ESP Hyundai Genesis Coupe 2013 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2013, Model line: Genesis Coupe, Model: Hyundai Genesis Coupe 2013Pages: 443, PDF Size: 39.11 MB
Page 73 of 443

Onderhoud
56
7
Dashboard (zekeringkast bestuurderszijde)
Naam zekeringSymboolStroomsterkte
zekeringBeveiligd onderdeel
AUDIO15AAudiosysteem, A/V- en navigatiesysteem, multimeter, multimonitor, monitor vóór
DRV P/SEAT30ASchakelaar handmatige verstelling bestuurdersstoel,
schakelaar lendesteun bestuurdersstoel
HAZARD15ABCM
PDM 125APDM
ROOM LP10APortierverlichting bestuurderszijde/voorpassagierszijde, bagageruimteverlichting,
dorpelverlichting, make-upspiegelverlichting links/rechts, leeslampje
C/LIGHTER15A12V-aansluiting vóór
MEMORY 110A
BCM, diagnosestekker, automatische verlichting en lichtsensor,
schakelaar contactslotverlichting en waarschuwingsschakelaar portier,
instrumentenpaneel (controlelampje MICOM), module klimaatregeling,
schakelaar elektrisch verstelbare buitenspiegel
MEMORY 27,5ARF-ontvanger
ABS7,5AVerbindingsblok E/R links (multifunctionele servicestekker), ESP-module,
ESP en PAS/schakelaar mistachterlicht, stuurhoeksensor
A/BAG IND7,5AInstrumentenpaneel (controlelampje airbag)
A/BAG15AAirbagmodule
B/UP LP15ASchakelaar achteruitrijlicht, transmissie-ECU, transmissiestandschakelaar
Page 76 of 443

759
Onderhoud
Hoofdzekeringkast motorruimte
Naam zekeringSymboolStroomsterktezekeringBeveiligd onderdeel
MULTI-
ZEKERING
C/FAN60ARelais koelventilator (hoog), relais koelventilator (laag)
B+160ASmart Junction-box (zekering - F31/F32/F33/F34/F35, IPS 2, IPS-module)
BLOWER40ASmart Junction-box (aanjagerrelais)
ABS240AMultifunctionele servicestekker, ESP-module
ABS140AMultifunctionele servicestekker, ESP-module
ALT150ADynamo, MULTIZEKERING - F1/F2/F3/F4/F5, zekering - F12/F13/F14/F15/F18
RR HTD40ARR HTD-RELAIS
B+260ASmart Junction-box (Zekering - F3/F4/F20/F21/F29/F30, IPS 1, ARISU 2, IPS-module)
B+360ASmart Junction-box (automatische lekstroomonderbreking, relais automatische
lekstroomonderbreking, zekering - F1/F2/F5/F7/F8, ARISU 1, IPS-module)
ZEKERING
IG230AStartrelais, relais IG2, contact
IG140ARelais IG1, relais ACC, contact
S/ROOF FRT20ARegelmodule schuif-/kanteldak
Page 84 of 443

767
Onderhoud
✽✽AANWIJZING
Gasontladingslampen hebben een
langere levensduur dan
halogeenlampen. Gasontladingslampen
gaan volgens schatting van de fabrikant
twee keer zo lang of langer mee dan
halogeenlampen, afhankelijk van de
gebruiksfrequentie. Ze zullen
waarschijnlijk wel op enig moment in
het leven van de auto moeten worden
vervangen. Vaker in- en uitschakelen
van de koplampen dan gebruikelijk
verkort de levensduur van de
gasontladingslampen.
Gasontladingslampen raken niet op
dezelfde manier defect als
halogeenlampen. Als de koplamp
uitgaat na een werkingsperiode, maar
direct weer gaat branden als de
koplampschakelaar wordt bediend,
moet de gasontladingslamp
waarschijnlijk worden vervangen.
Gasontladingslampen zijn complexer
dan de conventionele halogeenlampen
en hebben dus hogere
vervangingskosten.
Afstellen van koplampen en
mistlampen voor
Afstellen koplampen
1. Breng de banden op de voorgeschreven spanning en verwijder
alle lading uit de auto behalve het
reservewiel en het gereedschap. Laatiemand in de auto plaatsnemen op debestuurdersstoel.
2. De auto moet op een vlakke ondergrond staan.
3. Trek verticale lijnen (lijnen die door het hart gaan van de respectievelijke
koplamp) en een horizontale lijn (die
door het hart gaat van de koplamp) op
het scherm. 4. Controleer of de accu voldoende
geladen is, schakel de koplampen in
en stel de koplampen zo af dat het
helderste gedeelte van de lichtbundel
op de horizontale en verticale lijnen
valt.
5. Verdraai de schroevendraaier (1) rechtsom of linksom om de
dimlichtbundel naar links of rechts te
verstellen.
Verdraai de schroevendraaier (2) rechtsom of linksom om de
dimlichtbundel omhoog of omlaag te
verstellen.
OBK072058
Page 98 of 443

781
Onderhoud
Roestgevoelige gebieden
Als u in een gebied woont waar uw auto
regelmatig wordt blootgesteld aan
factoren die roestvorming bevorderen, is
bescherming tegen roest uitermate
belangrijk. Een aantal veel voorkomende
oorzaken van versnelde corrosie zijn
strooizout, stofwerende chemicaliën,
zeelucht en luchtverontreiniging.Vocht werkt roest in de hand
Vocht creëert omstandigheden
waaronder roestvorming gemakkelijk
optreedt. Roestvorming wordt
bijvoorbeeld bevorderd door een hoge
luchtvochtigheid, met name als de
temperatuur net boven het vriespunt ligt.
Onder zulke omstandigheden blijven
agressieve stoffen in contact met de auto
omdat het vocht langzaam verdampt.
Modder is zeer corrosief omdat het
langzaam droogt en vocht in contact
houdt met de auto. Hoewel de modder
droog lijkt te zijn, zit er nog steeds vocht
in dat roestvorming bevordert.
Hoge temperaturen versnellen ook het
roesten van delen die niet goed
geventileerd waardoor het vocht niet
wordt afgevoerd. Daarom is het zeer
belangrijk uw auto schoon en vrij te
houden van modder en andere
vuilophopingen. Dit geldt niet alleen voor
zichtbare oppervlakken maar met name
ook voor de onderkant van de auto.
Voorkomen van roest
U kunt een bijdrage leveren aan het
voorkomen van roest door in eerste
instantie te letten op het volgende:Houd uw auto schoon De beste manier om roest tegen te gaan
is uw auto schoon te houden en vrij van
agressieve stoffen. Aandacht voor de
onderkant van de auto is zeer belangrijk.
Als u in een gebied woont waar de
kans op roestvorming groot is - waar
strooizout wordt gebruikt, dicht bij de
zee, gebied met luchtverontreiniging,
etc.-, dient u extra aandacht te
besteden aan het voorkomen van
roest. Spuit de onderkant van de autoin de winter ten minste eenmaal per
maand schoon en reinig de onderkant
aan het einde van de winter grondig.
onderkant extra aandacht aan de
delen onder de spatschermen enandere delen die zich uit het zicht
bevinden. Reinig de onderkant
grondig. Alleen bevochtigen van de
modder in plaats van deze te
verwijderen zal de vorming van roest
juist versnellen in plaats van
voorkomen. Hoge waterdruk en stoom
zijn zeer effectief voor het verwijderen
van opgehoopte modder en andere
agressieve stoffen.
Page 101 of 443

Onderhoud
84
7
EMISSIEREGELSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
Op het emissieregelsysteem van uw auto
is een aangepaste garantieregeling van
toepassing. Raadpleeg de garantie-
informatie in het boekje Garantie &
Onderhoud voor meer informatie.
Uw auto is uitgerust met een emissieregelsysteem om aan alle
emissienorm te voldoen.
Er zijn drie emissieregelsystemen, namelijk:
(1) Carterventilatiesysteem
(2) Brandstofdampafzuigsysteem(3) Emissieregelsysteem
Om de goede werking van de
emissieregelsystemen te garanderen, is
het aan te raden uw auto door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten
controleren en onderhouden volgens het
onderhoudsschema in dit boekje. Opmerking bij controle en onderhoud(met ESP)
Om overslaan van de motor tijdens
het testen op een rollenbank te
voorkomen, moet het ESP-systeem
worden uitgeschakeld door de ESP-
schakelaar in te drukken.
Schakel na de rollenbanktest het ESP-systeem weer in door
nogmaals op de ESP-schakelaar tedrukken. 1. Carterventilatiesysteem
Het carterventilatiesysteem voorkomt dat
lekgassen uit het carter in de atmosfeer
terechtkomen. Bij dit systeem wordt
schone, gefilterde lucht via de
luchtinlaatslang naar het carter gevoerd.
In het carter wordt de lucht vermengd
met de lekgassen en vervolgens via de
PCV-klep naar het luchtinlaatsysteem
gevoerd.
2. Brandstofdampafzuigsysteem
Het brandstofdampafzuigsysteem is
ontworpen om te voorkomen dat
brandstofdampen in de atmosfeer
terechtkomen.
Page 112 of 443

Wat te doen in een noodgeval
8
6
ALS DE MOTOR OVERVERHIT RAAKT
Als uw temperatuurmeter een te hoge
temperatuur aangeeft, als u een
vermogensverlies bespeurt of wanneer uluid kloppende of pingelende geluiden
hoort, is de motor waarschijnlijk
oververhit geraakt. Als dat gebeurt moetu:
1. De auto zo snel mogelijk op een veilige plaats tot stilstand brengen.
2. De selectiehendel in stand P (automatische transmissie) of de
vrijstand (handgeschakelde
transmissie) zetten en de parkeerrem
activeren. De airconditioning
uitschakelen als deze ingeschakeld is.
3. Zet de motor uit als er koelvloeistof onder de auto uitloopt of stoom onder
de motorkap vandaan komt. Open de
motorkap niet zolang er nog
koelvloeistof onder de auto uitloopt of
stoom onder de motorkap vandaan
komt. Laat de motor draaien als er
geen koelvloeistof of stoom te zien is
en controleer of de koelventilator
draait. Zet de motor uit als de
koelventilator niet draait. 4. Controleer of de aandrijfriem voor de
waterpomp aanwezig is. Controleer als
dat het geval is of de aandrijfriem
voldoende gespannen is. Controleer
als de aandrijfriem in orde lijkt of er
koelvloeistof lekt uit de radiateur, de
slangen of onder de auto. (Als de
airconditioning ingeschakeld was, is
het normaal dat er water onder deauto uitloopt als u de auto tot stilstandbrengt.) 5. Zet de motor onmiddellijk uit als de
ventilatorriem gebroken is of als er
koelvloeistof lekt en neem contact op
met een officiële HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Voorkom letsel en zorg ervoor dat
uw haar, handen en kleding niet in
aanraking komen met bewegende
onderdelen van de motor zoals de
koelventilator en de aandrijfriemenals de motor draait.
WAARSCHUWING
Verwijder de radiateurdop nooit als
de motor heet is. Hierdoor kan er
koelvloeistof naar buiten spuiten
en kunt u ernstige brandwondenoplopen.
Page 134 of 443

5
Vóór het rijden / 5-3
Standen contactslot / 5-5
Toets ENGINE START/STOP / 5-8
Handgeschakelde transmissie / 5-13
Automatische transmissie / 5-18
Remsysteem / 5-26
Cruise control-systeem / 5-38
Brandstofbesparing / 5-42
Rijden onder speciale rijomstandigheden / 5-44
Rijden in de winter / 5-49
Massa van de auto / 5-54
Rijden met een aanhanger / 5-55
Rijden met uw auto
Page 155 of 443

Rijden met uw auto
22
5
Gebruik van de selectiehendel
Opschakelen (+) : Druk de
selectiehendel één
keer naar voren om
één versnelling op te
schakelen (1).
Terugschakelen (-) : T rek de
selectiehendel één
keer naar achteren
om één versnelling
terug te schakelen(2).
Gebruik van de shift paddles aan het
stuurwiel (indien van toepassing)
Opschakelen (+) : Trek één keer aan de rechter shift paddle
om één versnelling op
te schakelen (3).
Terugschakelen (-): Trek één keer aan de linker shift paddle
om één versnelling
terug te schakelen(4).
✽✽AANWIJZING
Wanneer de selectiehendel in stand P, N
of R staat, kunt u niet met de shift
paddles aan het stuurwiel een andere
versnelling inschakelen. Als u in de
sportstand gelijktijdig aan de linker en
rechter shift paddle trekt, kunt u geen
andere versnelling inschakelen. ✽
✽
AANWIJZING
In de sportstand moet de bestuurder zelf opschakelen overeenkomstig de
rijomstandigheden en ervoor zorgen
dat het motortoerental beneden het
rode gebied blijft.
In de sportstand kunnen alleen de 8 versnellingen vooruit gekozen
worden. Zet de selectiehendel in stand
R of P om de auto respectievelijk
achteruit te rijden of te blokkeren bij
het parkeren.
In de sportstand wordt automatisch
teruggeschakeld wanneer de auto
snelheid mindert. Als de auto tot
stilstand komt, wordt automatisch de
eerste versnelling ingeschakeld.
Als in de sportstand het motortoerental in het rode gebied
raakt, schakelt de transmissie
automatisch op.
Om de voorgeschreven prestaties en veiligheid te waarborgen, wordt er
soms niet geschakeld wanneer de
selectiehendel wordt bediend.
Druk de selectiehendel naar voren (+) bij het wegrijden op een glad wegdek.
Hierdoor schakelt de transmissie naar
de 2e versnelling, die beter geschikt is
voor het soepel wegrijden op een
gladde ondergrond. Trek de
selectiehendel naar achteren (-) om de
eerste versnelling weer in te
schakelen.Schakelblokkeersysteem
(indien van toepassing)
De automatische transmissie heeft een
schakelblokkeersysteem dat voorkomtdat de selectiehendel uit stand P
(parkeren) in stand R (achteruit) kan
worden gezet zonder dat het rempedaal
is ingetrapt.
Schakelen van stand P (parkeren) naar
stand R (achteruit):
1. Houd het rempedaal ingetrapt.
2. Start de motor of zet het contact in stand ON.
3. Houd de ontgrendelknop van de selectiehendel ingedrukt.
4. Verzet de selectiehendel.
Als het rempedaal herhaaldelijk wordt
ingetrapt en losgelaten met de
selectiehendel in de stand P, kan een
ratelend geluid bij de selectiehendel
worden gehoord. Dit is een normaal
verschijnsel.
Page 162 of 443

529
Rijden met uw auto
Controleer of het waarschuwingslampje
van het remsysteem werkt door het
contact in stand ON te zetten (start de
motor niet). Dit lampje gaat branden
wanneer het contact in stand START of
ON wordt gezet en de parkeerrem is
geactiveerd.
Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het
wegrijden vrij is en controleer of het
waarschuwingslampje van het
remsysteem niet brandt.
Als het waarschuwingslampje van het
remsysteem blijft branden nadat de
parkeerrem vrij is en de motor draait, kan
er een storing in het remsysteem zijn.Laat dit direct controleren. Breng de auto indien mogelijk direct tot
stilstand. Als dat niet mogelijk is, rijdt dan
erg voorzichtig door naar een plaats
waar u wel kunt stoppen.Antiblokkeersysteem (ABS)
WAARSCHUWING
ABS (of ESP) kan geen ongelukken
voorkomen die het gevolg zijn van
gevaarlijk rijgedrag. Hoewel de autobij een noodstop beter onder
controle gehouden kan worden, is
het toch noodzakelijk voldoende
afstand tot uw voorligger te
bewaren. U moet uw rijsnelheidaltijd aanpassen aan deomstandigheden en zo nodig uw
snelheid verlagen.
De remweg van auto’s met ABS (of
ESP) kan in de volgende situaties
langer zijn dan van auto’s zonder
een dergelijk systeem.
Rijd in dergelijke situaties met een
gereduceerde snelheid:
Op slechte wegen, wegen met steenslag of wegen die met sneeuw bedekt zijn.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als er sneeuwkettingengemonteerd zijn.
Op wegen met kuilen of met hoogteverschillen.
Probeer de werking van het ABS (of
ESP) van uw auto niet uit bij hoge
snelheden of tijdens het nemen van
een bocht. Hiermee kunt u zichzelf
en anderen in gevaar brengen.
WK-23
Page 164 of 443

531
Rijden met uw auto
✽✽AANWIJZING
Als u de auto met een hulpaccu moet
starten doordat de accu is leeggeraakt,
draait de motor mogelijk niet soepel
rond en kan bovendien het
waarschuwingslampje ABS gaan
branden. Dit komt door de lage
accuspanning. Het betekent niet dat er
een storing in het ABS is.
Rem niet “pompend”!
Laat de accu bijladen voordat u wegrijdt.
Voertuigstabiliteitsregeling
(ESP - Electronic stability
program) (indien van toepassing)
Het ESP-systeem is ontworpen om de
stabiliteit van de auto in bochten te
verbeteren. Het ESP controleert in welke
richting u stuurt en in welke richting de
auto daadwerkelijk beweegt. Het ESP remt de wielen gericht af en
grijpt indien nodig in in het
motormanagementsysteem om de autote stabiliseren.
OPMERKING
Als u op een weg rijdt waar erg
weinig grip is, bijvoorbeeld bij
vorst, en voortdurend de remmenbedient, is het ABS voortdurendin werking en kan het waarschuwingslampje ABS gaan
branden. Zet de auto stil op eenveilige plaats en zet de motor uit.
Start de motor opnieuw. Als het waarschuwingslampje ABS dooft,
is het ABS in orde. Anders is ermogelijk een storing in het ABS.We adviseren u contact op tenemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Rijd niet harder dan de toestand van
de weg toelaat en neem bochten
niet met een te hoge snelheid. De
voertuigstabiliteitsregeling (ESP)
kan aanrijdingen niet voorkomen. Te
hoge bochtensnelheden, abrupteuitwijkmanoeuvres en aquaplaningop een nat wegdek kunnen nog
steeds leiden tot ernstige
ongelukken. Alleen een bestuurderdie veilig en oplettend rijdt kan
aanrijdingen voorkomen doormanoeuvres te vermijden die
kunnen leiden tot het verlies van
grip van de banden. Neem ook bij
een auto die is uitgerust met ESP de
normale voorzorgsmaatregelen in
acht en pas uw snelheid altijd aanaan de omstandigheden.
OBK059011
OBK052011L
Type A
Type B