portier Seat Alhambra 2016 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2016, Model line: Alhambra, Model: Seat Alhambra 2016Pages: 340, PDF Size: 7.27 MB
Page 180 of 340

Bedienen
VOORZICHTIG
Houd het vak van de cd-wisselaar gesloten
tijdens het rijden, aan
gezien de trillingen de
cd-wisselaar kunnen beschadigen. Let op
In het vak aan de linkerzijde van de koffer-
ruimte acht erin bev
indt zich de verbandtrom-
mel. Bekerhouder
In l
eidin g t
ot themaFlessenhouder
In de open
v
akk en
van de bestuurders- en
bijrijdersportieren, alsook in dat van de
schuifdeur, bevindt zich een flessenhouder. ATTENTIE
Verkeerd gebruik van de bekerhouders kan
leiden tot l
etsel.
● Geen hete dranken in de blikjeshouder zet-
ten. Tijdens
het rijden kunnen door remmen
of bruusk manoeuvreren hete dranken om-
slaan en brandwonden veroorzaken.
● Zorg ervoor dat tijdens het rijden geen fles-
sen of andere v
oorwerpen in de voetenruimte
van de bestuurder kunnen vallen. Die zouden
de pedalen kunnen blokkeren. ●
Plaats nooit
grote verpakkingen, voedsel of
andere zware voorwerpen in de bekerhouder.
Bij een ongeval kunnen deze zware voorwer-
pen "door het interieur" geslingerd worden
en ernstig letsel veroorzaken. ATTENTIE
Gesloten flessen in het interieur van de wa-
g en ku nnen b
ij hoge of lage temperaturen
barsten of ontploffen.
● Laat nooit een gesloten fles in de wagen
achter al
s het er te heet of te koud is. VOORZICHTIG
Laat tijdens het rijden geen open verpakkin-
gen in de blik j
eshouders. Die kunnen tijdens
het remmen bijv. uitlopen en schade veroor-
zaken in de wagen en aan het elektrische
systeem. Let op
De blikjeshouders kunnen uitgenomen wor-
den om ze t e r
einigen. Bekerhouders in de middenconsole
Afb. 189
Middenconsole voorin: bekerhouder. ●
Om te open en, verplaatst u het deksel naar
ac hter
en ››› afb. 189.
● Om te sluiten, verplaatst u het deksel naar
voren.
178
Page 181 of 340

Vervoeren en praktische uitrustingen
Blikjeshouders, achter* Afb. 190
Achterste gedeelte van middencon-
so l
e: de b lik
jeshouder openklappen. De blikjeshouder van de middenconsole ach-
t
erin openen en s
luiten
● Om t
e openen, klapt u de blikjeshouder
naar onderen, in de ric
hting van de pijl
››› afb. 190.
● Om te sluiten, beweegt u de blikjeshouder
naar bov
en.
De derde zitrij is uitgerust met een blikjes-
houder in het vak van de zijbekleding, ach-
terin links. Asbak en sigarettenaansteker*
Asbak Afb. 191
Middenconsole voorin: asbak geslo-
t en. In het voorste gedeelte van de middenconso-
l
e
›
››
afb. 191 en in de zijbekleding van de
achterportieren kan een asbak ingebouwd
zijn.
Asbak openen of sluiten
● Om te openen heft u het deksel van de as-
bak op
.
● Om te sluiten, duwt u het deksel van de as-
bak n
aar onderen.
Asbak legen
● Haal de asbak uit de bekerhouder of de zij-
bekleding
van de portieren door deze omh-
oog te trekken. ●
Zet na het
legen de asbak van boven af in
de bekerhouder of zijbekleding van de por-
tieren. ATTENTIE
Verkeerd gebruik van de sigarettenaansteker
kan brand of br
andwonden, en ander ernstig
letsel veroorzaken.
● Leg nooit papier of andere brandbare voor-
werpen in de asb
ak. Sigarettenaansteker
Afb. 192
Middenconsole voorin: sigarette-
n aan
st
eker. Afhankelijk van de uitvoering kan er in het
v
oor
st
e gedeelte van de middenconsole
››› afb. 192, of in het voorste gedeelte van de
middenconsole een sigarettenaansteker in-
gebouwd zijn. »
179
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 194 of 340

Bedienen
Informatie over de stuurkolom Stuurkolom elektronisch vergrendelen
Wagen
s
met Keyless Access: de stuurkolom
wordt vergrendeld als het bestuurdersportier
wordt geopend terwijl het contact is uitge-
schakeld. Hiertoe moet de wagen zijn stilge-
zet en in geval van een automatische versnel-
lingsbak moet de keuzehendel in stand P zijn
gezet.
Als u eerst het bestuurdersportier en vervol-
gens het contact uitschakelt, wordt de elek-
tronische stuurkolomvergrendeling via het
contactslot of de in de portiergreep geïnte-
greerde sensor geactiveerd.
Stuurkolom mechanisch vergrendelen
Om pogingen tot diefstal van de wagen te
voorkomen, wordt aangeraden de stuurko-
lom vóór het uitstappen, te vergrendelen.
Stuurkolom vergren-
delenStuurkolom ontgren-
delen
Inparkeren ››› pag. 197.Draai het stuurwiel licht
om de stuurkolomvergren-
deling op te heffen.
De contactsleutel uit het
contactslot trekken.Sleutel in contactslot ste-
ken.
Draai het stuurwiel licht
tot u hoort dat de stuurko-
lom vergrendeld wordt.Houd het stuurwiel in deze
stand en schakel het con-
tact in. Elektromechanische besturing
In w
ag
ens
met een elektromechanische
stuurinrichting wordt de stuurbekrachtiging
automatisch aan de rijsnelheid en de draai-
hoek van het stuur en de wielen aangepast.
De elektromechanische stuurinrichting werkt
alleen bij draaiende motor.
Bij geheel of gedeeltelijk uitgevallen stuurbe-
krachtiging moet u er rekening mee houden
dat u voor het sturen aanzienlijk meer kracht
nodig heeft dan gewoonlijk.
Tegensturingssysteem
Het tegensturingssysteem helpt de bestuur-
der in gevaarlijke situaties. Hiertoe helpen
extra krachten in de stuurinrichting de be-
stuurder bij het tegensturen. ATTENTIE
Het tegensturingssysteem en de ESC helpen
de best uur
der de wagen te besturen in ge-
vaarlijke situaties. In alle situaties is het de
bestuurder die de wagen moet besturen. Het
tegensturingssysteem bestuurt de wagen
niet. Motor starten en stoppen
In l
eidin g t
ot thema Indicatie wegrijblokkering
Als
u een niet
-passende sleutel gebruikt of
als er een systeemstoring optreedt, wordt
of Wegrijblokkering actief in het
instrumentenpaneel weergegeven. De motor
kan niet worden gestart.
Duwen of slepen
De wagen kan om technische redenen door
aanslepen niet worden geduwd of gestart.
Probeer in plaats hiervan de wagen met be-
hulp van startkabels te starten. ATTENTIE
Als u de motor tijdens het rijden uitzet, is de
wagen moei lijk
er te stoppen; u kunt dan de
controle over de wagen verliezen en een ern-
stig ongeval veroorzaken.
● De remhulpsystemen, de stuurbekrachti-
ging, het airbag
systeem, de veiligheidsgor-
dels en bepaalde veiligheidsvoorzieningen
zijn alleen actief als de motor draait.
● Zet de motor alleen uit wanneer de wagen
stils
taat. 192
Page 196 of 340

Bedienen
●
Trek de s
leutel nooit uit het contactslot zo-
lang de wagen nog in beweging is. De stuur-
inrichting kan vergrendeld raken en het
stuurwiel kan niet meer worden gedraaid. Let op
● Als de s
leutel zich in het contactslot be-
vindt en de motor langere tijd uitstaat, ont-
laadt de accu zich.
● In wagens met automatische versnellings-
bak kan de sl
eutel alleen uit het contactslot
getrokken worden als de keuzehendel in de
stand P staat. Druk in dit geval de vergrende-
lingsknop van de keuzehendel in en laat de
knop los. Startknop
Afb. 199
In de middenconsole: startknop van
het sluit
- en s
tartsysteem zonder sleutel Key-
less Access. Bij wagens met rechts stuur is de
opstelling symmetrisch. Afb. 200
Noodstarten in wagens met Keyless
Acc e
ss. De startknop mag enkel gebruikt worden als
er een p
a
ssende s
leutel in de wagen aanwe-
zig is.
Door het bestuurdersportier te openen wan-
neer u de auto verlaat , wordt de stuurkolom
elektronisch vergrendeld als het contact is
uitgeschakeld ››› pag. 191.
Het contact inschakelen of uitschakelen
● Druk de startknop ››› afb
. 199 één keer kort
in zonder daarbij het koppelings- of rempe-
daal in te trappen ››› .
Nood s
topf
unctie
Als er in de wagen geen passende sleutel
herkend wordt, zult u een noodstop moeten
uitvoeren. Op het display van het instrumen-
tenpaneel verschijnt er dan een waarschu-
wingstekst. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer de batterij van de autosleutel
bijvoorbeel
d bijna leeg is of leeg is:
● Hou de autosleutel direct na het indrukken
van de star
tknop altijd bij de stuurkolom
››› afb. 200.
● Het contact wordt ingeschakeld en, zo no-
dig, slaat de mot
or automatisch aan.
Nooduitschakeling
Als de motor niet stopt door de startknop
kort in te drukken, dan moet een nooduit-
schakeling worden uitgevoerd:
● Druk binnen 1 seconde de startknop twee
keer in of druk de s
tartknop in en houd de
knop minimaal 2 seconden ingedrukt ››› .
● De motor gaat automatisch uit.
F u
nctie om de mot or w
eer te starten
Als er eenmaal de motor uitgezet is geen
passende sleutel in de wagen aangetroffen
wordt, kan de motor pas na 5 seconden weer
gestart worden. Op het display van het in-
strumentenpaneel wordt een waarschuwing
hieromtrent weergegeven.
Na die vijf seconden kan de motor niet meer
zonder een passende sleutel in de wagen ge-
start worden.
194
Page 201 of 340

Rijden
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele
sec onden g
aan de lamp
jes uit.ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ››› in Controle- en
waars c
huwingslampjes op pag. 110 in acht
nemen. ATTENTIE
Rijden met slechte remmen kan dit tot ernsti-
ge ong ev
allen leiden.
● Als het controlelampje van het remsysteem
niet dooft of
onder het rijden gaat bran-
den, is het remvloeistofpeil in het reservoir te
laag of er is sprake van een storing in het
remsysteem. Zet de wagen onmiddellijk stil
en roep de hulp in van gespecialiseerd perso-
neel ››› pag. 296, Remvloeistofpeil controle-
ren.
● Als het controlelampje van de remmen
samen met het ABS-c
ontrolelampje
brandt, kan de regelfunctie van het ABS zijn
uitgevallen. Hierdoor kunnen de achterwielen
relatief snel blokkeren als wordt geremd. Als
de achterwielen blokkeren, kunt u de controle
over de wagen verliezen! Verminder indien
mogelijk de snelheid en rij voorzichtig naar
de dichtstbijzijnde gespecialiseerde werk-
plaats om de motor te laten nakijken. Voor-
kom tijdens de rit naar de werkplaats bruusk
remmen en bruuske manoeuvres.
● Als het waarschuwingslampje van het ABS
niet uitgaat
of tijdens de rit naar de werk-
plaats gaat branden, dan werkt het ABS niet correct. De wagen kan alleen worden stilge-
zet met
norm
ale remmen (zonder ABS). De
bescherming die het ABS biedt, is niet meer
beschikbaar. Ga zo snel mogelijk naar een
gespecialiseerde werkplaats.
● Als de gaat branden, apart of in combi-
natie met een beric
ht op het display van het
instrumentenpaneel, ga dan onmiddellijk
naar een gespecialiseerde werkplaats om de
remblokken te controleren of eventuele ver-
sleten remblokken te vervangen. Elektronische parkeerrem
Afb. 201
Deel van de middenconsole: schake-
l aar
van el
ektronische parkeerrem. Elektronische parkeerrem inschakelen
D
e p
ark eerr
em kan wanneer de wagen stil-
staat altijd worden ingeschakeld, en ook
wanneer het contact is uitgeschakeld. Tel-
kens wanneer u de wagen verlaat of hebt ge-
parkeerd, moet u de parkeerrem inschakelen. ●
Trek de knop omhoog tot het controle-
l amp
je
op de knop gaat branden.
● De parkeerrem is ingeschakeld wanneer
het contro
lelampje op het instrumenten-
paneel ››› pag. 198 brandt.
Elektronische parkeerrem uitschakelen ● Contact inschakelen.
● Indrukken toets . Bij draaiende motor te-
g elijk
ertijd k
rachtig het rempedaal of licht
het gaspedaal intrappen.
● De controlemapjes op de knop en op
het instrument
enpaneel gaan uit.
Elektronische parkeerrem bij starten auto-
matisch uitschakelen
De elektronische parkeerrem wordt automa-
tisch uitgeschakeld als de wagen in bewe-
ging wordt gezet, als het bestuurdersportier
gesloten is en de bestuurder de veiligheids-
gordel heeft omgedaan. In het geval van wa-
gens met schakelbak moet daarnaast ook
het koppelingspedaal helemaal worden inge-
trapt voordat de motor wordt gestart zodat
het systeem weet dat de parkeerrem uitge-
schakeld moet worden.
Noodstopfunctie
Gebruik de noodstopfunctie alleen als u de
wagen niet met het rempedaal kunt stilzetten
››› !
»
199
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 219 of 340

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Starthulpsystemen In l
eidin g t
ot thema ATTENTIE
De intelligente techniek van de starthulpsys-
temen kan de n at
uurkundig bepaalde gren-
zen niet overwinnen. Ondanks de gemakken
die de starthulpsystemen bieden, mag u door
deze systemen nooit risico's lopen.
● Onbedoelde bewegingen van de wagen
kunnen erns
tig letsel veroorzaken.
● De starthulpsystemen kunnen de oplet-
tendheid van de be
stuurder nooit vervangen.
● Pas uw snelheid en rijstijl steeds aan de
staat
van het terrein of de weg, de weersom-
standigheden en de verkeerssituatie aan.
● Het starthulpsysteem kan de wagen niet al-
tijd op een helling st
aande houden of de wa-
gen op steile hellingen afremmen, bijvoor-
beeld op een gladde of bevroren ondergrond. Functie Auto Hold*
Afb. 206
Deel van de middenconsole: toets
v an Aut
o Hol
d. Het controlelampje in de toets brandt wan-
neer de f
u
nctie Aut o Ho
ld ingeschakeld is.
Als de functie Auto Hold ingeschakeld is,
helpt deze functie de bestuurder als de wa-
gen vaak of gedurende een langere tijd met
draaiende motor stilgezet moet worden (bijv.
op hellingen, voor een stoplicht of in files
waarbij constant gestart en gestopt wordt).
Als de functie Auto Hold ingeschakeld is,
wordt automatisch voorkomen dat de stil-
staande wagen zich in beweging kan zetten,
zonder dat het rempedaal nodig is om de wa-
gen in stilstand te houden.
Als het systeem detecteert dat de wagen stil-
staat, zorgt de functie Auto Hold ervoor dat
de wagen stil blijft staan. U kunt in dit geval
het rempedaal loslaten. Als de bestuurder het rempedaal kort intrapt
of het ga
spedaal intrapt om te gaan rijden,
dan laat de functie Auto Hold de rem los. De
wagen gaat conform de helling rijden.
Als een van de benodigde voorwaarden voor
de functie Auto Hold met stilstaande wagen
afwijkt, wordt het systeem uitgeschakeld en
gaat het controlelampje van de toets uit
››› afb. 206. De elektronische parkeerrem
wordt indien nodig ingeschakeld om de wa-
gen op een veilige manier te parkeren ››› .
V oor
waar
den om de wagen met de functie
Auto Hold stilstaand te houden:
● Het bestuurdersportier is gesloten.
● De bestuurder heeft de veiligheidsgordel
omgeg
espt.
● De motor is gestart.
● Het ASR-systeem is ingeschakeld ››› p
ag.
197.
Automatisch in- en uitschakelen van de func-
tie Auto Hold
Indien voordat het contact wordt uitgezet de
functie Auto Hold werd ingeschakeld met de
knop AUTO HOLD , blijft de functie automatisch
in g
es
chakeld na het opnieuw aanzetten van
het contact.
Werd de functie Auto Hold niet ingeschakeld,
dan blijft die automatisch uitgeschakeld na
het opnieuw aanzetten van het contact. »
217
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 221 of 340

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Werking Start-Stop* Afb. 207
Deel van de middenconsole: toets
v oor
Star
t-Stop-functie. Het Start-Stopsysteem is geactiveerd, de mo-
t
or w
ordt
automatisch afgezet als de wagen
stilstaat. De motor wordt indien nodig auto-
matisch gestart.
Elke keer dat u het contact inschakelt, wordt
de functie automatisch ingeschakeld. Op het
display van het instrumentenpaneel wordt
actuele informatie weergegeven over de sta-
tus.
Wagens met schakelbak
● Zet wanneer de wagen is stilgezet de ver-
snelling
shendel in de neutrale stand en laat
het koppelingspedaal los. De motor gaat uit.
● Trap het koppelingspedaal in om de motor
opnieuw te st
arten. Wagens met automatische versnellingsbak
●
Trap wanneer de wagen is stilgezet het
rempedaal in en houd het
rempedaal inge-
trapt. De motor gaat uit.
● Haal uw voet van het rempedaal om de mo-
tor opnieuw te s
tarten.
● Als de keuzehendel in de stand P staat,
st
art de motor pas als er geen rijstand inge-
schakeld is of het gaspedaal ingetrapt wordt.
Belangrijke voorwaarden voor automatisch
uitschakelen van motor
● De bestuurder moet de veiligheidsgordel
omgeg
espt hebben.
● Het bestuurdersportier moet gesloten zijn.
● De motorkap is gesloten.
● De in de fabriek ingebouwde trekhaak is
niet elektris
ch op een aanhangwagen aange-
sloten.
● Er is sprake van een minimale motortempe-
ratuur.
● Het
stuurwiel mag niet verder van 270° ver-
draaid worden.
● D
e wagen is na de laatste stop verplaatst.
● Bij wagens met Climatronic: de tempera-
tuur in het interieur bev
indt zich in het vooraf
ingestelde temperatuurbereik.
● Er is geen hele hoge of hele lage tempera-
tuur ing e
steld. ●
De ontwa semin
gsfunctie van de aircondi-
tioning is niet ingeschakeld.
● Bij wagens met Climatronic: de ventilator is
niet bij een hoge s
nelheid handmatig inge-
steld.
● De ladingstoestand van de wagenaccu is
voldoende.
● D
e temperatuur van de wagenaccu is niet
te laag of t
e hoog.
● De wagen bevindt zich niet op een steile
helling.
● De
voorwielen zijn niet te veel gedraaid.
● De voorruitverwarming is niet uitgescha-
keld.
● De ac
hteruitversnelling is niet geschakeld.
● Het inparkeersysteem (Park Assist) is niet
inges
chakeld.
Voorwaarden voor automatisch opnieuw
starten
De motor wordt automatisch gestart als aan
de volgende voorwaarden wordt voldaan:
● Als het interieur te warm of te koud wordt.
● Als de wagen in beweging wordt gezet.
● Als de spanning van de wagenaccu af-
neemt. »
219
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 222 of 340

Bedienen
Voorwaarden die ervoor zorgen dat de wagen
met de s
leut
el gestart moet worden
De motor moet handmatig worden gestart als
aan de volgende voorwaarden is voldaan:
● Als de bestuurder de veiligheidsgordel af-
doet.
● Als
het bestuurdersportier geopend wordt.
● Als de motorkap geopend wordt.
● Bij wagens met handgeschakelde versnel-
lingsb
ak: als een versnelling ingeschakeld is.
Start-Stop-functie handmatig in- en uitscha-
kelen
● Druk de knop op de middenconsole
› ›
›
afb
. 207 in.
● Als de Start-Stop-functie uitgeschakeld is,
brandt het c
ontrolelampje in de toets.
Als de wagen in de Stop-modus staat wan-
neer de functie handmatig wordt uitgescha-
keld, dan wordt de motor onmiddellijk ge-
start. ATTENTIE
Als de motor uitgeschakeld is, werken de
rembekr ac
htiging en de stuurbekrachtiging
niet.
● Laat de wagen nooit bewegen wanneer de
motor uitst
aat. VOORZICHTIG
Als de Start-Stop-functie gedurende een lan-
ge tijd bij een z
eer hoge buitentemperatuur
gebruikt wordt, kan de wagenaccu bescha-
digd raken. Let op
● U moet dan in sommig e g
evallen de motor
handmatig met de sleutel starten. Let op het
daarbij behorende bericht in het display in
het instrumentenpaneel.
● Als het stuurwiel verder dan 270° verdraaid
is, wordt
niet gestopt, maar de stuurhoek be-
invloedt het wegrijden van de wagen niet. Parkeerhulp*
In l
eidin g t
ot thema De parkeerhulp helpt de bestuurder bij het
inp
ark
eren. A
ls de wagen een obstakel van
voren of achteren nadert, weerklinkt afhanke-
lijk van de afstand een hoger of lager klin-
kend intermitterend geluidssignaal. Hoe kor-
ter de afstand, des te korter het geluidsinter-
val. Indien u te dicht bij het obstakel komt,
weerklinkt een continu geluidssignaal.
Als u nog dichter bij het obstakel komt en het
signaal ononderbroken hoorbaar is, kan het
systeem de afstand niet meer meten. De sensoren in de bumper verzenden en ont-
vangen u
ltrafrequente signalen. Zolang de ul-
trafrequente signalen duren (zenden, weer-
kaatsen en ontvangen), berekent het sys-
teem constant de afstand tussen de bumper
en het obstakel. ATTENTIE
De parkeerhulp en het optische parkeersys-
teem ku nnen de op
lettendheid van de be-
stuurder niet vervangen.
● De sensoren hebben dode hoeken waarin
personen en obj
ecten niet kunnen worden
waargenomen.
● Houd de omgeving van de wagen altijd in
de gaten omdat
de sensoren niet altijd kleine
kinderen, dieren of voorwerpen detecteren.
● Het oppervlak van bepaalde voorwerpen en
kleding w
eerkaatsen de signalen van de par-
keerhulpsensoren niet. Het systeem kan deze
voorwerpen en personen met de genoemde
kleding niet of niet goed detecteren.
● Externe geluidsbronnen beïnvloeden de
signal
en van de parkeerhulpsensoren. In dit
geval worden in bepaalde omstandigheden
geen personen of voorwerpen gedetecteerd. 220
Page 246 of 340

Bedienen
In- en uitschakelen
Het sy
st
eem kan worden aan- en uitgezet via
het menu Assistent . Zodra een hulpsys-
teem is geactiveerd, wordt dat aangegeven
door een "markering".
Beperkte werking
De vermoeidheidsdetectie kent een aantal
beperkingen. Zo is het mogelijk dat onder
bepaalde omstandigheden het stuurgedrag
niet correct wordt geïnterpreteerd. Bijvoor-
beeld in de volgende situaties:
● bij snelheden lager dan 65 km/u (40 mijl
per uur),
● op kronkelige wegen
● op wegen met slecht wegdek
● bij slechte weersomstandigheden
● bij een sportieve rijstijl
● zodra de bestuurder flink wordt afgeleid.
De vermoeidheid
sdetectie schakelt uit zodra
het contact wordt uitgezet resp. zodra de be-
stuurder de veiligheidsgordel ontgrendelt en
het portier opent. Bij een snelheid langzamer
dan ca. 65 km/u (40 mijl per uur) gedurende
langere tijd stopt het systeem automatisch
met controleren op vermoeidheid. Als vervol-
gens weer sneller wordt gereden, hervat het
systeem de controle van het stuurgedrag. Dynamische onderstelregeling
(DCC)*
Werkin
g en bediening Afb. 227
In de middenconsole: toets voor in-
s t
el l
en van dynamische onderstelregeling. De dynamische onderstelregeling past tij-
den
s
het rijden c
onstant de demping aan de
toestand van het wegdek en de huidige rijsi-
tuatie aan, overeenkomstig het ingestelde
programma.
In het programma "Sport" wordt ook het rich-
tingsgevoel aangepast.
ProgrammaAanbevolen rijsituaties
"COMFORT" C
Instelling voor het maximale comfort,
bijvoorbeeld bij het rijden op een weg-
dek in slechte staat of het afleggen
van lange afstanden.
ProgrammaAanbevolen rijsituaties
"NORMAAL"Tussenafstelling, bijvoorbeeld voor
dagelijks gebruik.
"SPORT" SSportieve instelling, bijvoorbeeld voor
een sportieve rijstijl. Het programma selecteren
● Contact inschakelen.
● Druk de toets C S zo vaak
als nodig is in
tot het gewenste programma weergegeven
wordt.
Het programma "NORMAAL" is actief wanneer
op de toets C noch S brandt. ATTENTIE
Als de dynamische onderstelregeling tijdens
het rijden ing e
steld wordt, kan dit de aan-
dacht van het verkeer afleiden en een ongeval
veroorzaken. ATTENTIE
De afstelling van de demping kan de rijeigen-
sch ap
pen beïnvloeden. Het gebruik van de
dynamische onderstelregeling mag geen aan-
leiding zijn voor het nemen van risico's.
● De snelheid en de rijstijl aanpassen aan het
zicht, het w
eer, het wegdek en het verkeer.244
Page 247 of 340

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Let op
Als de dynamische onderstelregeling niet
werkt z
oals in dit hoofdstuk beschreven
wordt, laat het systeem dan in een gespecia-
liseerde werkplaats nakijken. Let op
Als er een storing in de dynamische onder-
stelr e
geling optreedt, knipperen op de toets
C en S. Het rijcomfort kan tijdens de storing
negatief beïnvloed zijn. Laat het systeem
door een gespecialiseerde werkplaats contro-
leren. Bandenspanningscontrolesys-
t
eem
In leidin
g tot themaDe bandenspanningsindicator controleert tij-
den
s
het rijden met
behulp van de ABS-sen-
soren de bandenspanning van de vier ban-
den. De sensoren controleren de afrolomtrek
en de trillingen van elke band. De banden-
spanningsindicator geeft tijdens het rijden
een waarschuwing af als het systeem een
aanzienlijke daling van de bandenspanning
in een of meer van de banden waarneemt.
Het systeem waarschuwt u over de daling van
de bandenspanning via het lampje , in
combinatie met een akoestisch signaal, en een tekstbericht in het display van het instru-
mentenpaneel. A
ls u het bestuurdersportier
opent, vindt u aan de binnenkant van de stijl
een sticker waarop de vulspanning van de
banden wat maximaal toelaatbare belasting
per goedgekeurde band voor de wagen in
kwestie betreft, vermeld staat. Als u op de in-
stelknop van de bandenspanningsindicator
drukt, kunt u de bandenspanning vergelijken
zodat de te controleren bandenspanning
overeenkomt met de huidige bandenspan-
ning ››› pag. 247.
Toepasselijk gebruik van instelknop ››› pag.
247. ATTENTIE
Als u de wielen en banden verkeerd gebruikt,
kan de banden s
panning plotseling afnemen,
het loopvlak loslaten of de band zelfs explo-
deren.
● Controleer de bandenspanning regelmatig
en zorg d
at de banden altijd tot de aangege-
ven bandenspanning gevuld zijn. Als de ban-
denspanning te laag is, kunnen de banden te
heet worden en kunnen de loopvlakken losla-
ten en zelfs exploderen.
● Als de banden koud zijn, moet u ervoor zor-
gen dat de b
andenspanning altijd gelijk is
aan de bandenspanning die op de sticker ver-
meld is ››› pag. 306.
● Controleer wanneer de banden koud zijn re-
gelmatig de banden
spanning. Pas indien no-
dig de bandenspanning van de op de wagen ingebouwde banden aan aan die van de ban-
densp
annin
g bij koude banden.
● Controleer regelmatig of de banden slijtage
vertonen of
beschadigd zijn.
● Overschrijd nooit de snelheid en maximum
toelaatb
are belasting voor het type band van
uw wagen. ATTENTIE
Als u de instelknop van de bandenspannings-
indic ator niet c
orrect gebruikt, is het moge-
lijk dat de indicator verkeerde waarschuwin-
gen afgeeft, of dat, ook al bestaat er het risi-
co dat de bandenspanning te laag is, dit niet
aanduidt ››› pag. 247. VOORZICHTIG
● Als de
ventieldoppen niet geplaatst zijn,
kunnen de ventielen van de banden bescha-
digd raken. Zorg er daarom voor dat de ven-
tieldoppen dezelfde zijn als de ventieldoppen
uit de serie en dat ze correct vastgeschroefd
zijn. Gebruik geen metalen ventieldoppen
››› pag. 247.
● Beschadig de ventielen niet wanneer u de
banden wis
selt ››› pag. 247. Milieu-aanwijzing
Als de bandenspanning te laag is, neemt het
brands t
ofverbruik en slijtage van de banden
toe. » 245
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten