display FIAT 500 2018 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2018, Model line: 500, Model: FIAT 500 2018Pages: 224, PDF Size: 3.92 MB
Page 29 of 224

27
HOOGTEREGELING
KOPLAMPEN
Druk, met de contactsleutel in de stand
MAR en ingeschakeld dimlicht, op de
knop + om de koplampen omhoog te
verstellen of op de knop – om de
koplampen omlaag te verstellen.
BANDEN RESETTEN
(ITPMS RESETTEN)
(voor bepaalde versies/markten)
Met deze functie kan het iTPMS
gereset worden (zie paragraaf
“iTPMS”). Ga als volgt te werk om de
Resetprocedure uit te voeren:
❒ druk kort op de knop MENU
N: op
het display wordt “Reset”
weergegeven;
❒ druk op knop + of – om (“Ja” or
“Nee”) te selecteren; er verschijnt
een speciaal
resetbevestigingsbericht;
❒ druk kort op de knop MENU
N:
op het display wordt “Bevestigen”
weergegeven;
DE SLEUTELS
1) 1) 1)
CODE-CARD
(voor bepaalde versies/markten)
Bij de auto worden twee
contactsleutels samen met de CODE-
card fig. 7 geleverd, waarop de volgens
gegevens staan:
A: de elektronische code;
B: de mechanische code voor de sleutels
die bij aanvraag van duplicaatsleutels
aan het Fiat Servicenetwerk moet
worden gegeven.
Zorg ervoor dat u de elektronische code
van de CODE-card altijd bij u hebt.
BELANGRIJK Bij verkoop van de auto,
moeten alle sleutels en de CODE-card
aan de nieuwe eigenaar overhandigd
worden.
MECHANISCHE SLEUTEL
De metalen baard A-fig. 8 activeert:
❒ de contactschakelaar;
❒ de sloten van de portieren en de
achterklep (voor bepaalde
versies/markten);
❒ de vergrendeling/ontgrendeling van
de tankdop.
SLEUTEL MET
AFSTANDSBEDIENING
(voor bepaalde versies/markten)
De metalen baard A-fig. 9 activeert:
❒ de contactschakelaar;
❒ de sloten van de portieren;
❒ het vergrendelen/ontgrendelen van
de brandstofdop.
7DVDF0S0103c
8DVDF0S0104c
Page 38 of 224

KENNISMAKING MET DE AUTO
36
De inschakeltijd van de koplampen kan
worden ingesteld door de hendel één of
meerdere keren naar het stuurwiel te
trekken (onstabiele positie). In dit geval
kan er gekozen worden uit 0, 30, 60, 90
tot maximaal 210 seconden. Elke keer
als de hendel wordt bediend, gaat het
waarschuwingslampje
3op het
instrumentenpaneel branden. Op het
display verschijnt een bericht en de voor
de functie ingestelde tijdsduur.
Het lampje
3gaat branden wanneer
de hendel voor het eerst wordt bediend
en blijft branden totdat de functie
automatisch wordt uitgeschakeld.
Uitschakelen
De functie kan worden uitgeschakeld
door de koplampen of het stadslicht in
te schakelen, of door de linkerhendel
langer dan 2 seconden naar het
stuurwiel te trekken (onstabiele positie),
of door de startinrichting op MAR te
zetten.
AUTO FUNCTIE
(Schemersensor)
(voor bepaalde versies/markten)
Dit is een infrarood-LEDsensor die samen
met de regensensor werkt. Hij bevindt
zich op de voorruit (fig. 25) en kan
variaties in het buitenlicht detecteren op
basis van de lichtgevoeligheid die
ingesteld is in het Menu van het display
of het Uconnect™ 5" of 7" HD systeem
(waar voorzien).
Hoe hoger de gevoeligheid, des te
minder buitenlicht er nodig is om de
buitenverlichting automatisch in te
schakelen.
25DVDF0S0215c
Inschakeling van de functie
Zet de linker hendelring fig. 26 in de
AUTO-stand.
BELANGRIJK: De functie kan alleen
worden ingeschakeld met de
startinrichting in stand MAR.
Uitschakeling van de functie
Om de functie uit te schakelen, de
linker hendelring A naar stand 2
draaien.
26DVDF0S0216c
Page 40 of 224

KENNISMAKING MET DE AUTO
38
Bij ingeschakelde ruitenwisser voor en
ingeschakelde achteruitversnelling, is
de werking van de achterruitwisser op
dezelfde wijze continu.
“Intelligente” wis-/wasfunctie
❒ Trek de hendel naar het dashboard
en houd hem in deze stand om de
achterruitsproeier in te schakelen.
REGENSENSOR
(voor bepaalde versies/markten)
4)
De sensor wordt geactiveerd wanneer
startinrichting op MAR is gedraaid en
wordt gedeactiveerd in de STOP
stand.
29DVDF0S0217c
Dit is een systeem achter de
binnenspiegel fig. 30 in contact met de
voorruit. Deze kan de aanwezigheid
van regen meten en dientengevolge
het automatisch ruitenwissen beheren
afhankelijk van de hoeveelheid water
op de voorruit.
BELANGRIJK Houd de ruit rond de
sensor schoon.
AUTOMATISCH WISSEN
(voor bepaalde versies/markten)
Inschakelen
De gebruiker kan automatisch wissen
kiezen door het bewegen van het
rechter stuur fig. 28 naar de AUTO (B)
positie. De bestuurder wordt
geïnformeerd over de inschakeling van
de automatische wisregeling door een
enkele slag van de ruitenwissers.
30DVDF0S0215c
Gevoeligheidsaanpassing
De regensensorgevoeligheid kan
worden aangepast via het displaymenu
of op het UconnectTM 5" of 7”
systeem.
Blokkering
Als de starterschakelaar naar de
STOP-positie wordt bewogen en de
rechterstuurwielhendel in de AUTO (B)
positie laat, wanneer het voertuig de
volgende keer wordt gestart
(startschakelaar in de MAR-positie),
kan geen wiscyclus schade aan het
systeem voorkomen als de voorruit
handmatig wordt gewassen of als er ijs
op zit. Om de automatische wismodus
in te schakelen:
❒ De rechter stuurwielhendel in een
andere positie zetten dan AUTO en
dan terug naar de AUTO-positie;
❒ door harder dan 5 km/h te rijden,
wanneer de sensor regen
detecteert.
Uitschakelen
De gebruiker kan automatisch wissen
uitschakelen door het rechter stuurwiel
naar een andere positie dan de AUTO-
positie te bewegen.
Page 47 of 224

45
BAGAGERUIMTE 13)
ELEKTRISCH BEDIENDE
HANDGREEP
(SOFT TOUCH)
❒ Bedien de elektrische handgreep
A-fig. 41 om de achterklep te openen.
❒ Gebruik de metalen baard van de
contactsleutel om het slot
handmatig te ontgrendelen.
❒ Druk op de knop Rom het slot
met de afstandsbediening te
ontgrendelen.
❒ Gebruik de handgreep aan de
binnenkant van de achterklep om
deze te sluiten.
❒ Als de achterklep niet goed is
gesloten, gaat het hiervoor
bestemde lampje (indien aanwezig)
op het instrumentenpaneel of het
kleurendisplay branden.
41DVDF0S025c
Openen achterklep bij volledig
geopend vouwdak
❒ Druk één maal op de one-touch toets
A-fig. 41 om het vouwdak
automatisch tot de spoilerstand te
sluiten. Bij het bereiken van de
spoilerstand wordt het slot van de
achterklep ontgrendeld.
Achterklep in geval van nood
openen
Ga als volgt te werk om de achterklep
vanuit het interieur te openen
(wanneer de accu leeg is of bij een
storing in het elektrische
vergrendelsysteem van de achterklep):
❒ verwijder de achterste
hoofdsteunen;
❒ klap de rugleuningen naar voren;
❒ druk op het hendeltje A-fig. 42 in de
bagageruimte.
42DVDF0S026c
IMPERIAAL/SKI
DRAGER 14) 7)
BEVESTIGINGSPUNTEN
De bevestigingspunten bevinden zich
in de zones getoond in fig. 43.
43DVDF0S178c
Om de voorste te gebruiken, verwijder
de afdekking A fig. 43, toegankelijk
met het portier open.
De achterste bevestigingszones B
kunnen gevonden worden op basis
van de afmetingen afgebeeld in fig. 44.
Lineaccessori Mopar
®levert een
specifiek imperiaal/skidrager voor de
achterklep.
Page 49 of 224

47
BEDIENINGS-
ELEMENTEN17)
ELEKTRISCHE
STUURBEKRACHTIGING
“DUALDRIVE”
(voor bepaalde versies/markten)
❒ Druk met de sleutel in de stand
MAR op de op de Dualdrive knop
A-fig. 47 om de CITY-functie in te
schakelen. Op het
instrumentenpaneel gaat het
opschrift CITY branden.
❒ Met de CITY-functie is de
benodigde kracht die op het
stuurwiel wordt gezet lichter,
waardoor parkeermanoeuvres
worden vereenvoudigd.
❒ Druk opnieuw op de knop om de
functie uit te schakelen.
47DVDF0S179c
ECOFUNCTIE
(voor bepaalde versies/markten)
❒ Druk, met de contactsleutel in de
stand MAR, op de ECO
B-knop – fig. 47 om de functie in te
schakelen. Het woord ECO
verschijnt op het display of er
wordt, afhankelijk van de versie,
een speciaal scherm weergegeven.
❒ Bij geactiveerde functie, is de auto
ingesteld voor het rijden in de stad,
wat gekenmerkt wordt door een
lichter draaiend stuur (Dualdrive-
systeem ingeschakeld) en een
lager brandstofverbruik.
❒ Druk nogmaals op de knop om de
functie uit te schakelen.
Deze functie blijft in het geheugen
opgeslagen en bij de volgende keer
opstarten behoudt het systeem de
instelling die het vóór het afzetten van
de motor had.
SPORTFUNCTIE
(voor bepaalde versies/markten)
❒ Druk, met de contactsleutel in de
stand MAR, op de SPORT
C-knop – fig. 47 om de functie in
te schakelen. Het woord SPORT
op het display gaat branden of er
wordt, afhankelijk van de versie,
een speciaal scherm getoond.❒ Wanneer de functie aan is, wordt
er een sportieve rijstijl-instelling
ingesteld met meer responsieve
acceleratie en waarbij meer kracht
vereist is aan het stuurwiel om een
sportievere rijstijl te produceren.
❒ Druk nogmaals op de knop om de
functie uit te schakelen.
BELANGRIJK Wanneer de functie is
ingeschakeld, kan het stuur tijdens het
accelereren enigszins trillen, wat
kenmerkend is voor een sportieve
instelling.
ALARMKNIPPERLICHTEN
Druk op de knop fig. 48 om de lichten
in/uit te schakelen. Wanneer de
alarmknipperlichten werken, knipperen
de controlelampjes
en.
BELANGRIJK Het gebruik van de
alarmknipperlichten wordt geregeld
door de wegenverkeerswetgeving van
het land waar u rijdt: neem de
wettelijke voorschriften in acht.
Page 51 of 224

49
ESC (Electronic
Stability Control) -
systeem 15)
Dit is een elektronisch systeem dat de
voertuigstabiliteit regelt als de wielen
hun grip verliezen, het helpt de juiste
koers te handhaven.
Het systeem herkent potentieel
gevaarlijke situaties voor de stabiliteit
van de auto en grijpt automatisch en op
gedifferentieerde manier in op de
remmen van de vier wielen door een
stabiliserend koppel te leveren.
Het ESC-systeem bestaat uit de
volgende subsystemen:
❒ HH (Hill Holder): wordt automatisch
ingeschakeld wanneer de auto
stilstaat, op een weg met een
helling groter dan 5%.
❒ ASR (AntiSlip Regulation): Het
systeem grijpt automatisch in als
één of beide aandrijfwielen slippen,
grip verliezen op natte wegen
(aquaplaning) en bij het optrekken
op glad, besneeuwd of met ijzel
bedekt wegdek.
De ASR schakelt automatisch in
wanneer de motor wordt gestart.
Tijdens het rijden kan het ASR-systeem
uitgeschakeld en daarna weer
ingeschakeld worden door op de knop
A fig. 50 te drukken: de inschakeling
van het systeem wordt aangegeven
door het aangaan van de led op de
knop zelf en, bij sommige versies, door
het verschijnen van een bericht op het
display.
❒ HBA (Hydraulic Brake Assist): werkt
automatisch en verbetert de
remcapaciteit van het voertuig
tijdens remmen in noodgevallen.
50DVDF0S0151c
IN WERKING TREDING
VAN HET SYSTEEM
Als het systeem wordt ingeschakeld,
gaat het lampje
Iop het
instrumentenpaneel knipperen, om de
bestuurder te waarschuwen dat de
stabiliteit en de grip van de auto erg
beperkt is.
INSCHAKELING VAN HET
SYSTEEM
Het ESC-systeem wordt automatisch
ingeschakeld wanneer de motor wordt
gestart; het kan niet worden
uitgeschakeld.
Page 52 of 224

KENNISMAKING MET DE AUTO
50
iTPMS-systeem
(indirect Tyre
Pressure
Monitoring System)
(voor bepaalde versies/markten)
48)
RESETPROCEDURE
Het iTPMS-systeem heeft een
“inleerfase” nodig (met een duur die
afhangt van de rijstijl en de
wegomstandigheden: bij optimale
omstandigheden wordt gereden op
een rechte weg met 80 km/h
gedurende minstens 20 minuten) die
begint wanneer de resetprocedure
wordt uitgevoerd.
De resetprocedure moet worden
uitgevoerd:
❒ elke keer dat de bandenspanning
wordt gewijzigd;
❒ wanneer zelfs slechts een wiel
verwisseld wordt;
❒ wanneer er banden worden
gedraaid/omgewisseld;
❒ wanneer het noodreservewiel
wordt gemonteerd.
In enkele situaties, zoals sportief rijden,
bijzondere omstandigheden van het
wegdek (bijv. ijs, sneeuw, onverharde
wegen), kan de signalering vertraagd
worden of kan het gelijktijdige
spanningsverlies van meer dan één
band slechts gedeeltelijk gedetecteerd
worden.
Onder speciale omstandigheden (bijv.
voertuig asymmetrisch beladen aan
één kant, trekken van een aanhanger,
beschadigde of versleten band,
montage van het noodreservewiel,
gebruik van de snelle
bandenreparatieset “Fix&Go”, gebruik
van sneeuwkettingen, verschillende
banden op de assen gemonteerd) kan
het systeem onjuiste indicaties geven
of tijdelijk uitgeschakeld zijn.
Als het systeem tijdelijk uitgeschakeld
is,
nknippert het
waarschuwingslampje ongeveer 75
seconden en blijft daarna continu
branden; tegelijkertijd wordt op het
display een speciaal bericht
weergegeven.
Deze aanduiding wordt ook
weergegeven na het afzetten en
opnieuw starten van de motor, als de
correcte bedrijfsomstandigheden niet
hersteld worden. Pomp, voordat de “Reset”-procedure
wordt uitgevoerd, de banden tot de
juiste bandenspanning op, vermeld in
de bandenspanningstabel (zie de
paragraaf “Wielen” in het hoofdstuk
“Technische gegevens”).
Als de resetprocedure niet wordt
uitgevoerd in alle bovenstaande
gevallen, kan het
nwaarschuwingslampje verkeerde
aanduidingen over een of meer
banden geven.
Om de procedure Reset uit te voeren,
bij stilstaand voertuig en de
contactsleutel op MAR, het
Setupmenu openen (zie de
beschrijving in paragraaf “Display”). Na
afronding van de Resetprocedure
verschijnt op display het bericht “Reset
opgeslagen” wat aangeeft dat het
“inleren” is gestart.
Als het ITPMS inleren niet goed wordt
uitgevoerd, wordt het bericht niet
weergegeven.
WERKINGSCONDITIES
Het systeem is actief bij snelheden van
meer dan 15 km/h.
Page 53 of 224

51
BRANDSTOFAF-
SLUITSYSTEEM 8)
Deze grijpt bij een botsing in en
veroorzaakt het volgende:
❒ de afsluiting van de
brandstoftoevoer waarna de motor
afslaat
❒ automatisch ontgendelen van de
portieren
❒ inschakeling van de
interieurverlichting.
Wanneer het systeem in werking
treedt, verschijnt er een bericht op het
display.
BELANGRIJK Controleer de auto
zorgvuldig op brandstoflekkage,
bijvoorbeeld in de motorruimte, onder
de auto of in de buurt van de tank.
Draai, na een botsing, de
contactsleutel op STOP om te
voorkomen dat de accu leegloopt.
Volg deze procedure om de werking
van de auto te herstellen:
❒ draai de contactsleutel naar MAR;
❒ schakel de richtingaanwijzer rechts
in
❒ schakel de richtingaanwijzer rechts
uit
❒ schakel de richtingaanwijzer links in
❒ schakel de richtingaanwijzer links uit
❒ schakel de richtingaanwijzer rechts
in
❒ schakel de richtingaanwijzer rechts
uit
❒ schakel de richtingaanwijzer links in
❒ schakel de richtingaanwijzer links uit
❒ contactsleutel op de stand OFF
gedraaid
❒ draai de contactsleutel naar MAR.PARKEERSENSOREN
18) 25)
(voor bepaalde versies/markten)
Deze sensoren bevinden zich in de
achterbumper fig. 51 en detecteren de
aanwezigheid van obstakels achter het
voertuig en waarschuwen de
bestuurder met een intermitterend
geluidssignaal.
De frequentie van het geluidssignaal
neemt toe naarmate het obstakel
dichter bij de auto komt. De zoemer
klinkt ononderbroken als de afstand
tussen het voertuig en het obstakel
minder is dan ongeveer 30 cm.
Het blijft constant als de afstand
tussen het voertuig en het obstakel
onveranderd blijft.
Als deze situatie de sensoren aan de
zijkant betreft, zal het signaal na
ongeveer 3 seconden stoppen om,
bijvoorbeeld, aanwijzingen te
voorkomen tijdens manoeuvres langs
een muur.
Wanneer de sensoren meerdere
obstakels signaleren, dan wordt alleen
rekening gehouden met het
dichtstbijzijnde obstakel.
Page 54 of 224

KENNISMAKING MET DE AUTO
52
Versies met kleurendisplay
Wanneer de sensoren worden
ingeschakeld, verschijnt het scherm
van fig. 52 op het display.
De informatie over de aanwezigheid en
afstand van een obstakel ten opzichte
van de auto wordt gegeven door zowel
het geluidssignaal als de weergave op
het instrumentenpaneel.
51DVDF0S0182c
52DVDF0S0459c
Het systeem geeft een gedetecteerd
obstakel aan met de weergave van een
boog in overeenstemming met de
afstand tot het obstakel en de plaats
hiervan ten opzichte van het voertuig.
Als een voorwerp wordt gedetecteerd
in de linker of rechter zone of midden
achter, toont het display een
knipperende boog in de
overeenkomende zone en klinkt er een
geluid.
Terwijl de auto het voorwerp benadert,
toont het display een of meer
knipperende bogen die de auto
benaderen, en het geluid klinkt
frequenter totdat deze onafgebroken
klinkt.
De kleur op het display hangt af van de
afstand van en de positie van het
obstakel.
De auto is dicht bij het obstakel
wanneer er een knipperende rode
boog verschijnt op het display (rechts,
in het midden of links) en een
ononderbroken geluid wordt gehoord.
Wanneer er meerdere obstakels zijn,
wordt het dichtstbijzijnde obstakel
aangegeven.Storingsmeldingen
Alle storingen van de parkeersensoren
worden aangegeven zodra de
achteruitversnelling wordt ingeschakeld
door het aangaan van het lampje
è
(of het verschijnen van het pictogram
top het kleurendisplay) in het
instrumentenpaneel en het
bijbehorende bericht op het display
(voor bepaalde versies/markten.)
Werking met een aanhanger
De werking van de sensoren wordt
automatisch uitgeschakeld als de
stekker van de elektrische kabel van de
aanhanger wordt ingebracht.
Page 55 of 224

53
START&STOP-
SYSTEEM 19)
Het Start&Stop-systeem zet
automatisch de motor af wanneer de
auto stilstaat en start de motor zodra
de bestuurder wil wegrijden.
Dit verhoogt de efficiëntie van het
voertuig dankzij een beperking van het
brandstofverbruik, de uitstoot van
schadelijke uitlaatgassen en de
geluidsoverlast.
BEDIENINGSWIJZE
Afzetten van de motor
❒ Met handgeschakelde
versnellingsbak:bij stationair
draaiende motor, wordt de motor
afgezet als de versnellingspook in
de vrijstand staat en het
koppelingspedaal niet is ingetrapt.
❒ Met Dualogic versnellingsbak:
de motor wordt afgezet als hij stil
staat en het rempedaal is ingetrapt.
Deze toestand kan gehandhaafd
worden zelfs als het rempedaal niet
wordt ingetrapt, maar als de
versnellingspook in de stand N
staat.
OPMERKING: De motor kan alleen
automatisch worden afgezet bij een
snelheid van meer dan 10 km/h, om
herhaaldelijk afzetten van de motor te
voorkomen wanneer erg traag wordt
gereden.
❒ Het lampje
Uop het
instrumentenpaneel geeft aan dat
de motor gestopt is, en bij sommige
versies wordt deze aanduiding op
het display vermeld.
De motor opnieuw starten
❒ handgeschakelde
versnellingsbak:het
koppelingspedaal intrappen.❒ Met Dualogic versnellingsbak:als
de keuzehendel in de stand N, staat,
plaats hem dan in een willekeurige
versnelling, of laat anders het
rempedaal los of verplaats de
keuzehendel naar +, – of R.
HANDMATIG IN- EN
UITSCHAKELEN
❒ Het Start&Stop-systeem kan
ingeschakeld/uitgeschakeld worden
met de toets A - fig. 53 op het
dashboard.
Wanneer het systeem uitgeschakeld
is, gaat het lampje of symbool
T
branden.
❒ Bij sommige versies wordt de
informatie door het display verstrekt.
53DVDF0S0154c