Stuur Lancia Ypsilon 2012 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: LANCIA, Model Year: 2012, Model line: Ypsilon, Model: Lancia Ypsilon 2012Pages: 307, PDF Size: 13.23 MB
Page 140 of 307

Frontairbag aan bestuurderszijde
Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar
kussen dat in een speciale ruimte in het midden
van het stuurwiel is geplaatst fig. 108.
BELANGRIJK
Rijd altijd met de handen op de
stuurwielrand zodat de airbag indien
nodig ongehinderd opgeblazen kan worden.
Rijd niet met voorover gebogen lichaam.
Houd de rug goed rechtop tegen de
rugleuning gedrukt.Frontairbag aan passagierszijde
Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar
kussen dat in een speciale ruimte in het dashboard
fig. 109 is opgeborgen: deze airbag heeft een
groter volume dan de bestuurdersairbag.
fig. 108
L0F0072
fig. 109
L0F0073
138WEGWIJS IN UW
AUTOVEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 147 of 307

Als, met de contactsleutel in de stand MAR, het
waarschuwingslampje
blijft branden, draai dan
de sleutel naar STOP en weer terug naar MAR;
als het waarschuwingslampje blijft branden,
probeer dan met de andere sleutels die bij de auto
zijn geleverd.
Neem contact op met het Lancia Servicenetwerk
als de motor nog steeds niet gestart kan worden.
Als het waarschuwingslampje
na
het starten of na langdurig
"aanzwengelen" 60 seconden knippert,
duidt dit op een defect van de gloeibougies.
Als de motor start kan de auto zoals
gewoonlijk gebruikt worden, maar moet zo
snel mogelijk contact worden opgenomen met
het Lancia Servicenetwerk.
BELANGRIJK
Het is gevaarlijk om de motor in
afgesloten ruimten te laten draaien.
De motor verbruikt zuurstof en produceert
kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige
gassen.
BELANGRIJK
Onthoud dat de rembekrachtiging en
de elektrische stuurbekrachtiging
niet werken zolang de motor niet is gestart;
om die reden is meer kracht benodigd voor
de bediening van het rempedaal en het
stuur.Wij adviseren om gedurende de
beginperiode niet de maximale
prestaties van de auto te eisen (bijv.
snel accelereren, lange afstanden op
topsnelheid, krachtig remmen etc.).Laat de contactsleutel nooit in de stand
MAR staan als de motor is afgezet,
zodat de accu niet onnodig wordt
ontladen.
145WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 155 of 307

Monteer op de vier wielen dezelfde banden (zelfde
merk en profieldiepte) voor meer veiligheid tijdens
het rijden en het remmen en voor een betere
bestuurbaarheid. Keer de draairichting van de
banden zeker niet om.
BELANGRIJK
De maximumsnelheid voor
winterbanden met de indicatie “Q” is
160 km/h; 190 km/h voor winterbanden met
de indicatie “T” en 210 km/h voor
winterbanden met de indicatie"H". De
snelheidsbeperkingen moeten echter altijd
worden gerespecteerd.
SNEEUWKETTINGENHet gebruik van sneeuwkettingen moet aan de
plaatselijke voorschriften voldoen.
De sneeuwkettingen mogen alleen op de
voorwielen gemonteerd worden (aangedreven
wielen).
Controleer de spanning van de sneeuwkettingen
na enkele tientallen meters rijden.
BELANGRIJK Er kunnen geen sneeuwkettingen
op het noodreservewiel gemonteerd worden (bij
bepaalde versies/markten). Als de voorband lek is,
vervang dan een achterwiel door het
noodreservewiel en monteer het achterwiel op de
vooras. Zo zijn er twee aangedreven wielen
waarop de sneeuwkettingen in een noodgeval
gemonteerd kunnen worden.
Beperk de snelheid als
sneeuwkettingen gemonteerd zijn; rijd
niet harder dan 50 km/h. Vermijd
kuilen, trottoirbanden en stoepen en rijd geen
lange stukken op sneeuwvrije wegen om de
auto en het wegdek niet te beschadigen.
153WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 160 of 307

VEILIGHEIDSGORDELS NIET
OMGELEGD (rood)
(voor bepaalde versies/markten)
Het lampje gaat continu branden wanneer bij
stilstaande auto de veiligheidsgordel aan
bestuurders- en passagierszijde (indien een
passagier aanwezig is) niet is omgelegd.
Wanneer met de auto wordt gereden met niet goed
omgelegde veiligheidsgordels, dan gaat het lampje
knipperen en klinkt er een geluidssignaal.
Raadpleeg het Lancia Servicenetwerk om het
geluidssignaal van het SBR-systeem( Seat Belt
Reminder) permanent te laten uitschakelen. Het
systeem kan opnieuw worden ingeschakeld via het
Setup-menu (zie de beschrijving in het hoofdstuk
"Kennismaking met de auto").LAADSTROOM ACCU
ONVOLDOENDE (rood)
(voor bepaalde versies/markten)
Wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt
gedraaid, gaat het lampje branden. Het moet
doven nadat de motor is gestart (als de motor
stationair draait, kan het voorkomen dat het
lampje iets later dooft).
Als het lampje continu blijft branden of knipperen
(bij sommige versies verschijnen een melding en
een symbool op de display), neem dan contact op
met het Lancia Servicenetwerk.
CONTINU BRANDEND:
MOTOROLIEDRUK TE LAAG (rood)
KNIPPEREND: MOTOROLIE
VERSLECHTERD
(alleen dieselmotoren met DPF - rood)
Wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt
gedraaid, gaat het lampje branden. Het moet
doven nadat de motor is gestart.
1. Onvoldoende motoroliedruk
Het lampje gaat continu branden en (voor
bepaalde versies/markten) verschijnt een melding
op de display wanneer het systeem een
onvoldoende motoroliedruk waarneemt.
BELANGRIJK
Wanneer het
lampje tijdens het
rijden gaat branden (bij sommige
versies verschijnt ook een melding op de
display), zet dan de motor onmiddellijk af
en neem contact op met het Lancia
Servicenetwerk.
158WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 161 of 307

2. Motorolie verslechterd
(alleen dieselmotoren met DPF)
Het lampje knippert en er verschijnt een melding
op de display (voor bepaalde versies/markten).
Afhankelijk van de versie kan het lampje kan op
verschillende manieren knipperen:
❒elke twee uur 1 minuut;
❒cycli van 3 minuten met intervallen van 5
seconden waarin het lampje niet brandt totdat
de olie wordt ververst.
Na de eerste melding zal, bij elke start van de
motor, het lampje blijven knipperen zoals
voorheen beschreven totdat de olie wordt ververst.
(Voor bepaalde versies/markten) verschijnt een
speciale melding op de display en gaat het
betreffende lampje branden.
Het knipperen van het lampje moet niet als een
storing worden beschouwd, maar wil de
bestuurder erop wijzen dat de motorolie moet
worden ververst na een normaal gebruik van de
auto.
Vergeet niet dat verslechtering van de motorolie
wordt versneld door:
❒overwegend stadsgebruik van de auto, waardoor
het DPF-regeneratieproces vaker moet worden
uitgevoerd;
❒gebruik van de auto voor korte ritten, waardoor
de motor niet helemaal op bedrijfstemperatuur
kan komen;
❒herhaald onderbreken van het
regeneratieproces, hetgeen wordt aangegeven
door het branden van het DPF-lampje.
BELANGRIJK
Wanneer het lampje gaat branden,
moet de afgewerkte motorolie zo
spoedig mogelijk, en elk geval binnen 500
km na ontsteking van het lampje, worden
ververst. Het niet naleven van deze instructie
kan de motor ernstig beschadigen en
derhalve de garantie voor de veroorzaakte
schade ongeldig maken. Vergeet niet dat het
branden van dit lampje niets te maken
heeft met het oliepeil in de motor; voeg dus
absoluut geen motorolie toe als het lampje
begint te knipperen.
KOELVLOEISTOF
Door de contactsleutel in de stand MAR-ON te
draaien, gaat het lampje op het
instrumentenpaneel branden. Enkele seconden na
het starten van de motor moet dit lampje doven.
159WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
TEMPERATUURTE
HOOG (rood)
Het lampje gaat branden (bij sommige versies
verschijnen een melding en een symbool op de
display) als de motor oververhit raakt.
Page 165 of 307

STORING ELEKTRISCHE
STUURBEKRACHTIGING
“DUALDRIVE” (rood)
Wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt
gedraaid, gaat dit lampje branden. Het moet
doven kort nadat de motor is gestart.
Als het lampje (of, bij sommige versies, de
melding en het symbool op de display) blijft/
blijven branden, zou de elektrische
stuurbekrachtiging niet meer kunnen werken
waardoor aanzienlijk meer inspanning nodig is om
de auto te besturen. Het sturen blijft echter wel
mogelijk. Neem in dat geval contact op met het
Servicenetwerk.
BELANGRIJK Onder bepaalde omstandigheden
kan het branden van het lampje op het
instrumentenpaneel te wijten zijn aan andere
factoren dan de elektrische stuurbekrachtiging.
Breng in dergelijke gevallen de auto tot stilstand,
zet de motor af en wacht ongeveer 20 seconden
alvorens de motor opnieuw te starten. Als het
lampje (of bij sommige versies, een melding en een
symbool op de display) continu blijft/blijven
branden, neem dan contact op met het Lancia
Servicenetwerk.
BELANGRIJK Als de accu werd losgekoppeld
moet de stuurbekrachtiging worden
geïnitialiseerd. Het lampje gaat branden om dit
aan te geven. Ga hiervoor als volgt te werk: draai
het stuurwiel van het ene uiteinde naar het andere
terwijl op een rechtlijnig traject van ongeveer
honderd meter wordt gereden.
CRUISE CONTROL (groen)
(voor bepaalde versies/markten)
Wanneer de contactsleutel in de stand MAR wordt
gedraaid, gaat dit lampje branden. Het moet
doven kort nadat de motor is gestart als de cruise
control uitgeschakeld is.
Het lampje gaat branden wanneer de draaiknop
van de cruise control in de stand ON wordt
gedraaid (zie de paragraaf “Cruise Control” in het
hoofdstuk "Kennismaking met de auto"); Bij
sommige versies verschijnt een speciale melding
op de display.
163WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 166 of 307

DPF (ROETFILTER) WORDT
SCHOONGEMAAKT
(alleen dieselmotoren met DPF) (geel)
Door de contactsleutel in de stand MAR-ON te
draaien, gaat het lampje op het
instrumentenpaneel branden. Enkele seconden na
het starten van de motor moet dit lampje doven.
Het lampje gaat continu branden (bij sommige
versies verschijnen ook een melding en een
symbool op de display) om de bestuurder te
waarschuwen dat het DPF-systeem bezig is met
het verwijderen van de opgehoopte vervuilende
deeltjes (roet) middels regeneratie.
Het lampje zal niet bij elk DPF-regeneratieproces
branden, maar alleen als de rijomstandigheden
van die aard zijn dat de bestuurder hiervan op de
hoogte zou moeten zijn. De auto moet tot aan
het einde van het regeneratieproces in beweging
blijven opdat het lampje dooft.
Een regeneratieproces duurt gemiddeld 15
minuten. De optimale condities voor afronding
van het regeneratieproces worden bereikt door een
rijsnelheid van 60 km/u aan te houden met een
toerental boven 2000/min.Als dit lampje gaat branden, wijst dit niet op een
storing in de auto en moet de auto niet naar een
werkplaatsen worden gebracht. Wanneer het
lampje gaat branden, verschijnt er een specifieke
melding op de display (voor bepaalde versies/
markten, indien van toepassing).
BELANGRIJK
Pas de rijsnelheid aan de
verkeerscondities en
weersomstandigheden aan en neem de
wegenverkeerswetgeving in acht. De motor
afzetten terwijl het DPF lampje brandt is
toegestaan, maar het meermaals
onderbreken van het regeneratieproces kan
leiden tot voortijdig kwaliteitsverlies van
de motorolie. Daarom wordt steeds
aanbevolen te wachten tot het lampje is
gedoofd alvorens de motor af te zetten, zoals
voorheen beschreven. Het wordt sterk
afgeraden de DPF-generatie bij stilstaande
auto te voltooien.
164WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 169 of 307

LINKER RICHTINGAANWIJZER
(groen) (knipperend)
Het lampje gaat branden wanneer de
richtingaanwijzer-hendel omlaag of omhoog wordt
verplaatst of wanneer de drukknop voor de
alarmknipperlichten wordt ingedrukt.RECHTER RICHTINGAANWIJZER
(groen) (knipperend)
Het lampje gaat branden wanneer de
richtingaanwijzer-hendel omhoog wordt verplaatst
of, samen met de linker richtingaanwijzer,
wanneer de drukknop voor de
alarmknipperlichten wordt ingedrukt.ELEKTRISCHE
STUURBEKRACHTIGING
“DUALDRIVE” AAN (groen)
Het opschrift CITY verschijnt (bij sommige versies
verschijnt een pictogram op de display) als de
elektrische stuurbekrachtiging “dualdrive” wordt
ingeschakeld. Druk hiervoor op de betreffende
knop A (zie paragraaf “elektrische
stuurbekrachtiging Dualdrive” in het hoofdstuk
"Kennismaking met de auto"). Druk nogmaals op
de knop om het CITY opschrift (of het pictogram
op de display) uit te schakelen.
PORTIEREN/MOTORKAP/
BAGAGERUIMTE OPEN
Het lampje gaat branden (bij sommige versies
verschijnen ook een melding en een pictogram op
de display) wanneer één of meerdere portieren,
de motorkap of de achterklep niet goed gesloten
zijn. Bij geopende portieren en als de auto rijdt
wordt een geluidssignaal voortgebracht.
START&STOP SYSTEEM INSCHAKELEN/
UITSCHAKELEN
STORING START&STOP SYSTEEM
Start&Stop systeem inschakelen
Er verschijnt een melding wanneer het Start&Stop
systeem wordt ingeschakeld. In deze
omstandigheid is de led op de
knop op het
instrumentenpaneel gedoofd (zie “Start&Stop” in
het hoofdstuk "Kennismaking met de auto").
Start&Stop systeem uitschakelen
❒Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel
display:wanneer het Start&Stop systeem wordt
uitgeschakeld, verschijnt een melding op de
display.
❒Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel
display:wanneer het Start&Stop systeem wordt
uitgeschakeld, verschijnt het symbool
op de
display.
167WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
De led op de
knop brandt wanneer het systeem
is uitgeschakeld.
Page 173 of 307

BELANGRIJK Verbind de minklemmen van de
twee accu’s niet rechtstreeks met elkaar: eventuele
vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat
uit de accu kan ontsnappen. Als de hulpaccu
in een andere auto is geïnstalleerd, moet
accidenteel contact tussen de metalen delen van
beide auto's vermeden worden.
Gebruik nooit een accusnellader om de
motor te starten, aangezien deze de
elektronische systemen kan
beschadigen, met name de regeleenheden van
de ontsteking en de inspuiting.
BELANGRIJK
Deze procedure moet door ervaren
personeel verricht worden, aangezien
verkeerde handeldingen elektrische
ontladingen van aanzienlijke kracht kunnen
veroorzaken. Bovendien is accuvloeistof
giftig en corrosief: vermijd contact met huid
en ogen. Houd open vuur en brandende
sigaretten uit de buurt van de accu en
veroorzaak geen vonken.ROLLEND STARTEN
Probeer de motor nooit te starten door de auto te
duwen, te slepen of van een helling af te laten
rijden.
BELANGRIJK Onthoud dat de rembekrachtiging
en de elektrische stuurbekrachtiging niet werken
zolang de motor niet is gestart. Om die reden is
meer kracht benodigd voor de bediening van het
rempedaal en het stuur.
171WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 180 of 307

"Fix&Go Automatic" kitDeze bandenreparatiekit bevindt zich in een
speciale houder in de bagageruimtefig. 121. In
deze houder zitten ook een schroevendraaier
en het trekoog.
De kit fig. 122 bevat:
❒busje A fig. 122 met afdichtmiddel, voorzien
van:
❒vulleiding B;
❒sticker C met het opschrift "max. 80 km/h”, na
de reparatie van de band aan te brengen op een
voor de bestuurder zichtbare plaats (op het
dashboard);
❒compressor D met drukmeter en
aansluitnippels, te vinden in de bagageruimte;❒informatiefolder (zie fig. 123), voor een correct
gebruik van de snelle bandenreparatiekit, die
vervolgens overhandigd moet worden aan het
personeel dat de band behandeld met FIX&GO
moet repareren;
❒een paar beschermende handschoenen in het
zijvak van de compressor;
❒adapters voor het oppompen van verschillende
elementen.
BELANGRIJK
Overhandig de informatiefolder aan
het personeel dat de band zal
repareren die behandeld is met de
bandenreparatiekit.
fig. 121
L0F0093
fig. 122
L0F0006
178WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER