dashboard FIAT FIORINO 2017 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2017, Model line: FIORINO, Model: FIAT FIORINO 2017Pages: 274, PDF Size: 6 MB
Page 107 of 274

Als de motor wordt uitgeschakeld verschijnt het
symbool fig. 105 op het display, afhankelijk van de
uitrusting.
Herstartmodus van de motor
MET HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK
Trap het koppelingspedaal in om de motor opnieuw
te starten.
MET AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
Zet de versnellingspook vanuit de stand N in een
willekeurige versnelling, of laat het rempedaal los of
zet de versnellingspook in de stand (+), (-) of R.
HANDMATIG IN- EN UITSCHAKELEN
Het systeem kan met de knop op het dashboard
afgebeeld in fig. 106 worden in- en uitgeschakeld. Als
het systeem is uitgeschakeld, brandt het lampje op
de knop. Bovendien worden bij specifiekeuitvoeringen extra identificatiegegevens op het
dashboard gegeven m.n. het bericht voor de in- en
uitschakeling van het Stop&Start systeem.
OMSTANDIGHEDEN WAARONDER DE
MOTOR NIET WORDT UITGESCHAKELD
Bij ingeschakeld systeem wordt de motor onder
bepaalde omstandigheden om redenen van comfort,
emissiebeperking en veiligheid niet afgezet:
koude motor;
zeer koude buitentempertuur, speciaal symbool
voorzien;
accu onvoldoende opgeladen;
regeneratie van het roetfilter in uitvoering (enkel
bij dieselmotoren);
niet gesloten bestuurdersportier;
veiligheidsgordel bestuurder niet omgedaan;
fig. 105F0T0425fig. 106F0T0426
103
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 125 of 274

geleverd is, om er zeker van te zijn dat dit het juiste
type is voor de kinderen waarvoor het is bedoeld.
In Europa vallen de eigenschappen van kinderzitjes
onder de norm ECE-R44, die ze in vijf
gewichtsgroepen indeelt:
Groep Gewichtsgroep
Groep 0 tot 10 kg
Groep 0+ tot 13 kg
Groep 1 9-18 kg
Groep 2 15-25 kg
Groep 3 22-36 kg
Alle beveiligingssystemen moeten voorzien zijn van
de typegoedkeuringsgegevens en het keurmerk
op een label dat stevig bevestigd moet zijn op het
kinderzitje en dat absoluut niet verwijderd mag
worden.
In het Fiat Lineaccessori-assortiment zijn kinderzitjes
voor elke gewichtsgroep opgenomen. Het gebruik
van deze kinderzitjes is sterk aanbevolen, want
ze zijn speciaal ontworpen voor Fiat voertuigen.
BELANGRIJK
ERNSTIG GEVAAR: Plaats NOOIT een
kinderzitje achterstevoren op de
passagiersstoel van auto's met een
actieve passagiersairbag. Bij een
ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig
letsel en zelfs de dood van het kind tot gevolg
hebben. Het is raadzaam kinderen altijd in
kinderzitjes op de achterbank te vervoeren: bij
een ongeval biedt de achterbank de meeste
bescherming.
BELANGRIJK
Mocht het toch nodig zijn om een kind
in een kinderzitje achterstevoren op
de voorste passagiersstoel te vervoeren, dan
moeten de frontairbag en zijairbag aan
passagierszijde (voor bepaalde versies/markten)
worden uitgeschakeld via het Setup menu.
Controleer in dergelijke gevallen steeds of de
airbags effectief zijn uitgeschakeld door na
te gaan of het
waarschuwingslampje op het
middelste dashboard brandt . Bovendien moet
de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren
zijn geschoven om te voorkomen dat het
kinderzitje eventueel in aanraking komt met het
dashboard.
121
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 133 of 274

Belangrijkste veiligheidsvoorschriften voor het
vervoeren van kinderen
Belangrijke aanbevelingen voor het veilig vervoeren
van kinderen:
Monteer de kinderzitjes op de achterbank, omdat
die plaats bij een ongeval de meeste bescherming
biedt.
Houd kinderen zo lang mogelijk in kinderzitjes die
tegen de rijrichting in gemonteerd zijn, tot ze 3-4
jaar zijn.
Als de passagiersfrontairbag buiten werking is
gesteld, controleer dan altijd of het
controlelampje
op het middelste dashboard
brandt fig. 127 om er zeker van te zijn dat de
airbag daadwerkelijk is uitgeschakeld.
Neem de aanwijzingen die de producent verplicht
bij het kinderzitje moet leveren zorgvuldig in acht.
Bewaar deze aanwijzingen samen met de overige
documenten en dit instructieboek in het voertuig.Gebruik geen gebruikte kinderzitjes waarvan de
gebruiksaanwijzingen ontbreken.
Elk kinderzitje is bedoeld voor uitsluitend één
kind: vervoer nooit twee kinderen in één zitje.
Controleer altijd of de gordel niet langs de nek
van het kind loopt.
Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door
eraan te trekken.
Controleer tijdens het rijden of het kind geen
verkeerde houding aanneemt of de gordels
losmaakt.
Laat een kind nooit het diagonale gordelgedeelte
onder zijn arm of achter zijn rug omleggen.
Vervoer kinderen nooit op schoot, ook geen
pasgeborenen. Niemand is in staat om een kind
vast te houden bij een ongeval.
Als het voertuig betrokken is geweest bij een
middelzwaar ongeluk, vervang het kinderzitje dan
door een nieuwe. Bovendien, en afhankelijk van
het type kinderzitje dat geïnstalleerd is, moeten de
isofix-verankeringen of de veiligheidsgordel
waarmee het kinderzitje vastzat ook worden
vervangen.
fig. 127F0T0505
129
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 134 of 274

Elk kinderzitje gemonteerd in de rijrichting van het
voertuig op de buitenste zijden van de achterbank,
onafhankelijk van de gewichtsgroep, moet worden
gemonteerd na het verwijderen van de
overeenkomende hoofdsteun van de achterbank.
Dit is NIET van toepassing op kinderzitjes die
uitsluitend bestaan uit een zitting (zonder
rugleuning). U moet zulke kinderzitjes installareen
wanneer de overeenkomende hoofdsteun
gemonteerd is.AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM
(SRS) - AIRBAGS
Het voertuig kan uitgerust zijn met:
frontairbag bestuurderszijde;
frontairbag passagierszijde;
airbags aan passagiers- en bestuurderszijde ter
bescherming van bekken, borst en schouders
(zijairbags).
De plaats van de airbags in het voertuig is
gemarkeerd met het woord "AIRBAG" in het midden
van het stuurwiel, op het dashboard, op de bekleding
aan de zijkant of met een sticker die in het gebied
waar de airbag wordt opgeblazen zit.
130
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 135 of 274

FRONTAIRBAGS
Het voertuig is uitgerust met frontairbags voor
bestuurder en passagier (voor bepaalde
versies/markten).
De frontairbags voor bestuurder en passagier (voor
bepaalde versies/markten, waar voorzien) zijn
ontworpen om de inzittenden voorin te beschermen
bij middelzware en zware frontale botsingen, door
de airbag tussen de inzittende en het stuurwiel of het
dashboard op te blazen.
Als de airbags niet worden opgeblazen bij andere
soorten botsingen (botsingen opzij, achterop, over
de kop slaan enz.), wijst dit niet op een storing
van het systeem.
In geval van een frontale botsing wordt de airbag
opgeblazen door een elektronische regeleenheid.
Het kussen blaast onmiddellijk op tussen de
inzittende voorin en het stuurwiel of het dashboard,
waardoor het lichaam van de inzittende wordt
opgevangen en de kans op verwondingen wordt
beperkt. Na het opblazen loopt de airbag ook direct
weer leeg.
De frontairbags voor bestuurder en passagier (voor
bepaalde versies/markten, waar voorzien) zijn geen
vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een
aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels, zoals
trouwens bij de wet voorgeschreven is in alle
Europese landen en de meeste landen daarbuiten.
Bij een botsing kunnen degenen die geen
veiligheidsgordel dragen, in contact komen met een
airbag die nog niet volledig opgeblazen is. Onderdeze omstandigheden wordt de inzittende minder
door de airbag beschermd.
In de volgende omstandigheden kan het voorkomen
dat de frontairbags niet worden opgeblazen:
frontale botsingen tegen makkelijk vervormbare
onderdelen, die niet het front van het voertuig
zijn (bijv. spatbord tegen de vangrail, etc. );
de auto schuift onder andere auto’s of
veiligheidsbarrières (bijvoorbeeld onder
vrachtwagens of vangrails);
Als de airbags onder de hierboven beschreven
omstandigheden niet opgeblazen worden, dan bieden
ze geen aanvullende bescherming ten opzichte van
de veiligheidsgordels, zodat hun activering geen
zin heeft. In deze gevallen wijst de uitgebleven
activering dus niet op een storing van het systeem.
BELANGRIJK
Breng geen stickers of andere
voorwerpen op het stuurwiel, op het
dashboard in de zone van de passagiersairbag
en op de stoelen aan. Plaats nooit voorwerpen
(bijv. mobiele telefoons) op het dashboard
aan passagierszijde, omdat deze het correct
openen van de passagiersairbag kunnen
hinderen en tevens de inzittenden ernstig
kunnen verwonden.
De frontairbags voor bestuurder en passagier zijn
ontworpen en afgesteld om inzittenden voorin met
131
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 136 of 274

omgelegde veiligheidsgordels te beschermen.
Wanneer de airbags volledig opgeblazen zijn, nemen
ze bijna alle ruimte in beslag tussen het stuurwiel
en de bestuurder en tussen het dashboard en de
passagier.
Bij lichte frontale botsingen (waarbij de bescherming
van de omgelegde gordel volstaat) worden de airbags
niet opgeblazen. De veiligheidsgordels moeten dus
altijd gedragen worden. Bij een frontale aanrijding
zorgen de veiligheidsgordels ervoor dat de
inzittenden in de juiste stand worden gehouden.
FRONTAIRBAG BESTUURDERSZIJDE
Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen
dat in een speciale ruimte in het midden van het
stuurwiel is geplaatst fig. 128.FRONTAIRBAG PASSAGIERSZIJDE
(voor bepaalde versies/markten)
Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen
dat in een speciale ruimte in het dashboard is
opgeborgen: fig. 129 deze airbag heeft een groter
volume dan de bestuurdersairbag.
fig. 128F0T0052fig. 129F0T0033
132
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 137 of 274

BELANGRIJK
ERNSTIG GEVAAR: Plaats NOOIT een
kinderzitje tegen de rijrichting in op
de passagiersstoel van auto's met een
actieve passagiersairbag. Bij een
ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig
letsel en zelfs de dood van het kind tot gevolg
hebben. Daarom moet de passagiersairbag
altijd uitgeschakeld worden als een kinderzitje
tegen de rijrichting in gemonteerd wordt op
de voorste passagiersstoel. Bovendien moet de
voorste passagiersstoel zo ver mogelijk naar
achteren zijn geschoven om te voorkomen dat
het kinderzitje eventueel in aanraking komt met
het dashboard. Schakel de passagiersairbag
onmiddellijk weer in als het kinderzitje is
verwijderd.
FRONTAIRBAG PASSAGIER EN
KINDERZITJES
Plaats NOOIT een kinderzitje tegen de rijrichting in
op de voorstoel met een actieve passagiersairbag. Als
bij een botsing de airbag wordt opgeblazen, kan dit
leiden tot dodelijk letsel van het kind.
NeemALTIJDde aanwijzingen vermeld op het
etiket fig. 130 op de zonneklep aan passagierszijde in
acht.Handmatige uitschakeling van frontairbag en
zijairbag aan passagierszijde
(voor bepaalde versies/markten)
Als een kind in een kinderzitje dat achterstevoren op
de voorstoel is geplaatst vervoerd moet worden,
schakel dan de frontairbag en de zijairbag aan
passagierszijde uit (voor bepaalde markten/versies).
BELANGRIJK Voor het uitschakelen van de
passagiersairbags (front- en zijairbags, voor bepaalde
versies/markten) wordt verwezen naar de paragraaf
“Display” in het hoofdstuk “Kennismaking met
het instrumentenpaneel”.
Wanneer de passagiersairbags (front- en zijairbags,
voor bepaalde versies/markten) weer worden
ingeschakeld, gaat het waarschuwingslampje uit.
Het controlelampje
op het middelste dashboard
fig. 131 geeft de status van de passagiersbescherming
aan.
fig. 130F0T0950
133
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 142 of 274

BELANGRIJK
In sommige versies gaat in het geval van
een storing van de led
(bevindt zich
op de plaat van het instrumentenpaneel), het
lampje
op het instrumentenpaneel branden
en worden de airbags aan de passagierszijde
uitgeschakeld.
BELANGRIJK
Bedek bij voertuigen met zijairbags de
rugleuning van de voorstoelen niet
met extra hoezen.
BELANGRIJK
Reis niet met voorwerpen op schoot of
voor de borst en houd niets in de mond
(pijp, pen, enz.): deze kunnen ernstig letsel
veroorzaken als de airbag in werking treedt .
BELANGRIJK
Als de contactsleutel in stand MAR
staat , ook wanneer de motor is uitgezet ,
kunnen de airbags ook geactiveerd worden als
de auto door een andere auto wordt
aangereden. Daarom mag, wanneer de
passagiersairbag is ingeschakeld, en ook al staat
de auto stil, GEEN tegen de rijrichting in
gemonteerd kinderzitje op de voorstoel
gemonteerd worden. Als bij een botsing de
airbag wordt opgeblazen, kan dit leiden tot
ernstig letsel en zelfs tot de dood van het kind.
Daarom moet de passagiersairbag altijd
uitgeschakeld worden als een kinderzitje tegen
de rijrichting in gemonteerd wordt op de
voorste passagiersstoel. Bovendien moet de
voorste passagiersstoel zo ver mogelijk naar
achteren zijn geschoven om te voorkomen dat
het kinderzitje eventueel in aanraking komt met
het dashboard. Schakel de passagiersairbag
onmiddellijk weer in als het kinderzitje is
verwijderd. Onthoud tevens dat als de
startinrichting in de stand STOP staat , bij een
ongeval geen enkel veiligheidssysteem (airbags
of gordelspanners) geactiveerd wordt . In dat
geval duidt de uitgebleven activering niet op
een storing van het systeem.
138
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 143 of 274

BELANGRIJK
Laat het airbagsysteem controleren door
een Fiat Servicenetwerk als de auto
gestolen werd, bij poging tot diefstal of indien
de auto aan vandalisme of een overstroming
onderworpen is geweest .
BELANGRIJK
Wanneer de contactsleutel naar de
stand MAR wordt gedraaid, gaat het
waarschuwingslampje
(bij actieve frontairbag
aan passagierszijde) op het middelste
dashboard enkele seconden knipperen, om
eraan te herinneren dat de passagiersairbag bij
een botsing geactiveerd wordt . Hierna moet
het lampje doven.
BELANGRIJK
De activeringsdrempel van de airbag is
hoger dan die van de gordelspanners. Bij
aanrijdingen die tussen deze twee
drempelwaarden liggen, is het normaal dat
alleen de gordelspanners in werking treden.
BELANGRIJK
De airbag vervangt niet de
veiligheidsgordels, maar verhoogt hun
doeltreffendheid. Omdat de frontairbags niet
worden ingeschakeld bij frontale botsingen
bij lage snelheden, zijdelingse botsingen,
botsingen achterop en over de kop slaan,
worden de inzittenden in die gevallen
uitsluitend door de veiligheidsgordels
beschermd, die dus altijd gedragen moeten
worden.
139
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 144 of 274

STARTEN EN RIJDEN
MOTOR STARTEN
De auto is uitgerust met een elektronische
startblokkering: zie bij startproblemen de paragraaf
"Fiat CODE" in het hoofdstuk "Dashboard en
bediening".
Direct na het starten van de motor, vooral als de
auto langere tijd niet is gebruikt, kan de motor iets
meer geluid produceren. Dit geluid, dat niet
schadelijk is voor de werking van de motor, wordt
veroorzaakt door de hydraulische klepstoters: het
distributiesysteem van de auto dat bijdraagt aan een
vermindering van de onderhoudswerkzaamheden.
Het verdient aanbeveling om gedurende
de eerste kilometers niet de maximale
prestaties van uw auto te eisen (bijv. snel
accelereren, langdurig rijden met hoge
toerentallen, krachtig remmen enz.).
Laat de contactsleutel niet in stand MAR
staan als de motor stilstaat , zodat de
accu niet onnodig wordt ontladen.
BELANGRIJK
Het is gevaarlijk om de motor te laten
draaien in een afgesloten ruimte. De
motor verbruikt zuurstof en produceer t
kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige
gassen.
BELANGRIJK
Houd er rekening mee dat de rem- en de
stuurbekrachtiging niet werken zolang
de motor niet is aangeslagen, waardoor meer
kracht nodig is voor de bediening van het
rempedaal en het stuur.
BENZINEMOTOR STARTEN
Ga als volgt te werk:
trek de handrem aan;
zet de versnellingspook in de vrijstand;
trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het
gaspedaal in te trappen;
draai de contactsleutel in stand AVV en laat de
sleutel los zodra de motor is aangeslagen.
140
KENNISMAKING
MET DE AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER