display Peugeot 208 2015 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2015, Model line: 208, Model: Peugeot 208 2015Pages: 412, PDF Size: 9.11 MB
Page 33 of 412

31
208_nl_Chap01_instruments-bord_ed01-2016
F Selecteer het menu " Rijden ".
F
S
electeer de gewenste functie met uw
vinger.
Touchscreen
F Druk op de toets MENU om het
hoofdmenu weer te geven. Achtereenvolgens:
Actuele informatie
Actieradius
(km of miles)
Aantal kilometers dat u nog
met de resterende hoeveelheid
brandstof kunt rijden (berekend
op basis van het gemiddelde
verbruik over de laatste
afgelegde kilometers).
Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt, verschijnen
s treepjes op het display. Na het tanken van minimaal
5
liter brandstof wordt de actieradius opnieuw berekend en
weergegeven als deze meer dan 100
km bedraagt.
Actueel brandstofverbruik
(l/100 km of km/l of mpg)
Berekend over de laatste verstreken
seconden.
Stop & Star t-teller (volgens
uitvoering)
(minuten/seconden of uren/
minuten)
Deze functie wordt alleen weergegeven
bij snelheden vanaf 30
km/h.
Deze waarde kan variëren door een
gewijzigde rijstijl of het rijden op een
helling, waardoor het momentele
brandstofverbruik aanzienlijk kan wijzigen.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats als
tijdens het rijden de streepjes continu
worden weergegeven. Als uw auto is uitgerust met het Stop & Start-
systeem, registreert een teller hoelang de
STOP-stand tijdens een traject is geactiveerd.
De teller wordt, elke keer als u het contact met
de sleutel aanzet, weer op nul gezet.
1
Instrumentenpaneel
Page 42 of 412

Toegang tot de auto
40
208_nl_Chap02_ouvertures_ed01-2016
Van binnenuit
Vergrendelen
Het rijden met vergrendelde portieren
kan bij een noodgeval de toegang tot de
auto voor de hulpdiensten belemmeren.
Het lampje van de knop gaat branden.
Als één van de portieren is geopend of
niet goed is gesloten, werkt de centrale
vergrendeling van binnenuit niet. Bij vergrendeling /
supervergrendeling van buitenaf
Als de auto van buitenaf is vergrendeld of
als de supervergrendeling van buitenaf is
ingeschakeld, is de knop buiten werking.
F
T
rek de portierhandgreep aan de
binnenzijde naar u toe om de auto
te ontgrendelen.
F Als de supervergrendeling is ingeschakeld moet de
afstandsbediening of de sleutel worden
gebruikt om de auto te ontgrendelen.
Automatische centrale
vergrendeling
De portieren kunnen tijdens het rijden
automatisch worden vergrendeld (bij een
snelheid hoger dan 10
km/h).
Om deze functie in of uit te schakelen
(standaard is deze ingeschakeld):
F
D
ruk op de knop.
De portieren en de bagageruimte worden
vergrendeld.
Ontgrendelen
F Druk nogmaals op de knop.
Het lampje van de knop gaat uit. F
druk op de knop tot een geluidssignaal
klinkt en/of een melding op het display
wordt weergegeven.
Page 46 of 412

Toegang tot de auto
44
208_nl_Chap02_ouvertures_ed01-2016
Batterij vervangen
Batterij ref.: CR1620 / 3 V.
Als de batterij van de afstandsbediening leeg
is, wordt u gewaarschuwd door dit lampje op
het dashboard, een geluidssignaal, en een
melding op het display.
F Wip het deksel los door een kleine schroevendraaier in de uitsparing te steken.
F
T
il de deksel op.
F
V
erwijder de lege batterij.
F
P
laats de nieuwe batterij in de juiste
richting.
F
K
lik het deksel vast.
Gooi de lege batterijen van de
afstandsbediening niet weg: ze bevatten
metalen die schadelijk zijn voor het milieu.
Lever lege batterijen in bij een speciaal
verzamelpunt.
Storing afstandsbediening
Synchroniseren
F Zet het contact af.
F
Z et de sleutel in de stand 2 (Contact).
F
D
ruk zo snel mogelijk gedurende enkele
seconden op de vergrendelknop (gesloten
hangslot) van de afstandsbediening.
F
Z
et het contact af en ver wijder de sleutel
uit het contactslot.
De afstandsbediening werkt nu weer.
Na het losnemen en weer aansluiten van de
accukabels, het vervangen van de batterij
van de afstandsbediening of een storing in de
afstandsbediening kan de auto niet meer met
de afstandsbediening ontgrendeld, vergrendeld
en gelokaliseerd worden.
F
O
ntgrendel of vergrendel de auto eerst met
de sleutel in het slot.
F
S
ynchroniseer vervolgens de
afstandsbediening.
Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-
netwerk als de storing niet is verholpen.
Page 65 of 412

Ergonomie en comfort63
208_nl_Chap03_ergonomie-confort_ed01-2016
Instelling op een waarde van ongeveer 21 biedt
e en optimaal comfort. Desgewenst kunt u een
andere waarde instellen, die gebruikelijk tussen
18
en 24 ligt.
Het is raadzaam het verschil tussen de
instellingen links en rechts niet meer dan 3
te
laten bedragen.
Temperatuur
De bestuurder en voorpassagier kunnen de
temperatuur afzonderlijk naar wens instellen.
De op het display weergegeven waarde heeft
betrekking op een bepaald comfortniveau en
niet op de temperatuur in graden Celsius of
Fahrenheit.
F
D
uw de impulstoets omlaag
(blauw) om de waarde te
verlagen of omhoog (rood) om de
waarde te verhogen.
Automatische airconditioning met gescheiden regeling
Stand AUTO
Om bij koude motor de toevoer van
koude lucht te beperken, wordt de
ventilatie geleidelijk op het optimale
niveau gebracht.
Bij koud weer wordt de warme lucht
uitsluitend naar de voorruit, de zijruiten
en de beenruimte van de passagiers
verdeeld.
Voor het beste compromis tussen
thermisch comfort en een laag
geluidsniveau.
Voor een aangenaam comfort en een zo
laag mogelijk geluidsniveau, aangezien
de aanjagersnelheid beperkt wordt.
Voor een doeltreffende en
dynamische luchttoevoer.
F
D
ruk herhaaldelijk op de toets
"AUTO" . Het lampje gaat
branden zodra de toets wordt
ingedrukt; de ingeschakelde
stand verschijnt op het
display van de automatische
airconditioning.
Programma "comfort"
Inschakelen
UitschakelenF
D
ruk op de toets "lege ventilator"
van de luchtopbrengstregeling
tot het symbool van de ventilator
is verdwenen. Instellen
3
Page 67 of 412

Ergonomie en comfort65
208_nl_Chap03_ergonomie-confort_ed01-2016
Gebruik de luchtrecirculatie alleen
als dit echt nodig is (kans op beslaan
van de ruiten en vermindering van de
luchtkwaliteit).
Uitschakelen van het systeem
Toevoer van buitenlucht/luchtrecirculatie
F Druk op deze toets "gevulde ventilator" om de
luchtopbrengst te verhogen.
Luchtverdeling
F Druk op de toets "lege ventilator" tot het symbool van
de ventilator is verdwenen en
"---" wordt weergegeven.
Hierdoor worden alle functies van de
airconditioning uitgeschakeld.
Het thermische comfort wordt niet meer
geregeld. Door de rijwind blijft er nog wel een
kleine luchtstroom gehandhaafd.
F
Druk deze toets in om de lucht in het
interieur te laten recirculeren. Het
lampje van de toets gaat branden en
het symbool van de luchtrecirculatie
wordt weergegeven.
Deze stand dient om de toevoer van buitenlucht
bij stank en stofoverlast af te sluiten. De
luchtrecirculatie wordt automatisch ingeschakeld
als de ruitensproeiers worden geactiveerd.
F
D
ruk deze toets herhaaldelijk in
om de luchtstroom te verdelen
naar:
-
d
e voorruit, de zijruiten en de beenruimte,
-
d
e voorruit en zijruiten (ontwasemen of
ontdooien),
-
d
e middelste ventilatieroosters en
zijventilatieroosters,
-
de
middelste ventilatieroosters, de
zijventilatieroosters en de beenruimte,
-
d
e beenruimte.
Luchtopbrengst
Het symbool van de luchtopbrengst (ventilator) wordt
op het display weergegeven en wordt afhankelijk van
de ingestelde waarde geleidelijk voller.
F Druk op deze toets "lege ventilator" om de
luchtopbrengst te verlagen.
Vermijd het te lang rijden met een
uitgeschakeld systeem om te voorkomen dat de
ruiten beslaan of de luchtkwaliteit vermindert.
Inschakelen
Uitschakelen
Handmatige stand
Het is mogelijk één of meer functies van de
airconditioning handmatig in te stellen, terwijl
de overige functies automatisch worden
geregeld.
F
D
ruk zodra de omstandigheden
het toelaten de toets nogmaals
in om de toevoer van buitenlucht
weer te activeren en het beslaan
van de ruiten te voorkomen. Het
lampje van de toets gaat uit. Zodra u een instelling wijzigt, dooft het lampje
van de toets "AUTO"
.
Als u op de toets "gevulde
ventilator" drukt, wordt het
systeem weer ingeschakeld
waarbij de instellingen van vóór de
uitschakeling worden toegepast.
3
Page 74 of 412

Ergonomie en comfort
72
208_nl_Chap03_ergonomie-confort_ed01-2016
Aansluitingen - Connectiviteit
12V-aansluiting
F Til, wanneer u een accessoire van 12 V (maximaal vermogen: 120 W) wilt
aansluiten, het deksel op en sluit een
geschikte adapter aan.
Houd rekening met het maximale
vermogen van de aansluiting (anders kans
op beschadiging van uw accessoire).
USB-/Jack-aansluiting
Deze aansluitmodule, die bestaat uit een USB-
en een Jack-aansluiting, bevindt zich op de
middenconsole.
Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten,
zoals een iPod
® of een USB-stick.
Dankzij de aansluitmodule kunt u de
audiobestanden op uw draagbare apparatuur
beluisteren via de luidsprekers van uw
audiosysteem.
U kunt deze bestanden beheren met de toetsen
op het stuur wiel of het bedieningspaneel van
de autoradio en ze weergeven op het display
van het instrumentenpaneel. Raadpleeg voor meer informatie over
het gebruik van deze uitrusting de
rubriek "Audio en telematica".
Tijdens het gebruik van de USB-aansluiting kan
de draagbare apparatuur automatisch worden
opgeladen.
Tijdens het opladen wordt een melding
weergegeven als het stroomverbruik van het
externe apparaat groter is dan de door de auto
geleverde stroomsterkte.
Het aansluiten van elektrische
apparatuur die niet door PEUGEOT is
goedgekeurd, zoals een lader met USB-
aansluitingen, kan leiden tot storingen
in de werking van de elektrische
componenten van de auto, zoals een
slechte radio-ontvangst of storingen in
de weergave van de displays.
Page 81 of 412

79
Het parkeerlicht en het dimlicht worden
automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte
van de omgeving onvoldoende is of in
bepaalde gevallen dat de ruitenwissers worden
ingeschakeld.
De verlichting wordt uitgeschakeld als de
lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is
of nadat het wissen is gestopt.
Modus AUTO
Inschakelen
F Draai de ring in de stand "AUTO". Het
inschakelen wordt bevestigd door een
melding op het display.
Uitschakelen
F Draai de ring in een andere stand. Het uitschakelen wordt bevestigd door een
melding op het display.
Automatische follow me home-
verlichting
De koppeling van de automatische follow me
home-verlichting aan de automatische verlichting
biedt de volgende extra mogelijkheden:
- instellen van de duur van de follow me home-verlichting (15, 30 of 60 seconden),
-
a
utomatische inschakeling van de follow
me home-verlichting als de automatische
verlichting is ingeschakeld. Bij een storing in de lichtsensor
gaat de verlichting branden,
Als de lichtsensor bij mist of sneeuw
voldoende licht waarneemt, wordt
de verlichting niet automatisch
ingeschakeld.
Dek de met de regensensor
gecombineerde lichtsensor die zich in
het midden van de voorruit achter de
binnenspiegel bevindt, niet af. De aan
de sensor gekoppelde functies worden
dan niet meer bediend.
Configuratie
Druk op "MENU" om het
"HOOFDMENU" weer te geven.
Selecteer "Rijden" .
Selecteer "Secundaire pagina" .
Selecteer het tabblad
"Rijhulpsysteem" .
Activeer de functie "Follow me
home-verlichting" .
Selecteer "Configuratie auto"
.Uitschakelen
Inschakelen Deactiveer de functie "Follow me
home-verlichting"
.
wordt dit pictogram weergegeven op het
instrumentenpaneel en/of verschijnt een
melding op het display in combinatie met een
geluidssignaal.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
4
Verlichting en zicht
Page 85 of 412

83
Dagrijverlichting
De dagrijverlichting is verplicht in sommige
landen en wordt automatisch ingeschakeld
als de motor wordt gestart zodat de auto
overdag beter zichtbaar is voor de overige
weggebruikers.
LED-verlichting
Deze wordt automatisch ingeschakeld als de
motor wordt gestart.
Afhankelijk van het land van bestemming doet
deze verlichting dienst als:
-
d
agrijverlichting* en als parkeerlicht
's nachts (bij dagrijverlichting is de
lichtsterkte groter),
of als
-
p
arkeerlichten overdag en 's nachts.
*
F
unctie kan worden ingesteld via het
configuratiemenu van de auto. De dagrijverlichting is beschikbaar:
-
i
n landen waar dit volgens de wetgeving
verplicht is; het dimlicht brandt in
combinatie met de parkeerlichten en de
kentekenplaatverlichting; deze functie kan
niet worden uitgeschakeld.
-
i
n overige landen; er branden speciale
lichtunits (gloeilampen of LED's); deze
functie kan worden in- en uitgeschakeld via
het configuratiemenu van de auto.
De lichtschakelaar moet in de stand "0" of
"AUTO" (verlichting overdag) staan.
Het uitschakelen van de dagrijverlichting
vindt plaats als de lichtschakelaar wordt
bediend of als de motor weer wordt gestart;
het inschakelen van de dagrijverlichting vindt
onmiddellijk plaats.
De verlichting van de cockpit (instrumentenpaneel,
multifunctioneel display, bedieningspaneel
airconditioning, ...) gaat niet branden, behalve
wanneer deze bij donker automatisch wordt
ingeschakeld of wanneer de verlichting wordt
ingeschakeld (handmatig of automatisch).
4
Verlichting en zicht
Page 93 of 412

Veiligheid91
208_nl_Chap05_securite_ed01-2015
Antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische
remdrukregelaar (REF)
Trap het rempedaal bij een noodstop
krachtig en volledig in en laat het
niet los.
Zorg er bij vervanging van de wielen (banden
en velgen) voor dat wielen worden gemonteerd
die voor uw auto zijn gehomologeerd.
De normale werking van het
antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn
door het trillen van het rempedaal.
Als dit lampje blijft branden, duidt dit
op een storing in het ABS-systeem.
Als dit lampje gaat branden in
combinatie met de verklikkerlampjes
STOP
en ABS, een geluidssignaal
De normale remwerking van uw auto blijft
behouden. Rijd wel voorzichtig en matig uw
snelheid.
en een melding op het display, duidt dit op een
storing in de elektronische remdrukregelaar.
Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige
plaats stil.
Laat in beide gevallen zo snel mogelijk uw auto
controleren door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Dynamische stabiliteitscontrole
(CDS) en antispinregeling (ASR)
Deze systemen worden automatisch
ingeschakeld zodra de motor wordt gestart.
Gedurende een ingreep van de
dynamische stabiliteitscontrole of
de antispinregeling knippert het
desbetreffende verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel.
5
Page 120 of 412

Rijden
118
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Starten
Versnellingsbak Contact
Hang geen zware voor werpen aan de
sleutel of de afstandsbediening: dit kan
namelijk storingen aan het contactslot
veroorzaken.
Bovendien kunnen deze voorwerpen
bij het activeren van de airbag vóór
ernstige verwondingen veroorzaken.
In de originele sleutel is een gecodeerde chip
aangebracht. Als het contact wordt aangezet,
kan alleen worden gestart als de code van de
chip wordt gedetecteerd en herkend.
Deze diefstalbeveiliging blokkeert het
motormanagementsysteem zodra het contact
wordt afgezet en voorkomt zo het starten van
de motor bij een inbraak.
Elektronische startblokkering
Bewaar de sticker die u bij de aflevering
van uw auto samen met de sleutels is
overhandigd op een plaats buiten de
auto. Met behulp van deze sticker kan
de originele code in een nieuwe sleutel
worden geprogrammeerd.
Bij een storing in het systeem
wordt u gewaarschuwd door het
Handgeschakelde versnellingsbak
F Zet de versnellingshendel in de neutraalstand.Praktische informatie
Automatische transmissie
F Zet de selectiehendel in de stand P of N .
Elektronisch gestuurde
versnellingsbak
F Zet de selectiehendel in de stand N.
Stuurwiel
In bepaalde gevallen (bijvoorbeeld als
de wielen niet in de rechtuitstand staan)
moet veel kracht worden gezet bij het
draaien aan het stuurwiel.
Starten
F Steek de sleutel in het contactslot. H
et systeem herkent de code van de
startblokkering.
F
O
ntgrendel het stuurslot door gelijktijdig aan
het stuur wiel en aan de sleutel te draaien.
F
D
raai de sleutel maximaal rechtsom in de
stand 3
(Star ten).
F
L
aat zodra de motor draait de sleutel los. verklikkerlampje in combinatie met een
geluidssignaal en de melding op het display.
Uw auto kan dan niet gestart worden. Raadpleeg
zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk.