dashboard FIAT 500 2018 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2018, Model line: 500, Model: FIAT 500 2018Pages: 224, PDF Size: 3.92 MB
Page 119 of 224

117
Knieairbag oor bestuurder
(voor bepaalde versies/markten)
(C-fig. 82)
Deze bestaat uit een onmiddellijk
opblaasbaar kussen dat in een
speciale ruimte onder de onderste
afschermkap van de stuurkolom is
geplaatst, op kniehoogte: deze airbag
biedt extra bescherming bij een frontale
botsing.
82DVDF0S054c
Uitschakeling van de airbags aan
passagierszijde: frontairbag en
zijairbag
(voor bepaalde versies/markten)
Als een kind in een kinderzitje dat
achterstevoren op de voorstoel is
geplaatst vervoerd moet worden,
schakel dan de frontairbag en de
zijairbag aan passagierszijde uit (voor
bepaalde markten/versies).
Het
“lampje in het midden van het
dashboard blijft continu branden tot de
front- en zijairbag aan passagierszijde
weer worden ingeschakeld
(voor bepaalde versies/markten).
Voor het handmatig uitschakelen van
de passagiersairbags (front- en
zijairbags, voor bepaalde
versies/markten) wordt verwezen naar
de paragraaf “Multifunctioneel display”
in het hoofdstuk “Kennismaking met de
auto”.
ZIJ-AIRBAGS
(Zijairbags - Hoofdairbags)25)
Om de bescherming van de
inzittenden in geval van een
flankbotsing te vergroten, is de auto
uitgerust met in de stoel gemonteerde
zijairbags (voor bepaalde
versies/markten) en hoofdairbag
(voor bepaalde versies/markten).
Zijairbags beschermen de inzittenden
bij middelzware/zware zijdelingse
aanrijdingen, door de airbag tussen de
inzittende en de interieurdelen van de
zijdelingse structuur van het voertuig
op te blazen.
Als de zijairbags niet worden
opgeblazen bij andere soorten
ongevallen (botsingen opzij, achterop,
over de kop slaan enz.), betekent dit
niet dat het systeem slecht
functioneert.
Page 124 of 224

STARTEN EN RIJDEN
122
ECO-stand
De ECO-stand, die de werking van de
versnellingsbak optimaliseert, kan
alleen worden ingeschakeld in de
automatische modus.
U schakelt deze stand in door op de
knop E (afb. 88) te drukken naast de
versnellingspook (1.2 8V-versies), of op
de knop ECO (afb. 89) op het
dashboard (0.9 TwinAir 85 pk-versies).
Als de ECO-stand actief is, ziet u op
het display de gekozen versnelling en
de woorden AUTO en ECO.
Het systeem selecteert nu de meest
geschikte versnelling, afhankelijk van de
voertuigsnelheid, het motortoerental en
de intensiteit waarmee het gaspedaal
wordt ingetrapt, met als doel het
brandstofverbruik te beperken.
89DVDF0S0193c
❒ Als u de peddels op het stuur wilt
gebruiken, moet de
versnellingspook A-(afb. 88) in de
middelste stand staan, tussen
+ en –.
Opschakelen: duw de rechterpeddel
+ naar het stuur.
Terugschakelen:
duw de linkerpeddel – naar het stuur.
OPMERKING Op- of terugschakelen
mag alleen worden gedaan als het
motortoerental dit toestaat.
OPMERKING Bedien, voor een juist
gebruik van het systeem, het pedaal
uitsluitend met de rechtervoet.
91DVDF0S0195c
SPORT-stand
(1.4 16V-versies – voor bepaalde
versies/markten)
Bij deze versies kan de bestuurder ook
de SPORT-stand kiezen.
Er wordt dan een sportieve rijstijl
mogelijk door een andere afstelling van
de versnellingsbak, de regeleenheid
van de motor en de stuurinrichting.
Deze stand kan worden geactiveerd
door het indrukken van de knop
SPORT (afb. 90) op het dashboard.
SCHAKELPEDDELS
(voor bepaalde versies/markten)
afb. 91
De verschillende versnellingen kunnen
opeenvolgend worden gekozen via de
schakelpeddels op het stuur.
90DVDF0S0194c
Page 133 of 224

131
“Fix&go”-KIT
33) 31)
BESCHRIJVING
De Fix&Go snelle bandenreparatiekit
afb. 105 bevindt zich onder het
bagagecompartiment, in een specifieke
doos, en omvat:
❒ een busje 1 met afdichtmiddel,
voorzien van: een transparante
vulleiding voor het inspuiten van het
afdichtmiddel 4 en een sticker 3
met daarop het opschrift “Max. 80
km/h” die op een goed zichtbare
plaats moet worden aangebracht
(bijv. op het dashboard) na reparatie
van de band;
❒ een compressor 2;
❒ een folder met aanwijzingen voor
het gebruik van de kit;
❒ een paar handschoenen in het
compartiment van de vulleiding van
het flesje 4.
REPARATIEPROCEDURE
Ga als volgt te werk:
❒ stop de auto op een plek die niet
gevaarlijk is voor het verkeer en
waar de procedure op veilige wijze
uitgevoerd kan worden.
De grond moet zo mogelijk vlak en
voldoende compact zijn;
❒ zet de motor af, schakel de
noodknipperlichten en de
parkeerrem in;
❒ trek het reflecterende veiligheidsvest
aan voordat u uit de auto stapt
(houd u in elk geval aan de wettelijke
voorschriften van het land waarin u
rijdt);
105DVDF0S0230
❒ plaats het busje 1 met afdichtmiddel
in de daarvoor bestemde ruimte in
de compressor 2 en druk het hard
omlaag afb. 105. Verwijder de
sticker met de indicatie van de
snelheid 3 en plak deze op een
duidelijk zichtbare plaats afb. 106;
❒ doe de handschoenen aan;
❒ verwijder de ventieldop van de
kapotte band en draai de
transparante vulleiding afb. 4 op 105
het ventiel. Indien een busje van 250
mm aanwezig is, is de behuizing van
de transparante leiding voorzien van
een verwijderbare ring om het
uitnemen te vergemakkelijken.
Zorg ervoor dat de AAN-UIT-knop 5
afb. 107 in de uit-stand staat (knop
niet ingedrukt);
106DVDF0S0234
Page 143 of 224

141
KENTEKENVERLICHTING
Ga als volgt te werk om de lampen te
vervangen:
❒ oefen druk uit in het door de pijl
aangegeven punt fig. 126 en
verwijder het lampenglas;
❒ maak de lamp los uit de contacten
aan de zijkant en vervang hem;
❒ monteer de nieuwe lamp en
controleer of hij correct tussen de
contacten zit vastgeklemd;
❒ monteer het lampenglas weer.
126DVDF0S0126c
ZEKERINGEN
VERVANGEN 35) 19)
ZEKERINGEN IN HET
DASHBOARD
Deze zekeringen zijn toegankelijk
wanneer de geklemde kap A-fig. 127
wordt verwijderd.
127DVDF0S067c
De zekeringenkast fig. 128 bevindt zich
in het onderste gedeelte naast de
pedalengroep.
De 5A-zekering voor het ontwasemen
van de buitenspiegels bevindt zich in
de zone van de diagnosestekker
fig. 129.
128DVDF0S068c
129DVDF0S069c
Page 150 of 224

4321
ONDERHOUD EN ZORG
148
5109876
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA39) 21)
Duizenden kilometers7515013512010590
BENZINE-/LPG-VERSIES
BELANGRIJK: Wanneer u de laatste reparatie uit de tabel hebt uitgevoerd, moet u verder gaan met het geprogrammeerde
onderhoud. Volg daarbij de in het schema vermelde termijnen en plaats bij elke reparatie een punt of een opmerking.
Waarschuwing: als het onderhoud gewoon vanaf het begin wordt hervat, kan de voor sommige werkzaamheden geldende
interval verstrijken!
60453015
Jaren
Conditie/slijtage banden controleren en bandenspanning, indien nodig;
de vervaldatum van de “Fix&Go Automatic” reparatiekit kit controleren(voor bepaalde versies/markten
Werking verlichtingssysteem ((koplampen, richtingaanwijzers,
alarmknipperlichten, bagageruimte, interieur,
dashboardkastje, lampjes instrumentenpaneel, enz.)
De vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (1)
Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren
Gebruik de diagnoseaansluiting om de werking van het
brandstoftoevoer-/motorbeheersysteem, de emissie en de
verslechtering van de motorolie te controleren
(voor bepaalde versies/markten)
Visueel de toestand controleren van: buitenzijde van
carrosserie, bodemplaatbescherming, slangen en leidingen
(uitlaat, brandstof- en remsysteem) en rubber elementen
(hoezen, balgen, bussen enz.)
Stand en conditie van wisrubbers van ruitenwissers
voor/achter controleren (voor bepaalde versies/markten)
Werking van ruitenwissers/-sproeiers controleren en zo
nodig de sproeiers afstellen
Sloten van motorkap en achterklep op aanwezigheid van
vuil controleren, mechanismen reinigen en smeren
(1) Het bijvullen moet uitgevoerd worden met de in dit Instructieboek aangegeven vloeistoffen en alleen nadat gecontroleerd is dat het
systeem onbeschadigd is.
Page 153 of 224

151
43215109876
Duizenden kilometers100200180160140120
DIESEL VERSIES
BELANGRIJK: Wanneer u de laatste reparatie uit de tabel hebt uitgevoerd, moet u verder gaan met het geprogrammeerde
onderhoud. Volg daarbij de in het schema vermelde termijnen en plaats bij elke reparatie een punt of een opmerking.
Waarschuwing: als het onderhoud gewoon vanaf het begin wordt hervat, kan de voor sommige werkzaamheden geldende
interval verstrijken!
80604020
Jaren
Conditie/slijtage banden controleren en bandenspanning,
indien nodig, herstellen; vervaldatum lading/toestand van de
“Fix&Go Automatic” reparatiekit kit controleren
(voor bepaalde versies/markten)
Werking verlichtingssysteem (koplampen, richtingaanwijzers,
alarmknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje,
lampjes instrumentenpaneel, enz.) controleren.
De vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (1)
Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren
Gebruik de diagnoseaansluiting om de werking van het
brandstoftoevoer-/motorbeheersysteem, de emissie en de
verslechtering van de motorolie te controleren
(voor bepaalde versies/markten)
Visueel de toestand controleren van: buitenzijde van
carrosserie, bodemplaatbescherming, slangen en leidingen
(uitlaat, brandstof- en remsysteem) en rubber elementen
(hoezen, balgen, bussen enz.)
Stand en conditie van wisrubbers van ruitenwissers voor/achter
controleren (voor bepaalde versies/markten)
Werking van ruitenwissers/-sproeiers controleren en zo
nodig de sproeiers afstellen
Sloten van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil
controleren, mechanismen reinigen en smeren
(1) Het bijvullen moet uitgevoerd worden met de in dit Instructieboek aangegeven vloeistoffen en alleen nadat gecontroleerd is dat het
systeem onbeschadigd is.
Page 190 of 224

BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
188(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
7) DAGRIJLICHTEN (DRL)
•De dagrijlichten zijn een alternatief voor het dimlicht in landen
waar dit tijdens het rijden overdag verplicht is, en is tevens
toegestaan in landen waar dit niet verplicht is.
•De dagverlichting mag het dimlicht niet vervangen tijdens het
rijden in het donker en in tunnels.
•Het gebruik van de dagrijlichten wordt geregeld door de
wegenverkeerswetgeving van het land waar u rijdt. Neem de
wettelijke voorschriften in acht.
8) AFSLUITER VAN DE BRANDSTOFTOEVOER
Als na een botsing een brandstoflucht wordt geroken of
brandstoflekkage wordt geconstateerd, dan mag het systeem
niet opnieuw ingeschakeld worden om brand te voorkomen.
9) INTERIEURUITRUSTING
•De aansteker wordt zeer heet. Hanteer hem voorzichtig en sta
het gebruik niet aan kinderen toe om het risico van brand of
brandwonden te voorkomen. Controleer na gebruik altijd of de
aansteker is uitgeschakeld.
•Het stopcontact is geschikt voor accessoires met een
maximum vermogen van 180 W (maximum stroomverbruik 15 A).
•Rijd nooit met open dashboardkastje: het kan de passagier in
geval van een botsing verwonden.
•Aan beide zijden van de zonneklep aan passagierszijde is een
etiket aangebracht dat eraan herinnert dat de airbags verplicht
uitgeschakeld moeten worden als een naar achteren gericht
kinderzitje op de voorstoel wordt gemonteerd.
Neem altijd de aanwijzingen op het etiket in acht.
10) SCHUIFDAK – ELEKTRISCH VOUWDAK
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING
Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt
verlaten om te voorkomen dat onverwachtse inschakeling vandeze voorzieningen gevaar oplevert voor de achtergebleven
passagiers: oneigenlijk gebruik kan gevaarlijk zijn. Controleer voor
en tijdens het bedienen altijd of de passagiers niet kunnen
worden verwond door de bewegende ruiten of door voorwerpen
die door de ruit worden meegesleept of geraakt.
11) CABRIODAK
•Houd tijdens het openen en sluiten van het dak of wanneer het
dak stopt in een bepaalde stand voordat de cyclus is voltooid, de
handen uit de buurt van het dakmechanisme om schade en letsel
te voorkomen.
•Houd kinderen uit de buurt van de bewegingszone van het
cabriodak tijdens het openen en sluiten.
12) PORTIEREN
Controleer, voordat er een portier geopend wordt, of dit op een
veilige manier kan gebeuren. Open de portieren uitsluitend bij
stilstaand voertuig.
13) BAGAGERUIMTE
•Overschrijd nooit de maximaal toegestane belading van de
bagageruimte, zie hoofdstuk “Technische gegevens”. Zorg er
tevens voor dat voorwerpen die in de bagageruimte zijn
geplaatst, goed vastgezet zijn om te voorkomen dat deze na
plotseling remmen naar voren komen, waardoor passagiers
gewond zouden kunnen raken.
•Rijd niet met een open achterklep: de uitlaatgassen kunnen in
het interieur komen.
•Als in een gebied wordt gereden waar weinig tankstations
aanwezig zijn en men benzine in een tankje wil meenemen, moet
dit overeenkomstig de geldende voorschriften en in een
goedgekeurd tankje gebeuren dat op passende wijze is
vastgezet. In geval van een botsing is het risico op brand toch
altijd groter.
Page 194 of 224

BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
192
instrumentenpaneel brandt (zie “Frontairbag passagierszijde” in het
hoofdstuk “Frontairbags”). Bovendien moet de passagiersstoel zo
ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het
kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard.
•Aan beide zijden van de zonneklep aan passagierszijde is een etiket
aangebracht dat eraan herinnert dat de airbags verplicht
uitgeschakeld moeten worden als een naar achteren gericht
kinderzitje op de voorstoel wordt gemonteerd.
Neem altijd de aanwijzingen op de zonneklep aan passagierzijde in
acht (zie de paragraaf “Frontairbags”).
•Verplaats de voorste passagiersstoel of de achterbank niet als er
een kind op zit of als het kind in een geschikt kinderzitje zit.
24) MONTAGE ISOFIX-KINDERZITJE
•Monteer het kinderzitje overeenkomstig de aanwijzingen, die
bijgesloten moeten zijn.
•Er zijn kinderzitjes met Isofix bevestigingen beschikbaar,
waarmee het zitje veilig met de stoel verankerd kan worden zonder
de veiligheidsgordels van de auto te gebruiken. Zie voor dit type
zitjes paragraaf “Een Isofix kinderzitje monteren” in het hoofdstuk
“Veiligheid”.
•Als een universeel ISOFIX-kinderzitje niet aan alle drie de
verankeringspunten is vastgemaakt, zal het kinderzitje het kind niet
goed kunnen beschermen. In geval van een aanrijding zou het
kind ernstig gewond kunnen raken of zelfs kunnen overlijden.
•Monteer het kinderzitje alleen bij stilstaande auto. Het kinderzitje
is op de juiste wijze aan de beugels bevestigd als de vergrendeling
hoorbaar vastklikt. Volg altijd de aanwijzingen op voor montage,
demontage en plaatsing die de fabrikant van de autostoel
verplicht is mee te leveren.
(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
•Voor optimale veiligheid moet de rugleuning rechtop gezet
worden, moet men goed tegen de rugleuning aanzitten en
moet de gordel goed aansluiten op de borst en het bekken.
Draag altijd veiligheidsgordels, zowel voor- als achterin!
•Travelling without wearing seat belts will increase the risk of
serious injury and even death in the event of an accident.
•Het demonteren of aanpassen van onderdelen van de
veiligheidsgordel of gordelspanner is ten strengste verboden.
Werkzaamheden aan deze onderdelen moeten worden
uitgevoerd door gekwalificeerd en bevoegd personeel. Wendt
u altijd tot het Fiat Servicenetwerk.
•Nadat een gordel aan een zware belasting is blootgesteld
(bijvoorbeeld bij een ongeval), moet de veiligheidsgordel
compleet met de verankeringen, bevestigingsbouten en de
gordelspanner worden vervangen. Ook als er geen zichtbare
schade is, kan de gordel toch verzwakt zijn.
23) KINDEREN VEILIG VERVOEREN
ERNSTIG GEVAAR: Plaats NOOIT een kinderzitje
achterstevoren op de passagiersstoel van auto’s met een
actieve passagiersairbag.
Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en
zelfs de dood van het kind tot gevolg hebben.
Het wordt geadviseerd kinderen altijd in kinderzitjes op de
achterbank te vervoeren, bij een ongeval biedt de achterbank
de meeste bescherming in geval van een botsing.
•Als een kind op de voorstoel in een tegen de rijrichting
gemonteerd kinderzitje vervoerd moet worden, dan is het
verplicht om de frontairbag aan passagierszijde uit te schakelen;
verzeker u ervan dat deze daadwerkelijk uitgeschakeld is door te
controleren of het speciale waarschuwingslampje op het
Page 195 of 224

193
•Mocht het nodig zijn een kind achterstevoren in een kinderzitje
op de passagiersstoel te vervoeren, moeten de front- en
zijairbags aan de passagierszijde worden uitgeschakeld via het
hoofdmenu op het display. Uitschakeling moet worden
gecontroleerd via het waarschuwingslampje dat op het
“centrale deel van het dashboard is gaan branden. Bovendien
moet de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn
geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in
aanraking komt met het dashboard.
•Onjuiste montage van het kinderzitje kan ertoe leiden dat het
beschermingssysteem inefficiënt wordt. Bij een ongeval kan het
kinderzitje loskomen en kan het kind zelfs dodelijk gewond raken.
Houd u, bij het monteren van kinderzitjes voor pasgeborenen of
kinderen, strikt aan de aanwijzingen van de Fabrikant.
•Wanneer het kinderzitje niet in gebruik is, zet het dan vast met
de veiligheidsgordel of met de ISOFIX-bevestigingen, of verwijder
het uit het voertuig. Laat het kinderzitje niet los in het interieur
liggen. Zo kan het in geval van abrupt remmen of een ongeval
geen letsel bij de inzittenden veroorzaken.
•Verplaats de stoel niet als er een kinderzitje is geplaatst:
verwijder altijd eerst het kinderzitje alvorens de stoel anders in te
stellen.
•Zorg er altijd voor dat het borstgedeelte van de
veiligheidsgordel niet onder de armen door of achter de rug van
het kind langs loopt. Bij een ongeval zal de veiligheidsgordel het
kind niet vast kunnen houden, met het risico van zelfs dodelijk
letsel. Daarom moet het kind de veiligheidsgordel altijd correct
omleggen.
•Gebruik één onderste verankeringspunt niet voor de installatie
van meer dan één kinderzitje.25) AIR BAG
•Breng geen stickers of andere voorwerpen op het stuurwiel, op
het dashboard in de zone van de passagiersairbag, op de zijkant
van de dakbekleding en op de stoelen aan. Plaats nooit
voorwerpen (bijv. mobiele telefoons) op het dashboard aan
passagierszijde, omdat deze het correct openen van de
passagiersairbag kunnen hinderen en tevens de inzittenden
ernstig kunnen verwonden.
• ERNSTIG GEVAAR: Plaats NOOIT een kinderzitje tegen de
rijrichting in op de passagiersstoel van auto’s met een actieve
passagiersairbag.
Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en
zelfs de dood van het kind tot gevolg hebben. Het is raadzaam
kinderen altijd in kinderzitjes op de achterbank te vervoeren: bij
een ongeval biedt de achterbank de meeste bescherming.
•Plaats NOOIT een kinderzitje achterstevoren op de
passagiersstoel van auto’s met een actieve passagiersairbag. Bij
een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en zelfs
de dood van het kind tot gevolg hebben.
•Steun niet met het hoofd, de armen of de ellebogen tegen het
portier, de ruiten of in het gebied van de Hoofdairbag om
mogelijke verwondingen tijdens het opblazen te voorkomen.
Steek nooit het hoofd, de armen of ellebogen uit het raam.
•Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het lampje
¬niet gaat branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er
mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval
kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij
een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, op verkeerde
wijze geactiveerd worden.
Laat het systeem onmiddellijk controleren door het Fiat
Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
Page 196 of 224

BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
194
•Dek de rugleuning van de voorstoelen niet af met extra
kleden als deze uitgerust zijn met zijairbags.
•Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en
houd niets in de mond (pijp, pen, enz.):
dit kan ernstig letsel veroorzaken als de airbag in werking
treedt.
•Rijd altijd met de handen op de rand van het stuurwiel zodat
de airbag indien nodig ongehinderd opgeblazen kan worden.
Rijd niet met voorover gebogen lichaam. Houd de rug goed
rechtop tegen de rugleuning gedrukt.
•Laat na diefstal of poging tot diefstal, vandalisme of
overstromingen het airbagsysteem door het Fiat
Servicenetwerk controleren.
•Als de contactsleutel in stand MAR staat of wanneer de
motor is uitgezet, kunnen de airbags ook geactiveerd worden
als de auto door een andere auto wordt aangereden. Daarom
mag, wanneer de passagiersairbag is ingeschakeld, en ook al
staat de auto stil, GEEN tegen de rijrichting in gemonteerd
kinderzitje op de voorstoel gemonteerd worden.
Als bij een botsing de airbag wordt opgeblazen, kan dit leiden
tot ernstig letsel en zelfs tot de dood van het kind. Daarom
moet de passagiersairbag altijd uitgeschakeld worden als een
kinderzitje tegen de rijrichting in gemonteerd wordt op de
voorste passagiersstoel.
Bovendien moet de voorste passagiersstoel
zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen
dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het
dashboard. Schakel de passagiersairbag onmiddellijk weer in
als het kinderzitje is verwijderd. Onthoud tevens dat als de sleutel in de stand STOP staat, bij een
ongeval geen enkel veiligheidssysteem (airbags of
gordelspanners) geactiveerd wordt. In dat geval duidt de
uitgebleven activering niet op een storing van het systeem.
•Reinig de stoelen niet met water of stoom onder druk (met de
hand of in een automatisch wasapparaat).
• De activeringsdrempel van de frontairbag is hoger dan die van
de gordelspanners. Bij aanrijdingen die tussen deze twee
drempelwaarden liggen, treden alleen de gordelspanners in
werking.
•Hang geen harde voorwerpen aan de kledinghaken of de
steunhandgrepen.
•De airbag vervangt niet de veiligheidsgordels, maar verhoogt
hun doeltreffendheid. Omdat de frontairbags niet worden
ingeschakeld bij frontale botsingen bij lage snelheden, zijdelingse
botsingen, botsingen achterop en over de kop slaan, worden de
inzittenden in die gevallen uitsluitend door de veiligheidsgordels
beschermd, die dus altijd gedragen moeten worden.
•In sommige versies gaat in het geval van een storing van de led
“(bevindt zich op de plaat van het instrumentenpaneel), het
lampje ¬op het instrumentenpaneel branden en worden de
airbags aan de passagierszijde uitgeschakeld.
•Storing van het
¬waarschuwingslampje wordt aangeduid door
de inschakeling van het symbool storing airbag en een speciaal
bericht op het display van het instrumentenpaneel (of, bij
bepaalde versies, door de inschakeling van een knipperend
waarschuwingslampje voor een algemene storing).
In dat geval kan het lampje
¬mogelijk geen storingen in de
veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem onmiddellijk
controleren door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)