ESP Hyundai Genesis Coupe 2013 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2013, Model line: Genesis Coupe, Model: Hyundai Genesis Coupe 2013Pages: 443, PDF Size: 39.11 MB
Page 302 of 443

435
Kenmerken van uw auto
Rolgordijn
Het zonnescherm wordt automatisch met
het glaspaneel geopend wanneer dit
openschuift. U moet het echterhandmatig sluiten.
OPMERKING
Het zonnescherm schuiftgelijktijdig met het schuif-
/kanteldak open. Laat het zonnescherm niet dichtzitten alshet schuif-/kanteldak geopend is.
OBK049019
OPMERKING
Verwijder van tijd tot tijd het vuil dat zich verzameld heeft op de
geleiderail.
Wanneer u het schuif-/kanteldak probeert te openen bijtemperaturen onder het
vriespunt, of als het dak bedekt is met sneeuw of ijs, kan hetglaspaneel of de motor beschadigd raken.
Wanneer het schuif-/kanteldak gedurende een langere periodewordt gebruikt, kan stof tussenhet schuif-/kanteldak en hetdakpaneel een geluid
veroorzaken.
Open het schuif-/kanteldak enverwijder het stof regelmatig met een schone doek.
Page 306 of 443

439
Kenmerken van uw auto
Binnenspiegel
Stel de binnenspiegel zo af dat u in het
midden van de spiegel het midden van
de achterruit ziet. Stel de spiegel af
voordat u gaat rijden.
Binnenspiegel met dag-/nachtstand
Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en
deze in de dag-stand staat.
Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de
nachtstand te zetten om verblinding door
de koplampen van achteropkomend
verkeer te voorkomen.
Houd er rekening mee dat het beeld in despiegel in de nachtstand minder duidelijk is dan in de dagstand.
Elektrochromatische binnenspiegel
(ECM - Electric chromic mirror) (indien van toepassing)
De elektrochromatische binnenspiegel
voorkomt automatisch verblinding door
achteropkomend verkeer. De sensor in
de spiegel registreert de lichtinval en
absorbeert door middel van een
chemische reactie de weerspiegelingen
van de koplampen van
achteropkomende auto's.
Zodra de motor draait, worden de lichtreflecties automatisch gedimd. Als de selectiehendel in de
achteruitstand (R) wordt gezet, wordt debinnenspiegel in de helderste stand
gezet om het uitzicht naar achteren zo
duidelijk mogelijk te maken.
SPIEGELS
WAARSCHUWING -
Zicht
naar achteren
Zorg er indien mogelijk voor dat het
uitzicht door de achterruit niet
belemmerd wordt.
WAARSCHUWING
Wijzig de binnenspiegel niet en
monteer geen grotere spiegel.
Hierdoor kan tijdens een ongeval of
bij het activeren van de airbagletsel ontstaan.
OPMERKING
Gebruik voor het reinigen van de spiegel een papieren doekje of vergelijkbaar materiaal dat vochtigis gemaakt met glasreiniger. Spuit
niet direct glasreiniger op despiegel. Hierdoor kan er glasreiniger in de spiegel komen.
OBK049115N
Dagstand
Nochtstand
Page 321 of 443

Kenmerken van uw auto
54
4
✽✽
AANWIJZING
Als de auto niet op een horizontaal vlak staat of als de accupolen
losgenomen zijn, kan het gebeuren dat
de functie ACTIERADIUS niet goed
werkt.
Indien er minder dan 6 liter (1,6
gallon) brandstof getankt wordt,
wordt dat niet door de
boordcomputer geregistreerd.
Het brandstofverbruik (indien van toepassing) en de actieradius zijn
sterk afhankelijk van de
rijomstandigheden, de rijstijl van de
bestuurder en de staat van de auto.
De actieradius is een schatting van de
afstand die met de auto gereden kan
worden. Deze waarde kan afwijken
van de werkelijke afstand.
Actueel brandstofverbruik
(l/100km of MPG)
In deze stand wordt iedere paar
seconden het actuele brandstofverbruik
berekend op basis van de afgelegde
afstand en de hoeveelheid ingespoten
brandstof.
✽✽ AANWIJZING
U moet sneller dan 10 km/h (6 mph)
(type A) of 5 km/h (3 mph) (type B)
rijden om deze modus het actuele
brandstofverbruik te laten berekenen.
Gemiddelde snelheid (km/h of MPH)
In deze stand wordt de gemiddelde
snelheid berekend sinds de laatste keerdat de gemiddelde snelheid gereset
werd.
Zolang de motor draait, blijft de
gemiddelde snelheid doorlopen, ook alsde auto stilstaat. Door de RESET - toets langer dan 1
seconde ingedrukt te houden als het
scherm met de gemiddelde snelheid
wordt weergegeven, wordt de
gemiddelde snelheid teruggezet naar nul(---).
OBK042040L
■
Type A ■Type BOBK042041L
■
Type A ■Type B
Page 335 of 443

Kenmerken van uw auto
68
4
Schakelstandindicator
(indien van toepassing)
Schakelstandindicator
automatische transmissie
In het display wordt weergegeven welke
van de stand van de selectiehendel
geselecteerd is.
Schakelstandindicator
handgeschakelde transmissie
Dit controlelampje geeft aan in welke
versnelling u het beste kunt rijden om
brandstof te besparen.
Bijvoorbeeld
: Geeft aan dat opschakelen naar de 3eversnelling wenselijk is.
(De selectiehendel staat in de 2e
versnelling.)
: Geeft aan dat terugschakelen naar de 3e versnelling wenselijk is.
(De selectiehendel staat in de 4e
versnelling.)
Als het systeem niet goed werkt, wordt
de indicator niet weergegeven.
Controlelampje mistlampen vóór (indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden als de
mistlampen vóór worden ingeschakeld.
Controlelampje mistlampen achter
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden als de
mistlampen achter worden ingeschakeld.
Mistachterlicht bevindt zich alleen aan de bestuurderskant.
Waarschuwingslampjelaadsysteem
Dit waarschuwingslampje duidt op een
storing in de dynamo of in hetlaadsysteem.
Handel als volgt als het lampje gaat
branden tijdens het rijden:
1. Rijd naar de dichtstbijzijnde veilige locatie.
2. Schakel de motor uit en controleer of de dynamoriem onvoldoende
spanning heeft of gebroken is.
3. Als de dynamoriem in orde is, bevindt het probleem zich in het laadsysteem.
We adviseren u het systeem te latencontroleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Page 338 of 443

471
Kenmerken van uw auto
Controlelampje ESP(voertuigstabiliteitsregeling)
Het controlelampje EPS gaat branden op het moment dat het contact in stand
ON wordt gezet en moet na ongeveer 3
seconden weer doven. Als de
voertuigstabiliteitsregeling is
ingeschakeld, registreert dit systeem de
rijomstandigheden. Zolang deze normaal
zijn, blijft het controlelampje ESP uit.
Zodra het systeem registreert dat de
wielen door willen gaan slippen, wordt de
voertuigstabiliteitsregeling geactiveerden gaat het controlelampje ESP knipperen.
Maar als het ESP-systeem defect is, gaat
het controlelampje branden en blijft aan.
We adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Controlelampje ESP OFF
Het controlelampje EPS OFF gaat
branden op het moment dat het contact
in stand ON wordt gezet en moet na
ongeveer 3 seconden weer doven. Druk
op de schakelaar ESP OFF om de
voertuigstabiliteitsregeling uit te
schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden om aan te geven dat het
systeem is uitgeschakeld.
Als u de parkeerrem gebruikt om de auto tot stilstand te brengen met het ESP-
systeem in de stand-bystand terwijl de
remmen niet goed werken, wordt het
ESP-systeem uitgeschakeld en gaat hetcontrolelampje ESP OFF mogelijk
gedurende ongeveer 5 minuten branden.
OPMERKING
Gebruik de parkeerrem niet om de
auto tot stilstand te brengen. Doe
dit alleen in een noodgeval.
OPMERKING
Wanneer u langere tijd met een brandend controlelampje
motormanagement blijft doorrijden,kan schade aan deemissieregelsystemen ontstaan. Dit kan een nadelige invloed hebben op
de rijprestaties en/of hetbrandstofverbruik.
OPMERKING
Wanneer het controlelampjemotormanagement gaat branden,
kan de katalysator beschadigd zijn.Hierdoor kan het motorvermogenteruglopen.
We adviseren u het systeem te latencontroleren door een officiëleHYUNDAI-dealer.
Page 353 of 443

Kenmerken van uw auto
86
4
Energiebesparingsfunctie
Deze functie voorkomt dat de accu
ontladen raakt.
Het systeem schakelt de
parkeerverlichting automatisch uit
wanneer de contactsleutel wordt
verwijderd (of de motor uitgezet wordt)
en het bestuurdersportier wordtgeopend.
Door deze functue worden de parkeerlichten ook automatisch
uitgeschakeld als de auto in het donker
langs de kant van de weg geparkeerd
wordt.
Volg onderstaande procedure als de
parkeerlichten moeten blijven branden
wanneer de contactsleutel is
verwijderd (of de motor uitgezet is):
1) Open het portier aan
bestuurderszijde.
2) Schakel de parkeerlichten UIT en AAN met de lichtschakelaar op de
stuurkolom. Follow me home koplampen
(indien van toepassing)
Als u het contact in de stand ACC of OFF
zet met ingeschakelde koplampen,
blijven de koplampen gedurende
ongeveer 5 minuten branden. De
koplampen worden echter 15 seconden
nadat het bestuurdersportier is geopend
of gesloten uitgeschakeld.
De koplampen kunnen worden
uitgeschakeld door tweemaal op de
vergrendeltoets van de
afstandsbediening (of Smart Key) te
drukken of door de lichtschakelaar in de
stand UIT te zetten.
De koplampen worden echt niet
uitgeschakeld wanneer het donker is en
u de lichtschakelaar in de stand Auto zet.
Welkomstfunctie koplampen
(indien van toepassing)
Als u, wanneer de koplampen zijn
ingeschakeld of in de stand AUTO staan
en alle portieren (en de achterklep)
gesloten en vergrendeld zijn, op de
ontgrendeltoets van de
afstandsbediening (of de Smart Key)
drukt, gaan de parkeerlichten gedurende
ongeveer 15 seconden branden. Als u op
de vergrendel- of ontgrendeltoets van de
afstandsbediening (of de Smart Key)
drukt, doven de parkeerlichten direct.
VERLICHTING
OPMERKING
Wanneer de bestuurder het voertuig
via een ander portier dan hetbestuurdersportier verlaat, werkt de
energiebesparingsfunctie niet endoven de follow me home- koplampen niet automatisch.Hierdoor kan de accu ontladen
raken. Schakel in dit geval delampen uit voordat u het voertuigverlaat.
Page 362 of 443

495
Kenmerken van uw auto
✽✽AANWIJZING
Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs alvorens de ruitenwissers te
gebruiken of ontdooi de voorruit
gedurende 10 min. Anders werken de
ruitenwissers mogelijk niet goed en
kunnen ze beschadigd raken.
Als u sneeuw en/of ijs niet verwijdert voordat u de ruitenwissers en
ruitensproeiers gebruikt, kan er
schade ontstaan aan het ruitenwisser-
en ruitensproeiersysteem.Ruitensproeier voorruit
Trek de hendel naar voren om de
ruitensproeier in te schakelen. Als de
ruitenwisser in stand 0 (OFF) staat, zal
deze 1-3 wisslagen maken.
Gebruik deze functie om de voorruit te reinigen.
De ruitensproeier en de ruitenwissers
blijven werken tot u de hendel loslaat.
Controleer het peil van de
ruitensproeiervloeistof als de
ruitensproeiers niet werken. Vul het
reservoir met een geschikte, niet
schurende ruitensproeiervloeistof
wanneer het peil te laag is.
De vulpijp van het reservoir bevindt zich
vooraan in de motorruimte aan
passagierszijde.
OPMERKING
Gebruik de ruitensproeiers niet
wanneer het reservoir leeg is, om
beschadiging van de ruitensproeierpomp te voorkomen.
WAARSCHUWING
Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt
zonder eerst de voorruit met behulp
van de voorruitontwaseming te
hebben verwarmd; de vloeistof kan
anders op de voorruit bevriezen en
uw uitzicht belemmeren.
OPMERKING
Zet de ruitenwisserschakelaar 's winters voor het starten van de
motor in stand 0 (OFF). Als deruitenwissers worden ingeschakeldterwijl de wisserbladenvastgevroren zijn, kunnen deze
beschadigd raken. Verwijder allesneeuw en ijs van de voorruitvoordat de ruitenwissers worden ingeschakeld.
Page 363 of 443

Kenmerken van uw auto
96
4
Koplampsproeier
(indien van toepassing)
Als uw auto is voorzien van een
koplampsproeier, zal deze gelijktijdig met
de ruitensproeier van de voorruit in
werking treden. De sproeier werkt als de
koplampschakelaar in de eerste of
tweede stand staat en het contact/de
startknop in de stand ON staat. De
ruitensproeiervloeistof wordt op de
koplampen gesproeid.
✽✽ AANWIJZING
Controleer regelmatig of de
ruitensproeiervloeistof nog correct op
de koplampen wordt gesproeid.
OBK042255L
OPMERKING
Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om
beschadiging van de wissers ende voorruit te voorkomen.
Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen
in de buurt van de ruitenwisserbladen ombeschadiging te voorkomen.
Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om
beschadiging van deruitenwisserarmen en van andereonderdelen te voorkomen.
Gebruik om mogelijke schade aan het ruitenwisser- en
ruitensproeiersysteem tevoorkomen in de winter of bij lagebuitentemperaturen specialeruitensproeiervloeistof.
Page 380 of 443

Veiligheidsysteem van uw auto
14
3
4. Klap de rugleuning naar de voorzijde
van de auto.
5. Controleer na het rechtop zetten van de rugleuning altijd of de rugleuning
goed is vergrendeld door tegen de
bovenzijde van de rugleuning te
drukken.
6. Plaats de gordel in de geleider.
✽✽ AANWIJZING
Als de veiligheidsgordel tijdens het
neerklappen van de rugleuning
blokkeert, laat dan de veiligheidsgordel
af- en oprollen om de blokkering op te
heffen.
WAARSCHUWING
Bij het terugzetten van de
achterbank in zijn oorspronkelijkepositie nadat de bank is
neergeklapt:
Let erop dat het materiaal van de
gordel of de gesp niet beschadigd
worden. Zorg ervoor dat de gordel of
gesp niet klem komen te zitten.
Controleer of de rugleuning goed
vergrendeld is door tegen de
bovenzijde van de rugleuning te
drukken. Anders kan bij eenaanrijding of noodstop de
rugleuning naar voren klappen,
waardoor de bagage in het
passagierscompartiment terecht
kan komen en de inzittenden ernstigletsel zouden kunnen oplopen.
OBK032015
OPMERKING
- Veiligheidsgordels achter
Vergeet niet bij het omhoog klappen van de rugleuning de
schoudergordels in de juistepositie te plaatsen.
Controleer na het omhoog klappen van de rugleuning achter
of de achterbank is vergrendeld.
Page 384 of 443

Veiligheidsysteem van uw auto
18
3
Wanneer de veiligheidsgordel van de
bestuurder niet vastgemaakt is, zal
gedurende ongeveer 6 seconden een
waarschuwingszoemer klinken zodra het
contact in stand ON wordt gezet. Dit
gebeurt ook als de veiligheidsgordel
weer losgemaakt wordt als het contact in
stand ON staat. In dat geval stopt de
zoemer onmiddellijk als de
veiligheidsgordel is vastgemaakt. Type B
Als herinnering voor bestuurder en
voorpassagier brandt telkens als het
contact in stand ON wordt gezet het
waarschuwingslampje van de
veiligheidsgordels gedurende 6seconden, ongeacht of de gordels zijn
vastgemaakt.
Wanneer de veiligheidsgordel van de
bestuurder of voorpassagier niet
vastgemaakt is als het contact in stand ON
wordt gezet, zal het waarschuwingslampje
gaan branden.
Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel
weer losgemaakt wordt als het contact instand ON staat.
Als u de veiligheidsgordel nog steeds
niet draagt en de rijsnelheid hoger wordt
dan 9 km/h, zal het brandende
waarschuwingslampje gaan knipperen
totdat de rijsnelheid lager wordt dan 6km/h.
Als u door blijft rijden zonder dat u de
veiligheidsgordel draagt en sneller gaat
rijden dan 20 km/h, zal de
waarschuwingszoemer gedurende
ongeveer 100 seconden klinken en zal het
desbetreffende waarschuwingslampje
gaan knipperen.
Driepuntsgordel
Vastmaken van uw gordel:
Trek de gordel uit de blokkeerautomaat en plaats de metalen gesp (1) in de
gordelsluiting (2). Wanneer de gesp in de
gordelsluiting vergrendelt, is een klik
hoorbaar.
De veiligheidsgordel kan zich alleen automatisch tot de juiste lengte oprollenals u eerst handmatig het heupgedeelte
van de gordel strak over uw heupen trekt.
Als u zich langzaam voorover beweegt,rolt de gordel af en heeft u een maximale
bewegingsruimte. Bij een noodstop of
een aanrijding echter zal de gordel
geblokkeerd worden. Daarnaast zal de
gordel blokkeren wanneer u te snel naar
voren buigt.
B180A01NF-1