350)Verricht nooit werkzaamheden in de motorruimte, terwijl u rookt. Er kunnen ontvlambare gassen en dampen aanwezig zijn die
brandgevaar opleveren.
351)Wees erg voorzichtig bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte wanneer de motor nog warm is: gevaar voor
brandwonden. Vergeet niet dat bij een warme motor de ventilator onverwacht kan inschakelen: gevaar voor letsel. Sjaals, dassen of andere
loszittende kleding kunnen door de bewegende onderdelen worden meegetrokken.
274
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 277 of 332

KATALYSATOR
352)
De spoelinrichtingen voor de
uitlaatgassen die met een katalysator
worden gebruikt, zijn uiterst efficiënt in
de reductie van giftige gassen. De
katalysator wordt in het uitlaatsysteem
geïnstalleerd.
Het is belangrijk dat de motor goed
afgestemd blijft om ervoor te zorgen dat
de katalysator naar behoren werkt en
om eventuele schade aan de
katalysator te voorkomen.
Opmerking Gebruik brandstof van het
type dat wordt aanbevolen in
"Brandstofkeuze".
BELANGRIJK
352)Parkeer of gebruik dit voertuig, net als
ieder ander voertuig, niet in omgevingen
waar brandbare materialen, zoals droog
gras of bladeren, in contact kunnen komen
met een hete uitlaat, aangezien hierdoor
brand kan ontstaan.
MOTOROLIE
De motorolie controleren en
bijvullen
353)
A — Minimumpeil
B — Maximumpeil
C — Markering olieverversing
De gebruikte motorolie heeft een
enorme invloed op de prestaties, de
duurzaamheid en het startvermogen
van de motor. Gebruik altijd olie van de
aanbevolen kwaliteit en met de juiste
viscositeit. Iedere motor verbruikt bij
normale werking een bepaalde
hoeveelheid olie. Het is daarom
belangrijk het oliepeil regelmatig of voor
iedere lange reis te controleren.
1. Parkeer de auto op een horizontale
ondergrond.
2. Zet de motor af.
3. Wacht een paar minuten.4. Neem de peilstok uit en doe hem af
met een schone doek.
5. Steek de peilstok zo diep mogelijk
terug.
6. Neem de peilstok uit en lees het
oliepeil af, dat binnen het aangegeven
bereik zou moeten staan.
7. Als het oliepeil zich onder de
gespecificeerde limiet bevindt, verwijder
dan de dop op de cilinderkop en vul
olie bij tot het peil zich weer binnen het
gespecificeerde bereik bevindt. Vul niet
teveel olie bij om schade aan de motor
te voorkomen. Gebruik altijd de
gespecificeerde motorolie en meng
nooit verschillende soorten olie.
8. Sluit de dop stevig na het bijvullen.
9. Controleer het oliepeil door de
stappen 4 t/m 6 te herhalen.
Opmerking Controleer of vul de olie als
volgt bij.
Als het oliepeil in bovengenoemde
stap 6 is gecontroleerd, controleer het
dan ook aan de onderkant van de
peilstok, want het oliepeil ziet er anders
uit aan de twee kanten van de peilstok.
Op voertuigen met een dieselroetfilter
(DPF) moet het oliepeil zich tussen (A)
en (B) op de peilstok bevinden.
Op voertuigen met DPF moet het
oliepeil zich tussen (A) en (C) (markering
voor olieverversing) op de peilstok
bevinden. Ververs de olie zo snel
mogelijk, als het oliepeil verder staat
455AHA102654
275
Page 278 of 332

dan de markering voor olieverversing
(C). De olie dient dan te worden
bijgevuld tot het maximumpeil (B).
Op voertuigen met DPF neemt de
motorolie toe doordat brandstof in de
motorolie terechtkomt als het DPF
regenereert om de roetdeeltjes (PM)
weg te branden. Dit geeft echter gaan
storing aan.
Het motoroliepeil neemt toe door de
hoeveelheid brandstof dat in de
motorolie terechtkomt als het DPF
regenereert om de roetdeeltjes (PM)
weg te branden. Het duidt niet op een
storing. In de volgende
omstandigheden kan het
motorolieniveau gemakkelijk toenemen.
We raden u aan dit regelmatig na te
laten kijken.:
vaak omhoog en omlaag rijden;
vaak op hoge hoogten rijden;
vaak en langdurig stationair draaien;
vaak file rijden.
Opmerking De motorolie verslechterd
snel als het voertuig wordt
onderworpen aan zware
omstandigheden, waardoor de olie
eerder moet worden ververst.
Raadpleeg het onderhoudsschema.
Keuze motorolie
Raadpleeg “Vulinhouden” onder
Technische gegevens.Veiligheids- en
verwijderingsinformatie voor
gebruikte motorolie
354) 355) 356)
Bescherm het milieu
Het is illegaal om aftappingen,
waterstromen en de bodem te
verontreinigen. Gebruik geautoriseerde
afvalverzamelingsfaciliteiten, inclusief
publieke verzamelplaatsen en garages
die faciliteiten bieden voor het
verwijderen van gebruikte olie en
oliefilters. Als u twijfelt neem dan
contact op met uw plaatselijke
autoriteiten voor advies over de
verwijdering.
BELANGRIJK
353)Wacht voor het bijvullen van de
motorolie tot de motor is afgekoeld
alvorens de vuldop los te maken. Dit geldt
in het bijzonder voor voertuigen met een
aluminium vuldop (waar aanwezig).
WAARSCHUWING: gevaar voor
brandwonden!
354)Langdurig en regelmatig contact kan
tot ernstige huidaandoedingen, inclusief
dermatitis en kanker leiden.
355)Voorkom zoveel mogelijk contact met
de huid en was de huid na ieder contact
grondig.
356)Houd gebruikte motoroliën buiten het
bereik van kinderen.
MOTORKOEL-
VLOEISTOF
Het motorkoelvloeistofpeil
controleren
In de motorruimte bevindt zich een
doorzichtige reservetank (A) voor
koelvloeistof. Het koelvloeistofpeil in
deze tank moet tussen de markeringen
"L" (laag) en "F" (vol) blijven, gemeten
met een koude motor.
456AHM100742
276
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 279 of 332

Koelvloeistof bijvullen
Het koelsysteem is een gesloten
systeem en het verlies van koelvloeistof
zou zeer gering moeten zijn. Een
merkbare daling in het koelvloeistofpeil
zou op lekkage kunnen duiden. Als dit
gebeurt, raden we u aan het systeem
zo snel mogelijk te laten nakijken. Open
het deksel en vul koelvloeistof bij, als
het peil in de reservetank daalt tot
onder "L" (laag).
Verwijder bovendien de radiateurdop (B)
en vul koelvloeistof bij tot het peil de
vulhals bereikt, als de reservetank
volledig leeg is.
357) 358)
Antivries
De motorkoelvloeistof bevat een
corrosiewerend middel met
ethyleenglycol. Sommige delen van de
motor bestaan uit een
gietaluminiumlegering en de
motorkoelvloeistof moet dus regelmatig
worden ververst om corrosie van deze
onderdelen te voorkomen.
Gebruik de door Fiat aanbevolen
koelvloeistof of een equivalent (een op
ethyleenglycol gebaseerde koelvloeistof
van vergelijkbare hoge kwaliteit, zonder
silicaat, amine, nitraat en boraat, met
een hybride organische zuurtechnologie
voor een lange levensduur).De originele koelvloeistof van Fiat biedt
een uitstekende bescherming tegen
corrosie- en roestvorming van alle
metalen, inclusief aluminium, en
voorkomt verstoppingen van radiateur,
verwarming, cilinderkop, motorblok,
enz.
Omdat een corrosiewerend middel
noodzakelijk is, mag de koelvloeistof
zelfs 's zomers niet worden vervangen
door water. De vereiste concentratie
antivries varieert, afhankelijk van de
verwachte omgevingstemperatuur.
Hoger dan -35°C: 50 % concentratie
van antivries
Lager dan -35°C: 60 % concentratie
van antivries180) 181) 182) 183) 184)
Bij koud weer
Als de temperaturen in uw omgeving tot
onder het vriespunt dalen, bestaat het
gevaar dat de koelvloeistof in de motor
of radiateur bevriest en ernstige schade
aan de motor en/of radiateur
veroorzaakt. Voeg voldoende antivries
aan het koelmiddel toe om te
voorkomen dat het bevriest.
De concentratie dient voor aanvang van
het koude weer te worden
gecontroleerd en indien nodig moet het
systeem worden bijgevuld met antivries.
BELANGRIJK
357)De uitgewerkte motorolie en het
vervangen motoroliefilter bevatten stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu. Het
verdient aanbeveling de olie en de filters te
laten vervangen door het Fiat
Servicenetwerk.
358)Open de radiateurdop (B) niet zolang
de motor warm is. Het koelsysteem staat
onder druk, waardoor hete koelvloeistof vrij
zou kunnen komen en brandwonden zou
kunnen veroorzaken.
BELANGRIJK
180)Gebruik geen antivries op alcohol- of
methanolbasis of koelvloeistoffen gemengd
met antivries op alcohol- of methanolbasis.
Door gebruik van ongeschikte antivries
kunnen de aluminium onderdelen
corroderen.
181)Concentraties hoger dan 60% leiden
tot een afname in zowel de antivries- als de
koelprestaties en heeft nadelige gevolgen
voor de motor.
182)Vul niet bij met uitsluitend water.
183)Het motorkoelsysteem moet worden
gevuld met PARAFLUUP antivries. Vul
koelvloeistof bij met dezelfde kenmerken als
de koelvloeistof waarmee het koelsysteem
reeds is gevuld. PARAFLU UP mag niet
met andere typen vloeistoffen worden
gemengd. Mocht dit toch gebeuren, start
de motor dan in geen geval en neem
contact op met het Fiat Servicenetwerk.
277
Page 281 of 332

REMVLOEISTOF
Het vloeistofpeil controleren
Controleer het peil van de remvloeistof
in het reservoir. Het remvloeistofpeil
moet tussen de markeringen "MAX" en
"MIN" op het reservoir liggen.
Het remvloeistofpeil wordt bewaakt
door een vlotter. Als het remvloeistofpeil
daalt tot onder de markering "MIN",
gaat het waarschuwingslampje van de
remvloeistof branden.
Het vloeistofpeil daalt enigszins door
slijtage van de remblokken, maar dit
duidt niet op een probleem.
Als het remvloeistofpeil binnen korte tijd
aanmerkelijk daalt, duidt dit op een lek
in het remsysteem. Als dit gebeurt,
raden we u aan het voertuig te laten
nakijken.
Vloeistoftype
Gebruik vloeistof conform DOT3 of
DOT4. De remvloeistof ishygroscopisch. Teveel vocht in de
remvloeistof heeft nadelige gevolgen
voor het remsysteem, waardoor de
remwerking afneemt.
Bovendien is het remvloeistofreservoir
uitgerust met een speciale dop om
toetreding van lucht te voorkomen.
Deze dop mag niet worden verwijderd.
361) 362) 363) 364) 365) 366) 367) 368)
185) 186) 187)
BELANGRIJK
361)Vermijd elk contact tussen de
stuurbekrachtigingsolie en de hete
motoronderdelen: de olie is licht
ontvlambaar.
362)Sommige in de handel verkrijgbare
ruitensproeiervloeistoffen zijn licht
ontvlambaar. De motorruimte bevat warme
onderdelen die bij contact met de vloeistof
brand kunnen veroorzaken.
363)Rijd nooit met een leeg
ruitensproeiervloeistofreservoir:
ruitensproeiers zijn van fundamenteel
belang voor een goed zicht.
364)Het koelsysteem staat onder druk.
Vervang indien nodig de dop alleen door
een origineel exemplaar om de werking van
het systeem niet negatief te beïnvloeden.
Draai bij warme motor de dop van het
reservoir niet los: gevaar voor
brandwonden.
365)Remvloeistof is schadelijk voor de
ogen, kan de huid irriteren en kan gelakte
oppervlakken beschadigen. Betracht dus
uiterste zorg bij gebruik van remvloeistof.366)Gebruik alleen de gespecificeerde
remvloeistof. Meng geen remvloeistoffen
en vul de remvloeistof niet bij met een
remvloeistof van een ander merk, om
chemische reacties te voorkomen. Zorg
ervoor dat er geen op petroleum
gebaseerde vloeistof in aanraking komt
met, gemengd wordt met of terechtkomt in
de remvloeistof. Dit leidt tot schade aan de
afdichtingen.
367)Reinig de vuldop voordat u hem
verwijdert en sluit de dop stevig na
onderhoud.
368)Remvloeistof is giftig en uiterst
corrosief. Als er per ongeluk remvloeistof
gemorst wordt, moeten de betrokken delen
onmiddellijk worden gewassen met water
en neutrale zeep. Vervolgens met veel
water afspoelen. In geval van inslikken
onmiddellijk een arts raadplegen.
BELANGRIJK
185)Houd de dop van het reservoir
gesloten om verslechtering van de
remvloeistof te voorkomen, behalve tijdens
onderhoud.
186)Vermijd elk contact tussen de uiterst
corrosieve remvloeistof en de gelakte
delen. Spoel bij contact onmiddellijk uit met
rijkelijk water.
187)Het symbool
, op het reservoir van
de remvloeistof geeft aan dat een
remvloeistof een synthetische of op
mineralen gebaseerde vloeistof is. Het
gebruik van minerale vloeistoffen kan de
speciale rubberen pakkingen in het
remsysteem onherstelbaar beschadigen.
458AHA102566
279
Page 282 of 332

KOPPELINGS-
LOEISTOF
Het vloeistofpeil controleren
De koppelingsvloeistof in de
hoofdremcilinder moet worden
gecontroleerd voordat werkzaamheden
onder de motorkap worden verricht.
Bovendien moet het systeem gelijk op
lekkage worden gecontroleerd.
Controleer of het peil van de
koppelingsvloeistof altijd tussen de
markeringen "MAX" en "MIN" op het
vloeistofreservoir staat.
Een snel vloeistofverlies duidt op een
lek in het koppelingssysteem, dat
onmiddellijk nagekeken moet worden
door een Fiat Servicenetwerk.Vloeistoftype
Gebruik remvloeistof conform DOT 3 of
DOT 4. De dop van het reservoir moet
volledig worden gesloten om
verontreiniging met vreemde stoffen of
vocht te voorkomen. ZORG ERVOOR
DAT ER GEEN OP PETROLEUM
GEBASEERDE VLOEISTOF IN
CONTACT KOMT OF GEMENGD
WORDT MET DE REMVLOEISTOF OF
DE REMVLOEISTOF OP ENIGE
ANDERE WIJZE VERONTREINIGT. DIT
LEIDT TOT SCHADE AAN DE
AFDICHTINGEN.
369)
BELANGRIJK
369)Koppelingsvloeistof is giftig en uiterst
corrosief. Als er per ongeluk remvloeistof
gemorst wordt, moeten de betrokken delen
onmiddellijk worden gewassen met water
en neutrale zeep. Vervolgens met veel
water afspoelen. In geval van inslikken
onmiddellijk een arts raadplegen.
STUUR-
BEKRACHTIGINGS-
OLIE
370)
3)
Het vloeistofpeil controleren
Controleer het vloeistofpeil in het
reservoir, terwijl de motor stationair
draait. Controleer of het peil van de
stuurbekrachtigingsolie altijd tussen de
markeringen "MAX" en "MIN" op het
vloeistofreservoir staat en vul, indien
nodig, bij.
BELANGRIJK
370)Vermijd elk contact tussen de
stuurbekrachtigingsolie en de hete
motoronderdelen: de olie is licht
ontvlambaar.
459AHA106519
460AHA102582
280
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 283 of 332

BELANGRIJK
3)Het verbruik van de
stuurbekrachtigingsolie is bijzonder laag; als
na het bijvullen binnen korte tijd het niveau
weer moet worden hersteld, dan moet het
systeem op eventuele lekkages worden
gecontroleerd door het Fiat
Servicenetwerk.
ACCU
4)
De toestand van de accu is zeer
belangrijk voor een snelle start van de
motor en een juiste werking van het
elektrische systeem van het voertuig.
Regelmatige controle en onderhoud zijn
vooral bij koud weer belangrijk.
371) 372) 373) 374) 375) 376) 377) 378)
Accuvloeistofpeil controleren
Het accuvloeistofpeil moet tussen de
op de buitenkant van de accu
gespecificeerde grenzen liggen. Vul
indien nodig bij met gedestilleerd water.
De binnenkant van de accu is
onderverdeeld in verschillende
compartimenten; verwijder de dop van
ieder compartiment en vul de
compartimenten bij tot de bovenste
markering.Vul niet verder bij dan de bovenste
markering, want als tijdens het rijden
accuvloeistof gemorst wordt, kan dit
leiden tot schade.
Controleer het accuvloeistofpeil
minimaal één keer in de vier weken,
afhankelijk van de
gebruiksomstandigheden. Als de accu
niet wordt gebruikt, loopt hij na verloop
van tijd vanzelf leeg.
Controleer de accu één keer in de vier
weken en laad hem, indien nodig, met
lage stroom bij.
Bij koud weer
De capaciteit van de accu neemt af bij
lagere temperaturen. Dit is een
onvermijdelijk gevolg van de chemische
en fysische eigenschappen van de
accu. Daarom levert een zeer koude
accu, vooral één die niet volledig is
geladen, slechts een fractie van de
startstroom die normaal gesproken
beschikbaar is.
We raden u aan de accu vóór aanvang
van het koude weer te laten nakijken
en, indien nodig, op te laden of te
vervangen. Dit garandeert niet alleen
een betrouwbare start, maar een accu
die volledig geladen wordt gehouden,
heeft ook een langere levensduur.
461AHA102595
281
Page 284 of 332

Ontkoppelen en aansluiten
188) 189) 190) 191) 192) 193) 194) 195)
Zet voor het ontkoppelen van de
accukabel de motor af en maak eerst
de minpool (-) en dan de pluspool (+)
los. Sluit voor het aansluiten van de
accu eerst de pluspool (+) en dan de
minpool (-) aan.
Opmerking Open de afdekking van de
accu (A) voordat de pluspool (+) van de
accu wordt ontkoppeld of aangesloten.
Opmerking Draai de moer (B) los en
ontkoppel vervolgens de accukabel van
de pluspool (+).Opmerking Houd de accupolen
schoon. Breng na aansluiting van de
accu vet ter bescherming van de polen
aan. Gebruik lauw water om de polen
te reinigen.
Opmerking Controleer of de accu
stevig vastzit en tijdens het rijden niet
kan bewegen. Controleer ook of iedere
pool goed dichtzit.
Opmerking Als het voertuig lange tijd
niet wordt gebruikt, verwijder dan de
accu en bewaar hem op een plaats
waar de accuvloeistof niet kan
bevriezen. De accu mag alleen volledig
geladen worden bewaard.
BELANGRIJK
371)Accuvloeistof is giftig en corrosief.
Vermijd contact met huid en ogen. Houd
open vuur en bronnen van vonken uit de
buurt van de accu: brand- en
ontploffingsgevaar.
372)Alvorens aan het elektrische systeem
te gaan werken, de negatieve accukabel
losmaken middels de daarvoor bestemde
klem, na ten minste een minuut te hebben
gewacht nadat de contactsleutel op STOP
is geplaatst.
373)Zorg ervoor dat er geen vonken,
sigaretten en vlammen in de buurt van de
accu komen; hierdoor zou de accu kunnen
ontploffen.
374)Accuvloeistof is extreem bijtend.
Vermijd contact met uw ogen, huid, kleding
of de gelakte oppervlakken van het
voertuig. Gemorste accuvloeistof moet
onmiddellijk worden weggespoeld met ruim
water. Irritatie van de ogen of de huid door
contact met accuvloeistof vereist
onmiddellijk medische zorg.
375)Gebruik of laad accu's alleen op in
goed geventileerde ruimtes.
376)Draag altijd oogbescherming als u in
de buurt van de accu werkt.
377)Houd accu's buiten bereik van
kinderen.
378)Als de accu met onvoldoende
vloeistof werkt, kan dit de accu
onherstelbaar beschadigen en een explosie
veroorzaken.
462AHZ101072
463AHZ101157
282
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 285 of 332

BELANGRIJK
188)Onjuiste installatie van elektrische en
elektronische apparatuur kan ernstige
schade aan het voertuig toebrengen. Als na
aanschaf van het voertuig accessoires
(alarmsysteem, mobiele telefoon, enz.)
gemonteerd moeten worden, neem dan
contact op met het Fiat Servicenetwerk,
dat de geschiktste apparaten weet aan te
raden en vooral kan beoordelen of een
accu met een grotere capaciteit nodig is.
189)Als het voertuig langdurig gestald
moet worden bij zeer lage temperaturen,
verwijder dan de accu en breng deze naar
een verwarmde plek, om bevriezing te
voorkomen.
190)Breng omliggende onderdelen,
kunststof onderdelen, enz. niet in contact
met zwavelzuur (accuvloeistof), aangezien
die zouden kunnen scheuren, vlekken of
verkleuren. Mochten deze onderdelen er
toch mee in contact komen, veeg ze dan
schoon met een zachte doek, zeem, o.i.d.
en een oplossing van een neutraal
reinigingsmiddel in water en spoel de
aangetaste delen af met ruim water.
191)Als de auto langdurig gestald moet
worden bij zeer lage temperaturen,
verwijder dan de accu en breng deze naar
een verwarmde plek, om bevriezing te
voorkomen.
192)Ontkoppel nooit een accu met de
contactschakelaar of de bedieningsmodus
in de stand "ON"; hierdoor zouden de
elektrische componenten van het voertuig
kunnen beschadigen.193)Zorg ervoor dat de accu nooit wordt
kortgesloten. Hierdoor kan de accu
oververhit raken en beschadigen.
194)Als de accu snel moet worden
opgeladen, ontkoppel dan eerst de
accukabels.
195)Zorg ervoor dat eerst de minpool (-)
wordt ontkoppeld, om kortsluiting te
voorkomen.
BELANGRIJK
4)Accu’s bevatten stoffen die zeer
gevaarlijk zijn voor het milieu. Neem voor
het vervangen van de accu contact op met
het Fiat Servicenetwerk.
WISSERBLAD
VERVANGEN
379)
196)
1. Til de wisserarm voorzichtig van de
ruit.
2. Trek aan het wisserblad tot de
aanslag (A) loskomt van de haak (B).
Trek het wisserblad nog verder om het
te verwijderen.
Opmerking Laat de wisserarm niet op
de voorruit vallen; hierdoor zou de ruit
kunnen beschadigen.
3. Bevestig de bevestigingen (C) aan
een nieuw wisserblad. Raadpleeg de
afbeelding om te controleren of de
bevestigingen correct zijn uitgelijnd als u
ze bevestigt.
464AG0005274
283