portier Seat Alhambra 2016 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2016, Model line: Alhambra, Model: Seat Alhambra 2016Pages: 340, PDF Size: 7.27 MB
Page 34 of 340

De essentie
uitgeschakeld of de wagen wordt vergren-
del d, w
orden de per
soonlijke comfortinstel-
lingen opgeslagen en automatisch toegewe-
zen aan de sleutel van de wagen ››› pag. 26.
De persoonlijke comfortinstellingen van de
volgende menu-opties worden toegewezen
aan de sleutel van de wagen:
■ Menu Interieurvoorverwarming
■ Menu Configuratie
■ Tijd
■ Taal
■ Eenheden
■ Menu Comfortinstellingen
■ Openen van de portieren (individuele
opening, Auto Lock)
■ Comfortbediening van de ruiten
■ Helling achteruitkijkspiegel
■ Menu Instellingen licht & zicht.
■Coming home en Leaving home
■ Licht voetenruimte
■ Comfortlichten
De opgeslagen instellingen worden automa-
tisch geactiveerd, pas bij het inschakelen van
het contact. Zie ook de informatie en advie-
zen met betrekking tot het geheugen van de
stoelen ›››
pag. 151. Snelheidsregelsysteem
Bediening v an het snelheidsregelsys-
teem (SRS)* Afb. 47
Links van de stuurkolom: bedienings-
s c
h ak
elaar en -elementen van de GRA. ●
GRA aanzetten: keuzehendel in stand 1 ›››
afb. 47 z etten. Het systeem wordt inge-
s
chakeld, maar regelt niet omdat geen enke-
le snelheid is geprogrammeerd.
● GRA activeren: drukken op de knop A ›››
afb. 47. B ew
aart en regelt de huidige snel-
heid.
● GRA tijdelijk uitzetten: hendel naar
2
› ›
› afb . 47 zetten en loslaten, of rem of
k
oppeling intrappen. Het snelheidsregelsys-
teem wordt tijdelijk uitgeschakeld.
● GRA opnieuw aanzetten: hendel naar
1
› ›
› afb . 47 zetten en loslaten. De opgesla-
g
en snelheid wordt opnieuw bewaard en ge-
regeld. ●
Geprogrammeerde s
nelheid verhogen tij-
dens GRA-regeling: hendel kort naar
+ brengen om de snelheid te verhogen in
int er
val
len van 10 km/u. Indien u deze inge-
drukt blijft houden, zal de wagen accelereren
tot de gewenste snelheid. Op het moment
dat de toets wordt losgelaten, is de actuele
snelheid in het geheugen opgeslagen.
● Geprogrammeerde snelheid verlagen tij-
dens GRA-re
geling: hendel kort naar
– brengen om de snelheid te verlagen in in-
t er
val
len van 10 km/u. Indien u deze inge-
drukt houdt, wordt de snelheid verlaagd door
het gaspedaal te blokkeren zonder dat de
remmen in werking treden. Op het moment
dat de toets wordt losgelaten, is de actuele
snelheid in het geheugen opgeslagen.
● GRA uitschakelen: hendel in stand 2 ›››
afb. 47 br en
gen. Het systeem wordt uitge-
schakeld en de opgeslagen snelheid gewist.
››› in Snelheidsregelsysteem gebrui-
ken op pag. 232
››› pag. 231 32
Page 35 of 340

De essentie
Controlelampjes C ontr
ol
e- en waarschuwingslampjesRode lampjes
Niet verder rijden!
De elektronische parkeerrem is
ingeschakeld, het peil van de
remvloeistof is te laag of het
remsysteem vertoont een sto-
ring.
››› pag.
197
Niet verder rijden!
Storing in het koelsysteem van
de motor.››› pag.
292
Niet verder rijden!
De motoroliedruk is te laag.››› pag.
289
Niet verder rijden!
Minstens één van de portieren
staat open of is niet goed geslo-
ten.››› pag.
125
Niet verder rijden!
De achterklep staat open of is
niet goed gesloten.››› pag.
128
Niet verder rijden!
Storing in stuurinrichting.››› pag.
191
De motor mag niet opnieuw ge-
start worden!
Peil van "AdBlue" te laag.›››
pag.
283
de bestuurder of voorpassagier
heeft de veiligheidsgordel niet
om.›››
pag.
66
Trap het rempedaal in!
Schake-
len
››› pag.
202
Remmen
››› pag.
197
Generator defect.›››
pag.
298 Gele lampjes
Remblokken voor versleten.
›››
pag.
197
brandt: ESC defect of uitgescha-
keld.
knippert: ESC actief.
ASR handmatig buiten werking
gesteld.
Storing in ABS, of werkt niet.
Storing in elektronische parkeer-
rem.›››
pag.
197
Mistachterlicht aan.›››
pag.
135
brandt: Rijlicht geheel of gedeel-
telijk defect.›››
pag.
94
knippert: Storing in het systeem
van de bochtenverlichting.››› pag.
135
brandt of knippert
: storing in uit-
laatgascontrolesysteem.
››› pag.
211
brandt: voorverwarmen van de
dieselmotor.
knippert: storing in het diesel-
motormanagement.
Storing in het benzinemotorma-
nagement.
Roetfilter verstopt.
storing in stuurinrichting.›››
pag.
191
Bandenspanning te laag.›››
pag.
302
Storing in indicator bandenspan-
ning.››› pag.
245
Het vloeistofpeil voor het wassen
van de spiegels is te laag.›››
pag.
142
Brandstoftank bijna leeg.›››
pag.
278
knippert: motoroliesysteem de-
fect.›››
pag.
289
brandt: motoroliepeil te laag.
Storing in het systeem van air-
bags en gordelspanners.›››
pag.
74
De voorairbag van de bijrijder is
uitgeschakeld (
).
››› pag.
74» 33
Page 64 of 340

Vastzetten
Veiligheidsgordels W aar
om v
eiligheidsgordels
Inleiding tot thema Controleer regelmatig de toestand van alle
veiligheid
sg
ordels. Als beschadigingen van
het riemweefsel, de gordelverbindingen, de
oprolautomaat of het slotgedeelte worden
vastgesteld, moet de betreffende veiligheids-
gordel onmiddellijk door een gespecialiseer-
de werkplaats worden vervangen ››› . De
g e
spec
ialiseerde werkplaats moet de ge-
schikte onderdelen gebruiken voor de wa-
gen, uitvoering en het modeljaar. SEAT raadt
u aan de Technische Dienst te raadplegen. ATTENTIE
Veiligheidsgordels die niet of slecht omge-
ges pt
zijn, verhogen het risico van ernstig of
zelfs dodelijk letsel. De optimale bescher-
mende werking wordt alleen gewaarborgd als
u ze juist draagt en gebruikt.
● Veiligheidsgordels zijn de efficiëntste mid-
delen om het ris
ico op ernstig of zelfs dode-
lijk letsel te verminderen bij een ongeval. Om
de voorpassagier en alle andere inzittenden
te beschermen, moeten de veiligheidsgordels
altijd correct vastgemaakt zijn wanneer de
wagen in beweging is.
● Alle inzittenden moeten vóór vertrek een
correcte
zithouding innemen, de veiligheids- gordel van hun plaats juist omgespen en die
onder het rijden blij
v
en dragen. Dit geldt ook
voor alle inzittenden op trajecten in de stad.
● Kinderen in de wagen moeten beveiligd
worden met een bev
estigingssysteem dat
aangepast is aan hun gewicht en grootte, en
met de veiligheidsgordels correct omgegespt
››› pag. 76.
● Begin niet te rijden alvorens alle inzitten-
den hun vei
ligheidsgordel correct hebben
omgegespt.
● Steek de slotgesp steeds in het overeen-
komstige s
toelslot en zorg ervoor dat die
vastklikt. Het gebruik van een gordelslot dat
niet overeenkomt met de stoel vermindert de
bescherming en kan ernstig letsel veroorza-
ken.
● Voorkom dat vloeistoffen of vreemde voor-
werpen in het klik
element van de sloten ge-
morst kunnen worden. Dit kan de werking van
de sloten en de veiligheidsgordels schaden.
● Maak de veiligheidsgordel nooit los onder
het rijden.
● Gebruik de g
ordel steeds voor slechts één
persoon teg
elijk.
● Reis nooit met baby's of kinderen op
schoot of
omgegespt met dezelfde gordel.
● Rijd nooit met dikke en losse kledingstuk-
ken, bijv
. een jas over een vest, aangezien die
de passing en correcte werking van de veilig-
heidsgordel bemoeilijken. ATTENTIE
Beschadigde veiligheidsgordels vormen een
belangrijk g
evaar en kunnen ernstig of dode-
lijk letsel veroorzaken.
● Voorkom beschadiging van de veiligheids-
gordel door ink
lemming tussen het portier of
in het stoelmechanisme.
● Indien het riemweefsel of andere delen van
de veiligheid
sgordel beschadigd zijn, kunnen
de gordels breken bij bruusk remmen of een
ongeval.
● Laat de veiligheidsgordels onmiddellijk
vervan
gen door gordels die goedgekeurd zijn
door SEAT voor de betreffende wagen. Veilig-
heidsgordels die tijdens een ongeval worden
belast en daardoor worden opgerekt, moeten
door een gespecialiseerde werkplaats worden
vervangen. Vervanging kan noodzakelijk zijn,
ook al lijken er geen zichtbare beschadiging
te zijn. Controleer voorts de verankeringen
voor de veiligheidsgordels.
● Probeer nooit om de veiligheidsgordels zelf
te repar
eren, te veranderen of uit te bouwen.
Alle reparaties aan veiligheidsgordels, oprol-
automaten en gordelsloten moeten plaatsvin-
den in een gespecialiseerde werkplaats. 62
Page 73 of 340

Airbagsysteem
vervangen door nieuwe onderdelen die door
SEAT g
oedg
ekeurd zijn voor de wagen.
● Laat reparaties en wijzigingen aan de wa-
gen uitvoer
en door een gespecialiseerde
werkplaats. De gespecialiseerde werkplaat-
sen beschikken over de noodzakelijke ge-
reedschappen, diagnose-apparatuur, repara-
tie-informatie en gekwalificeerd personeel.
● Bouw nooit airbagonderdelen in die gerecy-
cled of afk
omstig zijn van gebruikte wagens.
● Voer nooit veranderingen uit aan de onder-
delen van het
airbagsysteem. ATTENTIE
Wanneer de airbags afgaan kan fijn stof vrij-
komen. Dit i s
normaal en geen teken van vuur
in de wagen.
● Dit fijnstof kan de huid en ogen irriteren en
ademhalin
gsmoeilijkheden veroorzaken,
vooral bij personen die lijden aan astma of
andere aandoeningen van de luchtwegen. Om
de ademhalingsmoeilijkheden te verminde-
ren, verlaat de wagen en open portieren en
ruiten voor de ventilatie van het interieur.
● Als u in aanraking komt met het stof, was
uw handen en gez
icht met een milde zeep en
water vóór de volgende maaltijd.
● Voorkom dat het stof in aanraking komt
met de ogen of met
open wonden.
● Spoel uw ogen met water uit als er stof in
gekomen is. ATTENTIE
Door schoonmaakmiddelen met oplosmidde-
len wor dt
het oppervlak van de airbagmodu-
les poreus. Als de airbag bij een ongeval af-
gaat, kan het loskomen van plastic onderde-
len ernstig letsel veroorzaken.
● Reinig het dashboard en het oppervlak van
de airbagmodule
s nooit met schoonmaak-
middelen met oplosmiddelen. Beschrijving van het airbagsysteem
Het airbagsysteem is geen vervanging van de
v
ei
ligheid sg
ordel! Het airbagsysteem biedt
in combinatie met de veiligheidsgordels een
bijkomende bescherming voor de bestuurder
en bijrijder.
Het airbagsysteem bestaat (afhankelijk van
de installatie) uit de volgende modules:
● Elektronisch regelapparaat
● Voorairbags voor de bestuurder en bijrijder
● Knie-airbag voor de bestuurder
● Zijairbags
● Hoofdairbags
● Controlelampje van de airbag in het in-
s
trumentenpaneel
● Sleutelschakelaar voor de voorairbag van
de bijrijder ●
Control
elampje voor het uitschakelen/in-
schakelen van de voorairbag.
De werking van het airbagsysteem wordt
elektronisch gecontroleerd. Telkens wanneer
het contact wordt ingeschakeld, gaat het air-
bagcontrolelampje enkele seconden branden
(zelfdiagnose).
Er is een storing in het systeem als het con-
trolelampje :
● gaat niet branden wanneer het contact
wordt in
geschakeld,
● niet na ca. vier seconden uitgaat nadat het
contact w
erd ingeschakeld,
● weer gaat branden nadat het contact werd
inges
chakeld en het controlelampje uitging,
● gaat branden of knipperen tijdens het rij-
den.
Het airbagsy
steem wordt niet geactiveerd
bij:
● uitgeschakeld contact,
● lichte frontale botsingen,
● lichte botsingen van opzij;
● botsingen van achteren;
● over de kop slaan. »
71
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 74 of 340

Vastzetten
ATTENTIE
● De max im
ale beschermende werking van de
veiligheidsgordels en het airbagsysteem
wordt alleen bij een correcte zitpositie be-
reikt ››› pag. 58.
● Als er een storing in het airbagsysteem is,
moet het sys
teem direct in een werkplaats
van een officiële dealer worden gecontro-
leerd. Anders bestaat het gevaar dat de air-
bags bij een botsing helemaal niet of niet op-
timaal worden geactiveerd. Activering van de airbag
De airbag wordt in een fractie van een secon-
de en met
hog
e snelheid op
geblazen om bij
een ongeval extra bescherming te kunnen
bieden.
Het airbagsysteem is enkel klaar voor werk-
ing met ingeschakeld contact.
In bijzondere omstandigheden van ongeval-
len kunnen verscheidene airbags tegelijk af-
gaan.
Bij lichte botsingen frontaal, van opzij of van
achteren, kantelen of doorrollen van het voer-
tuig, zullen de airbags niet afgaan.
Factoren van activering
Er kunnen geen algemene uitspraken worden
gedaan over de omstandigheden die leiden
tot het activeren van het airbagsysteem in elke situatie. Wel zijn er een aantal factoren
die een belangrijke r
ol spelen, zoals bijvoor-
beeld de eigenschappen van het voorwerp
dat botst tegen het voertuig (hard/zacht),
botshoek, rijsnelheid enz.
Doorslaggevend voor de activering van de
airbags is het traject van vertraging.
Het regelapparaat analyseert het traject van
de botsing en activeert het betreffende be-
vestigingssysteem.
Indien tijdens de botsing de gemeten vertra-
ging van het voertuig die daaruit volgt onder
de vooraf ingestelde referentiewaarden in het
regelapparaat blijft, zullen de airbags niet af-
gaan zelfs al kan het voertuig ernstig ver-
vormd worden.
Bij ernstige frontale botsingen worden de
volgende airbags geactiveerd
● Voorairbag van de bestuurder.
● Voorairbag van de bijrijder.
● Knie-airbag voor de bestuurder.
Bij ernstige bot
singen van opzij worden de
volgende airbags geactiveerd
● Zij-airbag vooraan aan de zijde van het on-
geval.
● Z
ij-airbag achteraan aan de zijde van het
ongeval
.
● Hoofdairbag aan de zijde van het ongeval. Bij een ongeval met activering van de airbag:
●
gaan de lampjes van het interieur branden
(indien de schak
elaar voor binnenverlichting
in portierschakelaarstand staat);
● worden de knipperlichten tegelijk inge-
schak
eld;
● worden alle portieren ontgrendeld;
● wordt de toevoer van brandstof naar de
motor afge
sloten.
Veiligheidsaanwijzingen voor
de airbags Voor
airbags Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
p
ag. 17. ATTENTIE
Het ontplooien van de airbag gebeurt in dui-
zends t
en van een seconde en met grote snel-
heid.
● Houd het werkingsgebied van de voorair-
bags s
teeds vrij.
● Maak nooit voorwerpen vast aan de dek-
sels noch in het
werkingsgebied van de air-
bagmodules, bv. blikjes- of telefoonhouders.
● Tussen de personen voorin en het wer-
kings
bereik van de airbag mogen zich verder72
Page 75 of 340

Airbagsysteem
geen personen, dieren of voorwerpen
bevinden.
●
Maak g
een enkel voorwerp aan de voorruit
aan de kant v
an de voorpassagier vast boven
de voorairbag.
● Plak geen stickers op de opgevulde plaat
van het st
uurwiel noch het oppervlak van de
voorairbagmodule in het dashboard aan de
zijde van de voorpassagier, noch deze delen
anderszins bedekken of veranderen. ATTENTIE
De voorairbags worden ontvouwen voor het
s tuur w
iel ›››
afb. 26 en het dashboard
››› afb. 27.
● Tijdens het rijden moet u het stuurwiel al-
tijd met beide handen aan de buit
enste rand
vasthouden: positie van 9 en 3 uur.
● Verstel de bestuurdersstoel zo dat er ten
minste 25 c
m ruimte is tussen uw borstkas en
het midden van het stuurwiel. Als het door
uw lichaamsbouw niet mogelijk is om hieraan
te voldoen, neem dan onmiddellijk contact op
met een gespecialiseerde werkplaats.
● Verstel de bijrijdersstoel zo dat de afstand
tussen de
voorpassagier en het dashboard zo
groot mogelijk is. Knie-airbag*
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
p
ag. 19. ATTENTIE
Het ontplooien van de airbag gebeurt in dui-
zends t
en van een seconde en met grote snel-
heid.
● De airbag voor de knieën wordt ontvouwen
voor de knieën van de be
stuurder. Houd het
werkingsgebied van de airbag voor de knieën
steeds vrij.
● Plaats geen voorwerpen op het deksel noch
in het werkin
gsgebied van de airbag voor de
knieën.
● Verstel de bestuurdersstoel zo dat min-
stens
10 cm (4 inch) ruimte tussen de knieën
en de airbag voor de knieën aanwezig is. Als
het door uw lichaamsbouw niet mogelijk is
om hieraan te voldoen, neem dan onmiddel-
lijk contact op met een gespecialiseerde
werkplaats. Zijairbags*
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
p
ag. 19. ATTENTIE
Het ontplooien van de airbag gebeurt in dui-
zends t
en van een seconde en met grote snel-
heid.
● Houd het werkingsgebied van de zijairbags
steeds
vrij.
● Tussen de inzittenden op de voorstoelen en
de buitens
te zitplaatsen en het werkingsge- bied van de airbags mogen zich geen andere
personen, dieren of
voorwerpen bevinden.
● Hang enkel lichte kledingstukken aan de
haken v
an de wagen. Laat geen zware of
scherpe voorwerpen achter in de zakken.
● Monteer geen accessoires in de portieren.
● Gebruik alleen stoelhoezen die goedge-
keurd z
ijn voor de wagen. Bij een ongeval zou
de zijairbag anders niet ontvouwen kunnen
worden. ATTENTIE
Een verkeerd gebruik van de bestuurders- en
b ijrijders s
toel kan de correcte werking van de
zijairbag beïnvloeden en ernstig letsel ver-
oorzaken.
● Bouw de voorstoelen nooit uit en wijzig
geen enkel onder
deel ervan.
● Door overmatige druk uit te oefenen op de
zijkanten
van de rugleuningen, is het moge-
lijk dat de zijairbags niet correct, helemaal
niet of onverwacht geactiveerd worden.
● Beschadigingen aan de originele stoelhoe-
zen of de naa
d in de module van de zijairbag
moeten direct door een gespecialiseerde
werkplaats worden gerepareerd. Hoofdairbags*
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
p
ag. 20. »
73
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 76 of 340

Vastzetten
ATTENTIE
Het ontplooien van de airbag gebeurt in dui-
zends t
en van een seconde en met grote snel-
heid.
● Houd het werkingsgebied van de hoofdair-
bags s
teeds vrij.
● Plaats geen voorwerpen op het deksel noch
in het werkin
gsgebied van de hoofdairbag.
● Tussen de inzittenden op de voorstoelen en
de buitens
te zitplaatsen en het werkingsge-
bied van de airbags mogen zich geen andere
personen, dieren of voorwerpen bevinden.
● Hang enkel lichte kledingstukken aan de
haken v
an de wagen. Laat geen zware of
scherpe voorwerpen achter in de zakken.
● Monteer geen accessoires in de portieren.
● Plaats geen gordijnen aan de ruiten die niet
uitdrukkelijk g
oedgekeurd zijn voor gebruik
in de wagen.
● Draai de rolgordijnen enkel naar de ruiten
indien geen enkel
voorwerp, bv. balpen of ga-
ragedeuropener, aan de gordijnen vastge-
maakt zijn. Airbags buiten werking stellen
C ontr
ol
elampje Afb. 92
Controlelampje in het dashboard voor
de uits c
h ak
eling van de voorairbag van de
voorpassagier.
Gaat branden in het instru-
mentenpaneel
Storing in het
systeem van air-
bags en gordel-
spanners.Laat het systeem onmiddellijk door
een specialist controleren.
Gaat branden in het dash-
board
Storing in het air-
bagsysteem.Laat het systeem onmiddellijk door
een specialist controleren.
Gaat branden in het dash-
board
Voorairbag van
de voorpassagier
buiten werking
gesteld.Controleer of de airbag uitgescha-
keld moet blijven
Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
gaan sommige c
ontr
ole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit.
Indien de voorairbag van de bijrijder uitge-
schakeld is en het controlelampje
niet blijft branden , of brandt samen
met het controlelampje van het instrumen-
tenpaneel, kan het zijn dat er een storing
aanwezig is in het airbagsysteem ››› .
ATTENTIE
In geval van storing van het airbagsysteem, is
het mogelijk d
at de airbag moeilijk, helemaal
niet of onverwacht afgaat. Dit kan ernstig of
zelfs dodelijk letsel veroorzaken.
● Laat het airbagsysteem onmiddellijk door
een gespec
ialiseerde werkplaats nakijken.
● Monteer nooit een kinderzitje op de voor-
stoel ›
›› pag. 81, of verwijder het ingebouw-
de kinderzitje! De voorairbag van de voorpas-
sagier zou ondanks het defect af kunnen
gaan bij een aanrijding. 74
Page 78 of 340

Vastzetten
Veilig vervoer van kinderen
V ei
lig v
ervoer van kinderen
Inleiding tot thema Lees aandachtig de aanvullende informatie
›››
p
ag. 20.
Om baby's en kinderen te vervoeren in een
kinderzitje of ander gordelsysteem voor kin-
deren geplaatst op de bijrijdersstoel, dient
eerst de informatie over het airbagsysteem
volledig gelezen te worden.
Deze informatie is van groot belang voor de
veiligheid van de bestuurder en alle andere
inzittenden, met name baby's en kinderen.
SEAT adviseert kinderzitjes uit het SEAT-ac-
cessoireprogramma te gebruiken. Deze kin-
derzitjes zijn voor het gebruik in SEAT-wa-
gens ontwikkeld en getest. Bij uw Technische
Dienst kunt u kinderzitjes met verschillende
gordelsystemen aanschaffen.
Gebruik een gordelsysteem voor kinderen
met steunplaat of voet
Sommige gordelsystemen voor kinderen wor-
den bevestigd aan de stoel door middel van
een steunplaat of voet. Voor sommige uitrus-
tingen kunnen bijkomende accessoires ver-
eist zijn (bijvoorbeeld, een element voor de
vloer) om het gordelsysteem voor kinderen
correct en veilig te bevestigen. ATTENTIE
Kinderen die niet of niet correct vastgemaakt
zijn, lopen het ri s
ico op ernstig of zelfs dode-
lijk letsel tijdens de rit.
● Als op de bijrijdersstoel een kinderzitje
wordt g
emonteerd, betekent dit bij een aan-
rijding een grotere kans op, mogelijk dode-
lijk, lichamelijk letsel bij het kind.
● Een geactiveerde bijrijdersairbag kan een
kinderzitj
e, dat met de rug naar het dash-
board is gekeerd, raken en dit met volle
kracht tegen het portier, de hemelbekleding
of de rugleuning werpen.
● Nooit een kinderzitje op de bijrijdersstoel
bevestig
en waarbij het kind met de rug naar
het dashboard is gekeerd en de frontairbag in
paraatheid is - levensgevaarlijk! Wanneer het
in uitzonderlijke gevallen noodzakelijk is een
kind op de bijrijdersstoel mee te nemen,
moet de frontairbag aan de bijrijderszijde
buiten werking worden gesteld ››› pag. 74. In-
dien de bijrijdersstoel over een hoogterege-
ling bezit, plaats deze dan zo ver mogelijk
naar achteren en in de hoogste positie. Als de
stoel over een vast zitje bezit, plaats daar
dan geen kinderzitje op.
● In de versies zonder sleutelschakelaar voor
het uitsc
hakelen van de airbag dient de uit-
schakeling door een Technische Dienst te
worden verricht.
● Kinderen t/m 12 jaar moeten altijd op de
zitplaat
sen achterin worden vervoerd. ●
Bevei lig k
inderen in de wagen altijd met
een goedgekeurd bevestigingssysteem dat
aangepast is aan hun gewicht en lengte.
● Gesp de veiligheidsgordel steeds correct
om bij de kinderen en l
aat hen een juiste zit-
houding aannemen.
● Zet de rugleuning rechtop wanneer op deze
plaats
een kinderzitje gebruikt wordt.
● Zorg ervoor dat het hoofd van het kind of
een ander lichaamsdeel nooit
in het wer-
kingsgebied van de zijairbags terecht kan ko-
men.
● Let op een correct gordelverloop.
● Draag baby's of kinderen nooit op schoot of
in de armen.
● Op elke zitplaats voor kinderen mag
slecht
s één kind tegelijk vervoerd worden.
● Als u een kinderzitje met basis of voet ge-
bruikt, dan moet u er altijd
voor zorgen dat
deze basis of voet correct en veilig inge-
bouwd is.
● Als de wagen in de voetenruimte voor de
laatst
e zitrij over een opbergvak beschikt,
dan kunt u dit opbergvak niet zoals bedoeld
is, gebruiken; integendeel: u moet het op-
bergvak met een speciaal accessoire vullen
zodat de basis of voet correct op het gesloten
opbergvak past en het kinderzitje volgens de
voorschriften vastgemaakt is. Als u een kin-
derzitje met basis of voet gebruikt en dit op-
bergvak niet goed vastmaakt, kan het op-
bergvak tijdens een ongeval breken en wordt
het kind uit het stoeltje gelanceerd. Dit kan
leiden tot ernstig letsel. 76
Page 86 of 340

Noodgevallen
Noodgevallen
Z elfhu
lp
In g ev
al van nood
EHBO-doos, gevarendriehoek en
brandblussers* Afb. 99
In de achterklep: steun voor de geva-
r endriehoek. Reflecterende vestjes
Sommig
e w
agen
s hebben een compartiment
in het portier van de bestuurder voor het be-
waren van een reflecterend vest ››› pag. 102.
Gevarendriehoek
Met de achterklep geopend, draait u de ver-
grendeling 90° ››› afb. 99. Steun omlaagklap-
pen en de gevarendriehoek verwijderen. EHBO-doos
In het opbergv
ak linksachter bevindt zich een
EHBO-doos ››› pag. 172.
De EHBO-doos moet voldoen aan de gelden-
de wettelijke voorschriften. Controleer de ver-
valdatum van de inhoud.
Brandblusser
Onder de bijrijdersstoel vindt u een brand-
blusser.
De brandblusser moet voldoen aan de gel-
dende wettelijke voorschriften, klaar voor ge-
bruik zijn en regelmatig worden geïnspec-
teerd. Controleer het certificeringzegel van de
blusser. ATTENTIE
Losse voorwerpen in het interieur kunnen bij
bruuske m anoeu
vres, plotseling remmen of
ongevallen hard door het interieur vliegen.
● Controleer of de brandblussers, EHBO-
doos, reflect
erende vesten en de gevarendrie-
hoek stevig in hun houders zitten. Wagengereedschap*
Pl aat
s Afb. 100
In de bagageruimte, gezien vanuit
de b innen
zijde
van de wagen: wagengereed-
schap in de holte van de slotplaat. Bij het nakijken van het voertuig in geval van
def
ect, moet
u rek
ening houden met de wet-
telijke voorschriften van elk land.
Naargelang de versie van het model kan het
wagengereedschap zich bevinden in de ba-
gageruimte, in de holte van de slotplaat
››› afb. 100. Maak de veiligheidsriemen los
en verwijder het wagengereedschap. In wa-
gens die in de fabriek uitgerust zijn met win-
terbanden, is er bijkomend gereedschap aan-
wezig in een gereedschapskist in de bagage-
ruimte.
84
Page 94 of 340

Noodgevallen
VOORZICHTIG
● Het sl eepoog moet
altijd helemaal en ste-
vig vastgedraaid zijn. Anders zou het sleep-
oog tijdens het slepen of het starten door te
slepen uit de behuizing kunnen raken.
● De wagens met sleepoog gemonteerd in de
fabriek mogen
alleen worden gesleept met
een sleepstang, speciaal ontworpen voor de
montage op een bolhaak. Zo niet, dan kunnen
het kogelscharnier en de wagen beschadigd
raken. Gebruik in plaats daarvan een sleep-
kabel. Rijadviezen bij het slepen
Het slepen vraagt enige oefening, vooral
w
anneer er een s
leepk
abel wordt gebruikt.
Beide bestuurders moeten met de bijzonder-
heden van het slepen vertrouwd zijn. Onge-
oefende bestuurders moeten hiervan afzien.
Zorg ervoor dat de bestuurder niet te veel
trekkracht of schokken genereert. Als er over
onverharde wegen wordt gesleept, bestaat
altijd het gevaar dat de bevestigingsdelen
overbelast raken.
Als de wagen gesleept wordt met de alarm-
lichten aan en ingeschakeld contact, kan het
knipperlicht gebruikt worden om de richting
aan te geven. Zet de hendel van de knipper-
lichten in de gewenste richting. Tijdens deze
tijdsduur, doven de alarmlichten uit. Wan-
neer u de hendel van de knipperlichten op- nieuw in neutrale stand zet, zullen de alarm-
lichten autom
atisch opnieuw inschakelen.
Bestuurder van de getrokken wagen ● Laat het contact ingeschakeld om te vermij-
den dat het s
tuurwiel wordt geblokkeerd, de
elektronische parkeerrem wordt uitgescha-
keld en om de knipperlichten, de claxon en
de ruitensproeiers te kunnen gebruiken.
● Omdat de stuurbekrachtiging niet werkt
met de motor uitg
eschakeld, moet u meer
kracht voor het sturen gebruiken.
● U dient de rem veel krachtiger in te trap-
pen, want de rembek
rachtiger werkt niet. Rij
niet tegen het trekkende voertuig.
● Volg de aanwijzingen en informatie in het
instructieboek
je van de te slepen wagen.
Bestuurder van de trekkende wagen
● Geef voorzichtig gas. Vermijd bruuske ma-
noeuvres.
● R
em iets vroeger dan gewoonlijk en trap
het rempedaal
zachtjes in.
● Volg de aanwijzingen en informatie in het
instructieboek
je van de gesleepte wagen. Noodsluiten of noodopenen
Inleiding t
ot thema Lees aandachtig de aanvullende informatie
›››
p
ag. 8, ›››
pag. 10
, ›››
pag. 13
De portieren, de achterklep en het panorama-
schuifdak kunnen manueel worden vergren-
deld en gedeeltelijk worden ontgrendeld, bij-
voorbeeld als de sleutel of de centrale ver-
grendeling defect is. ATTENTIE
Onvoorzichtig openen of sluiten in geval van
nood kan erns tig
e verwondingen veroorza-
ken.
● Als de wagen van buiten uit vergrendeld is,
kunnen de portier
en en de ruiten niet meer
van binnenuit worden geopend.
● Laat kinderen of hulpbehoevenden nooit al-
leen in de wagen ac
hter. Zij zijn in een nood-
geval niet in staat de wagen zelfstandig te
verlaten of zichzelf te redden.
● In een afgesloten wagen kan het, afhanke-
lijk van het
jaargetijde, zo extreem warm of
koud worden dat dit, vooral bij kleine kinde-
ren, tot ernstig letsel, ziekte of zelfs de dood
kan leiden. 92